ARREST VAN HET HOF (Tiende kamer)

7 december 2023 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Landbouw – Financiering door het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) – Verordening (EU) nr. 1305/2013 – Steun voor plattelandsontwikkeling – Artikel 29, lid 3 – Biologische landbouw – Financiële steun voor biologische productie tijdens de omschakeling – Begrippen ‚eerste periode’ en ‚omschakelingsperiode’ – Verordening (EG) nr. 889/2008 – Biologische bijenteelt – Minimale omschakelingsperiode – Artikel 38, lid 3 – Verordening (EG) nr. 834/2007 – Artikel 17 – Omschakeling”

In zaak C‑329/22,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) bij beslissing van 27 april 2022, ingekomen bij het Hof op 17 mei 2022, in de procedure

Zamestnik izpalnitelen direktor na Darzhaven fond „Zemedelie”

tegen

IW,

wijst

HET HOF (Tiende kamer),

samengesteld als volgt: Z. Csehi (rapporteur), kamerpresident, M. Ilešič en D. Gratsias, rechters,

advocaat-generaal: A. M. Collins,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

Zamestnik izpalnitelen direktor na Darzhaven fond „Zemedelie”, vertegenwoordigd door I. B. Zareva,

IW, vertegenwoordigd door D. Ormanov, advokat,

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door G. Koleva en A. Sauka als gemachtigden,

gelet op de beslissing, de advocaat-generaal gehoord, om de zaak zonder conclusie te berechten,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van, ten eerste, artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 487) en van, ten tweede, artikel 36, lid 1, artikel 37, lid 1, en artikel 38 van verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PB 2008, L 250, blz. 1).

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de Zamestnik izpalnitelnia direktor na Darzhaven fond „Zemedelie” (plaatsvervangend uitvoerend directeur van het nationale landbouwfonds, Bulgarije) (hierna: „plaatsvervangend uitvoerend directeur”) en IW, geregistreerd als landbouwer, over de weigering van financiële steun in het kader van maatregel 11 „Biologische landbouw” van het Bulgaarse plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014‑2020 (hierna: „betrokken maatregel”), op grond dat IW, als aanvrager van deze steun, de verplichting niet heeft nageleefd om de minimumperioden voor omschakeling naar biologische landbouw niet te overschrijden.

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Verordening nr. 834/2007

3

Overweging 25 van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB 2007, L 189, blz. 1) luidt:

„Om de consument niet te misleiden over de biologische aard van het gehele product, is het […] dienstig het gebruik van het EU-logo te beperken tot producten die alleen of nagenoeg alleen biologische ingrediënten bevatten. Derhalve mag het gebruik ervan niet worden toegestaan bij de etikettering van omschakelingsproducten […].”

4

Artikel 2 van deze verordening, met als opschrift „Definities”, bepaalt:

„In deze verordening zijn de volgende definities van toepassing:

a)

‚biologische productie’: het gebruik van productiemethoden die in overeenstemming zijn met de in deze verordening vastgestelde voorschriften, in alle stadia van de productie, bereiding en distributie;

[…]

f)

‚dierlijke productie’: productie van als huisdier of in gedomesticeerde staat gehouden landdieren (met inbegrip van insecten);

[…]

h)

‚omschakeling’: de overgang van niet-biologische naar biologische landbouw binnen een bepaalde periode, gedurende welke de bepalingen inzake biologische productie worden toegepast;

[…]”

5

Artikel 17 („Omschakeling”) van deze verordening stelt:

„1.   De volgende voorschriften gelden voor een landbouwbedrijf waar begonnen wordt met biologische productie:

a)

de omschakelingsperiode gaat ten vroegste in wanneer de marktdeelnemer van zijn activiteit aan de bevoegde autoriteiten kennis heeft gegeven en zijn biologisch bedrijf overeenkomstig artikel 28, lid 1, aan het controlesysteem heeft onderworpen;

b)

gedurende de omschakelingsperiode zijn alle bij deze verordening vastgestelde voorschriften van toepassing;

c)

er worden specifieke omschakelingsperioden voor specifieke gewassen of dierproducties vastgesteld;

[…]

f)

dieren en dierlijke producten die tijdens de in punt c) bedoelde omschakelingsperiode worden geproduceerd mogen niet op de markt worden gebracht met de in de artikelen 23 en 24 bedoelde aanduidingen voor het etiketteren en de reclame.

[…]”

Verordening nr. 889/2008

6

In overweging 23 van verordening nr. 889/2008 staat te lezen:

„De omschakeling naar de biologische productiemethode vergt bepaalde perioden waarin alle gebruikte middelen op deze productiewijze moeten worden afgestemd. Afhankelijk van de vorige productie van het landbouwbedrijf moet in dit verband voor elke productiesector een specifieke periode worden vastgesteld.”

7

Artikel 36, lid 1, met als opschrift „Planten en plantaardige producten”, dat behoort tot hoofdstuk 5 („Bepalingen inzake de omschakeling”) van titel II van deze verordening, bepaalt:

„Planten en plantaardige producten worden pas als biologisch beschouwd wanneer de productievoorschriften van de artikelen 9 tot en met 12 van [verordening nr. 834/2007], van hoofdstuk 1 van de onderhavige verordening en, in voorkomend geval, de uitzonderlijke productievoorschriften van hoofdstuk 6 van de onderhavige verordening op de percelen zijn toegepast gedurende een omschakelingsperiode van ten minste twee jaar vóór het inzaaien of, in het geval van grasland of blijvende voedergewassen, gedurende ten minste twee jaar vóór het gebruik ervan als diervoeders afkomstig van de biologische landbouw, of, in het geval van andere blijvende gewassen dan voedergewassen, gedurende ten minste drie jaar vóór de eerste oogst van biologische producten.”

8

Artikel 37 („Specifieke omschakelingsvoorschriften voor bij de biologische dierlijke productie betrokken grond”), lid 1, van deze verordening bepaalt:

„De in artikel 36 bedoelde omschakelingsvoorschriften gelden voor het totale, voor de productie van diervoeder gebruikte areaal van de productie-eenheid.”

9

Artikel 38, getiteld „Dieren en dierlijke producten”, van dezelfde verordening bepaalt:

„1.   Wanneer niet-biologisch gehouden dieren op een bedrijf zijn binnengebracht overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a) ii), van [verordening nr. 834/2007] en artikel 9 en/of artikel 42 van de onderhavige verordening en wanneer dierlijke producten bestemd zijn om als biologische producten te worden verkocht, moeten de productievoorschriften als bedoeld in de artikelen 9, 10, 11 en 14 van [verordening nr. 834/2007] en in titel II, hoofdstuk 2, en, in voorkomend geval, artikel 42 van de onderhavige verordening, zijn toegepast gedurende ten minste:

a)

twaalf maanden voor paardachtigen en runderen, met inbegrip van bubalus en bizon, die voor de vleesproductie bestemd zijn, en in elk geval gedurende ten minste driekwart van hun levensduur;

b)

zes maanden voor kleine herkauwers, varkens en voor de melkproductie bestemde dieren;

c)

tien weken voor de vleesproductie bestemd pluimvee dat vóór het bereiken van de leeftijd van drie dagen in het bedrijf is binnengebracht;

d)

zes weken voor voor de eierproductie bestemd pluimvee.

2.   Wanneer niet-biologisch gehouden dieren op een bedrijf aanwezig zijn aan het begin van de omschakelingsperiode overeenkomstig artikel 14, lid 1, onder a) iii), van [verordening nr. 834/2007], kunnen de van die dieren afkomstige producten als biologisch worden beschouwd indien de omschakeling gelijktijdig voor de gehele productie-eenheid plaatsvindt, inclusief voor dieren, weidegronden en/of voor diervoeders gebruikte grond. De totale gecombineerde omschakelingsperiode voor dieren en hun jongen die reeds op het bedrijf aanwezig zijn, weidegronden en/of voor diervoeders gebruikte grond kan worden beperkt tot 24 maanden indien de dieren voornamelijk worden gevoederd met van de productie-eenheid afkomstige producten.

3.   Producten van de bijenteelt mogen alleen onder verwijzing naar de biologische productiemethode worden verkocht, indien de voorschriften voor de biologische productie gedurende ten minste één jaar zijn nageleefd.

4.   De omschakelingsperiode voor bijenstallen geldt niet bij toepassing van artikel 9, lid 5, van deze verordening.

5.   Tijdens de omschakelingsperiode moet de bijenwas worden vervangen door van de biologische bijenteelt afkomstige bijenwas.”

Verordening nr. 1305/2013

10

In overweging 23 van verordening nr. 1305/2013 staat:

„Betalingen aan landbouwers voor de omschakeling naar of de voortzetting van biologische landbouw moeten hen ertoe aanmoedigen aan deze regelingen deel te nemen en op die manier tegemoet te komen aan de stijgende vraag van de samenleving naar milieuvriendelijke landbouwpraktijken en hogere dierenwelzijnsnormen. Om de synergieën op het gebied van de biodiversiteit te vergroten, dienen de voordelen voortvloeiende uit de biologische landbouw […] te worden gestimuleerd […]. Om te voorkomen dat landbouwers op grote schaal weer omschakelen naar de conventionele landbouw, moeten maatregelen voor de omschakeling naar of het voortzetten van biologische landbouw worden gesteund. De betalingen moeten fungeren als een bijdrage in de extra kosten en in de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen, en mogen slechts betrekking hebben op verbintenissen die verder gaan dan de dwingende normen en eisen ter zake. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat betalingen aan landbouwers niet leiden tot dubbele financiering uit hoofde van deze verordening en verordening (EU) nr. 1307/2013 [van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB 2013, L 347, blz. 608)]. Om ervoor te zorgen dat de [middelen van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)] efficiënt worden gebruikt, moet de steun worden beperkt tot ‚actieve landbouwers’ in de zin van artikel 9 van [verordening nr. 1307/2013].”

11

Artikel 29 van verordening nr. 1305/2013, met als opschrift „Biologische landbouw”, bepaalt:

„1.   In het kader van dit artikel wordt steun verleend, per hectare landbouwareaal, aan landbouwers of groepen van landbouwers die zich op vrijwillige basis verbinden tot de omschakeling naar of de voortzetting van biologische landbouwpraktijken en -methoden zoals omschreven in [verordening nr. 834/2007] en die ‚actieve landbouwer’ zijn in de zin van artikel 9 van [verordening nr. 1307/2013].

[…]

3.   De onder deze maatregel vallende verbintenissen worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar. Indien steun wordt verleend voor de omschakeling naar de biologische landbouw, kunnen de lidstaten, in overeenstemming met de omschakelingsperiode, kortere eerste perioden vaststellen. Indien steun wordt verleend voor het voor[t]zetten van de biologische landbouw, kunnen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s voorzien in een jaarlijkse verlenging na afloop van de eerste periode. Voor nieuwe voortzettingsverbintenissen die onmiddellijk op de uitvoering van de verbintenis tijdens de eerste periode aansluiten, kunnen de lidstaten in hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s kortere perioden vaststellen.

[…]”

Bulgaars recht

12

Artikel 11, lid 5, van Naredba no4 za prilagane na myarka 11 „Biologichno zemedelie” ot Programata za razvitie na selskite rayoni za perioda 2014‑2020 (besluit nr. 4 betreffende de toepassing van maatregel 11 „Biologische landbouw” van het plattelandsontwikkelingsprogramma voor de periode 2014‑2020) van 24 februari 2015 (hierna: „besluit nr. 4”) bepaalt:

„(5)   Steunontvangers ontvangen betalingen als bedoeld in lid 1 voor een periode die niet langer duurt dan de minimumperioden voor de omschakeling naar de biologische landbouw, zoals bepaald in artikel 36, lid 1, artikel 37, lid 1, en artikel 38, lid 1, van verordening nr. 889/2008.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

13

IW heeft voor het jaar 2016, voor het tweede jaar op rij, een aanvraag ingediend voor financiële steun in het kader van het onderdeel „Biologische bijenteelt” van de betrokken maatregel. Dit verzoek had betrekking op 150 bijenkolonies – waarvan de bijenkasten zich in het dorp Belitsa (Bulgarije) bevinden – waarvoor wordt overgeschakeld op de biologische bijenteelt.

14

De plaatsvervangend uitvoerend directeur heeft voor het jaar 2016 een kennisgevingsbrief voor de betrokken maatregel verstuurd waarin deze aanvraag in wezen werd afgewezen.

15

IW is tegen deze brief opgekomen bij de Administrativen sad Sliven (bestuursrechter in eerste aanleg Sliven, Bulgarije), waarbij deze brief nietig is verklaard en de zaak werd terugverwezen naar de plaatsvervangend uitvoerend directeur voor een nieuw besluit over de aanvraag van IW voor financiële steun.

16

Na deze aanvraag opnieuw te hebben onderzocht, heeft de plaatsvervangend uitvoerend directeur een tweede kennisgevingsbrief verstuurd voor het jaar 2016, waarin de toekenning van de aangevraagde steun opnieuw werd geweigerd (hierna: „tweede kennisgevingsbrief”). In die brief werd uiteengezet dat, ten aanzien van de in de steunaanvraag voor 2016 aangegeven bijenkolonies het jaar 2016 in het kader van de betrokken maatregel moest worden beschouwd als het tweede jaar sinds de laatste verbintenis die IW is aangegaan in het kader van het onderdeel „Biologische bijenteelt”, en dat niet was voldaan aan de verplichting die in artikel 11, lid 5, van besluit nr. 4 in wezen wordt opgelegd om de minimumperioden voor omschakeling niet te overschrijden.

17

IW heeft tegen de tweede kennisgevingsbrief beroep ingesteld bij de Administrativen sad Sliven, die de zaak heeft verwezen naar de Administrativen sad Haskovo (bestuursrechter Haskovo, Bulgarije).

18

Deze rechterlijke instantie heeft die tweede kennisgevingsbrief nietig verklaard en de zaak terugverwezen naar de plaatsvervangend uitvoerend directeur voor een nieuw besluit.

19

De plaatsvervangend uitvoerend directeur heeft tegen het vonnis van de Administrativen sad Haskovo cassatieberoep ingesteld bij de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije), de verwijzende rechter.

20

De verwijzende rechter heeft twijfels over de uitlegging van artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013 alsmede van artikel 36, lid 1, artikel 37, lid 1, en artikel 38 van verordening nr. 889/2008. Hij acht die uitlegging noodzakelijk voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak.

21

In die omstandigheden heeft de Varhoven administrativen sad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet artikel 29, lid 3, tweede volzin, van [verordening nr. 1305/2013] aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale bepaling [zoals artikel 11, lid 5 (voorheen lid 4), van besluit nr. 4], waarbij de mogelijkheid om financiële steun te verkrijgen voor biologische productie tijdens de omschakeling wordt beperkt tot een periode die niet langer duurt dan de minimale omschakelingsperioden als bedoeld in artikel 36, lid 1, artikel 37, lid 1, en artikel 38 van [verordening nr. 889/2008]?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 29, lid 3, tweede volzin, van [verordening nr. 1305/2013] dan aldus worden uitgelegd dat de lidstaten bevoegd zijn om een maximumperiode voor de toekenning van steun voor de omschakeling naar de biologische landbouw uitsluitend op basis van het soort productie vast te stellen, en niet op basis van de specifieke omstandigheden van het concrete geval?

3)

Hoe moet de formulering ‚de lidstaten [kunnen], in overeenstemming met de omschakelingsperiode, kortere eerste perioden vaststellen’ (artikel 29, lid 3, [tweede] volzin, van [verordening nr. 1305/2013]), worden uitgelegd? Worden de begrippen ‚eerste periode’ en ‚omschakelingsperiode’ als synoniemen gebruikt of hebben zij verschillende betekenissen?

4)

Moet de formulering,de lidstaten [kunnen], in overeenstemming met de omschakelingsperiode, kortere eerste perioden vaststellen’ in artikel 29, lid 3, [tweede] volzin, van verordening nr. 1305/2013 aldus worden uitgelegd dat de maatregel,Biologische landbouw’ met betrekking tot activiteiten voor de,omschakeling’ naar biologische landbouw in zijn geheel kan worden aangevraagd en gefinancierd voor een kortere periode dan die in artikel 29, lid 3, eerste volzin, van deze verordening, dan wel aldus dat er in het kader van de [algemene verbintenis] tot,biologische landbouw’ sprake is van een eerste periode voor activiteiten tijdens de omschakeling naar biologische landbouw?”

Beantwoording van de prejudiciële vragen

22

Met zijn prejudiciële vragen verzoekt de verwijzende rechter om uitlegging van verschillende bepalingen van het Unierecht, meer specifiek artikel 29, lid 3, van verordening nr. 1305/2013 alsmede artikel 36, lid 1, artikel 37, lid 1, en artikel 38 van verordening nr. 889/2008.

23

Vooraf zij eraan herinnerd dat er volgens vaste rechtspraak een vermoeden van relevantie rust op de vragen betreffende de uitlegging van het Unierecht die de nationale rechter heeft gesteld binnen het onder zijn eigen verantwoordelijkheid geschetste wettelijke en feitelijke kader, ten aanzien waarvan het niet aan het Hof staat om de juistheid te onderzoeken (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

24

Het is echter ook vaste rechtspraak dat de krachtens artikel 267 VWEU ingestelde procedure een instrument is voor de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, dat het Hof in staat stelt de nationale rechters de elementen voor uitlegging van het Unierecht te verschaffen die zij nodig hebben om uitspraak te kunnen doen in de bij hen aanhangige gedingen. De rechtvaardiging van de prejudiciële verwijzing is niet gelegen in het formuleren van rechtsgeleerde adviezen over algemene of hypothetische vraagstukken, maar in de behoefte aan de daadwerkelijke beslechting van een geding (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

25

Zoals volgt uit de bewoordingen van artikel 267 VWEU moet de gevraagde prejudiciële beslissing voor de verwijzende rechterlijke instantie „noodzakelijk” zijn „voor het wijzen van haar vonnis” in de bij haar aanhangige zaak (arrest van 26 maart 2020, Miasto Łowicz en Prokurator Generalny, C‑558/18 en C‑563/18, EU:C:2020:234, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

26

Het is duidelijk dat artikel 36, lid 1, en artikel 37, lid 1, van verordening nr. 889/2008, zoals bedoeld in de eerste prejudiciële vraag, betrekking hebben op de omschakelingsvoorschriften voor respectievelijk planten en plantaardige producten, en gronden die bestemd zijn voor de biologische dierlijke productie. Deze bepalingen lijken aldus niet rechtstreeks relevant voor de beslechting van het hoofdgeding dat betrekking heeft op een verzoek om financiële steun voor de omschakeling van bijenkasten naar de biologische bijenteelt.

27

Derhalve moet de eerste prejudiciële vraag niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover zij betrekking heeft op artikel 36, lid 1, en artikel 37, lid 1, van verordening nr. 889/2008.

28

Artikel 38 van deze verordening lijkt wel rechtstreeks relevant voor de beslechting van het hoofdgeding, aangezien lid 3 ervan de minimale omschakelingsperioden voor producten van de bijenteelt vaststelt.

29

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de verwijzende rechter met zijn vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, in wezen wenst te vernemen of artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013 aldus moet worden uitgelegd dat, ten eerste, het niet in de weg staat aan een nationale bepaling waarbij de mogelijkheid om financiële steun te verkrijgen voor de omschakeling van bijenkasten naar de biologische bijenteelt wordt beperkt tot de minimale omschakelingsperiode, zoals bedoeld in artikel 38, lid 3, van verordening nr. 889/2008, ten tweede, de lidstaten een maximumperiode voor de toekenning van steun voor de omschakeling naar de biologische landbouw uitsluitend op basis van het soort productie kunnen vaststellen, en niet op basis van de specifieke omstandigheden van het concrete geval, en, ten derde, de lidstaten kunnen besluiten dat voor de omschakeling naar de biologische landbouw steun kan worden verleend voor een kortere periode dan de in artikel 29, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 1305/2013 bedoelde periode van vijf tot zeven jaar.

30

Overeenkomstig vaste rechtspraak moet bij de uitlegging van een Unierechtelijke bepaling niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en met de doelstellingen die worden nagestreefd met de regeling waarvan zij deel uitmaakt (arrest van 22 januari 2020, Ursa Major Services, C‑814/18, EU:C:2020:27, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31

Wat de bewoordingen van artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013 betreft, zij eraan herinnerd dat volgens deze bepaling „[i]ndien steun wordt verleend voor de omschakeling naar de biologische landbouw, de lidstaten, in overeenstemming met de omschakelingsperiode, kortere eerste perioden [kunnen] vaststellen”.

32

Allereerst moet worden opgemerkt dat het begrip „Omschakeling” in artikel 2, onder h), van verordening nr. 834/2007 is gedefinieerd als de overgang van niet-biologische naar biologische landbouw binnen een bepaalde periode gedurende welke de bepalingen inzake biologische productie worden toegepast.

33

Artikel 17 van verordening nr. 834/2007, met als opschrift „Omschakeling”, stelt de voorschriften vast die gelden voor landbouwbedrijven waar begonnen wordt met biologische productie, waarbij is bepaald, ten eerste in lid 1, onder a), dat de „omschakelingsperiode” ten vroegste ingaat wanneer de marktdeelnemer van zijn activiteit aan de bevoegde autoriteiten kennis heeft gegeven en zijn biologisch bedrijf overeenkomstig artikel 28, lid 1, aan het controlesysteem heeft onderworpen, en ten tweede in lid 1, onder b), dat alle bij deze verordening vastgestelde voorschriften gedurende de omschakelingsperiode van toepassing zijn.

34

Volgens artikel 17, lid 1, onder c), van deze verordening worden voor specifieke gewassen of dierproducties specifieke omschakelingsperioden vastgesteld.

35

Uit artikel 17, lid 1, onder f), van die verordening, gelezen in samenhang met de artikelen 23 en 24 ervan, blijkt dat, hoewel de bepalingen inzake de biologische productiemethode van toepassing zijn, landbouwers gedurende de omschakelingsperiode geen tijdens deze periode geproduceerde dieren en dierlijke producten op de markt mogen brengen met gebruikmaking van termen op de etikettering en in de reclame die verwijzen naar de biologische productiemethode.

36

Verordening nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 834/2007 bepaalt in hoofdstuk 5 („Bepalingen inzake de omschakeling”) van titel II, de specifieke omschakelingsperioden per type gewas of type dierproductie.

37

Artikel 38, lid 3, van verordening nr. 889/2008, dat behoort tot dit hoofdstuk 5, bepaalt dat „[p]roducten van de bijenteelt alleen onder verwijzing naar de biologische productiemethode [mogen] worden verkocht, indien de voorschriften voor de biologische productie gedurende ten minste één jaar zijn nageleefd”.

38

Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt duidelijk dat de daarin vastgestelde geharmoniseerde omschakelingsperiode een minimumperiode is waarbinnen de bijenteeltproducten niet met een verwijzing naar de biologische productie mogen worden verkocht. Het specifieke geval waarin deze verplichting om een minimale omschakelingsperiode in acht te nemen niet geldt, is vastgesteld in artikel 38, lid 4, van die verordening.

39

Wat vervolgens de uitdrukking „eerste periode” in artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013 betreft, moet erop worden gewezen dat deze uitdrukking weliswaar herhaaldelijk in deze verordening wordt gebruikt, maar daarin niet is gedefinieerd. Zij is ook niet gedefinieerd in verordening nr. 834/2007, en evenmin in verordening nr. 889/2008. Bijgevolg moet bij de uitlegging ervan rekening worden gehouden met de gebruikelijke betekenis en de context waarin deze uitdrukking in de regel wordt gebruikt (zie naar analogie arresten van 16 juli 2009, Horvath, C‑428/07, EU:C:2009:458, punt 34, en 27 februari 2014, Van der Ham en Van der Ham-Reijersen van Buuren, C‑396/12, EU:C:2014:98, punt 32).

40

In dit verband wijst de uitdrukking „eerste periode” gewoonlijk op een beginperiode. Artikel 29, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 1305/2013 bepaalt dat „[d]e onder deze maatregel vallende verbintenissen worden aangegaan voor een periode van vijf tot zeven jaar”. De tweede zin van deze bepaling bepaalt evenwel dat, wanneer de lidstaten steun verlenen voor de omschakeling naar de biologische landbouw, zij „in overeenstemming met de omschakelingsperiode, kortere eerste perioden”kunnen vaststellen.

41

Derhalve moet worden vastgesteld dat, gelet op de context van artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013, het begrip „eerste periode” doelt op een periode waarin landbouwers verbintenissen aangaan op grond van deze bepaling, en die korter kan zijn dan de in de eerste volzin van datzelfde lid bedoelde periode van vijf tot zeven jaar.

42

Deze verbintenissen zijn volgens artikel 29, lid 1, van verordening nr. 1305/2013 verbintenissen die landbouwers of groepen van landbouwers op vrijwillige basis aangaan om steun te verkrijgen die wordt verleend op grond van de maatregel „Biologische landbouw”. Het gaat daarbij om verbintenissen tot de omschakeling naar of de voortzetting van biologische landbouwpraktijken en ‑methoden zoals omschreven in verordening nr. 834/2007.

43

Hieruit volgt dat de begrippen „eerste periode” en „omschakelingsperiode” in artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013 niet dezelfde betekenis hebben, aangezien de „eerste periode” ziet op de eerste verbintenissen die worden aangegaan door de begunstigde van een op grond van deze bepaling toegekende steun, terwijl het tweede begrip is gedefinieerd in artikel 17 van verordening nr. 834/2007.

44

Tevens moet in herinnering worden gebracht dat de lidstaten verordening nr. 1305/2013 uitvoeren via hun steunprogramma’s voor plattelandsontwikkeling en dat deze verordening hun de mogelijkheid biedt om een reeks maatregelen vast te stellen die moet leiden tot de verwezenlijking van de prioriteiten van de Europese Unie voor plattelandsontwikkeling. Zo moet elke lidstaat voor de plattelandsontwikkeling hetzij een nationaal programma voor zijn gehele grondgebied opstellen, hetzij een reeks regionale programma’s, hetzij zowel een nationaal programma als een reeks regionale programma’s, waarmee een strategie wordt uitgevoerd die tot doel heeft de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling te realiseren. Hieruit volgt dat verordening nr. 1305/2013 de lidstaten een beoordelingsmarge laat voor de tenuitvoerlegging van de soorten steun waarin zij voorziet. Deze beoordelingsmarge kan betrekking hebben op de inrichting van de nationale programma’s voor plattelandsontwikkeling en op de uitvoering van de voorschriften van deze verordening (zie arrest van 1 december 2022, DELID, C‑409/21, EU:C:2022:946, punten 25-27 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

45

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat, gelet op de bewoording en de context van artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013, de verbintenissen met betrekking tot de vrijwillige omschakeling naar of de voortzetting van biologische landbouwpraktijken en -methoden weliswaar worden aangegaan voor vijf tot zeven jaar, maar de lidstaten de mogelijkheid hebben om, wanneer steun is toegekend voor de omschakeling naar de biologische landbouw, een eerste periode waarin deze verbintenissen zijn aangegaan vast te stellen die korter is, op voorwaarde dat deze wordt afgestemd op de in verordening nr. 889/2008 geharmoniseerde omschakelingsperiode die ratione materiae relevant is. In casu gaat het om de minimale omschakelingsperiode van één jaar met betrekking tot de omschakeling naar de biologische bijenteelt overeenkomstig artikel 38, lid 3, van verordening nr. 889/2008.

46

Uit het voorgaande volgt dat de lidstaten kunnen bepalen dat de toepasselijke minimale omschakelingsperiode, zoals geharmoniseerd en vastgesteld bij verordening nr. 889/2008, op hun grondgebied samenvalt met een maximumperiode voor de toekenning van financiële steun voor de omschakeling naar de biologische landbouw.

47

Wat betreft de vraag of de duur van de omschakeling in wezen uitsluitend kan worden vastgesteld op basis van het soort productie en niet op basis van het concrete geval, volstaat het eraan te herinneren dat de lidstaat moet handelen in overeenstemming met artikel 17, lid 1, onder c), van verordening nr. 834/2007, dat bepaalt dat er specifieke omschakelingsperioden voor specifieke gewassen of dierproducties worden vastgesteld, en in overeenstemming met verordening nr. 889/2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 834/2007, die in hoofdstuk 5 van titel II deze specifieke omschakelingsperioden per type gewas of dierproductie vastlegt. Uit artikel 38, lid 3, van verordening nr. 889/2008 blijkt dat er een specifieke omschakelingsperiode voor producten van de bijenteelt bestaat.

48

Er zij aan herinnerd dat deze verordeningen verbindend zijn in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk zijn in elke lidstaat. Een lidstaat mag dus geen andere omschakelingsperioden vaststellen dan de geharmoniseerde omschakelingsperioden waarin verordening nr. 889/2008 voorziet.

49

De voorgaande overwegingen worden bevestigd door de doelstellingen van de regeling waarvan artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013 deel uitmaakt.

50

Volgens overweging 23 van deze verordening moeten namelijk, om te voorkomen dat landbouwers op grote schaal weer omschakelen naar de conventionele landbouw, maatregelen voor de omschakeling naar en de voortzetting van de biologische landbouw worden gesteund. De betalingen moeten bovendien fungeren als een bijdrage in de extra kosten en in de gederfde inkomsten die voortvloeien uit de aangegane verbintenissen, en mogen slechts betrekking hebben op verbintenissen die verder gaan dan de dwingende normen en eisen ter zake. De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat betalingen aan landbouwers niet leiden tot dubbele financiering uit hoofde van zowel verordening nr. 1305/2013 als verordening nr. 1307/2013.

51

Gelet op een en ander dient op de gestelde vragen te worden geantwoord dat artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening nr. 1305/2013 aldus moet worden uitgelegd dat:

het niet in de weg staat aan een nationale bepaling waarbij de mogelijkheid om financiële steun te verkrijgen voor de omschakeling naar de biologische bijenteelt wordt beperkt tot de minimale omschakelingsperiode zoals bedoeld in artikel 38, lid 3, van verordening nr. 889/2008;

de lidstaten op die manier een maximumperiode voor de toekenning van steun voor de omschakeling naar de biologische landbouw kunnen vaststellen door aan te sluiten bij de specifieke omschakelingsperiode die, op grond van artikel 17, lid 1, onder c), van verordening nr. 834/2007, in de regeling van de Unie uitsluitend op basis van specifieke gewassen of dierproducties is vastgesteld;

de lidstaten aldus kunnen besluiten dat voor de omschakeling naar de biologische landbouw steun kan worden verleend voor een kortere periode dan de in artikel 29, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 1305/2013 bedoelde periode van vijf tot zeven jaar.

Kosten

52

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Tiende kamer) verklaart voor recht:

 

Artikel 29, lid 3, tweede volzin, van verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad

 

moet aldus moet worden uitgelegd dat

 

het niet in de weg staat aan een nationale bepaling waarbij de mogelijkheid om financiële steun te verkrijgen voor de omschakeling naar de biologische bijenteelt wordt beperkt tot de minimale omschakelingsperiode zoals bedoeld in artikel 38, lid 3, van verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft;

de lidstaten op die manier een maximumperiode voor de toekenning van steun voor de omschakeling naar de biologische landbouw kunnen vaststellen door aan te sluiten bij de specifieke omschakelingsperiode die, op grond van artikel 17, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van verordening (EEG) nr. 2092/91, in de regeling van de Europese Unie uitsluitend op basis van specifieke gewassen of dierproducties is vastgesteld;

de lidstaten aldus kunnen besluiten dat voor de omschakeling naar de biologische landbouw steun kan worden verleend voor een kortere periode dan de in artikel 29, lid 3, eerste volzin, van verordening nr. 1305/2013 bedoelde periode van vijf tot zeven jaar.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Bulgaars.