Zaak C‑181/22 P
Nemea Bank plc
tegen
Europese Centrale Bank
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 12 december 2024
„Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Aan de Europese Centrale Bank (ECB) opgedragen specifieke toezichttaken – Artikel 24 – Besluit tot intrekking van de vergunning van een kredietinstelling – Procedure voor administratieve toetsing – Besluit waarbij een eerder besluit wordt ingetrokken – Beroep tot nietigverklaring – Behoud van het procesbelang – Beroep tot schadevergoeding – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”
Beroep tot nietigverklaring – Procesbelang – Beoordeling van het belang op datum van de instelling van het beroep tot aan de rechterlijke beslissing – Beroep tegen een besluit van de Europese Centrale Bank (ECB) tot intrekking van de vergunning van een kredietinstelling – Intrekking van de bestreden handeling in de loop van het geding na een advies van de administratieve raad voor toetsing (ART) – Vervanging van de inhoud van de bestreden handeling door een inhoudelijk identiek besluit – Verklaring van afdoening zonder beslissing – Onjuiste rechtsopvatting – Geen terugwerkende kracht van voornoemde intrekking – Voortbestaan van het procesbelang
(Art. 263 VWEU; verordening nr. 1024/2013 van de Raad, art. 24, lid 8)
(zie punten 43, 44, 46, 47)
Niet-contractuele aansprakelijkheid – Voorwaarden – Onrechtmatigheid – Schade – Causaal verband – Bewijslast
(Art. 340, tweede alinea, VWEU)
(zie punt 60)
Samenvatting
In het kader van een hogere voorziening heeft het Hof de beschikking van het Gerecht van 20 december 2021, Niemelä e.a./ECB ( 1 ) vernietigd, waarbij het Gerecht heeft verklaard dat niet meer hoefde te worden beslist op het beroep tot nietigverklaring omdat het zonder voorwerp was geraakt en verzoekers geen procesbelang meer hadden. In zijn arrest spreekt het Hof zich aldus uit over de vraag of het procesbelang blijft bestaan in het kader van een beroep tegen een besluit van de Europese Centrale Bank (ECB) dat naar aanleiding van een advies van de administratieve raad voor toetsing (hierna: „“ART”), de commissie belast met een interne administratieve toetsing van de besluiten van de ECB, is ingetrokken en vervangen door een inhoudelijk identiek besluit.
Nema Bank plc, rekwirante, is een Maltese kredietinstelling die als minder belangrijke entiteit onder rechtstreeks prudentieel toezicht stond van de Awtorità għas-Servizzi Finanzjarji ta’Malta (Maltese autoriteit voor financiële diensten; hierna: „MFSA”). Na advies te hebben ingewonnen bij de nationale afwikkelingsautoriteit, heeft de MFSA op 25 januari 2017 bij de ECB een ontwerpbesluit ingediend tot intrekking van de aan Nemea Bank verleende vergunning voor het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling (hierna: „vergunning”) ( 2 ). Op 13 maart 2017 heeft de ECB het ontwerpbesluit goedgekeurd en Nemea Bank een termijn van drie dagen gesteld om haar opmerkingen kenbaar te maken, wat deze laatste op 15 maart 2017 heeft gedaan. Op 23 maart 2017 heeft de ECB het besluit van 23 maart 2017 vastgesteld waarbij de vergunning van rekwirante is ingetrokken (hierna: „litigieus besluit”) ( 3 ).
Met name rekwirante heeft bij de ART een verzoek om toetsing van het litigieuze besluit ingediend. In antwoord daarop heeft de ART een advies uitgebracht waarin werd voorgesteld om dit besluit te vervangen door een inhoudelijk identiek besluit. Op basis van dat advies en een ontwerp van de raad van toezicht heeft de ECB op 30 juni 2017 een besluit (hierna: „besluit van 30 juni 2017”) vastgesteld dat, zoals in het dispositief ervan is aangegeven, het litigieuze besluit heeft vervangen. Samen met dit verzoek om toetsing hebben verzoekers in eerste aanleg bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van het litigieuze besluit ingesteld en een vergoeding gevorderd van de schade die zij stellen te hebben geleden door de vaststelling van dit besluit. Zij hebben daarentegen geen dergelijk beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juni 2017.
In de bestreden beschikking heeft het Gerecht verklaard dat niet meer hoefde te worden beslist op het beroep tot nietigverklaring omdat het zonder voorwerp was geraakt en verzoekers in eerste aanleg geen procesbelang meer hadden, en heeft het de schadevordering kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Beoordeling door het Hof
Wat betreft het verlies van belang om tegen het litigieuze besluit op te komen, oordeelt het Hof, zoals het Gerecht in de bestreden beschikking, dat het procesbelang volgens vaste rechtspraak, gelet op het voorwerp van het beroep, op straffe van niet-ontvankelijkheid moet bestaan in het stadium van de instelling van het beroep. Verder moet dit voorwerp van het geding, evenals het procesbelang, op straffe van afdoening zonder beslissing blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen onderstelt dat de uitkomst van het beroep in het voordeel kan zijn van de partij die het heeft ingesteld. Het Hof brengt in herinnering dat het heeft aanvaard dat het procesbelang van een verzoeker niet noodzakelijkerwijs verdwijnt vanwege het feit dat de door hem aangevochten handeling gedurende de procedure heeft opgehouden effect te sorteren. Een verzoeker kan er immers belang bij blijven hebben een verklaring van onrechtmatigheid van die handeling te verkrijgen voor de periode dat deze toepasselijk was en effect sorteerde, aangezien een dergelijke verklaring op zijn minst een grondslag voor een aansprakelijkheidsvordering zou kunnen opleveren. Bovendien moet het voortbestaan van het procesbelang van een verzoeker in concreto worden beoordeeld, met name rekening houdend met de gevolgen van de gestelde onrechtmatigheid en met de aard van de beweerdelijk geleden schade.
In dit verband verduidelijkt het Hof dat uit de bewoordingen van artikel 24, lid 7, van verordening nr. 1024/2013 ( 4 ) inderdaad blijkt dat wanneer de ECB na afloop van de administratieve toetsingsprocedure van mening is dat het besluit dat het voorwerp uitmaakt van deze toetsing niet hoeft te worden gewijzigd, zij dit besluit intrekt en vervangt door een besluit met dezelfde inhoud. Het Hof is van oordeel dat hieruit evenwel niet kan worden afgeleid dat een dergelijke intrekking, gevolgd door een dergelijke vervanging, een terugwerkende kracht heeft die gelijk is aan die van een nietigverklaring van een handeling van een instelling van de Europese Unie door een rechterlijke instantie van de Unie.
Zo blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de opheffing van een handeling van een instelling van de Unie geen erkenning inhoudt van de onrechtmatigheid ervan en zij ex nunc werkt, in tegenstelling tot een arrest houdende nietigverklaring, dat de nietig verklaarde handeling met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie verwijdert, zodat deze handeling wordt geacht nooit te hebben bestaan. De omstandigheid dat na deze opheffing de oorspronkelijke handeling is vervangen door een nieuwe, kan aan deze laatste geen terugwerkende kracht verlenen. Bijgevolg wordt het oorspronkelijke besluit door de vaststelling van het tweede besluit met dezelfde inhoud – dat het oorspronkelijke besluit intrekt en vervangt – niet met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie verwijderd ( 5 ). Doordat het oorspronkelijke besluit de vergunning voor een kredietinstelling heeft ingetrokken, worden door de vaststelling van dit tweede besluit de gevolgen van het oorspronkelijke besluit verlengd zonder dat de gevolgen van het oorspronkelijke besluit verdwijnen.
In casu heeft het litigieuze besluit tot gevolg gehad dat de vergunning die aan rekwirante was verleend, is ingetrokken, en de mogelijke nadelige effecten gesorteerd waarover zij zich beklaagt. Bovendien is, aangezien het verzoek om het oorspronkelijke besluit te toetsen geen opschortende werking heeft ( 6 ), het litigieuze besluit gevolgen blijven sorteren tot de inwerkingtreding van het besluit van 30 juni 2017, te weten op het moment van de kennisgeving ervan aan rekwirante. Het is dus pas vanaf deze kennisgeving dat dit laatste besluit het litigieuze besluit heeft ingetrokken en vervangen, zoals ook blijkt uit de bewoordingen van het dispositief van het besluit van 30 juni 2017.
Bijgevolg oordeelt het Hof dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat het litigieuze besluit met terugwerkende kracht was vervangen door het besluit van 30 juni 2017 en dat het beroep tot nietigverklaring van dit eerste besluit zonder voorwerp was geraakt. Aangezien het Hof van oordeel is dat het geding niet in staat van wijzen is, verwijst het de zaak terug naar het Gerecht.
( 1 ) Beschikking van 20 december 2021, Niemelä e.a./ECB (T‑321/17, EU:T:2021:942; hierna: „bestreden beschikking”).
( 2 ) Overeenkomstig artikel 80 van verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten („GTM-kaderverordening”) (PB 2014, L 141, blz. 1).
( 3 ) Besluit van de ECB van 23 maart 2017 tot intrekking van de vergunning van Nemea Bank voor het uitoefenen van de werkzaamheden van een kredietinstelling (ECB/SSM/2017 - 213800JENPXTUY75VSO/1 WHD-2017‑0003).
( 4 ) Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63; hierna: „GTM-verordening”).
( 5 ) Zoals blijkt uit artikel 24, lid 7, van de GTM-verordening.
( 6 ) Overeenkomstig artikel 24, lid 8, van de GTM-verordening.