CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
J. KOKOTT
van 21 november 2024 ( 1 )
Gevoegde zaken C‑777/22 P en C‑789/22 P
Europese Centrale Bank (ECB)
tegen
Francesca Corneli (C‑777/22 P)
en
Europese Commissie
tegen
Francesca Corneli (C‑789/22 P)
„Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme – Verordening (EU) nr. 1024/2013 – Artikel 4, lid 3, eerste alinea – Toepassing van nationale wetgeving tot omzetting van richtlijnen door de ECB – Richtlijn 2014/59/EU – Artikel 29, lid 1, eerste volzin – Rechtstreekse toepasselijkheid – Verplichting voor particulieren – Richtlijnconforme uitlegging – Rechterlijk toezicht op de toepassing van nationaal recht door de ECB – Besluit van de ECB om Banca Carige SpA onder tijdelijk bewind te stellen – Beroep tot nietigverklaring van een minderheidsaandeelhouder – Ontvankelijkheid – Artikel 263, lid 4, VWEU – Rechtstreekse en individuele geraaktheid – Voortbestaan van het procesbelang”
Inhoud
|
I. Inleiding |
|
|
II. Toepasselijke bepalingen |
|
|
A. Unierecht |
|
|
1. Verordening nr. 1024/2013 |
|
|
2. Richtlijn 2014/59 |
|
|
B. Nationaal recht |
|
|
III. Voorgeschiedenis van het geding |
|
|
A. Feiten |
|
|
B. Bestreden arrest |
|
|
IV. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen |
|
|
V. Beoordeling |
|
|
A. Overzicht van de middelen en volgorde van het onderzoek |
|
|
B. Middelen betreffende de ontvankelijkheid van het beroep |
|
|
1. Procesbevoegdheid op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU |
|
|
a) Rechtstreekse geraaktheid |
|
|
b) Individuele geraaktheid |
|
|
2. Voortbestaan van het procesbelang |
|
|
3. Voorlopige conclusie |
|
|
C. Middelen betreffende de gegrondheid van het beroep: schending van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 junctis artikel 29 van richtlijn 2014/59 en artikel 70, lid 1, TUB? |
|
|
1. Volgorde van onderzoek |
|
|
2. Rechtstreekse toepasselijkheid en voorrang van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59? |
|
|
a) Normatieve structuur van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 |
|
|
b) Rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/59 ten nadele van de bank en haar aandeelhouders? |
|
|
3. Subsidiair: rechtstreekse toepassing van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 door de ECB? |
|
|
a) De ECB als adressaat van rechtstreeks toepasselijke bepalingen van een richtlijn |
|
|
b) Gevolgen van de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 ten nadele van de bank en haar aandeelhouders |
|
|
4. Richtlijnconforme uitlegging van artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB? |
|
|
5. Nationale wetgeving in de zin van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 als „recht” of „feit”? |
|
|
6. Ontvankelijkheid van de grief over de richtlijnconforme uitlegging van artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), juncto artikel 70, lid 1, TUB |
|
|
7. Voorlopige conclusie |
|
|
VI. Conclusie |
I. Inleiding
|
1. |
Met deze gevoegde hogere voorzieningen komen de Europese Centrale Bank (ECB) en de Europese Commissie (hierna samen: „rekwirantes”) op tegen een arrest van het Gerecht (hierna: „bestreden arrest”) ( 2 ) waarbij het de besluiten van de ECB van 1 januari en 29 maart 2019 (hierna: „litigieuze besluiten”) nietig heeft verklaard. Met deze besluiten had de ECB Banca Carige SpA (hierna: „bank”) onder tijdelijk bewind gesteld ( 3 ) en dit tijdelijk bewind verlengd tot en met 30 september 2019 ( 4 ). |
|
2. |
Verzoekster in eerste aanleg en verweerster in hogere voorziening, Corneli, was een van de vele minderheidsaandeelhouders van de bank. |
|
3. |
Rekwirantes verwijten het Gerecht ten eerste het beroep ten onrechte ontvankelijk te hebben verklaard. Het Gerecht heeft volgens hen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat Corneli (nog steeds) een procesbelang had bij de nietigverklaring van de litigieuze besluiten en door die besluiten rechtstreeks en individueel werd geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. In dit verband heeft het Gerecht de situatie van Corneli met betrekking tot het door de ECB opgelegde tijdelijke bewind van de bank onderscheiden van de situatie van de aandeelhouders die aan het arrest ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a. ( 5 ) (hierna: „arrest Trasta Komercbanka”) ten grondslag lag. In die zaak zijn de aandeelhouders opgekomen tegen een besluit van de ECB tot intrekking van de vergunning van de betrokken bank. Het Hof was van oordeel dat deze aandeelhouders niet rechtstreeks werden geraakt door dat besluit en verklaarde hun beroep tot nietigverklaring derhalve niet-ontvankelijk. Volgens het Hof had dit besluit namelijk alleen negatieve economische gevolgen voor hen, maar geen gevolgen voor hun rechtspositie. ( 6 ) |
|
4. |
Wat de grond van de zaak betreft, verwijten rekwirantes het Gerecht ten tweede in wezen artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening (EU) nr. 1024/2013 ( 7 ) te hebben geschonden. In dit verband rijzen belangrijke rechtsvragen die nog niet zijn opgehelderd in de rechtspraak van het Hof. Deze rechtsvragen hebben betrekking op de reikwijdte van de daarin opgenomen verplichting van de ECB om bij de uitoefening van haar toezichtbevoegdheden ten aanzien van kredietinstellingen in het kader van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (hierna: „GTM”) ook de nationale wetgeving toe te passen die is vastgesteld ter omzetting van het toepasselijke Unierecht, met inbegrip van de in casu toepasselijke richtlijn 2014/59/EU ( 8 ):
|
|
5. |
In het licht van de in de rechtsorde van de Unie verankerde fundamentele beginselen van de waarborging van de rechtsstaat en de eenvormigheid van het Unierecht, kan de ECB als instelling van de Unie naar mijn mening derhalve niet op grond van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 verplicht zijn om het Unierecht bewust te schenden door daarmee strijdig nationaal recht toe te passen. Mocht de ECB dit toch doen, dan zou dit moeten worden gecorrigeerd door de Unierechter. Deze vragen en de rechtvaardiging voor een dergelijk resultaat zijn echter ook in de rechtsliteratuur zeer omstreden. ( 9 ) In dit verband moet een antwoord worden gegeven op de eveneens omstreden vraag welke toetsingsmaatstaf van toepassing is in nietigverklaringsprocedures in eerste aanleg en in daaropvolgende hogere voorzieningen met betrekking tot handelingen van de ECB inzake de toepassing van het nationale recht. ( 10 ) |
II. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
|
6. |
Het in casu toepasselijke rechtskader van de Unie bestaat voornamelijk uit verordening nr. 1024/2013 en richtlijn 2014/59. |
1. Verordening nr. 1024/2013
|
7. |
Overweging 34 van verordening nr. 1024/2013 luidt: „Voor het vervullen van haar taken en het uitoefenen van haar toezichtbevoegdheden dient de ECB de materiële voorschriften betreffende het prudentieel toezicht op kredietinstellingen toe te passen. Die voorschriften bestaan uit het betrokken Unierecht, met name rechtstreeks toepasselijke verordeningen of richtlijnen, zoals die inzake kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en inzake financiële conglomeraten. Als de materiële voorschriften inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen in richtlijnen zijn vastgesteld, moet de ECB de nationale wetgeving tot omzetting van deze richtlijnen toepassen. Als het betrokken Unierecht bestaat uit verordeningen en die verordeningen de lidstaten, op de dag van inwerkingtreding van onderhavige verordening, uitdrukkelijk keuzemogelijkheden toekennen, moet de ECB ook de nationale wetgeving toepassen op gebieden waar dergelijke keuzemogelijkheden worden benut. Dergelijke keuzemogelijkheden moeten zodanig begrepen worden dat zij keuzemogelijkheden die enkel voor de bevoegde of aangewezen autoriteiten beschikbaar zijn, uitsluiten. Dit laat het beginsel van voorrang van het Unierecht onverlet. Hieruit volgt dat de ECB zich bij de vaststelling van richtsnoeren of aanbevelingen of bij het nemen van besluiten moet baseren op en handelen naar het betrokken bindende Unierecht.” |
|
8. |
Artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 bepaalt: „Voor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken en het waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen past de ECB alle toepasselijke Uniewetgeving toe, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet. Wanneer het toepasselijke Unierecht bestaat uit verordeningen die de lidstaten thans uitdrukkelijk keuzemogelijkheden toekennen, past de ECB tevens de nationale wetgeving toe wanneer door hen van die keuzemogelijkheden gebruikgemaakt wordt.” |
2. Richtlijn 2014/59
|
9. |
Overweging 39 van richtlijn 2014/59 luidt: „Tijdens de afwikkelingsfase en de vroegtijdige-interventiefase als vastgelegd in deze richtlijn moeten de aandeelhouders de volledige verantwoordelijkheid voor en controle over de instelling of onderneming behouden, tenzij de bevoegde autoriteit een tijdelijk bewindvoerder heeft aangesteld. […]” |
|
10. |
In overweging 40 van deze richtlijn staat onder andere het volgende te lezen: „Ter behoud van de financiële stabiliteit is het belangrijk dat de bevoegde autoriteiten de verslechtering van de financiële en economische situatie van een instelling kunnen oplossen voordat de instelling het punt bereikt waarop de autoriteiten geen andere mogelijkheid meer hebben dan deze af te wikkelen. Daarom moeten de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid hebben om vroegtijdig in te grijpen, waaronder de bevoegdheid om een tijdelijk bewindvoerder aan te stellen teneinde hetzij het leidinggevend orgaan en het hogere management van een instelling te vervangen, hetzij tijdelijk daarmee samen te werken. De taak van de tijdelijk bewindvoerder dient erin te bestaan alle hem verleende bevoegdheden uit te oefenen ter bevordering van oplossingen om de financiële positie van de instelling te herstellen. De aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder mag echter niet onnodig afbreuk doen aan de rechten van aandeelhouders of eigenaars, of van procedurele verplichtingen die bij het vennootschapsrecht van de Unie of de lidstaten zijn vastgesteld, en moet tevens stroken met de internationale verplichtingen van de Unie of de lidstaten op het gebied van beleggersbescherming. […]” |
|
11. |
Artikel 28 van richtlijn 2014/59, met als opschrift „Afzetting van het hogere management en het leidinggevend orgaan”, bepaalt: „In geval van een significante verslechtering van de financiële positie van een instelling, bij ernstige overtredingen van wetten, reglementen of van de statuten van de instelling of ernstige administratieve onregelmatigheden, waarbij andere overeenkomstig artikel 27 genomen maatregelen niet volstaan om die verslechtering te keren, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten de afzetting van het volledige hogere management of leidinggevende orgaan van de instelling, dan wel van individuele leden daarvan kunnen eisen. De aanstelling van het nieuwe hogere management of leidinggevende orgaan geschiedt in overeenstemming met het nationale recht en het Unierecht en is onderworpen aan de goedkeuring of instemming van de bevoegde autoriteit.” |
|
12. |
Artikel 29 van richtlijn 2014/59 draagt het opschrift „Tijdelijk bewindvoerder” en bepaalt: „1. Indien de bevoegde autoriteit van oordeel is dat de in artikel 28 bedoelde vervanging van het hogere management of het leidinggevend orgaan niet volstaat om de situatie te verhelpen, dragen de lidstaten er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten een of meer tijdelijk bewindvoerders van de instelling kunnen aanstellen. De bevoegde autoriteiten kunnen een tijdelijk bewindvoerder aanstellen die, naargelang van de omstandigheden, het bestuur van de instelling tijdelijk vervangt, dan wel tijdelijk met het bestuur van de instelling samenwerkt; de bevoegde autoriteit deelt bij de aanstelling van de bestuurder mee welke optie zij verkiest. Indien de bevoegde autoriteit de tijdelijk bewindvoerder aanstelt om met het bestuur van de instelling samen te werken, deelt zij bij de aanstelling mee welke rol, taken en bevoegdheden aan de tijdelijk bewindvoerder worden toegekend, en aan welke regels aangaande het raadplegen van de tijdelijk bewindvoerder of het verkrijgen van diens goedkeuring het bestuur van de instelling zich dient te houden alvorens bepaalde besluiten of maatregelen te nemen. De bevoegde autoriteit moet de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder openbaar maken, tenzij de tijdelijk bewindvoerder geen bevoegdheid heeft om de instelling te vertegenwoordigen. De lidstaten waarborgen voorts dat de tijdelijk bewindvoerder de vereiste kwalificaties, vaardigheden en kennis heeft om zijn functies uit te oefenen en geen conflicterende belangen heeft. 2. Welke bevoegdheden de tijdelijk bewindvoerder heeft, wordt bij zijn aanstelling door de bevoegde autoriteit naargelang van de omstandigheden bepaald. Deze bevoegdheden kunnen sommige of alle bevoegdheden omvatten die het bestuur van de instelling krachtens de statuten van de instelling en het nationale recht heeft, met inbegrip van de bevoegdheid om sommige of alle bestuurlijke taken van het bestuur van de instelling uit te oefenen. De bevoegdheden van de tijdelijk bewindvoerder met betrekking tot de instelling moeten voldoen aan het toepasselijke vennootschapsrecht. 3. De rol en de taken van de tijdelijk bewindvoerder worden bij diens aanstelling omschreven door de bevoegde autoriteit, en kunnen onder meer het volgende omvatten: het beoordelen van de financiële positie van de instelling, de gedeeltelijke of volledige bedrijfsvoering van de instelling met als doel de financiële positie ervan te vrijwaren of te herstellen en het nemen van maatregelen om de gezonde en prudente bedrijfsvoering van de instelling te herstellen. De bevoegde autoriteit bakent bij de aanstelling van de tijdelijk bewindvoerder de grenzen van diens rol en taken af. 4. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de exclusieve bevoegdheid hebben om de tijdelijk bewindvoerder aan te stellen en van zijn functie te ontheffen. De bevoegde autoriteit kan de tijdelijk bewindvoerder te allen tijde om welke reden dan ook van zijn functie ontheffen. De bevoegde autoriteit kan de aanstellingsvoorwaarden voor een tijdelijk bewindvoerder te allen tijde wijzigen, met inachtneming van dit artikel. 5. De bevoegde autoriteit kan eisen dat voor bepaalde handelingen van een tijdelijk bewindvoerder haar voorafgaande goedkeuring is vereist. Deze vereisten worden door de bevoegde autoriteit bij de aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder, of bij een eventuele wijziging van de voorwaarden voor diens aanstelling nader omschreven. Hoe dan ook mag de tijdelijk bewindvoerder de bevoegdheid om de algemene aandeelhoudersvergadering van de instelling bijeen te roepen en de agenda van die vergadering vast te stellen alleen uitoefenen na voorafgaande toestemming van de bevoegde autoriteit. 6. De bevoegde autoriteit kan eisen dat een tijdelijk bewindvoerder met tussenpozen die door de bevoegde autoriteit worden vastgesteld, en aan het einde van zijn mandaat verslagen opstelt over de financiële positie van de instelling en over de handelingen die hij gedurende zijn mandaat heeft verricht. 7. Een tijdelijk bewindvoerder wordt aangesteld voor niet meer dan een jaar. Deze periode kan in uitzonderlijke situaties worden verlengd indien de voorwaarden voor het aanstellen van de tijdelijk bewindvoerder nog steeds gelden. Het is de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit om uit te maken of het in de heersende omstandigheden passend is een tijdelijk bewindvoerder te handhaven en om een dergelijk besluit aan de aandeelhouders te verantwoorden. 8. De aanstelling van een tijdelijk bewindvoerder laat, onder voorbehoud van dit artikel, de rechten van de aandeelhouders overeenkomstig het vennootschapsrecht van de Unie of van de betreffende lidstaat onverlet. 9. De lidstaten kunnen de uit hoofde van het nationaal recht voor een tijdelijk bewindvoerder geldende aansprakelijkheid voor handelingen en nalatigheden in het kader van de vervulling van zijn taken als tijdelijk bewindvoerder overeenkomstig lid 3 beperken. 10. De krachtens dit artikel aangestelde tijdelijk bewindvoerder wordt niet geacht een schaduwdirecteur of een feitelijke directeur op grond van het nationale recht te zijn. |
B. Nationaal recht
|
13. |
Richtlijn 2014/59 is omgezet in Italiaans recht bij decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 181 van 16 november 2015 ( 11 ). |
|
14. |
Artikel 8 van wet nr. 114 van 9 juli 2015 ( 12 ), waarin de noodzakelijke beginselen en richtinggevende criteria voor de uitoefening van bevoegdheden zijn vastgelegd, bepaalt met name: „1. Bij de uitoefening van haar bevoegdheid om [richtlijn 2014/59], om te zetten, is de regering verplicht om naast de in artikel 1, lid 1, genoemde beginselen en richtinggevende criteria ook de beginselen en criteria van [richtlijn 2014/59] alsmede de volgende specifieke richtinggevende beginselen en criteria te hanteren:
[…] […]” |
|
15. |
Bij wetsbesluit nr. 181 werd de wet op het bank- en kredietwezen (Testo unico bancario; hierna: „TUB”) ( 13 ) gewijzigd. In afdeling 01-I, met als opschrift „Vroegtijdige interventiemaatregelen”, is artikel 69 octiesdecies ingevoegd, waarvan lid 1, onder b), luidt: „De Banca d’Italia [(centrale bank van Italië)] kan ten aanzien van een bank of de moedermaatschappij van een bankgroep de volgende maatregelen nemen: […]
|
|
16. |
Artikel 69 vicies semel TUB verleent de toezichthoudende autoriteit de bevoegdheid om individuele leden van de bestuurlijke en toezichthoudende organen en de algemene directie af te zetten. |
|
17. |
Artikel 70, lid 1, TUB, ingevoegd in afdeling I onder het opschrift „Buitengewoon bewind”, bepaalt: „De Banca d’Italia kan ontbinding gelasten van organen met bestuurs- en toezichttaken in banken in geval van de in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), bedoelde overtredingen of onregelmatigheden of indien ernstige vermogensverliezen worden verwacht, of wanneer om ontbinding is verzocht bij met redenen omkleed verzoek van de bestuursorganen of de buitengewone vergadering.” |
III. Voorgeschiedenis van het geding
A. Feiten
|
18. |
De bank is een in Italië gevestigde, beursgenoteerde kredietinstelling die sinds 2014 onder rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB staat. Tussen december 2014 en 1 januari 2019 heeft zij meer dan 1,6 miljard EUR verlies geleden. Bij de instelling van haar beroep bij het Gerecht bezat Corneli 200000 gewone aandelen, wat overeenkwam met 0,000361 % van het maatschappelijk kapitaal van de bank. |
|
19. |
Van 2016 tot eind 2018 heeft de ECB vergeefs verschillende maatregelen genomen om de bank te herkapitaliseren en te stabiliseren, zodat de bank weer kon voldoen aan de vereisten aan eigen vermogen in de zin van artikel 27, lid 1, van richtlijn 2014/59. ( 14 ) |
|
20. |
Bij het eerste litigieuze besluit van 1 januari 2019 heeft de ECB de bank op basis van de artikelen 69 octiesdecies, 70 en 98 TUB juncto artikel 29 van richtlijn 2014/59 onder tijdelijk bewind gesteld (hierna ook: „besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind”) en in het bijzonder de volgende maatregelen gelast:
|
|
21. |
De vaststelling van het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind is op 2 januari 2019 bekendgemaakt bij gelijktijdige persberichten van de ECB en de bank. De Commissione Nazionale per le Società e la Borsa (nationale vennootschaps- en beursautoriteit, Italië) heeft vervolgens de verhandeling van door de bank uitgegeven of gewaarborgde effecten opgeschort„tot de inwerkingtreding van [dit] besluit of tot het herstel, met name als gevolg van nieuwe initiatieven van de op het gebied van prudentieel toezicht bevoegde autoriteiten, van een volledig informatiekader over [deze] effecten”. |
|
22. |
Met het tweede litigieuze besluit van 29 maart 2019 heeft de ECB het tijdelijk bewind verlengd tot en met 30 september 2019 (hierna ook: „eerste verlengingsbesluit”). Dit besluit werd door de bank aangekondigd in een persbericht van 30 maart 2019. |
|
23. |
Bij besluit van 30 september 2019 heeft de ECB het tijdelijk bewind verlengd tot en met 31 december 2019 (hierna: „tweede verlengingsbesluit”). |
|
24. |
Bij besluit van 20 december 2019 heeft de ECB het tijdelijk bewind verlengd tot en met 31 januari 2020 om de versterking van het eigen vermogen te kunnen afronden (hierna: „derde verlengingsbesluit”). |
|
25. |
Volgens de gelijkluidende verklaringen van partijen in antwoord op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Hof is de bank in september 2019 door het Fondo Interbancario di Tutela dei Depositi (interbancair depositobeschermingsfonds, Italië; hierna: „FITD”) ( 15 ) geherkapitaliseerd op basis van een door de tijdelijke bewindvoerders gesloten en door de buitengewone algemene vergadering van de bank goedgekeurde kaderovereenkomst. In de zomer van 2022 verkocht het FITD zijn aandelen in de bank aan BPER Banca SpA De daaropvolgende „squeeze-out”-procedure leidde ertoe dat Corneli haar aandelen in september 2022 moest verkopen en daarmee haar status van (minderheids)aandeelhouder van de bank verloor. |
B. Bestreden arrest
|
26. |
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 juli 2019, heeft Corneli beroep tot nietigverklaring van de litigieuze besluiten ingesteld. De Commissie intervenieerde aan de zijde van de conclusies van de ECB tot verwerping van het beroep. |
|
27. |
Met het bestreden arrest heeft het Gerecht de litigieuze besluiten nietig verklaard. Voor het overige heeft het Gerecht het beroep verworpen voor zover het in het algemeen was gericht tegen alle op het eerste litigieuze besluit volgende of latere besluiten, dat wil zeggen met inbegrip van het tweede en het derde verlengingsbesluit. |
|
28. |
Het Gerecht heeft de door de Commissie ondersteunde exceptie van niet-ontvankelijkheid van de ECB verworpen op grond dat Corneli als minderheidsaandeelhouder van de bank rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de bestreden besluiten in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU en zij procesbelang heeft. Zij is derhalve procesbevoegd. ( 16 ) |
|
29. |
Ten gronde heeft het Gerecht in wezen geoordeeld dat de ECB de litigieuze besluiten had gebaseerd op een ontoereikende rechtsgrondslag. Deze besluiten waren gebaseerd op een „aanzienlijke verslechtering van de situatie [van de bank]” in de zin van artikel 70, lid 1, TUB, waarbij artikel 29 van richtlijn 2014/59 is omgezet, hoewel deze (nationale) bepaling een dergelijke voorwaarde niet bevat. Een dergelijke voorwaarde is alleen te vinden in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), TUB, waarbij artikel 28 van die richtlijn is omgezet. Deze laatste (nationale) bepaling regelt alleen de „afzetting” van de bestuurlijke of toezichthoudende organen van de bank, maar niet de in artikel 70 TUB vastgelegde bevoegdheid om de bank door „ontbinding” van deze organen onder tijdelijk bewind te stellen. Artikel 69 octiesdecies en artikel 70 TUB betreffen dus verschillende gevallen en – gelet op de bewoordingen van de artikelen 28 en 29 van richtlijn 2014/59 – achtereenvolgens te nemen interventiemaatregelen van verschillende intensiteit, die afhankelijk zijn van verschillende, telkens uitputtende (alternatieve) voorwaarden. De voorwaarde van een „verslechtering van de situatie van de bank” is daarom niet van toepassing op de maatregelen waarin artikel 70 TUB voorziet, wat betekent dat de ECB deze bepaling heeft geschonden. ( 17 ) |
|
30. |
Gezien de duidelijke bewoordingen van de artikelen 69 octiesdecies en 70 TUB en de daarin gebruikte termen, is een richtlijnconforme uitlegging volgens het Gerecht niet mogelijk. De door de ECB genomen maatregel is immers die van artikel 70 TUB, zodat aan de voorwaarden ervan moet zijn voldaan. ( 18 ) De „verslechtering van de situatie van de bank” als bedoeld in artikel 69 octiesdecies TUB is volgens het Gerecht „geen generieke uitdrukking, maar een voorwaarde in een wetstekst die een uitputtende lijst van vier alternatieve voorwaarden bevat”, en kan derhalve geen maatregel als bedoeld in artikel 70 TUB rechtvaardigen. ( 19 ) |
|
31. |
Bovendien is de ECB volgens het Gerecht niet verplicht om richtlijn 2014/59 toe te passen met als doel om de bank onder tijdelijk bewind te stellen wanneer de situatie van de bank aanzienlijk verslechtert. Dit volgt evenmin uit haar verplichting krachtens artikel 4, lid 3, van verordening nr. 1024/2013 om het nationale recht tot omzetting van richtlijnen toe te passen. Deze bepaling kan niet aldus worden gelezen „dat zij twee verschillende bronnen van verplichtingen omvat, namelijk het Unierecht als geheel, de richtlijnen daaronder begrepen, waaraan het nationale recht tot omzetting ervan moet worden toegevoegd”. Volgens het Gerecht zou een dergelijke uitlegging immers veronderstellen „dat de nationale bepalingen verschillen van de richtlijnen en dat in een dergelijk geval de twee soorten documenten voor de ECB als afzonderlijke rechtsbronnen gelden”. ( 20 ) Dit zou echter indruisen tegen artikel 288 VWEU. Bovendien kan een richtlijn geen verplichtingen voor een particulier scheppen. De fout van de ECB kan dus niet worden verholpen door een vrije uitlegging van artikel 70 TUB in het licht van richtlijn 2014/59. ( 21 ) |
|
32. |
Het Gerecht heeft de andere zes door hem geïdentificeerde middelen ( 22 ) niet onderzocht. |
|
33. |
Voor zover Corneli met de formulering „alle daaropvolgende of latere besluiten” in het verzoekschrift, in de repliek en in een andere brief ook is opgekomen tegen het tweede en het derde verlengingsbesluit, heeft het Gerecht dit niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan nauwkeurigheid en het feit dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 76, onder d), en artikel 86 van zijn Reglement voor de procesvoering, omdat het verzoekschrift onvoldoende op die besluiten betrekking had. ( 23 ) |
IV. Procedure bij het Hof en conclusies van partijen
|
34. |
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 december 2022, heeft de ECB hogere voorziening ingesteld in zaak C‑777/22 P. |
|
35. |
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 december 2022, heeft de Commissie hogere voorziening ingesteld in zaak C‑789/22 P. |
|
36. |
Naar aanleiding van verzoeken van de Commissie en de ECB op respectievelijk 18 en 20 januari 2023, heeft de president van het Hof op 8 februari 2023 overeenkomstig artikel 54 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist de zaken C‑777/22 P en C‑789/22 P te voegen. |
|
37. |
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 20 maart 2023, heeft Italië krachtens artikel 40, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie verzocht om toelating tot interventie aan de zijde van de ECB en de Commissie. Bij beslissing van 17 april 2023 heeft de president van het Hof dit verzoek ingewilligd. Op 26 mei 2023 heeft Italië zijn memorie in interventie neergelegd. |
|
38. |
De ECB, ondersteund door Italië, verzoekt het Hof:
|
|
39. |
De Commissie, ondersteund door Italië, verzoekt het Hof:
|
|
40. |
Corneli verzoekt het Hof:
|
|
41. |
Naar aanleiding van de verzoeken van de ECB en Italië van respectievelijk 3 en 6 november 2023 werden de gevoegde zaken op 7 mei 2024 verwezen naar de Grote kamer van het Hof. |
|
42. |
Op diezelfde dag heeft het Hof partijen verzocht bepaalde vragen schriftelijk te beantwoorden, hetgeen zij binnen de gestelde termijn hebben gedaan. |
|
43. |
Ter terechtzitting van 25 juni 2024 hebben partijen pleidooi gehouden en geantwoord op de vragen van het Hof. |
V. Beoordeling
A. Overzicht van de middelen en volgorde van het onderzoek
|
44. |
In zaak C‑777/22 P voert de ECB, ondersteund door Italië, twee middelen aan. |
|
45. |
Met haar eerste middel stelt de ECB dat het Gerecht blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de „rechtstreekse en individuele geraaktheid” van Corneli in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU en van haar procesbelang. Met haar tweede middel verwijt de ECB het Gerecht de in de litigieuze besluiten aangevoerde rechtsgrondslagen onjuist te hebben beoordeeld; deze hadden overeenkomstig artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 moeten worden beoordeeld op basis van het gehele toepasselijke nationale recht en de uitleggingsmethoden ervan. Dit betreft met name artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB zoals uitgelegd door de Italiaanse rechters. |
|
46. |
In zaak C‑789/22 P voert de Commissie, ondersteund door Italië, vijf middelen aan, waarvan sommige overlappen met die van de ECB. |
|
47. |
Met haar eerste middel verwijt de Commissie het Gerecht bij de toepassing van artikel 263, vierde alinea, VWEU blijk te hebben gegeven van dezelfde onjuiste rechtsopvattingen als die welke de ECB in haar eerste middel laakt. Met haar tweede middel verwijt de Commissie het Gerecht blijk te hebben gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van artikel 84 van zijn Reglement voor de procesvoering, doordat het ten onrechte ambtshalve een materiële onrechtmatigheid aan de orde heeft gesteld en ultra petita uitspraak heeft gedaan. Het derde middel van de Commissie is – net als het tweede middel van de ECB – gericht tegen een beweerdelijk onjuiste uitlegging van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 en artikel 70, lid 1, TUB. Het vierde middel is ontleend aan schending van artikel 288, lid 3, VWEU op grond dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat artikel 70, lid 1, TUB niet in overeenstemming met artikel 29 van richtlijn 2014/59 kon worden uitgelegd. Met haar vijfde middel stelt de Commissie – ook weer net als de ECB met haar tweede middel – dat het Gerecht blijk heeft gegeven van verschillende onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de verhouding tussen het nationale recht en de richtlijnen, waaronder meervoudige schending van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 en artikel 288, leden 2 en 3, VWEU, en dat het de rechtstreekse toepasselijkheid van de relevante bepalingen van de richtlijn heeft miskend. |
|
48. |
Ik zal eerst de middelen betreffende de ontvankelijkheid van het beroep ( 24 ) gezamenlijk onderzoeken (onder B). Vervolgens zal ik de middelen die betrekking hebben op de inhoudelijke beoordeling door het Gerecht eveneens gezamenlijk onderzoeken ( 25 ) (onder C). |
B. Middelen betreffende de ontvankelijkheid van het beroep
|
49. |
De middelen betreffende de ontvankelijkheid van het beroep hebben allereerst betrekking op de vraag of Corneli rechtstreeks en individueel wordt geraakt door de litigieuze besluiten in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU (punt 1), en voorts op (het voortbestaan van) haar belang bij de nietigverklaring ervan (punt 2). |
|
50. |
In dit verband moet voor ogen worden gehouden dat het Hof in de hogere voorziening de ontvankelijkheid van het beroep, met inbegrip van het voortbestaan van het procesbelang, ongeacht de standpunten van partijen en de beoordeling door het Gerecht ambtshalve moet onderzoeken. ( 26 ) Alleen al om deze reden kan de door Corneli aangevoerde exceptie van niet-ontvankelijkheid met betrekking tot het eerste middel van de ECB niet slagen en moet die daarom worden verworpen. |
1. Procesbevoegdheid op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU
|
51. |
Op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU is een persoon die niet de adressaat is van de bestreden handeling, alleen procesbevoegd indien hij door die handeling „rechtstreeks en individueel wordt geraakt”. Ik onderzoek eerst of Corneli rechtstreeks wordt geraakt door de litigieuze besluiten. |
a) Rechtstreekse geraaktheid
|
52. |
Volgens vaste rechtspraak kan een persoon alleen worden beschouwd als „rechtstreeks geraakt” in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU wanneer aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de particulier. Ten tweede mag die maatregel aan degenen tot wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten, zodat de uitvoering zuiver automatisch gebeurt. Die uitvoering moet alleen uit de regelgeving voortvloeien zonder dat andere uitvoeringsbepalingen worden toegepast. ( 27 ) |
|
53. |
Zoals het Gerecht onder verwijzing naar deze rechtspraak terecht heeft geoordeeld ( 28 ), hebben de litigieuze besluiten rechtstreekse negatieve gevolgen voor de rechtspositie van Corneli als aandeelhouder van de bank. Deze besluiten raken de uitoefening van haar deelnemings-, stem- en andere rechten zoals vastgelegd in de statuten van de bank. In tegenstelling tot de kritiek van de ECB kan niet worden gesteld dat de relevante bepalingen van de statuten van de bank inzake de rechten van aandeelhouders zijn miskend, laat staan onjuist zijn opgevat. In het bijzonder raken de litigieuze besluiten de rechten om de bestuurlijke en toezichthoudende organen van de bank te verkiezen (artikelen 18 en 26), om de algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen en de agenda vast te stellen (artikel 10, lid 4). Dit geldt ook voor de voorwaarden waaronder deze algemene vergadering of een bepaald deel van de aandeelhouders de bestuurlijke en toezichthoudende organen van de bank op grond van de artikelen 2393 en 2393 bis van het Italiaanse burgerlijk wetboek aansprakelijk kan stellen. ( 29 ) |
|
54. |
Door de bank onder tijdelijk bewind te stellen of dit bewind te verlengen, hebben de litigieuze besluiten de uitoefening van deze rechten opgeschort of beperkt en dus rechtstreeks ingegrepen in de rechtspositie van de aandeelhouders, waaronder die van Corneli. Krachtens deze besluiten zijn de rechten om de bestuurlijke en toezichthoudende organen van de bank te verkiezen en om de algemene vergadering van aandeelhouders bijeen te roepen en de agenda ervan vast te stellen overgegaan aan de tijdelijke bewindvoerders. De overeenkomstige opschorting of beperking van de betrokken deelnemings- of stemrechten van de aandeelhouders vloeit voort uit artikel 70, lid 2, juncto artikel 72, lid 6, TUB, die voorzien in de automatische overgang van deze rechten aan de tijdelijke bewindvoerders. ( 30 ) Door de bank onder tijdelijk bewind te plaatsen werd voorts de civielrechtelijke aansprakelijkheid van de bestuurlijke en toezichthoudende organen van de bank op grond van artikel 72, lid 9, TUB beperkt tot gevallen waarin er sprake is van opzet en grove schuld, en kon deze aansprakelijkheid alleen nog door de tijdelijke bewindvoerders voor de rechter worden ingeroepen met voorafgaande toestemming van de Banca d’Italia. Bovendien werd deze bewindvoerders op grond van artikel 72, lid 5, TUB het recht verleend om, met voorafgaande toestemming van de Banca d’Italia, beroepen wegens aansprakelijkheid in te stellen tegen leden van de ontbonden organen van de bank of tegen de directeur-generaal. De algemene vergadering van aandeelhouders of een deel van hen dat een bepaald aandeel van het maatschappelijk kapitaal in handen heeft, kon daarom niet langer dergelijke beroepen instellen overeenkomstig de artikelen 2393 en 2393 bis van het Italiaanse burgerlijk wetboek. ( 31 ) |
|
55. |
Het Gerecht heeft terecht geoordeeld dat er sprake is van een dergelijke aantasting van de deelnemings- of stemrechten van de aandeelhouders, waaronder die van Corneli, ongeacht het feit dat de statuten van de bank voor de daadwerkelijke uitoefening ervan deels voorzien in een quorum van 1 % van de door deze aandeelhouders gehouden aandelen. ( 32 ) Al deze deelnemings- of stemrechten hebben immers een intrinsieke waarde, net zoals het stemrecht van een burger bij democratische verkiezingen. Deze waarde staat los van de vraag of de uitoefening van deze rechten voldoende is om daadwerkelijk invloed uit te oefenen op de belangrijkste organisatorische of commerciële beslissingen van de bank. De deelnemings- of stemrechten omvatten en beschermen immers reeds de wettelijke mogelijkheid om deel te nemen aan dergelijke besluitvormingsprocessen en de uitkomst ervan te beïnvloeden. Het Gerecht heeft dit terecht erkend door te stellen dat het argument van de ECB en de Commissie „voorbijgaat aan het stemrecht op grond waarvan elke aandeelhouder individueel kan deelnemen aan de verkiezing van de leden van de [algemene vergadering die worden benoemd in de] bestuurs- en toezichthoudende organen”. ( 33 ) Door het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind wordt deze wettelijke mogelijkheid om invloed uit te oefenen op het beheer van de bank echter automatisch geschrapt. |
|
56. |
Het feit dat een minderheidsaandeelhouder mogelijk alleen samen met andere (minderheids)aandeelhouders de relevante quorums kan bereiken, is daarom niet relevant voor de vraag of zijn deelnemings- of stemrechten als zodanig zijn aangetast. Het mogelijk bereiken van een dergelijk quorum is alleen relevant voor de daaropvolgende vraag of de uitoefening van deelnemings- of stemrechten ook voldoende is om de gewenste rechtsgevolgen te bereiken (zoals het bijeenroepen van de algemene vergadering of het vaststellen van een agendapunt voor die vergadering). Dit doet echter niets af aan het bestaan of de noodzaak van bescherming van de uitoefening van deze individuele rechten. ( 34 ) Bijgevolg moet ook, zoals het Gerecht in de punten 43 tot en met 45 van het bestreden arrest terecht heeft geoordeeld, het bezwaar worden afgewezen waarmee rekwirantes stellen dat de respectieve rechten om besluiten te nemen enkel toebehoren aan de algemene vergadering of een deel van de aandeelhouders die over een bepaald percentage aandelen beschikken, maar niet aan de individuele aandeelhouder die enkel stemrecht heeft. |
|
57. |
In het arrest Trasta Komercbanka ( 35 ) heeft het Hof voorts indirect bevestigd dat in een zaak als de onderhavige, die – in tegenstelling tot de intrekking van de vergunning die daar aan de orde was – alleen betrekking heeft op het besluit waarbij een bank onder tijdelijk bewind is geplaatst, de aantasting van de rechten van aandeelhouders om deel te nemen aan het bestuur voldoende kan zijn om hen als rechtstreeks geraakt te beschouwen. De aantasting van deze rechten is in het laatste geval immers niet identiek met de zuiver economische negatieve gevolgen voor de bank en haar aandeelhouders die uit de intrekking van haar vergunning of zelfs haar vereffening zouden voortvloeien. ( 36 ) Het Hof heeft bovendien uitdrukkelijk erkend dat zelfs het besluit tot vereffening van een bank het recht van de aandeelhouders om deel te nemen aan het bestuur van die bank rechtstreeks aantast, aangezien dat besluit dat bestuur aan de vereffenaar opdraagt. In de zaak Trasta Komercbanka was dit besluit echter uitsluitend gebaseerd op het Letse recht. Dit besluit vloeide daarom niet voort uit het Unierecht of uit het litigieuze besluit van de ECB om de vergunning in te trekken, zodat de aandeelhouders door laatstgenoemd besluit niet rechtstreeks werden geraakt. ( 37 ) Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld ( 38 ), ligt dit echter anders in het geval van een besluit van de ECB waarbij een bank onder tijdelijk bewind wordt geplaatst. |
|
58. |
De ECB kan aan deze conclusies niet afdoen door te verwijzen naar het arrest Albert e.a. tegen Hongarije van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) ( 39 ). |
|
59. |
Ten eerste is de door het EHRM getoetste procesbevoegdheid op grond van artikel 34 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niet identiek aan de vereisten voor procesbevoegdheid van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Ten tweede erkent ook het EHRM dat de aandeelhouders van een bank „rechtstreeks geraakt” zijn in de zin van artikel 34 EVRM als de klacht is gericht tegen handelingen die zowel de bank als de rechten van haar aandeelhouders raken. Dit beginsel wordt alleen beperkt als de bank en haar aandeelhouders zo nauw met elkaar verweven zijn dat het kunstmatig zou zijn om onderscheid tussen beide te maken, of als dit wordt gerechtvaardigd door „uitzonderlijke omstandigheden”. Het EHRM heeft daarom, net als het Hof in het arrest Trasta Komercbanka (zie punt 57 hierboven), erkend dat handelingen die de rechten van de aandeelhouders (om deel te nemen aan het bestuur van de bank) rechtstreeks raken, zich onderscheiden van handelingen die (alleen) tegen de bank zijn gericht. Deze handelingen schaden namelijk niet alleen de economische belangen van de aandeelhouders van deze bank, maar veranderen ook hun rechtspositie binnen de bestuursstructuur van de bank. ( 40 ) |
|
60. |
In het arrest Albert e.a. tegen Hongarije oordeelde het EHRM inderdaad dat de rechten van de aandeelhouders niet „rechtstreeks werden geraakt”. Ten eerste konden zij deze rechten namelijk uitoefenen met betrekking tot de betwiste fusie van de twee betrokken banken tijdens de desbetreffende besluitvormingsprocedure en stemming. Voorts waren deze rechten vanwege de ontoereikende omvang van de individuele aandelen niet voldoende om zeggenschap uit te oefenen over een van deze banken. Het EHRM oordeelde daarom – in tegenstelling tot de zaken waarin het eerder had beslist over de kunstmatige uitholling van stemrechten van aandeelhouders of de intrekking van aandelen ( 41 ) – dat de betwiste, hoofdzakelijk tegen de ondernemingen gerichte maatregelen slechts een „ondergeschikt en indirect” gevolg hadden voor de rechten van de individuele aandeelhouders als zodanig. ( 42 ) |
|
61. |
De bijzondere situatie van de fusie van twee banken is echter niet vergelijkbaar met die in de onderhavige zaak, waarin een bank slechts onder tijdelijk bewind wordt geplaatst. De twee gefuseerde banken hielden immers op in hun vorige vorm te bestaan en op de markt actief te zijn. Een permanente structurele verandering van een bank en haar bedrijfsactiviteiten en de bijbehorende economische gevolgen onderscheiden zich daarom van tijdelijk bewind, waarbij de zeggenschap over de bedrijfsactiviteiten van een bank slechts tijdelijk in andere handen is, en van de gevolgen hiervan voor de rechten van aandeelhouders. Het op de rechtspraak van het EHRM gebaseerde argument van de ECB inzake de fusie van banken kan derhalve niet op de onderhavige zaak worden toegepast en moet worden verworpen. |
|
62. |
Door het in de litigieuze besluiten opgelegde of verlengde tijdelijk bewind werden de deelnemings- of stemrechten van de aandeelhouders van de bank bovendien automatisch opgeschort en beperkt. Er hoefde daarvoor geen discretionair besluit of aanvullende uitvoeringshandeling te worden vastgesteld. ( 43 ) Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat Corneli rechtstreeks door deze besluiten werd geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. ( 44 ) |
b) Individuele geraaktheid
|
63. |
De vraag of Corneli ook voldoet aan de voorwaarde van individuele geraaktheid, hoeft alleen te worden onderzocht indien de litigieuze besluiten geen„regelgevingshandelingen” zijn in de zin van artikel 263, vierde alinea, derde zinsdeel, VWEU, die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengen. Volgens vaste rechtspraak vallen onder dit begrip alle niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking. Dit vereist dat een dergelijke handeling van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor algemeen en abstract aangewezen categorieën van personen. ( 45 ) |
|
64. |
Aan deze voorwaarde is in casu niet voldaan. De litigieuze besluiten waren rechtstreeks gericht tot de bank, dat wil zeggen een rechtspersoon, en hadden ook betrekking op het aantal aandeelhouders ten tijde van de vaststelling van die besluiten. Daarom moet worden onderzocht of Corneli in haar hoedanigheid van aandeelhouder destijds voldeed aan de voorwaarde van individuele geraaktheid. |
|
65. |
Mijns inziens is het Gerecht er onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof terecht van uitgegaan dat mevrouw Corneli individueel was geraakt. ( 46 ) |
|
66. |
Volgens vaste rechtspraak worden degenen die niet adressaat van een maatregel zijn, slechts individueel geraakt wanneer die maatregel hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat. ( 47 ) Met name in het geval van abstracte en algemene maatregelen heeft het Hof geoordeeld dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een maatregel van toepassing is, niet voldoende is om hen te beschouwen als individueel door deze maatregel geraakt, wanneer vaststaat dat deze toepassing geschiedt op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie. ( 48 ) |
|
67. |
Zoals het Gerecht terecht heeft opgemerkt ( 49 ), was Corneli op het tijdstip waarop de litigieuze (concrete en individuele) besluiten werden vastgesteld geïndividualiseerd als aandeelhouder en dus als lid van de duidelijk afgebakende groep van alle aandeelhouders van de bank. Deze besluiten belemmerden bovendien de uitoefening van haar deelnemings- en stemrechten als aandeelhouder krachtens de statuten van de bank (punten 53 e.v. hierboven). Zij betroffen Corneli dus niet alleen in haar „objectieve” hoedanigheid van aandeelhouder (ten opzichte van aandeelhouders van andere vennootschappen), zoals rekwirantes stellen, maar ook als op dat tijdstip duidelijk identificeerbare houder van een deel van het aandelenkapitaal van de bank. Bovendien was deze maatregel juist bedoeld om de deelnemings- en stemrechten van de aandeelhouders van de bank (en niet die van aandeelhouders van andere vennootschappen) op te schorten (punt 54 hierboven) teneinde het herstel van de bank te vergemakkelijken. |
|
68. |
Aan die beoordeling kan niet worden afgedaan door het met name door de ECB aangevoerde argument dat ongeveer 35000 aandeelhouders van de bank zouden worden beschouwd als individueel geraakt en procesbevoegd. Zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld, is het aantal potentiële verzoekers dat naargelang de aard van de betwiste maatregel wordt geraakt, in dit verband irrelevant, voor zover zij op het tijdstip waarop deze maatregel werd vastgesteld duidelijk konden worden geïdentificeerd als leden van een vastomlijnde kring van personen en deze maatregel hun bestaande rechten (specifiek) aantast. ( 50 ) Dit geldt des te meer in het onderhavige geval omdat de litigieuze besluiten geen maatregelen van algemene strekking zijn, maar maatregelen van concrete en individuele aard (zie de punten 64 en 66 hierboven). |
|
69. |
Het Gerecht heeft dan ook terecht geoordeeld dat Corneli door de litigieuze besluiten individueel is geraakt in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU. Derhalve kan in het midden worden gelaten of de door de Commissie bekritiseerde aanvullende redenering, met name in de punten 73 tot en met 75 van het bestreden arrest (in antwoord op haar betoog in eerste aanleg), blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. |
2. Voortbestaan van het procesbelang
|
70. |
Onderzocht moet nog worden of Corneli – nu de bank niet meer onder tijdelijk bewind staat en niet betwist wordt dat zij geen aandeelhouder meer is – nog steeds een (proces)belang heeft bij de nietigverklaring van de litigieuze besluiten en dat ook heeft bewezen. |
|
71. |
Het Gerecht heeft inderdaad het eigen procesbelang van Corneli, dat te onderscheiden is van dat van de bank, onderzocht en daarbij geoordeeld dat de litigieuze besluiten gevolgen hadden voor de uitoefening van haar rechten als aandeelhouder. ( 51 ) Dit betreft met name het recht om een algemene vergadering bijeen te roepen teneinde een voorstel voor het instellen van een beroep in te dienen of het recht om daartoe een punt toe te voegen aan de agenda van een dergelijke vergadering. ( 52 ) Dit onderscheidbare procesbelang van Corneli berustte op haar verzoek om bescherming van haar deelnemings- en stemrechten die specifiek aan haar vennootschapsrechtelijke positie als aandeelhouder waren verbonden. Daarmee heeft het Gerecht in wezen echter slechts de gronden voor het rechtstreeks geraakt zijn van Corneli herhaald (punten 53 e.v. hierboven), zonder in te gaan op de vraag of het procesbelang van Corneli, gelet op het verstrijken van de in het eerste verlengingsbesluit gestelde termijn voor het tijdelijk bewind van de bank, tot de datum van uitspraak van het bestreden arrest bleef bestaan. Het Gerecht heeft haar ook niet gevraagd om dit aan te tonen. |
|
72. |
De vraag of een verzoeker zijn procesbelang en het voortbestaan ervan heeft aangetoond, is een – van het bewijs van procesbevoegdheid in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU te onderscheiden – rechtsvraag die in hogere voorziening vatbaar is voor toetsing door het Hof. ( 53 ) |
|
73. |
Volgens vaste rechtspraak is een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Dat veronderstelt dat de nietigverklaring hem een voordeel kan opleveren. Dit procesbelang dient te blijven bestaan tot aan de rechterlijke beslissing, hetgeen een wezenlijke voorwaarde is voor de ontvankelijkheid van het beroep. Anders is het geding zonder beslissing afgedaan. ( 54 ) |
|
74. |
Het voortbestaan van procesbelang kan volgens vaste rechtspraak onder meer berusten op het feit dat een nietigverklaringsarrest als grondslag kan dienen voor een aansprakelijkheidsvordering. ( 55 ) Volgens die rechtspraak vormt de mogelijkheid om een schadevordering in te stellen reeds een voldoende grondslag voor een dergelijk procesbelang, mits het niet om een hypothetische vordering gaat. ( 56 ) Daarbij is het niet van belang of de bij de Unierechter of de nationale rechter ingestelde vorderingen waarschijnlijk gegrond zijn of hetzelfde voorwerp hebben. Beslissend is daarentegen of de gevorderde nietigverklaring van de bestreden rechtshandeling van invloed kan zijn op die andere vordering ( 57 ), dat wil zeggen dat die nietigverklaring ten aanzien van die vordering ten minste gedeeltelijk een precedent kan zijn. |
|
75. |
In antwoord op de schriftelijke en mondelinge vragen van het Hof betoogde Corneli dat haar procesbelang, gebaseerd op het verlies van haar aandelen en deelnemings- of stemrechten als aandeelhouder van de bank, in het bijzonder met betrekking tot toekomstige aansprakelijkheidsvorderingen bleef bestaan. Zij gaf aan voornemens te zijn een dergelijke vordering in te stellen tegen de entiteiten en natuurlijke en rechtspersonen die betrokken zijn bij het tijdelijke bewind van de bank, de herstructurering ervan en de verkoop van haar aandelen; deze vordering is volgens Corneli afhankelijk van de nietigverklaring van de litigieuze besluiten door de Unierechter. Dienaangaande heeft zij terecht gesteld dat de in artikel 46 van het Statuut van het Hof bepaalde verjaringstermijn van vijf jaar voor het instellen van een aansprakelijkheidsvordering tegen onder meer de ECB op grond van artikel 268 juncto artikel 340, derde alinea, VWEU nog niet was verstreken. ( 58 ) |
|
76. |
Het definitieve verlies van aandelen en deelnemings- of stemrechten als zodanig, dat inmiddels als gevolg van de herstructurering van de bank heeft plaatsgevonden, kan inderdaad niet rechtstreeks worden toegeschreven aan de litigieuze besluiten, waarbij die bank enkel onder tijdelijk bewind is gesteld, en evenmin kan dit verlies het belang van Corneli bij de nietigverklaring van die besluiten rechtvaardigen. ( 59 ) Een dergelijk belang bestond echter wel tijdens het tijdelijk bewind, toen zij haar deelnemings- of stemrechten als aandeelhouder niet meer kon uitoefenen (zie punt 71 hierboven). |
|
77. |
Volgens Corneli is de schade die zij heeft geleden niet alleen het gevolg van het definitieve verlies van haar aandelen en deelnemings- of stemrechten, maar ook van de aantasting van laatstgenoemde rechten tijdens het tijdelijk bewind. Hoe dan ook lijkt een dergelijke causaliteit, gelet op de door haar en de ECB in antwoord op de schriftelijke vragen van het Hof meegedeelde maatregelen die zijn genomen tijdens het tijdelijk bewind in 2019 en 2020, en die uiteindelijk hebben geleid tot de herkapitalisatie van de bank door het FITD en de verkoop van haar aandelen aan BPER Banca (punt 25 hierboven), niet hypothetisch of volledig uitgesloten. Gelet op de bevoegdheid van de nationale rechter om op grond van de nationale regels inzake schadevergoeding te beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden voor aansprakelijkheid, waaronder het causale verband tussen de onrechtmatige handeling en de geleden schade, staat het niet aan de Unierechter om deze vragen bij de beoordeling van het voortbestaan van het procesbelang in detail te onderzoeken, laat staan om een dergelijk causaal verband van meet af aan uit te sluiten (punt 74 hierboven). Het volstaat veeleer vast te stellen dat de – eventueel door het Hof te bevestigen – nietigverklaring van de litigieuze besluiten op grond van de door Corneli aangevoerde onwettigheidsgronden, een precedent kan zijn voor latere aansprakelijkheidsvorderingen. |
|
78. |
Corneli heeft er dus nog steeds belang bij dat de litigieuze besluiten nietig worden verklaard ter voorbereiding van een aansprakelijkheidsvordering bij de nationale rechter of de Unierechter op grond van artikel 263, tweede alinea, VWEU juncto artikel 264, eerste alinea, VWEU. |
3. Voorlopige conclusie
|
79. |
Aangezien Corneli nog steeds procesbelang had en procesbevoegd was op grond van artikel 263, vierde alinea, VWEU, heeft het Gerecht haar beroep tot nietigverklaring dus terecht ontvankelijk verklaard. |
|
80. |
Derhalve dient het eerste middel van de ECB en de Commissie ongegrond te worden verklaard. |
C. Middelen betreffende de gegrondheid van het beroep: schending van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 junctis artikel 29 van richtlijn 2014/59 en artikel 70, lid 1, TUB?
1. Volgorde van onderzoek
|
81. |
Het tweede middel van de ECB en het tweede tot en met het vijfde middel van de Commissie betreffen in wezen de vraag of het Gerecht artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 junctis de artikelen 28 en 29 van richtlijn 2014/59 en artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB onjuist heeft uitgelegd door te oordelen dat deze bepalingen geen toereikende rechtsgrondslag vormden voor het bij de litigieuze besluiten opgelegde en verlengde tijdelijk bewind van de bank. In dit verband heeft het Gerecht de rechtstreekse toepassing van de bepalingen van de richtlijn op de bank en een richtlijnconforme uitlegging van deze nationale bepalingen van de hand gewezen. ( 60 ) |
|
82. |
Met het tweede middel van de ECB en het derde en vierde middel van de Commissie wordt het Gerecht in wezen ook verweten dat het artikel 70, lid 1, TUB onjuist heeft uitgelegd en dat het is voorbijgegaan aan het feit dat deze bepaling richtlijnconform, namelijk in overeenstemming met artikel 29 van richtlijn 2014/59, kan worden uitgelegd. Met haar vierde en vijfde middel stelt de Commissie dat het Gerecht hierdoor ook artikel 288, tweede en derde alinea, VWEU en artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 heeft geschonden, onder meer omdat het is voorbijgegaan aan de verplichting van de ECB om artikel 29 van die richtlijn rechtstreeks toe te passen. Ter terechtzitting heeft de ECB in antwoord op schriftelijke en mondelinge vragen van het Hof ook betoogd dat deze bepaling van de richtlijn rechtstreeks en bij voorrang toepasselijk is. Deze bepaling moet volgens haar daarom niet alleen door de autoriteiten van de lidstaten, maar ook door de ECB en het Gerecht worden nageleefd. Zowel Corneli als Italië hebben hierover ter terechtzitting opmerkingen gemaakt. |
|
83. |
Hieronder zal ik deze middelen samen onderzoeken. Daarbij onderzoek ik ook de vraag of het Gerecht artikel 288, tweede en derde alinea, VWEU en artikel 84 van zijn Reglement voor de procesvoering heeft geschonden (tweede, vierde en vijfde middel van de Commissie). |
|
84. |
Aangezien de ECB op grond van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 verplicht is om alle toepasselijke Uniewetgeving, waaronder het nationale recht tot omzetting van richtlijnen, toe te passen ( 61 ), zal ik eerst onderzoeken of en in hoeverre deze verplichte toepassing ook betrekking heeft op artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59. Onderzocht moet worden of deze bepaling wat betreft de normatieve structuur en de rechtsgevolgen ervan rechtstreeks toepasselijk was ten aanzien van de bank en haar aandeelhouders (punt 2) en of zij niet alleen door de nationale autoriteiten maar ook door de ECB en het Gerecht moest worden nageleefd en toegepast (punt 3). Het is namelijk mogelijk dat de ECB reeds op grond van de rechtstreekse toepasselijkheid en voorrang van deze bepaling van de richtlijn ( 62 ), bevoegd en eventueel zelfs verplicht was om het tijdelijk bewind van de bank te gelasten en de nationale bepalingen buiten toepassing te laten voor zover zij in strijd waren met deze bepaling. Het Gerecht had de litigieuze besluiten dan niet nietig mogen verklaren wegens het vermeende ontbreken van een rechtsgrondslag. De vraag of deze nationale bepalingen richtlijnconform kunnen worden uitgelegd, zou in dit geval niet meer relevant zijn. |
|
85. |
Voor het geval de rechtstreekse toepassing van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 is uitgesloten, onderzoek ik vervolgens of en in hoeverre de ECB verplicht is om het nationale recht waarbij deze richtlijn is omgezet, richtlijnconform uit te leggen (punt 4). Daarna ga ik in op de vraag hoe het Gerecht bij de toetsing van de desbetreffende handelingen van de ECB rekening moet houden met de draagwijdte van het nationale recht, met name of het dit recht binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 op dezelfde manier moet behandelen als het Unierecht (punt 5). Ten slotte onderzoek ik de ontvankelijkheid van de desbetreffende middelen, die rekwirantes voor het eerst in hogere voorziening hebben aangevoerd (punt 6). |
|
86. |
In het bestreden arrest heeft het Gerecht zowel een rechtstreekse toepassing van de bepalingen van een richtlijn ten nadele van particulieren als een richtlijnconforme uitlegging van artikel 70, lid 1, TUB van de hand gewezen. ( 63 ) Zoals ik hieronder zal aantonen, is op deze aanpak uiteindelijk niets aan te merken. |
2. Rechtstreekse toepasselijkheid en voorrang van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59?
a) Normatieve structuur van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59
|
87. |
Volgens vaste rechtspraak kan een bepaling van een richtlijn slechts rechtstreekse werking hebben indien zij inhoudelijk gezien onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is. Een bepaling is onvoorwaardelijk wanneer zij een verplichting oplegt die aan geen enkele voorwaarde is gebonden en die voor haar uitvoering of werking niet afhangt van een handeling van de instellingen van de Unie of van de lidstaten. Zij is voldoende nauwkeurig om door een justitiabele te kunnen worden ingeroepen en door de rechter te kunnen worden toegepast, wanneer de erin vervatte verplichting in ondubbelzinnige bewoordingen is geformuleerd. ( 64 ) Als aan deze voorwaarden is voldaan, kan de justitiabele zich voor de nationale rechter op die bepaling beroepen tegenover de lidstaat, wanneer deze de richtlijn op onjuiste wijze in nationaal recht heeft omgezet. ( 65 ) |
|
88. |
Artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 vereist dat de lidstaten, indien de bevoegde autoriteit (in dit geval de ECB) van oordeel is dat de in artikel 28 van die richtlijn bedoelde vervanging van het hogere management of het leidinggevend orgaan niet volstaat „om de situatie te verhelpen”, er zorg voor dragen dat deze autoriteiten een of meer tijdelijk bewindvoerders van de instelling kunnen aanstellen. Deze bepaling machtigt de bevoegde autoriteit derhalve een dergelijke maatregel te nemen onder verwijzing naar de minder ingrijpende maatregelen van artikel 28 van de richtlijn, zoals de afzetting van het volledige hogere management of leidinggevende orgaan, dan wel van individuele leden daarvan, die naar het oordeel van de ECB in het onderhavige geval niet toereikend zijn. Al deze maatregelen veronderstellen onder andere dat de financiële positie van de betrokken bank significant is verslechterd. Zoals blijkt uit de verwijzing in artikel 29 naar artikel 28 van de richtlijn, uit de tekst ervan in hun samenhang bezien en uit overweging 40 ( 66 ), is het criterium van een significante verslechtering van de financiële positie een uniforme voorwaarde voor de toepassing van alle in beide bepalingen genoemde interventiemaatregelen van uiteenlopende intensiteit. Derhalve zijn zowel de voorwaarden voor de toepassing van artikel 29, lid 1, eerste volzin, juncto artikel 28 van de richtlijn als de daarin bepaalde rechtsgevolgen voldoende nauwkeurig en onvoorwaardelijk. |
|
89. |
Volgens vaste rechtspraak van het Hof kan het feit dat de bevoegde autoriteiten bij de beoordeling of aan deze voorwaarden is voldaan en welke maatregelen moeten worden genomen, over een zekere beoordelingsvrijheid beschikken, en dat deze maatregelen overeenkomstig artikel 29, lid 1, tweede volzin, van richtlijn 2014/59 evenredig moeten zijn, geen afbreuk doen aan de voldoende nauwkeurigheid en onvoorwaardelijkheid van deze bepalingen. Volgens deze rechtspraak is een dergelijke beoordelingsvrijheid noch een voorwaarde, noch een aanvullend vereiste voor de uitvoering of werking in de zin van de hierboven in punt 87 genoemde beginselen. ( 67 ) |
|
90. |
Volgens vaste rechtspraak kan een bepaling van een richtlijn, zelfs wanneer die richtlijn aan de lidstaten een zekere beoordelingsmarge laat bij de uitvoering ervan, als onvoorwaardelijk en nauwkeurig worden beschouwd indien zij de lidstaten in ondubbelzinnige bewoordingen een nauwkeurige resultaatsverplichting oplegt waaraan geen voorwaarde is verbonden met betrekking tot de toepassing van de daarin vervatte regel. ( 68 ) Volgens deze rechtspraak kan de onvoorwaardelijkheid van een verplichting het vereiste van nauwkeurigheid dus compenseren. ( 69 ) Dit is hier het geval met betrekking tot het te bereiken resultaat, namelijk het gelasten van tijdelijk bewind in geval van een significante verslechtering van de financiële positie van de betrokken bank, die niet kan worden opgelost door minder ingrijpende maatregelen in de zin van artikel 28 van richtlijn 2014/59. |
|
91. |
Op basis van deze criteria moet de inhoud van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van die richtlijn dan ook als voldoende nauwkeurig worden beschouwd om door bijvoorbeeld een nationale toezichthoudende autoriteit en in een daaropvolgend geding door een nationale rechter te kunnen worden toegepast. Hieruit volgt in beginsel ook dat zij nationale regelgeving die in strijd is met deze bepaling buiten toepassing moeten laten. ( 70 ) Of en in hoeverre dit ook voor de ECB geldt, komt hieronder ter sprake (punten 106 e.v.). De door Corneli met name ter terechtzitting aangevoerde argumenten dat de richtlijn op dit punt slechts een minimale harmonisatie tot stand brengt en de lidstaten een ruime beoordelingsvrijheid laat bij de uitvoering ervan, moeten dus worden verworpen. |
|
92. |
Het Gerecht heeft in punt 112 van het bestreden arrest echter geoordeeld dat een richtlijn uit zichzelf geen verplichtingen voor een particulier kan scheppen, zodat een rechtstreekse toepassing (dus ook van artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/59 en ongeacht de normatieve structuur ervan) die bezwarend is voor een particulier, niet mogelijk was. |
|
93. |
Naar mijn mening berust deze met name door de Commissie bekritiseerde conclusie niet op een onjuiste rechtsopvatting. |
b) Rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 29, lid 1, van richtlijn 2014/59 ten nadele van de bank en haar aandeelhouders?
|
94. |
Volgens vaste rechtspraak kan een richtlijn als zodanig aan particulieren geen verplichtingen opleggen, maar kan zij slechts rechten in het leven roepen. Bijgevolg kan een particulier zich ten aanzien van een lidstaat ook niet op een richtlijn beroepen, wanneer deze weliswaar een verplichting aan de staat oplegt, maar die verplichting rechtstreeks verbonden is met de uitvoering van een andere, krachtens deze richtlijn op een derde rustende verplichting. Louter negatieve gevolgen voor de rechten van derden zijn evenwel, zelfs wanneer zij vaststaan, geen rechtvaardiging om een particulier het recht te ontzeggen zich ten aanzien van de betrokken lidstaat te beroepen op de bepalingen van een richtlijn. ( 71 ) |
|
95. |
Een rechtstreekse toepassing van bepalingen van een richtlijn is met name uitgesloten indien zij door middel van de daarin vastgestelde verboden of verplichtingen tot nalaten of handelen de strafrechtelijke aansprakelijkheid van personen vaststellen of verzwaren. ( 72 ) Het zou immers onverenigbaar zijn met het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van de legaliteit van straffen (nullum crimen, nulla poena sine lege), alsook met artikel 288, derde alinea, VWEU, volgens hetwelk richtlijnen tot de lidstaten zijn gericht en uitsluitend voor hen verbindend zijn, wanneer particulieren worden verplicht om hun gedrag uitsluitend op de bepalingen van een richtlijn te baseren – dat wil zeggen met name onafhankelijk van de ter uitvoering ervan vastgestelde nationale wetgeving – en zij in geval van een inbreuk aansprakelijk of strafbaar zijn. ( 73 ) Maar ook in civielrechtelijke geschillen tussen particulieren is een rechtstreekse toepassing van bepalingen van een richtlijn die aan een partij een verplichting opleggen (de zogenaamde „horizontale rechtstreekse werking”) over het algemeen uitgesloten. ( 74 ) |
|
96. |
Dit is alleen anders voor bestuursrechtelijke geschillen die betrekking hebben op zogenaamde „driehoeksverhoudingen”. In dit verband heeft het Hof bij wijze van uitzondering erkend dat een derde op grond van rechtstreeks toepasselijke bepalingen van een richtlijn waarop een particulier zich tegenover de lidstaat beroept, bepaalde overheidsmaatregelen moet toelaten. Daartoe behoort bijvoorbeeld een milieueffectbeoordeling, die kan leiden tot de intrekking van een voor de derde partij gunstige vergunning ( 75 ), of het verlies van een ander (juridisch en financieel) voordeel van de derde partij ( 76 ). Het gaat hier immers slechts om negatieve gevolgen van de uitvoering van dergelijke bepalingen voor de rechtspositie van derden. Dit is uitsluitend gebaseerd op het feit dat de bevoegde autoriteit op grond van rechtstreeks toepasselijke bepalingen van de richtlijn een beoordeling moet verrichten ( 77 ) of de gebruikte rechtsgrondslag ten aanzien van alle betrokkenen op een bepaalde manier moet uitleggen en toepassen. ( 78 ) |
|
97. |
De onderhavige zaak gaat inderdaad ook terug op een bestuursrechtelijk geschil. Voor het overige zijn er echter geen redenen om deze rechtspraak toe te passen of zelfs de werkingssfeer ervan te verruimen. |
|
98. |
In tegenstelling tot de eerder genoemde gevallen gaat het hier niet om een driehoeksverhouding die louter bezwarend is voor een derde partij. ( 79 ) Van een dergelijke verhouding zou alleen sprake zijn indien een schuldeiser of een klant van de bank die van mening is dat zijn vermogensbelangen in gevaar zijn als gevolg van de significante verslechtering van de financiële positie van de bank, zich bij de bevoegde autoriteiten of rechterlijke instanties beroept op artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 om deze autoriteiten ertoe te bewegen de bank onder tijdelijk bewind te stellen. |
|
99. |
Een rechtstreekse toepassing van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 ten aanzien van de bank en haar aandeelhouders zou in casu echter niet louter negatieve gevolgen hebben voor de rechten van derden. |
|
100. |
Het onderhavige geding betreft daarentegen de in het bestuursrecht klassieke (bilaterale) ondergeschiktheidsverhouding, waarbij de bank opkomt tegen een tot haar gerichte interventiemaatregel van openbaar gezag, namelijk het door de ECB gelaste tijdelijk bewind. De bevoegdheid om een dergelijke maatregel te nemen is een van de bevoegdheden tot optreden die de ECB in het kader van het GTM rechtstreeks ten opzichte van de banken kan uitoefenen. In dit opzicht treedt de ECB tot op zekere hoogte – ook vanwege haar verplichting krachtens artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 om de nationale wetgeving tot omzetting van richtlijn 2014/59 toe te passen – in de plaats van de nationale toezichthoudende autoriteiten (zie verder punt 107 hieronder). De maatregelen die zij neemt, resulteren uiteindelijk in bepaalde verplichtingen voor de banken en hun aandeelhouders om te handelen, na te laten of te gedogen. |
|
101. |
Hiertegen kan niet worden ingebracht dat de aandeelhouders, zoals Corneli, ten opzichte van de bank derden zijn die louter de nadelige gevolgen van het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind (deels) moeten dragen. Dit zou in tegenspraak zijn met het feit dat de economische belangen van de bank en haar aandeelhouders elkaar in belangrijke mate overlappen. Dit laatste is ook de belangrijkste reden waarom een afzonderlijk beroep van aandeelhouders tegen een besluit van de ECB om de vergunning van een bank in te trekken, niet-ontvankelijk is omdat deze aandeelhouders niet zelf rechtstreeks worden geraakt (zie punten 57 e.v. hierboven). ( 80 ) |
|
102. |
Wanneer de ECB zich als rechtsgrondslag voor deze interventiemaatregel van openbaar gezag uitsluitend kan beroepen op een rechtstreeks toepasselijke bepaling van een richtlijn, zoals in casu artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59, zou dit derhalve resulteren in ontoelaatbare verplichtingen voor particulieren op basis van een richtlijn in de zin van de in de punten 94 en 95 genoemde rechtspraak. Zoals blijkt uit de – om redenen van evenredigheid vastgestelde – volgorde van de maatregelen in de artikelen 27 tot en met 29 van richtlijn 2014/59 is het gelasten van tijdelijk bewind een verregaande interventiemaatregel die de besluitvormingsautonomie van de bank ernstig aantast. Door deze maatregel wordt de uitoefening van de rechten van haar leidinggevende organen en haar aandeelhouders om (mede) te beslissen over het beheer van de activiteiten van de bank in het belang van het effectieve herstel van de bank tijdelijk opgeschort en overgedragen aan een of meer tijdelijk bewindvoerders. |
|
103. |
De gedoogverplichtingen van de bank en haar aandeelhouders, die aan het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind zijn verbonden, zouden dus, zoals het Gerecht terecht heeft vastgesteld ( 81 ), het gevolg zijn van een voor hen bezwarende ontoelaatbare rechtstreekse toepassing van deze bepaling van de richtlijn, tenzij deze verplichtingen ook – eventueel overeenkomstig een richtlijnconforme uitlegging – op nationaal omzettingsrecht kunnen worden gebaseerd. |
|
104. |
Artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 is derhalve volgens de in de rechtspraak erkende criteria inderdaad rechtstreeks toepasselijk (zie punten 89 en 90 hierboven). Deze rechtstreekse toepassing is echter niet mogelijk ten nadele van de bank of haar aandeelhouders. Derhalve kan het Gerecht niet worden verweten in dit verband artikel 288, tweede of derde alinea, VWEU te hebben geschonden. |
|
105. |
Voor het geval het Hof deze beoordeling niet volgt en net als Corneli in beginsel uitgaat van de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 ten nadele van de bank en haar aandeelhouders, onderzoek ik subsidiair of niet alleen een nationale instantie, maar ook de ECB bevoegd of verplicht was om deze bepaling van de richtlijn rechtstreeks toe te passen. Dit onderzoek is ook van belang voor de later te bespreken vraag of de ECB ook adressaat is van de verplichting om nationaal recht richtlijnconform uit te leggen (zie punten 115 e.v. hieronder). |
3. Subsidiair: rechtstreekse toepassing van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 door de ECB?
a) De ECB als adressaat van rechtstreeks toepasselijke bepalingen van een richtlijn
|
106. |
Richtlijnen zijn overeenkomstig artikel 288, derde alinea, VWEU bestemd voor de lidstaten, die deze in hun nationale wetgeving moeten omzetten, waarbij zij de vrijheid hebben om vorm en middelen te kiezen ten aanzien van het te bereiken resultaat. Dienovereenkomstig heeft het Hof in zijn rechtspraak alleen in uitzonderlijke gevallen – onder de in punt 94 hierboven genoemde voorwaarden – ruimte gelaten voor de rechtstreekse toepasselijkheid van bepalingen van een richtlijn voor de bescherming van de rechten van particulieren en de daarmee samenhangende plicht van de autoriteiten van de lidstaten om deze bepalingen na te leven en te handhaven. |
|
107. |
Naar mijn mening volgt echter reeds uit de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 neergelegde verplichting voor de ECB om alle toepasselijke Uniewetgeving ( 82 ) en nationale wetgeving waarbij richtlijnen zijn omgezet, toe te passen, dat deze instelling, net als de nationale toezichthoudende autoriteiten (zie punt 91 hierboven), in beginsel de rechtstreekse toepasselijkheid en de daarmee samenhangende voorrang ( 83 ) van bepalingen van richtlijnen in acht moet nemen, ook al wordt zij in artikel 288, derde alinea, VWEU niet uitdrukkelijk als adressaat genoemd. Voor zover de ECB bij de uitoefening van haar toezichthoudende bevoegdheden ten aanzien van kredietinstellingen in het kader van het GTM in de plaats treedt van deze toezichthoudende autoriteiten ( 84 ) en zelfs de nationale wetgeving tot omzetting van richtlijnen moet toepassen, moet zij immers met deze autoriteiten als adressaat van de richtlijn worden gelijkgesteld. ( 85 ) |
|
108. |
Dit volgt ook uit de beginselen van de waarborging van de rechtsstaat en de eenvormigheid van het Unierecht (artikel 2 VEU), waaraan de ECB moet voldoen als instelling van de Unie in de zin van artikel 13, lid 2 VEU juncto artikel 132 VWEU. Het doel van de verplichting in artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 om alle toepasselijke wetgeving toe te passen is namelijk juist het „waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen”. Dit is de enige manier om de in artikel 1, lid 1, van de verordening vastgelegde overkoepelende doelstelling van „eenheid en de integriteit van de interne markt, die op gelijke behandeling van de kredietinstellingen berust”, te verwezenlijken en regelgevingsarbitrage te voorkomen. ( 86 ) Dienovereenkomstig is de ECB volgens artikel 6, lid 1, van die verordening „verantwoordelijk voor het doeltreffend en samenhangend functioneren van het GTM”. |
|
109. |
Zoals uit de onderhavige zaak blijkt (zie verder punten 115 e.v. hieronder), houdt een uiteenlopende en eventueel zelfs niet-conforme omzetting van richtlijn 2014/59 in de lidstaten het risico in van een buitensporige versnippering van de tenuitvoerlegging van de relevante prudentiële voorschriften in de interne markt. Dit zou afbreuk kunnen doen aan de eenvormige en effectieve uitoefening van toezichtbevoegdheden ten aanzien van kredietinstellingen door de toezichthoudende autoriteiten van de lidstaten en de ECB in het kader van het GTM. ( 87 ) Om deze doelstellingen te waarborgen, moet het nationale omzettingsrecht dat in strijd is met rechtstreeks toepasselijke bepalingen van een richtlijn, voor zover dit toelaatbaar is ten nadele van particulieren ( 88 ), derhalve door alle toezichthoudende autoriteiten, met inbegrip van de ECB, in overeenstemming met het beginsel van voorrang van het Unierecht buiten toepassing worden gelaten. ( 89 ) |
b) Gevolgen van de rechtstreekse toepasselijkheid van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 ten nadele van de bank en haar aandeelhouders
|
110. |
Indien het Hof, anders dan ik in overweging geef, zou oordelen dat artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 rechtstreeks toepasselijk is ten nadele van de bank en haar aandeelhouders, zou de ECB bijgevolg – gelet op de onbetwiste significante verslechtering van de financiële positie van de bank in de zin van artikel 28 van die richtlijn en de tot dan toe genomen ontoereikende interventiemaatregelen – krachtens artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 niet alleen bevoegd, maar zelfs verplicht zijn geweest om de bank in overeenstemming met deze bepaling van de richtlijn junctis artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB onder tijdelijk bewind te stellen en dit bewind te verlengen. Voor zover artikel 70, lid 1, TUB niet uitdrukkelijk verwijst naar de voorwaarde van verslechtering van de financiële positie van de bank, maar naar de gekwalificeerde voorwaarde van de verwachting van ernstige vermogensverliezen, en dit in tegenspraak zou zijn met artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 (zie punten 120 e.v. hieronder), zou deze nationale bepaling vanwege de voorrang van deze (rechtstreeks toepasselijke) bepaling van de richtlijn niet van toepassing zijn. |
|
111. |
De vaststellingen van het Gerecht in de punten 91 tot en met 114 van het bestreden arrest, waarmee het de ECB verwijt de litigieuze besluiten op een ontoereikende rechtsgrondslag te hebben gebaseerd, zouden dan moeten worden geacht blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting. De ECB had dan immers artikel 29 van richtlijn 2014/59 als rechtsgrondslag moeten nemen, deze bepaling van de richtlijn in samenhang met artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB rechtstreeks moeten toepassen, en de onverenigbare elementen van de nationale bepalingen op grond van de voorrang van de richtlijn buiten toepassing moeten laten. Dat heeft de ECB in feite gedaan door de in artikel 70, lid 1, TUB neergelegde gekwalificeerde voorwaarde van de verwachting van ernstige vermogensverliezen van de bank niet te onderzoeken en alleen een verslechtering van haar financiële positie vast te stellen (zie de punten 119 en 139 hieronder). |
|
112. |
Het tweede middel van de ECB, zoals door haar ter terechtzitting toegelicht, en het vijfde middel van de Commissie zouden in zoverre dan ook gegrond zijn en tot vernietiging van het bestreden arrest moeten leiden. |
|
113. |
Zoals uiteengezet in de punten 94 en volgende hierboven, acht ik een dergelijk resultaat echter onjuist, omdat het een ontoelaatbare rechtstreekse toepassing van artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 ten nadele van de bank en haar aandeelhouders met zich meebrengt. Voor het geval het Hof mijn beoordeling volgt, zal ik ook de andere middelen behandelen. |
|
114. |
Indien het Hof, zoals ik in de punten 94 tot en met 104 in overweging heb gegeven, er met name van uitgaat dat artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 niet rechtstreeks kan worden toegepast ten nadele van de bank en haar aandeelhouders, moet worden onderzocht of artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB conform deze bepaling van de richtlijn kunnen of moeten worden uitgelegd en of het Gerecht artikel 288, lid 3, VWEU heeft geschonden door een dergelijke richtlijnconforme uitlegging van de hand te wijzen (tweede middel van de ECB en vierde middel van de Commissie). Ook moet worden verduidelijkt of en in hoeverre de door rekwirantes en Italië aangevoerde uitleggingspraktijk van de nationale rechterlijke instanties door zowel de ECB als de Unierechter in aanmerking moest of moet worden genomen. |
4. Richtlijnconforme uitlegging van artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB?
|
115. |
Uit de recente rechtspraak van het Hof volgt dat, „om de doeltreffendheid van alle Unierechtelijke bepalingen te waarborgen, het voorrangsbeginsel met name de nationale rechterlijke instanties verplicht om hun nationale recht zoveel mogelijk in overeenstemming met het Unierecht uit te leggen”. ( 90 ) |
|
116. |
Volgens vaste rechtspraak moet de nationale rechter het nationale recht bij de toepassing ervan dus zoveel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de betrokken Unierechtelijke bepaling, en daarbij het gehele interne recht in aanmerking nemen en toepassing geven aan de daarin erkende uitleggingsmethoden, teneinde de volle werking van die bepaling te verzekeren en tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met de daarmee nagestreefde doelstelling. De verplichting van conforme uitlegging van het nationale recht kent echter bepaalde beperkingen en kan met name niet dienen als grondslag voor een uitlegging contra legem van het nationale recht. ( 91 ) |
|
117. |
Om de hierboven in de punten 106 tot en met 109 uiteengezette redenen zijn niet alleen de autoriteiten en de rechterlijke instanties van de lidstaten, maar krachtens artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 in beginsel ook de ECB – en vervolgens het Gerecht bij de toetsing van de rechtmatigheid van haar handelingen – verplicht de nationale wetgeving ter uitvoering van richtlijn 2014/59 zoveel mogelijk richtlijnconform uit te leggen en toe te passen. ( 92 ) |
|
118. |
In het eerste litigieuze besluit heeft de ECB zich ertoe beperkt de artikelen 69 octiesdecies en 70 TUB juncto artikel 29 van richtlijn 2014/59 als grondslag te nemen voor het plaatsen onder tijdelijk bewind van de bank, zonder de vraag op te werpen, laat staan te onderzoeken of een richtlijnconforme uitlegging van deze nationale bepalingen mogelijk is. Het Gerecht oordeelde dat de ECB in dit verband blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, onder meer omdat een dergelijke uitlegging volgens het Gerecht in strijd is met de duidelijke bewoordingen van deze bepalingen en met name die van artikel 70 TUB. Dit blijkt voornamelijk uit het volgende. |
|
119. |
Zoals in punt 88 hierboven is uiteengezet, moet artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59 worden gelezen in samenhang met artikel 28 van die richtlijn. Daarom is voor een besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind ook altijd vereist dat de financiële situatie van de betrokken bank significant is verslechterd. Zoals het Gerecht in de punten 88 en verder van het bestreden arrest heeft vastgesteld, bevat evenwel enkel artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), TUB uitdrukkelijk de voorwaarde van „verslechtering van de situatie van de bank”. Artikel 70, lid 1, TUB verwijst daarentegen naar overtredingen of onregelmatigheden in de zin van artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), TUB, maar het voorziet juist niet in die voorwaarde. In plaats daarvan bevat artikel 70, lid 1, TUB in dit verband een gekwalificeerde voorwaarde volgens welke „ernstige vermogensverliezen [moeten] worden verwacht”. Het Gerecht concludeerde hieruit en uit het feit dat de voorwaarden van artikel 70, lid 1, TUB uitputtend zijn geregeld, dat een richtlijnconforme uitlegging van deze bepaling niet mogelijk is. ( 93 ) In wezen was het Gerecht derhalve van oordeel dat de ECB – aangezien niet was bewezen dat aan deze gekwalificeerde voorwaarde was voldaan ( 94 ) en er dus geen sprake was van een toereikende rechtsgrondslag – niet bevoegd was om het tijdelijk bewind van de bank in de litigieuze besluiten te gelasten of te verlengen louter op grond van het feit dat haar financiële situatie significant was verslechterd. |
|
120. |
Rekwirantes en Italië menen daarentegen dat artikel 70, lid 1, TUB, eventueel in samenhang met artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), TUB, kan of zelfs moet worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 29, lid 1, eerste volzin, van richtlijn 2014/59. Het Gerecht heeft volgens hen dus blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door een dergelijke uitlegging af te wijzen. |
|
121. |
Derhalve moet worden onderzocht wat de precieze draagwijdte is van de plicht van de ECB en het Gerecht om nationaal recht zoveel mogelijk richtlijnconform uit te leggen (zie punt 116 hierboven). Wat de door rekwirantes en Italië aangevoerde grieven betreft, moet met name worden onderzocht of en in hoeverre het Gerecht daartoe rekening had moeten houden met de in het nationale recht erkende uitleggingsmethoden en de desbetreffende rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties. ( 95 ) |
|
122. |
Dit voert tot een tussen de partijen uiterst omstreden punt. Het gaat om de vraag of het door de ECB krachtens artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 toe te passen nationale recht bij de uitvoering ervan en de daaropvolgende rechterlijke toetsing – naar analogie van het Unierecht – het voorwerp vormt van een „rechtsvraag” of veeleer een „feitelijke vraag” die vatbaar is voor bewijs. ( 96 ) Het Gerecht kan namelijk enkel een onjuiste rechtsopvatting worden verweten indien de mogelijkheid om het nationale recht richtlijnconform uit te leggen op basis van de nationaal toepasselijke uitleggingsmethoden en de desbetreffende rechtspraak, een door die rechter onjuist beoordeelde „rechtsvraag” betreft, of het Gerecht althans dit recht in het bestreden arrest kennelijk onjuist heeft opgevat. ( 97 ) Dit houdt ook verband met de belangrijke voorafgaande vraag of het Hof krachtens artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU bevoegd is om de betrokken middelen te beoordelen. ( 98 ) |
5. Nationale wetgeving in de zin van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 als „recht” of „feit”?
|
123. |
De ECB, de Commissie en Italië zijn in lijn met de litigieuze besluiten van mening dat artikel 70, lid 1, TUB richtlijnconform kan worden uitgelegd in het licht van alle nationale wetgeving, de desbetreffende uitleggingsmethoden en de rechtspraak van de Italiaanse rechterlijke instanties. De ECB en de Commissie betogen dienaangaande, met name in de antwoorden die zij ter terechtzitting hebben gegeven op een schriftelijke vraag van het Hof, dat het nationale recht krachtens de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 neergelegde toepassingsverplichting met het Unierecht moet worden gelijkgesteld en dat de naleving ervan onder volledig toezicht staat van de Unierechter en dus ook van het Hof in hogere voorziening overeenkomstig artikel 256, eerste alinea, VWEU. Het Gerecht is volgens hen echter voorbijgegaan aan deze wettelijke mogelijkheid om artikel 70, lid 1, TUB richtlijnconform uit te leggen. |
|
124. |
Corneli stelt dat deze beweringen ongegrond zijn. Zij betoogt dat de ECB het nationale recht moet uitleggen en toepassen overeenkomstig de in de nationale rechtsorde erkende normen, zelfs als dit in strijd is met het Unierecht. Volgens haar kan deze laatste vraag hoogstens worden opgeworpen in een niet-nakomingsprocedure, maar niet in een beroep tot nietigverklaring of een hogere voorziening, en moet deze worden behandeld als een feitelijke vraag. Hoe dan ook zijn de artikelen 28 en 29 van richtlijn 2014/59 volgens Corneli correct omgezet in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB. |
|
125. |
Het Hof heeft in twee arresten betreffende het GTM al geoordeeld dat, wat betreft de toepassing van het nationale recht door (de ECB en) het Gerecht op basis van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013, in hogere voorziening alleen kan worden onderzocht of dit recht onjuist is opgevat, hetgeen duidelijk moet blijken uit de stukken van het dossier. ( 99 ) In deze rechtspraak wordt er dus – mijns inziens terecht – van uitgegaan dat het nationale recht in hogere voorziening niet kan worden gelijkgesteld met het Unierecht wat zijn functie als toetsingsmaatstaf betreft. |
|
126. |
In tegenstelling tot advocaat-generaal Ćapeta en de Commissie, acht ik het namelijk niet mogelijk om de toepassing van nationaal recht door de ECB, zelfs als die uitdrukkelijk wordt opgedragen door het Unierecht, te behandelen als een zuivere rechtsvraag die gelijk is aan die van „de eerbiediging van het recht bij de uitlegging en de toepassing van de Verdragen” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede volzin, VEU of de „rechtsvraag” in artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof ( 100 ). Een dergelijke volledige gelijkstelling van deze verschillende rechtsbronnen zou in strijd zijn met de verdeling van de bevoegdheden tussen de lidstaten en de Unie in de Verdragen en met het beginsel van bevoegdheidstoedeling van artikel 5, lid 2, VEU. Deze bevoegdheidsverdeling in het Verdrag kan niet worden gewijzigd door een verplichting op grond van het afgeleide recht om het nationale recht toe te passen, zoals bepaald in artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013. Anders zou deze bepaling tot gevolg hebben dat het nationale recht tot omzetting van richtlijnen die de werking van het GTM garanderen, volledig zou worden „opgenomen” in het Unierecht. ( 101 ) Het zou dan door de instellingen en rechterlijke instanties van de Unie uitsluitend moeten worden behandeld volgens de normen die op het Unierecht van toepassing zijn. ( 102 ) |
|
127. |
Om deze bevoegdheidsredenen kan het beginsel jura novit curia niet op dezelfde wijze op de rechterlijke instanties van de Unie worden toegepast met betrekking tot het nationale recht als met betrekking tot het Unierecht. Krachtens artikel 19, lid 1, tweede volzin, VEU junctis artikel 256, lid 1, tweede alinea, en artikel 267 VWEU en artikel 58, lid 1, van zijn Statuut heeft het Hof alleen het „laatste woord” over de uitlegging en toepassing van het Unierecht respectievelijk van de Verdragen en het afgeleide recht, met inbegrip van de richtlijnen, terwijl de hoogste of constitutionele rechterlijke instanties van de lidstaten principieel het laatste woord hebben over het nationale recht (met inbegrip van het recht waarbij deze richtlijnen zijn omgezet). ( 103 ) Zoals Corneli terecht stelt, zijn zowel de niet-nakomingsprocedure van artikel 258 VWEU ( 104 ) als het beginsel dat het Hof in de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU niet bevoegd is om nationaal recht uit te leggen en toe te passen ( 105 ) een concrete uitdrukking van deze verdeling van bevoegdheden in het Verdrag. Deze beoordeling wordt bevestigd door de in de rechtspraak van het Hof erkende grenzen van de richtlijnconforme uitlegging van het nationale recht (zie de punten 115 en 116 hierboven), die dienen om de bevoegdheid en de wil van de nationale wetgever te waarborgen. |
|
128. |
In dit verband herinner ik ook aan mijn uitvoerige standpuntbepalingen over de toepassing van het nationale recht en over de rechterlijke toetsing op het gebied van het merkenrecht van de Unie, waarin ook naar het nationale recht wordt verwezen. ( 106 ) Naar mijn mening kunnen in casu geen andere beginselen van toepassing zijn dan die welke het Hof specifiek voor het merkenrecht van de Unie heeft erkend ( 107 ) en later op de werkingssfeer van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 heeft toegepast. ( 108 ) Het Hof heeft daarbij echter ook rekening gehouden met het feit dat regels van nationaal recht in gerechtelijke procedures niet volledig met andere feiten mogen worden gelijkgesteld, maar dat daarvoor vanwege hun hybride karakter als rechtsfeiten bijzondere bewijsregels moeten gelden. ( 109 ) Daarmee wordt ook rekening gehouden met het feit dat een nationale bepaling inzake de uitoefening van toezichtbevoegdheden in het kader van het GTM op grond van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 ook een uitvoeringsregeling van de Verdragen is in de zin van artikel 263, tweede alinea, VWEU, waarvan de toepassing in beginsel door de Unierechter wordt getoetst. |
|
129. |
Deze benadering is uiteindelijk vergelijkbaar met die van het Hof in zijn rechtsspraak over het Unierecht inzake staatssteun. Volgens die rechtspraak moet de nationale wetgeving die het kader vormt voor de beoordeling van de vraag of een lidstaat verboden steun heeft verleend in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, als rechtsfeit in wezen worden getoetst aan de bewijsregels die van toepassing zijn op feiten. ( 110 ) |
|
130. |
Hieruit volgt dat de maatstaf voor de toetsing van het nationale recht voor de Unierechter in beginsel inhoudt dat de partij die zich erop beroept, moet stellen en bewijzen dat dit recht op de door haar voorgestelde wijze moet worden uitgelegd en toegepast overeenkomstig de nationale uitleggingsmethoden en de desbetreffende rechtspraak van de rechterlijke instanties van de betrokken lidstaat. ( 111 ) Derhalve faalt het argument van rekwirantes dat het nationale recht bij de toepassing van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 met het Unierecht gelijk kan worden gesteld. Bij deze toetsing mag de Unierechter dus niet indien nodig ambtshalve het relevante nationale recht in aanmerking nemen en onderzoeken. ( 112 ) Dit geldt des te meer omdat een overeenkomstig verbod op ambtshalve onderzoek in beginsel ook van toepassing is op het Unierecht. ( 113 ) |
|
131. |
Ik onderzoek derhalve hieronder of rekwirantes en Italië in hogere voorziening mochten aantonen of hebben aangetoond dat artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB volgens de nationale uitleggingsmethoden en de relevante rechtspraak (kunnen) worden uitgelegd in overeenstemming met de artikelen 28 en 29 van richtlijn 2014/59 en dat het bestreden arrest in dit verband dus berust op een onjuiste rechtsopvatting. Aangezien de uitlegging en de toepassing van het nationale recht in wezen moeten worden behandeld als een feitelijke vraag die voor bewijs vatbaar is, is het immers mogelijk dat de grieven van rekwirantes op dit punt, zoals Corneli ook stelt, in hogere voorziening niet-ontvankelijk zijn. Bovendien kan het Gerecht dienaangaande enkel een onjuiste rechtsopvatting worden verweten indien het de bewijsregels ter zake, met name de regels inzake de verdeling van de bewijslast en het vereiste bewijsniveau, heeft geschonden of indien het de relevante feiten of bewijzen voor de beoordeling van de inhoud en de draagwijdte van de nationale bepalingen en de toepassing ervan – getoetst aan de door het Hof erkende normen – kennelijk onjuist heeft opgevat. ( 114 ) |
6. Ontvankelijkheid van de grief over de richtlijnconforme uitlegging van artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), juncto artikel 70, lid 1, TUB
|
132. |
Rekwirantes, ondersteund door Italië, hebben voor het eerst in hogere voorziening gedetailleerd uiteengezet welke uitleggingsmethoden volgens hen naar Italiaans recht in aanmerking moeten worden genomen met betrekking tot artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), en artikel 70, lid 1, TUB en hoe de Italiaanse rechterlijke instanties deze bepalingen tot op heden ook overeenkomstig de artikelen 28 en 29 van richtlijn 2014/59 hebben uitgelegd en toegepast. ( 115 ) De relevante rechtspraak van deze rechterlijke instanties dateert uit 2012, 2015, 2017 en 2021 en was dus beschikbaar ten tijde van de procedure in eerste aanleg voor het Gerecht. Hierover wordt echter in de memories van de partijen in eerste aanleg met geen woord gerept. Ook hebben zij in antwoord op vragen van het Gerecht ter terechtzitting in dit verband geen onderbouwde feiten naar voren gebracht. |
|
133. |
In haar antwoord op het vierde middel van Corneli in eerste aanleg inzake schending van artikel 70, lid 1, TUB, had de ECB met een dergelijk verweermiddel het Gerecht er echter zeer goed toe kunnen brengen zich met name te buigen over de vraag van de uitlegging en toepassing van deze bepalingen door de Italiaanse rechterlijke instanties. Bij gebreke van een dergelijk verweer van de ECB heeft het Gerecht deze vraag in het kader van het vierde middel echter niet beoordeeld of kunnen beoordelen. Zoals in punt 130 hierboven is opgemerkt, was het Gerecht immers niet bevoegd of verplicht om de draagwijdte van de nationale bepalingen ambtshalve te onderzoeken in het licht van de nationale uitleggingsmethoden en rechtspraak. Het Gerecht kan dus niet worden verweten deze bepalingen kennelijk te hebben miskend, laat staan onjuist te hebben opgevat. |
|
134. |
Ten eerste is het echter niet de taak van het Hof om voor het eerst in hogere voorziening aangedragen feiten en bewijzen te beoordelen, zoals de in casu aan de orde zijnde rechtsfeiten betreffende de uitlegging en toepassing van de relevante nationale bepalingen, die niet door het Gerecht zijn of konden worden beoordeeld. Volgens vaste rechtspraak is van een onjuiste opvatting van de bewijzen alleen sprake wanneer, zonder gebruik te maken van nieuwe bewijzen, de beoordeling van de (reeds) bestaande bewijzen door het Gerecht kennelijk onjuist blijkt te zijn. ( 116 ) Bovendien had ook een formeel verzoek van rekwirantes om toelating van nieuw bewijsmateriaal moeten worden afgewezen. Overeenkomstig artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU en artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof kan de hogere voorziening immers alleen rechtsvragen betreffen, met uitsluiting van elke feitelijke beoordeling, zodat nieuw bewijsmateriaal in het stadium van de hogere voorziening niet-ontvankelijk is. ( 117 ) |
|
135. |
Ten tweede moet een onjuiste opvatting van feiten of bewijzen duidelijk uit de processtukken blijken, zonder dat het Hof de feiten en de bewijzen opnieuw moet beoordelen. Aangezien een grief inzake de onjuiste opvatting van de feiten en het bewijs uitzonderlijk van aard is, verlangen artikel 256 VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof en artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat de rekwirant precies aangeeft welke elementen door het Gerecht onjuist zijn opgevat, en dat hij het bewijs levert van de analysefouten die het Gerecht volgens hem tot die onjuiste opvatting hebben gebracht. ( 118 ) |
|
136. |
Het Hof heeft daarom met betrekking tot een in hogere voorziening aangevoerde onjuiste toepassing van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 reeds verduidelijkt dat het Hof uitsluitend bevoegd is om te onderzoeken, ten eerste, of het Gerecht op basis van de hem overgelegde documenten en andere stukken de formulering van de betrokken nationale bepalingen, van de nationale rechtspraak dienaangaande of van de werken van de rechtsleer, niet onjuist heeft opgevat, ten tweede, of het Gerecht gelet op deze gegevens geen vaststellingen heeft verricht die duidelijk in strijd zijn met de inhoud ervan, en ten derde, of het Gerecht bij het onderzoek van alle gegevens voor de vaststelling van de inhoud van die bepalingen niet aan één gegeven een belang heeft toegekend dat het niet heeft ten opzichte van de andere gegevens, voor zover dit duidelijk blijkt uit de stukken in het dossier. ( 119 ) |
|
137. |
De met name door de ECB aangevoerde grove miskenning van de rechtspraak van de Italiaanse rechterlijke instanties in het bestreden arrest blijkt echter niet duidelijk uit de stukken van de procedure in eerste aanleg, maar hoogstens uit de in hogere voorziening aangevoerde grieven. Aangezien dit in eerste aanleg niet is aangevoerd, blijkt evenmin dat het Gerecht in dit verband de bewijsregels van het Unierecht heeft geschonden. Dit is zelfs het geval indien het Gerecht de nationale bepalingen heeft uitgelegd alsof het bepalingen van het Unierecht waren. ( 120 ) |
|
138. |
Integendeel, de door het Gerecht gegeven uitlegging van artikel 70, lid 1, TUB (zie punt 119 hierboven) lijkt in het licht van de bewoordingen van deze bepaling voldoende plausibel, zodat niet kan worden geoordeeld dat zijn weigering om deze bepaling contra legem richtlijnconform uit te leggen op een kennelijk onjuiste opvatting of om andere redenen op een onjuiste rechtsopvatting berust. |
|
139. |
De in artikel 70, lid 1, TUB – anders dan de bewoordingen van de artikelen 28 en 29 van richtlijn 2014/59 – uitdrukkelijk opgenomen gekwalificeerde voorwaarde volgens welke een besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind niet alleen kan worden genomen in geval van de in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), TUB bedoelde overtredingen of onregelmatigheden, maar ook indien „ernstige vermogensverliezen [van de bank] worden verwacht” ( 121 ), zou stellig in de weg kunnen staan aan een richtlijnconforme uitlegging ervan. Ten eerste is niet onmiddellijk duidelijk dat de voorwaarde van „verslechtering van de situatie van de bank” in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), TUB, die niet is voorzien in artikel 70, lid 1, TUB, gelijk zou staan met die van de verwachting van ernstige vermogensverliezen. Ten tweede is het niet zonder meer duidelijk dat, zoals de ECB en Italië betogen, de begrippen „overtredingen” en „onregelmatigheden” in artikel 69 octiesdecies, lid 1, onder b), TUB, waarnaar artikel 70, lid 1, TUB verwijst, altijd automatisch een „verslechtering van de situatie van de bank” impliceren. Een dergelijke richtlijnconforme uitlegging zou met name kunnen worden verhinderd door het feit dat, indien dit – zoals door het Gerecht is vastgesteld ( 122 ) en door Corneli is betoogd – het geval zou zijn, de gekwalificeerde voorwaarde van de verwachting van ernstige vermogensverliezen volgens de bedoeling van de Italiaanse wetgever een specifieke uitdrukking van het evenredigheidsbeginsel is en specifiek dient ter rechtvaardiging van de – ten opzichte van de prioritaire, minder ingrijpende interventiemaatregelen – strengere ingreep die met het besluit tot plaatsing onder tijdelijk bewind gepaard gaat. In elk geval heeft de ECB deze gekwalificeerde voorwaarde in de litigieuze besluiten niet uitdrukkelijk onderzocht ter rechtvaardiging van het besluit om de bank onder tijdelijk bewind te stellen. ( 123 ) |
|
140. |
In het licht van de beschikbare informatie in het dossier houdt de vaststelling van het Gerecht in het bestreden arrest dat de ECB zich niet op een toereikende rechtsgrondslag heeft gebaseerd, derhalve geen verband met een kennelijk onjuiste uitlegging van de relevante nationale bepalingen. Evenmin blijkt dat het Gerecht daarbij zijn plicht zou hebben geschonden om deze bepalingen zoveel mogelijk richtlijnconform uit te leggen. |
|
141. |
Bijgevolg moeten de grieven van rekwirantes en Italië, voor zover zij daarmee – in het kader van het tweede tot en met het vijfde middel van de ECB en het derde en het vierde middel van de Commissie – stellen dat het Gerecht de uitleggingsmethoden naar Italiaans recht onjuist heeft toegepast en de rechtspraak van de Italiaanse rechterlijke instanties heeft miskend, niet-ontvankelijk worden verklaard. |
|
142. |
De Commissie kan daar met haar tweede middel niet tegen inbrengen dat Corneli de uitlegging die het Gerecht in antwoord op haar vierde middel aan artikel 70, lid 1, TUB heeft gegeven, te laat, namelijk pas in haar memorie van repliek voor het Gerecht heeft betwist, hetgeen volgens artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht niet-ontvankelijk was. Dit argument van de Commissie is gebaseerd op een louter formele vergelijking van de bewoordingen van twee punten van het verzoekschrift en de repliek, die elk aan het begin de inhoud van artikel 70 TUB weergeven. Zoals Corneli betoogde, was deze inhoud in het verzoekschrift echter slechts onnauwkeurig weergegeven, zonder dat dit van invloed was op de strekking van het vierde middel. Hoewel de schending van artikel 70, lid 1, TUB in dit middel slechts vaag was geformuleerd en de in het bestreden arrest gegeven uitlegging niet in deze vorm in dat middel was opgenomen, moet ook in aanmerking worden genomen dat Corneli de volledige tekst van het eerste litigieuze besluit pas ontving nadat zij het beroep had ingesteld. Er was dus geen sprake van een nieuw middel in de zin van artikel 84, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, maar hoogstens van een ontvankelijke uitwerking van het eerder in het verzoekschrift opgeworpen (vierde) middel inzake schending van artikel 70, lid 1, TUB. ( 124 ) De ECB heeft zich vervolgens hiertegen verweerd zonder rekening te houden met de nationale uitleggingsmethoden en de rechtspraak van de Italiaanse rechterlijke instanties. |
|
143. |
Het tweede middel van de Commissie, ontleend aan schending door het Gerecht van artikel 84, lid 1, van zijn Reglement voor de procesvoering en van het beginsel ne ultra petita, moet derhalve ongegrond worden verklaard. |
7. Voorlopige conclusie
|
144. |
Aangezien mijns inziens geen van de door rekwirantes aangevoerde middelen kan slagen, stel ik voor de twee hogere voorzieningen af te wijzen. |
|
145. |
Aangezien geen verwijzing in de kosten is gevorderd overeenkomstig artikel 138, lid 1, juncto artikel 184, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, behoeft over de proceskosten van Corneli niet te worden beslist. Aangezien rekwirantes in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij overeenkomstig artikel 138, lid 1, juncto artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering te worden verwezen in hun eigen kosten betreffende de onderhavige hogere voorziening. Italië zal als interveniënt overeenkomstig artikel 140, lid 1, juncto artikel 184, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering zijn eigen kosten dragen. |
|
146. |
Indien het Hof evenwel mijn voorstel niet volgt en de hogere voorzieningen gegrond acht, met name omdat het vijfde middel van de Commissie gegrond is (zie de punten 81 tot en met 112 hierboven), moet het bestreden arrest worden vernietigd, de zaak voor een nieuwe beslissing naar het Gerecht worden terugverwezen en de beslissing omtrent de kosten worden aangehouden. Aangezien het Gerecht enkel het middel ontleend aan schending van artikel 70, lid 1, TUB en het ontbreken van een rechtsgrondslag heeft behandeld, en de andere door hem in punt 84 van het bestreden arrest samengevatte middelen niet heeft onderzocht ( 125 ), zou de zaak overeenkomstig artikel 61 van het Statuut van het Hof niet in staat van wijzen zijn. Het Hof beschikt mijns inziens niet over de gegevens die nodig zijn om definitief uitspraak te doen over deze middelen. Bovendien zou dit ten dele een door het Gerecht niet verrichte beoordeling van de feiten of de bewijzen vereisen. |
VI. Conclusie
|
147. |
Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:
|
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.
( 2 ) Arrest van 12 oktober 2022, Corneli/ECB (T‑502/19, EU:T:2022:627).
( 3 ) ECB-SSM-2019-ITCAR-11.
( 4 ) ECB-SSM-2019-ITCAR-13.
( 5 ) Arrest van 5 november 2019 (C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:923).
( 6 ) Arrest Trasta Komercbanka, punten 102‑115.
( 7 ) Verordening van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63).
( 8 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190).
( 9 ) Zie Witte, A., „The Application of National Banking Supervision Law by the ECB – Three Parallel Modes of Executing EU Law?”, Maastricht Journal of European and Comparative Law, deel 21, 2014, blz. 89 (op blz. 105 e.v.); Boucon, L., en Jaros, D., „The Application of National Law by the European Central Bank within the EU Banking Union’s Single Supervisory Mechanism: A New Mode of European Integration?”, European Journal of Legal Studies, deel 10, 2018, blz. 155 (op blz. 170 e.v.); Coman-Kund, F., en Amtenbrink, F., „On the Scope and Limits of the Application of National Law by the European Central Bank within the Single Supervisory Mechanism”, Banking & Finance Law Review, deel 33, 2018, blz. 133 (op blz. 147 e.v.); Di Bucci, V., „Quelques questions concernant le contrôle juridictionnel sur le mécanisme de surveillance unique”, in: Liber amicorum Antonio Tizzano – De la Cour CECA à la Cour de l’Union: le long parcours de la justice européenne, Giappichelli 2018, blz. 316 e.v. (op blz. 327 e.v.); Biondi, A., en Spano, A., „The ECB and the Application of National Law in the SSM: New Yet Old...”, European Business Law Review, deel 31, 2020, blz. 1023 (op blz. 1036 e.v.); Bobić, A., The Individual in the Economic and Monetary Union – A Study of Legal Accountability, Cambridge 2024, blz. 165 e.v.
( 10 ) Zie in dit verband ook de conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:296, punten 26 e.v.).
( 11 ) GURI nr. 267 van 16 november 2016.
( 12 ) GURI nr. 176 van 31 juli 2015.
( 13 ) Zie decreto legislativo (wetsbesluit) nr. 385 van 1 september 1993 (GURI nr. 230 van 30 september 1993, Supplemento Ordinario nr. 92).
( 14 ) Zie voor meer details de punten 3 e.v. van het bestreden arrest.
( 15 ) Dit is een privaatrechtelijk bankenconsortium ter bescherming van deposito’s, zie arrest van 2 maart 2021, Commissie/Italië e.a. (C‑425/19 P, EU:C:2021:154, punten 7 e.v.).
( 16 ) Punten 33 e.v. van het bestreden arrest.
( 17 ) Punten 88‑100 van het bestreden arrest.
( 18 ) Het Gerecht lijkt (in punt 107 van het bestreden arrest) hiermee in het bijzonder te wijzen op de in artikel 70, lid 1, TUB opgenomen gekwalificeerde voorwaarde dat „ernstige vermogensverliezen” worden verwacht. Deze voorwaarde wordt echter alleen genoemd in de aanhaling van deze bepaling in punt 89 en in punt 93, derde streepje, van het bestreden arrest, zonder dat deze wordt overgenomen of de ECB uitdrukkelijk wordt verweten dat zij deze niet heeft toegepast.
( 19 ) Punten 103‑108 van het bestreden arrest.
( 20 ) Met deze omstandige uitspraken lijkt het Gerecht te oordelen dat deze richtlijnen en de nationale wetgeving ter omzetting daarvan een uniforme rechtsbron vormen.
( 21 ) Punten 111‑113 van het bestreden arrest.
( 22 ) Zie de samenvatting in punt 84 van het bestreden arrest, die is gebaseerd op een herschikking van de vijf middelen die formeel in het verzoekschrift zijn aangevoerd. Ten gronde heeft het Gerecht het vierde middel, dat in het bijzonder was ontleend aan schending van artikel 70 TUB, gegrond verklaard.
( 23 ) Punten 26‑29 van het bestreden arrest.
( 24 ) Eerste middel van de ECB in zaak C‑777/22 P en eerste middel van de Commissie in zaak C‑789/22 P.
( 25 ) Tweede middel van de ECB in zaak C‑777/22 P en tweede tot en met vijfde middel van de Commissie in zaak C‑789/22 P.
( 26 ) Zie arresten van 23 april 2009, Sahlstedt e.a./Commissie, (C‑362/06 P, EU:C:2009:243, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 6 juli 2023, Julien/Raad, (C‑285/22 P, niet gepubliceerd,EU:C:2023:551, punt 45 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 20 juni 2024, EUIPO/Indo European Foods, (C‑801/21 P, EU:C:2024:528, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 27 ) Zie in die zin arrest van 30 juni 2022, Danske Slagtermestre/Commissie, (C‑99/21 P, EU:C:2022:510, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en arrest Trasta Komercbanka, punt 103.
( 28 ) Punten 33 e.v. van het bestreden arrest.
( 29 ) Zie voor meer details punt 34 van het bestreden arrest.
( 30 ) Zie punt 34, tweede streepje, van het bestreden arrest.
( 31 ) Zie punt 34, derde streepje, van het bestreden arrest.
( 32 ) Zie artikel 18, lid 9, en artikel 26, lid 7, van deze statuten.
( 33 ) Punt 44 van het bestreden arrest.
( 34 ) Zie ook punt 38 van het bestreden arrest.
( 35 ) Punten 110 en 111.
( 36 ) Zie in die zin arrest Trasta Komercbanka, punten 109, 111 en 112; zie ook mijn conclusie in de gevoegde zaken ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a. (C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:323, punt 119).
( 37 ) Zie in die zin arrest Trasta Komercbanka, punten 113‑115.
( 38 ) Punten 47‑53 van het bestreden arrest.
( 39 ) EHRM, 7 juli 2020, Albert e.a. tegen Hongarije (CE:ECHR:2020:0707JUD000529414).
( 40 ) Zie in die zin EHRM, 7 juli 2020, Albert e.a. tegen Hongarije (CE:ECHR:2020:0707JUD000529414, §§ 121‑124, 132 en in het bijzonder 134).
( 41 ) EHRM, 7 juli 2020, Albert e.a. tegen Hongarije (CE:ECHR:2020:0707JUD000529414, § 155, waarin wordt verwezen naar de arresten van 20 september 2011, Shesti Mai Engineering OOD e.a. tegen Bulgarije, nr. 17854/04 (CE:ECHR:2011:0920JUD001785404), en 7 november 2002, Olczak tegen Polen (CE:ECHR:2002:1107DEC003041796).
( 42 ) EHRM, 7 juli 2020, Albert e.a. tegen Hongarije (CE:ECHR:2020:0707JUD000529414, §§ 154 en 155).
( 43 ) Zie naar analogie arrest Trasta Komercbanka, punt 114).
( 44 ) Punten 34 en 35 van het bestreden arrest.
( 45 ) Arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commission/Ferracci (C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punten 28 en 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook punt 74 van het bestreden arrest.
( 46 ) Punten 58 e.v. van het bestreden arrest.
( 47 ) Zie in die zin bijvoorbeeld arrest van 23 april 2009, Sahlstedt e.a./Commissie (C‑362/06 P, EU:C:2009:243, punt 26), waarin wordt verwezen naar het arrest van 15 juli 1963(Plaumann/Commissie,25/62, EU:C:1963:17, blz. 211).
( 48 ) Zie in die zin arrest van 23 april 2009, Sahlstedt/Commissie (C‑362/06 P, EU:C:2009:243, punt 31 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 49 ) Punten 58‑64 van het bestreden arrest.
( 50 ) Vaste rechtspraak, zie met name arresten van 28 juni 2018, Andres (faillissement Heitkamp BauHolding)/Commissie (C‑203/16 P, EU:C:2018:505, punten 44 e.v., met betrekking tot de houders van een verworven en door een belastingaanslag bevestigd recht op een belastingbesparing); 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie (C‑132/12 P, EU:C:2014:100, punt 59), en 13 maart 2008, Commissie/Infront WM (C‑125/06 P, EU:C:2008:159, punt 71).
( 51 ) Punten 77 e.v. van het bestreden arrest, onder het kopje „Procesbelang”.
( 52 ) Zie in het bijzonder de punten 81 en 82 van het bestreden arrest.
( 53 ) Zie in die zin arresten van 13 juli 2023, D&A Pharma/EMA (C‑136/22 P, EU:C:2023:572, punt 45); 7 november 2018BPC Lux 2 e.a./Commissie (C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 31), en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 54 e.v., met name punten 62 en 68).
( 54 ) Zie in die zin de wat omstandiger geformuleerde arresten van 13 juli 2023, D&A Pharma/EMA (C‑136/22 P, EU:C:2023:572, punten 43 en 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 55‑58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 55 ) Arresten van 6 mei 2021, Bayer CropScience en Bayer/Commissie (C‑499/18 P, EU:C:2021:367, punt 40); 7 november 2018BPC Lux 2 e.a./Commissie (C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 42), en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 69 en 70).
( 56 ) Zie arresten van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie (C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 43), en 17 september 2015, Mory e.a./Commissie (C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 79).
( 57 ) Zie in die zin arrest van 13 juli 2023, D&A Pharma/EMA (C‑136/22 P, EU:C:2023:572, punten 51‑53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 58 ) Zie voor een soortgelijke aansprakelijkheidsvordering van andere minderheidsaandeelhouders van de bank, arrest van het Gerecht van 5 juni 2024, Malacalza Investimenti en Malacalza/ECB (T‑134/21, EU:T:2024:362), waartegen hogere voorziening aanhangig is (zaak C‑557/24 P).
( 59 ) Zie mijn conclusie in de gevoegde zaken ECB e.a./Trasta Komercbanka e.a. (C‑663/17 P, C‑665/17 P en C‑669/17 P, EU:C:2019:323, punten 104 e.v., met name punt 119).
( 60 ) Punten 100‑113 van het bestreden arrest.
( 61 ) Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:296, punt 30).
( 62 ) Zie met betrekking tot de overeenkomstige verplichting van nationale autoriteiten om een rechtstreeks toepasselijke bepaling van een richtlijn toe te passen, arrest van 6 december 2005, ABNA e.a. (C‑453/03, C‑11/04, C‑12/04 en C‑194/04, EU:C:2005:741, punt 101 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 63 ) Zie met name de punten 112 en 113 van het bestreden arrest.
( 64 ) Arrest van 21 december 2023, Papier Mettler Italia (C‑86/22, EU:C:2023:1023, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 65 ) Arrest van 6 oktober 2015, T-Mobile Czech Republic en Vodafone Czech Republic (C‑508/14, EU:C:2015:657, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 66 ) Deze overweging verwijst in het algemeen naar „een verslechtering van de financiële en economische situatie”.
( 67 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 6 oktober 2015, T-Mobile Czech Republic en Vodafone Czech Republic (C‑508/14, EU:C:2015:657, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 68 ) Zie in die zin arresten van 21 december 2023, Papier Mettler Italia (C‑86/22, EU:C:2023:1023, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 6 oktober 2015, T-Mobile Czech Republic en Vodafone Czech Republic (C‑508/14, EU:C:2015:657, punt 53). Zie ook mijn conclusie in de zaak Impact (C‑268/06, EU:C:2008:2, punt 96).
( 69 ) Zie Kokott, J., „Zur unmittelbaren Wirkung des Unionsrechts”, Archiv des öffentlichen Rechts, 2023, deel 148, blz. 496 e.v. (op blz. 501).
( 70 ) Zie naar analogie arrest van 21 december 2023, Papier Mettler Italia (C‑86/22, EU:C:2023:1023, punt 83). Zie ook arresten van 9 september 2003, CIF (C‑198/01, EU:C:2003:430, punt 49); 29 april 1999, Ciola (C‑224/97, EU:C:1999:212, punt 30, en 22 juni 1989, Costanzo (103/88, EU:C:1989:256, punten 31 en 32).
( 71 ) Zie arresten van 6 oktober 2015, T-Mobile Czech Republic en Vodafone Czech Republic (C‑508/14, EU:C:2015:657, punten 47 en 48); 17 juli 2008, Arcor e.a. (C‑152/07–C‑154/07, EU:C:2008:426, punten 35 en 36), en 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 72 ) Zie arrest van 3 mei 2005, Berlusconi e.a. (C‑387/02, C‑391/02 en C‑403/02, EU:C:2005:270, punten 73‑77).
( 73 ) Zie ook mijn conclusie in de gevoegde zaken Berlusconi e.a. (C‑387/02, C‑391/02 en C‑403/02, EU:C:2004:624, punten 140 e.v.).
( 74 ) Vaste rechtspraak, zie arrest van 7 augustus 2018, Smith (C‑122/17, EU:C:2018:631, punten 42 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 14 juli 1994, Faccini Dori (C‑91/92, EU:C:1994:292, punten 20 e.v.).
( 75 ) Zie arrest van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punten 57 e.v.).
( 76 ) Zie arresten van 6 oktober 2015, T-Mobile Czech Republic en Vodafone Czech Republic (C‑508/14, EU:C:2015:657, punten 49, 50 en 53), en 17 juli 2008, Arcor e.a. (C‑152/07–C‑154/07, EU:C:2008:426, punt 38).
( 77 ) Zie daartoe de milieueffectbeoordeling in het arrest van 7 januari 2004, Wells (C‑201/02, EU:C:2004:12, punten 57 e.v.).
( 78 ) Zie met betrekking tot het in aanmerking nemen van bepaalde criteria voor de berekening van bijdragen of kosten die van invloed zijn op de hoogte van de tarieven in de telecommunicatiesector, arrest van 6 oktober 2015, T-Mobile Czech Republic en Vodafone Czech Republic (C‑508/14, EU:C:2015:657, punten 46 e.v.), en 17 juli 2008, Arcor e.a. (C‑152/07–C‑154/07, EU:C:2008:426, punten 35 e.v.). Zie ook, met betrekking tot het btw-recht, arrest van 8 juni 2006, Feuerbestattungsverein Halle (C‑430/04, EU:C:2006:374, punten 28 e.v.).
( 79 ) Di Bucci (voetnoot 9 hierboven), blz. 329, is daarentegen van mening dat de rechtspraak over het verbod van rechtstreekse toepassing van bepalingen van richtlijnen die verplichtingen scheppen voor particulieren, in deze context in het algemeen niet van toepassing is vanwege de verplichting in artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 om de relevante nationale wetgeving toe te passen.
( 80 ) Arrest Trasta Komercbanka, punten 102‑115.
( 81 ) Punt 112 van het bestreden arrest.
( 82 ) Zie bijvoorbeeld de Engelse en Franse taalversie, die in dit verband duidelijker zijn: „all relevant EU law”; „toutes les dispositions pertinentes du droit de l’Union” (cursivering van mij).
( 83 ) In dezelfde lijn wordt er in overweging 34 van verordening nr. 1024/2013 op gewezen dat „[deze toepassingsverplichting] het beginsel van voorrang van het Unierecht onverlet [laat]”.
( 84 ) Dit is niet altijd het geval, zoals met name blijkt uit artikel 1, lid 5, van verordening nr. 1024/2013 (zie ook de overwegingen 13 en 15): „Deze verordening geldt onverminderd de verantwoordelijkheid en de daaraan gerelateerde bevoegdheid van de bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten om andere dan de bij deze verordening aan de ECB opgedragen toezichttaken te verrichten.”
( 85 ) Zie ook Coman-Kund en Amtenbrink (voetnoot 9 hierboven), blz. 148‑150; Di Bucci (voetnoot 9 hierboven), blz. 328; zie voor een andere benadering Witte (voetnoot 9 hierboven), blz. 106.
( 86 ) Zie in die zin ook overweging 12 van verordening nr. 1024/2013: „[…] [E]én gemeenschappelijk toezichtsmechanisme [moet] ervoor zorgen dat het Uniebeleid inzake het prudentiële toezicht op kredietinstellingen op coherente en doeltreffende wijze ten uitvoer wordt gelegd, dat het rulebook voor financiële diensten op gelijke wijze wordt toegepast op kredietinstellingen in alle betrokken lidstaten, en dat die kredietinstellingen worden onderworpen aan een zo hoogwaardig mogelijk toezicht dat niet wordt doorkruist door andere, niet-prudentiële overwegingen”.
( 87 ) Zie ook Biondi en Spano (voetnoot 9 hierboven), blz. 1040 e.v.
( 88 ) Dit kan worden overwogen in het geval van banken waarover de overheid zeggenschap heeft; zie met betrekking tot de „verticale” rechtstreekse toepasselijkheid van bepalingen van richtlijnen arrest van 10 oktober 2017, Farrell (C‑413/15, EU:C:2017:745).
( 89 ) De ECB heeft dit standpunt altijd gedeeld, zie ECB, Feedback Statement – Responses to the public consultation on a draft Regulation and draft Guide of the European Central Bank, maart 2016, blz. 10, punt 35. Zie ook Boucon en Jaros (voetnoot 9 hierboven), blz. 170‑172 en 183; Coman-Kund en Amtenbrink (voetnoot 9 hierboven), blz. 153 en 156.
( 90 ) Arrest van 6 oktober 2021, Sumal (C‑882/19, EU:C:2021:800, punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak, voor het eerst het arrest van 24 juni 2019, Popławski,C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 57; cursivering van mij). Zie, nog zonder verwijzing naar het voorrangsbeginsel, het mijns inziens meest correcte arrest van 8 november 2016, Ognyanov (C‑554/14, EU:C:2016:835, punt 59: „[…] Deze verplichting tot conforme uitlegging van het nationale recht is inherent aan het systeem van het VWEU, aangezien het de nationale rechter in staat stelt binnen het kader van zijn bevoegdheden de volle werking van het recht van de Unie te verzekeren bij de beslechting van de bij hem aanhangige geschillen”). Zie specifiek met betrekking tot de verplichting tot richtlijnconforme uitlegging het arrest van 11 april 2024, Agencia Estatal de la Administración Tributaria (Uitsluiting van publiekrechtelijke schuldvorderingen van kwijtschelding van schuld) (C‑687/22, EU:C:2024:287, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 91 ) Arrest van 6 oktober 2021, Sumal (C‑882/19, EU:C:2021:800, punten 71 en 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arrest van 21 december 2023, Generalstaatsanwaltschaft Berlin (Veroordeling bij verstek) (C‑398/22, EU:C:2023:1031, punt 48), en mijn conclusie in de zaak Heureka Group (Online prijsvergelijkers) (C‑605/21, EU:C:2023:695, punten 79‑82).
( 92 ) Zie ook Coman-Kund en Amtenbrink (voetnoot 9 hierboven), blz. 158; Biondi en Spano (voetnoot 9 hierboven), blz. 1042‑1044; Di Bucci (voetnoot 9 hierboven), blz. 327.
( 93 ) Dit volgt uit de bevindingen in de punten 94, 105‑108, 112 en 113 van het bestreden arrest.
( 94 ) Zoals hierboven in voetnoot 18 reeds is vastgesteld, ligt deze overweging slechts impliciet ten grondslag aan het bestreden arrest.
( 95 ) Twijfels bij Di Bucci (voetnoot 9 hierboven), blz. 327.
( 96 ) Zie in dit verband reeds uitvoerig de conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:296, punten 26 e.v.).
( 97 ) Zie in die zin arresten van 12 september 2024, Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:731, punten 75, 85, 86, 98 en 114), en 15 september 2022, PNB Banka/ECB (C‑326/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:693, punt 71).
( 98 ) Zie arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM (C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punten 44‑46).
( 99 ) Zie in die zin arresten van 12 september 2024, Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:731, punten 85 en 86), en 15 september 2022, PNB Banka/ECB (C‑326/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:693, punt 71).
( 100 ) Volgens deze bepaling moet een hogere voorziening gebaseerd zijn „op een schending van het recht van de Unie door het Gerecht”.
( 101 ) Een dergelijke gedeeltelijke „incorporatie” vindt hoogstens plaats in geschillen voor de Unierechter op basis van een arbitragebeding. Op grond van artikel 272 VWEU kan een overeenkomst tussen de instellingen van de Unie en ondernemingen namelijk door de rechter worden getoetst aan het nationale privaatrecht; zie bijvoorbeeld arrest van 16 juli 2020, ADR Center/Commissie (C‑584/17 P, EU:C:2020:576, punten 88 en 89), en mijn conclusie in de zaak ADR Center/Commissie (C‑584/17 P, EU:C:2019:941, punten 121 e.v.).
( 102 ) Zie in die zin echter Di Bucci (voetnoot 9 hierboven), blz. 330. Dit lijkt ook het standpunt van het Gerecht te zijn in de punten 111 en 112 van het bestreden arrest, waarin het Gerecht heeft geoordeeld dat het in artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 genoemde Unierecht, met inbegrip van de richtlijnen en het nationale recht tot omzetting ervan, (impliciet) voortvloeit uit een uniforme rechtsbron (zie punt 31 hierboven).
( 103 ) Zie in die zin arrest van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C‑582/21, EU:C:2024:282, punten 31 en 49 e.v.). Zie ook mijn conclusie in de zaak Edwin/BHIM (C‑263/09 P, EU:C:2011:30, punten 49 e.v. en 56).
( 104 ) Dit komt met name tot uiting in de verdeling van de stelplicht en de bewijslast tussen de Commissie en de betrokken lidstaat, en in de verplichtingen van de lidstaat om samen te werken bij de beoordeling van de werkelijke draagwijdte en de concrete toepassing van het nationale recht, die de Commissie bij gebrek aan eigen onderzoeksbevoegdheden niet autonoom kan uitvoeren. Zie in dit verband arresten van 25 januari 2024, Commissie/Ierland (Trihalomethanen in het drinkwater) (C‑481/22, EU:C:2024:85, punten 72 e.v.); 2 september 2021, Commissie/Zweden (Zuiveringsinstallaties) (C‑22/20, EU:C:2021:669, punten 143 e.v.); 22 april 2021, Commissie/Oostenrijk (Verhuur van een nog te bouwen gebouw) (C‑537/19, EU:C:2021:319, punten 55 e.v.); 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken) (C‑808/18, EU:C:2020:1029, punten 111 e.v., betreffende een bestuurlijke praktijk), en 9 juli 2015, Commissie/Ierland (C‑87/14, EU:C:2015:449, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 105 ) Zie bijvoorbeeld arresten van 9 april 2024, Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C‑582/21, EU:C:2024:282, punten 31, 55 en 58); 27 april 2023, Legea (C‑686/21, EU:C:2023:357, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 20 oktober 2022, Ekofrukt (C‑362/21, EU:C:2022:815, punt 25), en 7 juli 2016, Genentech (C‑567/14, EU:C:2016:526, punt 22 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 106 ) Conclusie in de zaak Edwin/BHIM (C‑263/09 P, EU:C:2011:30, punten 42 e.v.), en vervolgens in de zaak EUIPO/Szajner (C‑598/14 P, EU:C:2016:915, punten 44 e.v.).
( 107 ) Arrest van 5 juli 2011, Edwin/BHIM (C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punten 44 e.v.); vervolgens arrest van 27 maart 2014, BHIM/National Lottery Commission (C‑530/12 P, EU:C:2014:186, punten 34 e.v.). Zie ook arrest van 5 april 2017, EUIPO/Szajner (C‑598/14 P, EU:C:2017:265, punten 35 e.v.).
( 108 ) Zie arresten van 12 september 2024, Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:731, punten 85 en 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 15 september 2022, PNB Banka/ECB (C‑326/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:693, punt 71).
( 109 ) Arrest van 27 maart 2014, BHIM/National Lottery Commission (C‑530/12 P, EU:C:2014:186, punt 37: „[Uit eerdere rechtspraak] blijkt niet […] dat een regel van nationaal recht […] moet worden aangemerkt als een zuiver feitelijk gegeven […]”). Zie ook Prek, M., en Lefèvre, S., „The EU Courts as ‚national’ courts: National law in the EU judicial process”, Common Market Law Review, 2017, deel 54, 2e druk, blz. 369 (op blz. 394: „‚hybrid’ or sui generis approach”).
( 110 ) Zie arresten van 10 september 2024, Commissie/Ierland en Apple Sales International (C‑465/20 P, EU:C:2024:724, punten 174‑176); 14 december 2023, Commissie/Amazon.com e.a. (C‑457/21 P, EU:C:2023:985, punten 19‑22); 5 december 2023, Luxemburg e.a./Commissie (C‑451/21 P en C‑454/21 P, EU:C:2023:948, punten 76‑79); 8 november 2022, Fiat Chrysler Finance Europe/Commissie (C‑885/19 P en C‑898/19 P, EU:C:2022:859, punten 72 e.v., met name punt 82); 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck (C‑524/14 P, EU:C:2016:971, punt 20 en aldaar aangehaalde rechtspraak); 3 april 2014, Frankrijk/Commissie (C‑559/12 P, EU:C:2014:217, punten 77 e.v.), en 21 december 2011, A2A/Commissie (C‑318/09 P, niet gepubliceerd, EU:C:2011:856, punt 125).
( 111 ) Advocaat-generaal Ćapeta deelt wederom dit standpunt in haar conclusie in de zaak Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:296, punten 47 e.v.), hoewel zij van oordeel is dat het nationale recht voor de toepassing van artikel 4, lid 3, eerste alinea, van verordening nr. 1024/2013 van gelijke aard is als het Unierecht.
( 112 ) Zie in die zin echter de conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:296, punten 44‑46). Zie ook de conclusie van advocaat-generaal Pitruzzella in de gevoegde zaken Crédit Mutuel Arkéa/ECB (C‑152/18 P en C‑153/18 P, EU:C:2019:505, punt 120, waarin onder meer wordt verwezen naar het arrest van 13 december 2017, Crédit Mutuel Arkéa/ECB,T‑712/15, EU:T:2017:900, punt 132).
( 113 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 25 oktober 2017, Commissie/Italië (C‑467/15 P, EU:C:2017:799, punt 15 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Dit kan anders zijn met betrekking tot de vraag naar het toepassingsgebied van de norm waarop de bestreden maatregel is gebaseerd; zie in dat verband eindarrest van het Gerecht van 12 juni 2019, RV/Commissie (T‑167/17, EU:T:2019:404, punten 59‑61), en conclusie van advocaat-generaal Pikamäe in de zaak EUIPO/Neoperl (C‑93/23 P, EU:C:2024:751, punten 72 e.v.).
( 114 ) Zie in die zin arresten van 12 september 2024, Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:731, punten 86 en 114); 15 september 2022, PNB Banka/ECB (C‑326/21 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:693, punt 71); 5 april 2017, EUIPO/Szajner (C‑598/14 P, EU:C:2017:265, punt 56), en 5 juli 2011, Edwin/BHIM (C‑263/09 P, EU:C:2011:452, punt 53). Zie in het algemeen over de in dit verband beperkte toetsingsbevoegdheid van het Hof in hogere voorziening bijvoorbeeld het arrest van 18 juni 2020, Dovgan/EUIPO (C‑142/19 P, niet gepubliceerd,EU:C:2020:487, punt 44).
( 115 ) Zie in het bijzonder de verwijzingen naar de arresten van de Tribunale amministrativo regionale per il Lazio (bestuursrechter in eerste aanleg Latium, Italië) nr. 1627 van 1 februari 2017, nr. 11766 van 15 november 2021 en nr. 13520 van 27 december 2021, en van de Consiglio di Stato (hoogste bestuursrechter, Italië) nr. 6583 van 20 december 2012 en nr. 835 van 19 februari 2015. Hoewel het mijns inziens voor de uitkomst niet relevant is, wil ik er volledigheidshalve toch aan toevoegen dat deze arresten daadwerkelijk steun lijken te verlenen aan de door rekwirantes en Italië aangevoerde uitlegging en bijgevolg ook aan de benadering van de ECB in de litigieuze besluiten. Corneli gaat echter nauwelijks op deze bestuursrechtspraak in, maar beperkt zich hoofdzakelijk tot een door academici voorgestane letterlijke uitlegging en de algemene rechtspraak van de Corte suprema di cassazione (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Italië), die voorrang geeft aan deze uitleggingsmethode in het burgerlijk recht.
( 116 ) Zie in die zin arresten van 11 januari 2024, Foz/Raad (C‑524/22 P, EU:C:2024:23, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 23 maart 2023, PV/Commissie (C‑640/20 P, EU:C:2023:232, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak); cursivering van mij.
( 117 ) Zie in die zin arrest van 19 juni 2019, RF/Commissie (C‑660/17 P, EU:C:2019:509, punt 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 118 ) Zie in die zin arresten van 12 november 2020, Pethke/EUIPO (C‑382/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:917, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 18 juni 2020, Dovgan/EUIPO (C‑142/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:487, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 119 ) Zie in die zin arrest van 12 september 2024, Anglo Austrian AAB/ECB (C‑579/22 P, EU:C:2024:731, punt 86 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 120 ) Dit kan met het oog op de vaststellingen in de punten 88 e.v. van het bestreden arrest niet worden uitgesloten. Zie met betrekking tot de Unierechtelijke uitleggingsmethode bijvoorbeeld arresten van 12 januari 2023, Österreichische Post (Informatie over de ontvangers van persoonsgegevens) (C‑154/21, EU:C:2023:3, punt 29), en 15 maart 2022, Autorité des marchés financiers (C‑302/20, EU:C:2022:190, punt 63).
( 121 ) Zie ook punt 92 van het bestreden arrest.
( 122 ) Zie punt 108 van het bestreden arrest.
( 123 ) Zo heeft de formulering van het eerste litigieuze besluit in wezen betrekking op de verslechtering van de financiële positie van de bank (punten 1.5, 2 en 3.1); in punt 1.3, onder het kopje „Significante accumulatie van verliezen” (Significativo accumulo di perdite), wordt echter ingegaan op de accumulatie van verliezen van in totaal 1,6 miljard EUR in de periode van december 2014 tot september 2018 (1.3.1) en de aanzienlijke toename van de kredietkosten als gevolg van de waardevermindering van de leningen (reduzioni del valore dei crediti) ten bedrage van 428 miljoen EUR in 2017 en 219 miljoen EUR in 2018 (1.3.2). Tot slot wordt in punt 2.6 („Beoordeling van de evenredigheid”) en punt 3.1 („Procedure”) de doelstelling besproken om een verdere verslechtering van de situatie van de bank te voorkomen.
( 124 ) Zie inzake de vaste rechtspraak in dit verband bijvoorbeeld arrest van 11 maart 2020, Commissie/Gmina Miasto Gdynia en Port Lotniczy Gdynia Kosakowo (C‑56/18 P, EU:C:2020:192, punt 66 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 125 ) Zie punt 114 van het bestreden arrest.