CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
A. M. COLLINS
van 13 oktober 2022 ( 1 )
Zaak C‑435/22 PPU
Generalstaatsanwaltschaft München
tegen
HF
[verzoek van het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Prejudiciële spoedprocedure – Justitiële samenwerking in strafzaken – Schengenuitvoeringsovereenkomst – Artikel 54 – Handvest – Artikel 50 – Ne-bis-in-idembeginsel – Vrij verkeer van personen – Burgerschap van de Unie – Uitlevering van een derdelander door een lidstaat aan de Verenigde Staten op grond van een bilateraal uitleveringsverdrag – Derdelander die in een andere lidstaat ter zake van dezelfde feiten onherroepelijk is veroordeeld en in die staat zijn straf reeds volledig heeft vervuld – Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika – Artikel 351 VWEU”
Inleiding
|
1. |
Dit verzoek om een prejudiciële beslissing van het Oberlandesgericht München (hoogste rechterlijke instantie van de deelstaat Beieren, München, Duitsland) is ingediend in het kader van een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika aan de Bondsrepubliek Duitsland tot uitlevering van een derdelander met het oog op strafvervolging wegens feiten waarvoor hij in een andere lidstaat reeds onherroepelijk is veroordeeld tot een straf die hij volledig heeft vervuld. |
|
2. |
Vindt het ne-bis-in-idembeginsel, dat is vervat in artikel 54 van de Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, die op 19 juni 1990 te Schengen is ondertekend en op 26 maart 1995 van kracht is geworden, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 (PB 2013, L 182, blz. 1) (Schengenuitvoeringsovereenkomst; hierna: „SUO”) ( 2 ), gelezen in samenhang met artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), toepassing in een dergelijke situatie, gelet op het feit dat de betrokkene geen Unieburger is? Kan een bilateraal uitleveringsverdrag tussen de aangezochte lidstaat en de betrokken derde staat eraan in de weg staan dat de uitlevering van die persoon wordt geweigerd met een beroep op het ne-bis-in-idembeginsel? Welke rol zou artikel 351 VWEU in een dergelijk geval kunnen spelen? Dit zijn in wezen de belangrijkste vragen die zich opwerpen in de onderhavige zaak. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
SUO
|
3. |
Artikel 20, lid 1, SUO is opgenomen in hoofdstuk 4 – met het opschrift „Voorwaarden voor reisverkeer van vreemdelingen” – van titel II en bepaalt: „Vreemdelingen die niet aan de visumplicht zijn onderworpen, mogen zich voor de duur van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, op het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen vrij verplaatsen, voor zover zij voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a), c), d) en e), bedoelde voorwaarden voor binnenkomst.” ( 3 ) |
|
4. |
Artikel 54 SUO, dat deel uitmaakt van hoofdstuk 3 – met het opschrift „Toepassing van het beginsel ne bis in idem” – van titel III, luidt: „Een persoon die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, kan door een andere overeenkomstsluitende partij niet worden vervolgd ter zake van dezelfde feiten, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van de veroordelende overeenkomstsluitende partij niet meer ten uitvoer gelegd kan worden.” |
Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het Unierecht
|
5. |
De SUO is in het Unierecht opgenomen bij het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie, dat bij het Verdrag van Amsterdam aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap is gehecht ( 4 ), als deel van het „Schengenacquis”, zoals gedefinieerd in de bijlage bij dat Protocol. |
|
6. |
Uit artikel 2 van besluit 1999/436/EG van de Raad van 20 mei 1999 tot vaststelling, in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap en het Verdrag betreffende de Europese Unie, van de rechtsgrond van elk van de bepalingen of besluiten die het Schengenacquis vormen ( 5 ) en uit bijlage A bij dat besluit komt naar voren dat de Raad de artikelen 34 en 31 VEU ( 6 ) als rechtsgrondslag voor de artikelen 54 tot en met 58 SUO heeft aangewezen. |
Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika
|
7. |
Artikel 1 van de Overeenkomst betreffende uitlevering tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika van 25 juni 2003 ( 7 ) (hierna: „EU-VS-overeenkomst”), met het opschrift „Onderwerp en doel”, bepaalt: „De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe in overeenstemming met de bepalingen van deze overeenkomst bestaande betrekkingen tussen de lidstaten en de Verenigde Staten van Amerika inzake de samenwerking bij uitlevering van plegers van strafbare feiten te verbeteren.” |
|
8. |
Artikel 17 van deze overeenkomst, met het opschrift „Non-derogatie”, luidt: „1. Deze overeenkomst laat een beroep van de aangezochte staat op weigeringsgronden uit hoofde van een tussen een lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika geldend bilateraal uitleveringsverdrag onverlet in verband met een aangelegenheid die niet geregeld wordt door deze overeenkomst. 2. Wanneer grondwettelijke beginselen van de aangezochte lidstaat of voor de aangezochte lidstaat bindende onherroepelijke uitspraken deze lidstaat aan naleving van zijn verplichting tot uitlevering in de weg zouden kunnen staan en noch deze overeenkomst noch het toepasselijk uitleveringsverdrag in een oplossing voorziet, voeren de aangezochte en de verzoekende staat overleg.” |
Schengengrenscode
|
9. |
In artikel 6, lid 1, van verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) ( 8 ), in de versie die is gewijzigd bij verordening (EU) 2018/1240 van het Europees Parlement en de Raad van 12 september 2018 tot oprichting van een Europees reisinformatie- en ‑autorisatiesysteem (Etias) en tot wijziging van de verordeningen (EU) nr. 1077/2011, (EU) nr. 515/2014, (EU) 2016/399, (EU) 2016/1624 en (EU) 2017/2226 ( 9 ) (hierna: „Schengengrenscode”), staat te lezen: „Voor een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste 90 dagen binnen een periode van 180 dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de 180 voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen, gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden:
|
|
10. |
Artikel 20, lid 1, SUO moet worden opgevat als verwijzing naar artikel 6, lid 1, van de Schengengrenscode. Laatstgenoemde bepaling is namelijk in de plaats gekomen van artikel 5, lid 1, van verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) ( 11 ), dat op zijn beurt in de plaats was gekomen van artikel 5, lid 1, SUO. |
Verordening 2018/1806
|
11. |
Artikel 3, lid 1, van verordening 2018/1806 bepaalt: „De onderdanen van de in de lijst van bijlage I opgenomen derde landen dienen bij overschrijding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit te zijn van een visum.” |
|
12. |
In artikel 4, lid 1, van die verordening wordt bepaald: „De onderdanen van de in de lijst van bijlage II opgenomen derde landen zijn van de in artikel 3, lid 1, bedoelde visumplicht vrijgesteld voor een verblijf van maximaal 90 dagen binnen een periode van 180 dagen.” |
|
13. |
Servië is een van de derde landen op de lijst in deze bijlage II. |
Uitleveringsverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika
|
14. |
Artikel 1 van het Auslieferungsvertrag zwischen der Bundesrepublik Deutschland und den Vereinigten Staaten von Amerika (uitleveringsverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika) van 20 juni 1978 ( 12 ) (hierna: „Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag”), met het opschrift „Verplichting tot uitlevering”, bepaalt: „(1) De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe om, overeenkomstig de bepalingen van dit verdrag, de personen die wegens een strafbaar feit dat is gepleegd op het grondgebied van de verzoekende lidstaat of met het oog op de uitvoering van een straf of veiligheidsmaatregel worden vervolgd en die zich op het grondgebied van de andere verdragsluitende partij bevinden, aan elkaar uit te leveren. (2) Indien het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende staat is gepleegd, zal de aangezochte staat overeenkomstig dit verdrag met de uitlevering instemmen indien
|
|
15. |
Artikel 2 van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag, met het opschrift „Strafbare feiten die aanleiding kunnen geven tot uitlevering”, zoals gewijzigd door het Zusatzvertrag zum Auslieferungsvertrag zwischen der Bundesrepublik Deutschland und den Vereinigten Staaten von Amerika (aanvullend verdrag bij het uitleveringsverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika) van 21 oktober 1986 ( 13 ) (hierna: „eerste aanvullend verdrag”), bepaalt: „(1) De strafbare feiten die krachtens dit verdrag aanleiding kunnen geven tot uitlevering zijn die welke krachtens het recht van beide verdragsluitende partijen strafbaar zijn. Om te bepalen of er sprake is van een strafbaar feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering, is het niet van belang of het strafbare feit in het recht van de verdragsluitende partijen in dezelfde categorie strafbare feiten wordt ingedeeld, of zij er hetzelfde begrip voor hanteren, en of de dubbele strafbaarheid gebaseerd is op het federale recht of het recht van de staten of de deelstaten. […] (2) Uitlevering wordt toegestaan voor een strafbaar feit dat aanleiding kan geven tot uitlevering en wel
[…]” |
|
16. |
Artikel 8 van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag, met het opschrift „Ne bis in idem”, bepaalt: „Uitlevering wordt niet toegestaan wanneer de vervolgde persoon wiens uitlevering wordt verzocht door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte staat reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld in verband met het strafbare feit waarvoor zijn uitlevering wordt verzocht.” |
|
17. |
Artikel 34 van dat verdrag, met het opschrift „Bekrachtiging; inwerkingtreding; opzegging”, bepaalt in lid 4: „Dit verdrag blijft van kracht totdat er een jaar is verstreken na de datum waarop een verdragsluitende partij de andere partij schriftelijk van haar opzegging in kennis stelt.” |
|
18. |
Volgens de verwijzende rechter is het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag aangepast aan de EU-VS-overeenkomst bij het Zweiter Zusatzvertrag zum Auslieferungsvertrag zwischen der Bundesrepublik Deutschland und den Vereinigten Staaten von Amerika (tweede aanvullend verdrag bij het uitleveringsverdrag tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika) van 18 april 2006 ( 14 ) (hierna: „tweede aanvullend verdrag”). |
Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vraag
|
19. |
Op 20 januari 2022 is HF, een Servisch staatsburger, in München (Duitsland) in voorlopige hechtenis genomen op grond van een red notice die op verzoek van de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika door de Internationale Criminele Politieorganisatie (Interpol) was gepubliceerd. Die autoriteiten verlangen de uitlevering van HF met het oog op strafvervolging wegens strafbare feiten die hij van september 2008 tot en met december 2013 zou hebben gepleegd. Deze red notice is uitgevaardigd op grond van een aanhoudingsbevel van 4 december 2018 van de US District Court for the District of Columbia (federaal rechter in eerste aanleg voor het district Columbia, Verenigde Staten) wegens „samenspanning tot deelname aan crimineel beïnvloede corrupte organisaties en samenspanning tot bankfraude en fraude door middel van telecommunicatie” in de zin van titel 18, U. S. Code, § 1962, onder d), respectievelijk § 1349. ( 15 ) In afwachting van die uitlevering is HF in Duitsland daadwerkelijk in uitleveringsdetentie geplaatst. |
|
20. |
Bij brief van 25 januari 2022 hebben de Amerikaanse autoriteiten de Duitse autoriteiten verzocht HF voorlopig aan te houden en hebben zij het aanhoudingsbevel van 4 december 2018 samen met de tenlastelegging van de „grand jury” van de United States Court of Appeals for the District of Columbia Circuit (federaal rechter in tweede aanleg voor het district Columbia, Verenigde Staten) van dezelfde datum overgelegd. Bij brief van 17 maart 2022 hebben zij de Duitse autoriteiten de uitleveringsdocumenten toegezonden. |
|
21. |
Bij zijn aanhouding verklaarde HF dat hij in Slovenië woonde en toonde hij een Servisch paspoort dat op 11 juli 2016 was afgegeven en tot 11 juli 2026 geldig is, een Sloveense verblijfsvergunning die op 3 november 2017 was afgegeven en op 3 november 2019 was verstreken, en een Kosovaarse identiteitskaart. Volgens de verwijzingsbeslissing was een verzoek van HF tot verlenging van zijn verblijfsvergunning in de loop van 2020 door de Sloveense autoriteiten afgewezen. |
|
22. |
Op verzoek van de verwijzende rechter en de Generalstaatsanwaltschaft München (openbaar ministerie München, Duitsland) hebben de Sloveense autoriteiten de volgende informatie verstrekt:
|
|
23. |
Volgens de verwijzingsbeslissing hebben het aan de Sloveense autoriteiten gerichte uitleveringsverzoek en het in de onderhavige zaak aan de orde zijnde uitleveringsverzoek betrekking op dezelfde strafbare feiten. Bovendien zijn de door de Okrožno sodišče v Mariboru beoordeelde feiten gelijk aan de feiten die aan het laatstgenoemde uitleveringsverzoek ten grondslag liggen, voor zover daarin de vóór juli 2010 gepleegde strafbare feiten worden beschreven. |
|
24. |
De verwijzende rechter betwijfelt of de uitlevering van HF aan de Verenigde Staten rechtmatig is, aangezien deze betrekking heeft op feiten die HF in het aanhoudingsbevel en de tenlastelegging van 4 december 2018 worden verweten voor de periode voorafgaand aan juli 2010. |
|
25. |
In dit verband betoogt de verwijzende rechter dat de beginselen die door het Hof zijn geformuleerd in het arrest van 12 mei 2021, Bundesrepublik Deutschland (Red notice van Interpol) ( 16 ), niet volstaan om in de bij hem aanhangige zaak een beslissing te kunnen geven, gelet op de verschillen tussen deze zaak en de zaak die heeft geleid tot dat arrest. Zo merkt deze rechter op dat de betrokkene in casu ten eerste geen Unieburger is, dat er ten tweede sprake is van een formeel uitleveringsverzoek en niet van een voorlopige aanhouding op basis van een red notice van Interpol, en dat ten derde de Bondsrepubliek Duitsland, indien zij uitlevering van HF zou weigeren wegens de door het Unierecht opgelegde verplichting om het ne-bis-in-idembeginsel te eerbiedigen, de uit het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag voortvloeiende uitleveringsverplichting zou schenden. Wat dit laatste punt betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de Amerikaanse autoriteiten in casu de documenten hebben overgelegd waarvan het uitleveringsverzoek op grond van artikel 14 van dat verdrag vergezeld moet gaan, dat de aan HF ten laste gelegde gedragingen zowel naar Amerikaans recht als naar Duits recht strafbaar zijn ( 17 ), en dat voor de betrokken strafbare feiten naar Amerikaans recht een vrijheidsstraf van maximaal 20 of 30 jaar en naar Duits recht een vrijheidsstraf van maximaal 2 tot 10 jaar kan worden opgelegd ( 18 ). |
|
26. |
Bij de huidige stand van zaken staat niets dus in de weg aan de rechtmatigheid van de uitlevering van HF, gelet op de artikelen 2 en volgende van het Gesetz über die internationale Rechtshilfe in Strafsachen (wet inzake internationale rechtshulp in strafzaken; IRG) van 23 december 1982 ( 19 ) en de artikelen 4 en volgende van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag. |
|
27. |
Wat meer bepaald het ne-bis-in-idembeginsel in artikel 8 van dat verdrag betreft, merkt de verwijzende rechter op dat de omstandigheid dat HF bij vonnis van de Okrožno sodišče v Mariboru van 6 juli 2012 reeds onherroepelijk is veroordeeld voor de tot juli 2010 gepleegde ten laste gelegde feiten die aan het betrokken uitleveringsverzoek ten grondslag liggen, en dat de door die rechter tegen hem uitgesproken straf reeds volledig ten uitvoer is gelegd, geen beletsel vormt voor zijn uitlevering aan de Verenigde Staten. Om te beginnen komt uit de bewoordingen van dat artikel namelijk duidelijk naar voren dat dat artikel enkel ziet op de situatie waarin de vervolgde persoon reeds onherroepelijk is veroordeeld door de bevoegde autoriteiten in de aangezochte staat, in casu de Bondsrepubliek Duitsland. Dat artikel kan niet aldus worden uitgelegd dat het ook ziet op veroordelingen in andere lidstaten. Voorts zijn de Bondsrepubliek Duitsland en de Verenigde Staten van Amerika, in het kader van de onderhandelingen over het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag, overeengekomen dat de in derde landen gegeven beslissingen geen beletsel vormen voor uitlevering. Bovendien is in het tweede aanvullend verdrag, waarbij het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag is aangepast aan de EU-VS-overeenkomst, geen specifieke bepaling opgenomen om het verbod op dubbele bestraffing uit te breiden tot alle lidstaten en is artikel 8 van laatstgenoemd verdrag niet gewijzigd. Ten slotte bestaat er volgens de rechtspraak van het Bundesverfassungsgericht (federaal grondwettelijk hof, Duitsland) nog geen algemene regel van internationaal gewoonterecht die inhoudt dat het ne-bis-in-idembeginsel ook van toepassing zou zijn in geval van veroordelingen in derde landen. |
|
28. |
De verwijzende rechter vraagt zich evenwel of artikel 50 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 54 SUO, de Bondsrepubliek Duitsland niet verplicht om de uitlevering van HF aan de Verenigde Staten wegens de strafbare feiten waarvoor hij reeds door de Okrožno sodišče v Mariboru is veroordeeld, dat wil zeggen de tot juli 2010 gepleegde feiten die aan het betrokken uitleveringsverzoek ten grondslag liggen, te weigeren. |
|
29. |
In dit verband is de verwijzende rechter in de eerste plaats van oordeel dat in casu is voldaan aan de voorwaarden die voortvloeien uit de gecombineerde bepalingen van deze twee artikelen. Ten eerste was HF immers onherroepelijk veroordeeld door een gerecht van een lidstaat, namelijk de Okrožno sodišče v Mariboru, en was de opgelegde straf volledig ten uitvoer gelegd. Ten tweede houden deze bepalingen geen verband met de hoedanigheid van Unieburger of van staatsburger van een lidstaat. Ten derde komt uit de punten 94 en 95 van het arrest Red notice van Interpol naar voren dat de voorlopige aanhouding door een van de staten die partij zijn bij het Akkoord ( 20 ) van een persoon ten aanzien van wie Interpol op verzoek van een derde staat een red notice heeft gepubliceerd, een „strafvervolging” in de zin van artikel 54 SUO vormt. Daarom moet een beslissing over de rechtmatigheid van een uitlevering die tot gevolg heeft dat de betrokkene wordt uitgeleverd aan een derde staat met het oog op strafvervolging eveneens worden beschouwd als „strafvervolging”. Ten vierde betekent een beslissing over de rechtmatigheid van uitlevering aan de Verenigde Staten van een derdelander die is aangehouden in een lidstaat van de Unie dat het Unierecht ten uitvoer wordt gebracht in de zin van artikel 51 van het Handvest, omdat een dergelijke beslissing hoe dan ook betrekking heeft op de EU-VS-overeenkomst. Bijgevolg moeten bij de toepassing van die overeenkomst de in het Handvest verankerde grondrechten worden geëerbiedigd. Daarnaast is de verwijzende rechter van oordeel dat HF ten tijde van zijn aanhouding het recht had om zich vrij te verplaatsen krachtens artikel 20, lid 1, SUO, gelezen in samenhang met artikel 6, lid 1, onder b), van de Schengengrenscode alsmede artikel 4, lid 1, van verordening 2018/1806, aangezien hij als Servisch staatsburger was vrijgesteld van de visumplicht. Ook om die reden moeten deze grondrechten worden geëerbiedigd. |
|
30. |
In de tweede plaats vraagt de verwijzende rechter zich niettemin af of artikel 50 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 54 SUO, tot gevolg kan hebben dat een derdelander niet mag worden uitgeleverd aan de Verenigde Staten, die noch partij bij de SUO noch lid van de Unie zijn. In dit verband voert hij aan dat het Hof, ter rechtvaardiging van het arrest Red notice van Interpol en de reikwijdte daarvan, heeft verwezen naar het recht van vrij verkeer in de zin van artikel 21 VWEU van de persoon op wie de red notice betrekking had in de zaak die heeft geleid tot dat arrest, namelijk een Duits staatsburger. Als Servisch staatsburger genoot HF evenwel niet het recht op vrij verkeer in de zin van artikel 21, lid 1, VWEU. Hij had daarentegen wel krachtens artikel 20 SUO het recht om zich vrij te verplaatsen, aangezien hij was vrijgesteld van de visumplicht. De verwijzende rechter voegt daaraan toe dat het Hof in punt 98 van het arrest Red notice van Interpol heeft benadrukt dat de situatie waarop het verzoek om een prejudiciële beslissing in die zaak zag, betrekking had op de voorlopige aanhouding van een persoon ten aanzien van wie Interpol op verzoek van een derde staat een red notice had gepubliceerd, en niet op de uitlevering van die persoon aan die staat. Het Hof heeft zich volgens deze rechter dus nog niet uitgesproken over de situatie in de onderhavige zaak, die juist wel betrekking heeft op een uitleveringsverzoek. |
|
31. |
De verwijzende rechter is van oordeel dat de prejudiciële vraag in die zin moet worden beantwoord dat artikel 54 SUO, gelezen in samenhang met artikel 50 van het Handvest, zich er in casu niet tegen verzet dat HF aan de Verenigde Staten wordt uitgeleverd, aangezien hij is gehouden het internationale recht te eerbiedigen, dat de Bondsrepubliek Duitsland verplicht de vervolgde persoon uit te leveren. |
|
32. |
In dit verband deelt de verwijzende rechter de in de rechtsliteratuur verdedigde opvatting dat artikel 351, eerste alinea, VWEU van toepassing is op overeenkomsten die weliswaar na 1 januari 1958 door een lidstaat zijn gesloten, maar betrekking hebben op een gebied waarvoor de Unie pas later bevoegd is geworden „door een uitbreiding van haar bevoegdheden [die] door de betrokken lidstaat niet objectief kon worden voorzien ten tijde van de sluiting [van de betrokken overeenkomst]”. In haar conclusie in de zaak Commune de Mesquer ( 21 ) lijkt advocaat-generaal Kokott dit standpunt te onderschrijven. In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat het Schengenakkoord en de SUO na de datum van inwerkingtreding van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag, namelijk 30 juli 1980, tot stand zijn gekomen en dat het Schengenakkoord pas in 1997 bij het Verdrag van Amsterdam in het Unierecht is opgenomen. Derhalve kon de Bondsrepubliek Duitsland in 1978 en 1980 niet voorzien dat een ne-bis-in-idembeginsel „op Europese schaal” en de politiële en justitiële samenwerking op strafrechtelijk gebied tot de bevoegdheid van de Unie zouden gaan behoren. |
|
33. |
De verwijzende rechter oordeelt dat de bij het eerste en het tweede aanvullend verdrag aangebrachte wijzigingen daaraan niets veranderen. Voor het eerste aanvullend verdrag werden geen fundamentele nieuwe onderhandelingen over het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag gevoerd en bovendien trad dit eerste aanvullend verdrag reeds op 11 maart 1993 in werking. Bij het tweede aanvullend verdrag heeft de Bondsrepubliek Duitsland alleen de EU-VS-overeenkomst omgezet en zijn geen specifieke bepalingen over de toepassing van het ne-bis-in-idembeginsel „op Europese schaal” aangenomen. |
|
34. |
Ten slotte betoogt de verwijzende rechter dat uit het feit dat de EU-VS-overeenkomst niet voorziet in een „op Europese schaal” toepasselijk ne-bis-in-idembeginsel overeenkomstig artikel 50 van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 54 SUO, a contrario kan worden afgeleid dat een bilateraal uitleveringsverdrag dat slechts in de eerbiediging van een nationaal ne-bis-in-idembeginsel voorziet, nog steeds moet worden geëerbiedigd. |
|
35. |
In deze context heeft het Oberlandesgericht München bij beslissing van 21 juni 2022, die op 1 juli 2022 ter griffie van het Hof is neergelegd, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 54 [SUO], gelezen in samenhang met artikel 50 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat deze rechtsvoorschriften eraan in de weg staan dat een derdelander die geen Unieburger in de zin van artikel 20 VWEU is, door de autoriteiten van een staat die partij is bij die overeenkomst en een lidstaat van de Unie wordt uitgeleverd aan een derde staat, wanneer de betrokkene door een andere lidstaat reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht wegens dezelfde feiten als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen, dat vonnis ten uitvoer is gelegd en de beslissing om de uitlevering van die persoon aan de derde staat te weigeren slechts mogelijk zou zijn door te aanvaarden dat een bestaand bilateraal uitleveringsverdrag met die derde staat wordt geschonden?” |
Procedure bij het Hof
|
36. |
Aangezien HF sinds 20 januari 2022 zijn vrijheid is ontnomen en het verzoek om een prejudiciële beslissing vragen oproept die betrekking hebben op titel V van het derde deel van het VWEU ( 22 ), heeft de verwijzende rechter het Hof bij de verwijzingsbeslissing tevens verzocht deze prejudiciële verwijzing te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure als bedoeld in artikel 107 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. |
|
37. |
Bij beslissing van 15 juli 2022 heeft het Hof dat verzoek ingewilligd. |
|
38. |
De Generalstaatsanwaltschaft München, HF, de Duitse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend, waarin zij met name hebben gereageerd op de aan hen gestelde schriftelijk te beantwoorden vragen van het Hof. Dezelfde partijen hebben ter terechtzitting van 13 september 2022 mondelinge opmerkingen gemaakt en gereageerd op de vragen van het Hof. |
Analyse
Opmerkingen vooraf
|
39. |
Artikel 54 SUO, betreffende het ne-bis-in-idembeginsel, verzet zich ertegen dat een overeenkomstsluitende partij een persoon vervolgt ter zake van dezelfde feiten als die waarvoor hij reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht door een andere overeenkomstsluitende partij, op voorwaarde dat ingeval een straf of maatregel is opgelegd, deze reeds is ondergaan of daadwerkelijk ten uitvoer wordt gelegd, dan wel op grond van de wetten van laatstgenoemde staat niet meer ten uitvoer gelegd kan worden. |
|
40. |
In artikel 50 van het Handvest is dit beginsel als grondrecht vastgelegd, met de bepaling dat „[n]iemand […] opnieuw [wordt] berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet”. |
|
41. |
Zoals uit deze twee artikelen blijkt, vloeit het ne-bis-in-idembeginsel bovendien voort uit de constitutionele tradities die zowel de lidstaten als de staten die partij zijn bij het Akkoord gemeen hebben. Artikel 54 SUO moet dan ook worden uitgelegd in het licht van artikel 50 van het Handvest, waarvan het de wezenlijke inhoud eerbiedigt. ( 23 ) |
|
42. |
Volgens vaste rechtspraak heeft het ne-bis-in-idembeginsel, als uitvloeisel van het beginsel van res judicata, tot doel de rechtszekerheid en de billijkheid te waarborgen door ervoor te zorgen dat wanneer de betrokkene is vervolgd en, in voorkomend geval, veroordeeld, hij de zekerheid heeft dat hij niet meer zal worden vervolgd voor hetzelfde strafbare feit. ( 24 ) |
|
43. |
Ter beantwoording van de prejudiciële vraag zal ik om te beginnen onderzoeken of de beginselen die het Hof ter uitlegging van artikel 54 SUO heeft geformuleerd in het arrest Red notice van Interpol, toepasselijk zijn in een situatie zoals die in het hoofdgeding, vervolgens, in voorkomend geval, of de Bondsrepubliek Duitsland zou verzuimen haar verplichtingen op grond van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag, gelezen in samenhang met de EU-VS-overeenkomst, na te komen door te weigeren HF aan de Verenigde Staten uit te leveren op grond van het ne-bis-in-idembeginsel, en ten slotte, in het verlengde daarvan, of artikel 351 VWEU gevolgen kan hebben voor de door de verwijzende rechter gevraagde uitlegging. |
Toepasselijkheid van de in het arrest Red notice van Interpol geformuleerde beginselen op de onderhavige zaak
|
44. |
In het arrest Red notice van Interpol heeft het Hof voor recht verklaard dat artikel 54 SUO en artikel 21, lid 1, VWEU, beide gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, er niet aan in de weg staan dat de autoriteiten van een staat die partij is bij het Akkoord of de autoriteiten van een lidstaat overgaan tot de voorlopige aanhouding van een persoon ten aanzien van wie Interpol op verzoek van een derde staat een red notice heeft gepubliceerd, tenzij bij een onherroepelijke rechterlijke beslissing die is gegeven in een staat die partij is bij het Akkoord of in een lidstaat, is vastgesteld dat die persoon ter zake van dezelfde feiten als die welke ten grondslag liggen aan die red notice, reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht door een staat die partij is bij het Akkoord of door een lidstaat. |
|
45. |
In casu komt uit de constateringen van de verwijzende rechter naar voren dat de Okrožno sodišče v Mariboru, een gerecht van een staat die partij is bij het Akkoord, met zijn vonnis van 6 juli 2012 een onherroepelijke uitspraak heeft gedaan over de tot juli 2010 door HF gepleegde ten laste gelegde feiten en dat HF de hem opgelegde straf volledig heeft vervuld. Uit deze constateringen komt ook naar voren dat deze feiten ( 25 ) gelijk zijn aan de feiten die ten grondslag liggen aan het door de Verenigde Staten van Amerika geformuleerde verzoek tot uitlevering van HF, voor zover daarin de vóór juli 2010 gepleegde strafbare feiten worden beschreven. Volgens de verwijzingsbeslissing ziet het uitleveringsverzoek van de Amerikaanse autoriteiten – in ruimer verband – ook op strafbare feiten die HF van september 2008 tot en met december 2013 zou hebben gepleegd. Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft evenwel alleen de feiten die betrekking hebben op strafbare feiten die vóór juli 2010 zijn gepleegd. Met het oog op deze conclusie en het te wijzen arrest moet worden uitgegaan van de in de prejudiciële vraag bedoelde aanname, namelijk dat de aan de orde zijnde feiten – en dus de strafbare feiten – identiek zijn. Het staat aan de verwijzende rechter, en niet aan het Hof, om na te gaan of de feiten waarover de Sloveense rechters een onherroepelijke uitspraak hebben gedaan dezelfde zijn als die welke aan het uitleveringsverzoek ten grondslag liggen. |
|
46. |
Artikel 54 SUO kan in de onderhavige zaak alleen maar toepassing vinden indien een andere overeenkomstsluitende partij, in casu de Bondsrepubliek Duitsland, een nieuwe „strafvervolging” tegen HF instelt voor precies dezelfde feiten. In het arrest Red notice van Interpol heeft het Hof geoordeeld dat de voorlopige aanhouding, door een staat die partij is bij het Akkoord, van een persoon ten aanzien van wie Interpol op verzoek van een derde staat een red notice heeft gepubliceerd met het oog op strafvervolging tegen die persoon in die staat, een handeling vormt van de betrokken staat die partij is bij het Akkoord, die dus wordt verricht in het kader van de strafvervolging die plaatsvindt op het grondgebied van de staten die partij zijn bij het Akkoord. ( 26 ) Naar mijn mening kan die oplossing zonder meer worden toegepast op het hoofdgeding, ook al heeft dit, zoals de verwijzende rechter onderstreept, betrekking op een beslissing over een formeel uitleveringsverzoek. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen terecht aanvoert, als een dergelijke voorlopige aanhouding, die juist tot doel heeft een uitlevering voor te bereiden, al onder het begrip „vervolging” in de zin van artikel 54 SUO valt, dan geldt dat a fortiori ook in geval van een beslissing over een uitleveringsverzoek. Deze opvatting wordt overigens gedeeld door de verwijzende rechter. |
|
47. |
De onderhavige zaak heeft dus wel degelijk betrekking op een situatie waarin een persoon die in een overeenkomstsluitende staat reeds onherroepelijk voor bepaalde feiten is berecht in een andere overeenkomstsluitende staat opnieuw voor diezelfde feiten wordt vervolgd. |
|
48. |
Een ander door de verwijzende rechter opgemerkt verschil tussen de zaak die heeft geleid tot het arrest Red notice van Interpol en de onderhavige zaak, ligt in het feit dat de betrokkene in eerstgenoemde zaak een Unieburger was en daardoor het in artikel 21, lid 1, VWEU verankerde recht op vrij verkeer genoot, terwijl het in de onderhavige zaak om een derdelander gaat. |
|
49. |
In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat de bewoordingen van artikel 54 SUO zien op elke „persoon” die bij onherroepelijk vonnis door een overeenkomstsluitende partij is berecht, zonder beperking tot personen met de nationaliteit van een lidstaat of een overeenkomstsluitende staat. Ook artikel 50 van het Handvest, waarin het onbepaald voornaamwoord „niemand” wordt gebruikt, legt geen verband met het burgerschap van de Unie. Dat laatste artikel is overigens niet opgenomen in titel V, met het opschrift „Burgerschap”, maar in titel VI, met het opschrift „Rechtspleging”. |
|
50. |
In de tweede plaats is het juist dat het Hof zich in het arrest Red notice van Interpol, bij de uitlegging van artikel 54 SUO in het licht van de met dit artikel nagestreefde doelstelling, heeft gebaseerd op het beginsel van vrij verkeer van personen, met name van Unieburgers. Zo heeft het in punt 79 van dat arrest opgemerkt dat uit de rechtspraak blijkt dat het in dat artikel vervatte ne-bis-in-idembeginsel ertoe strekt om binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te voorkomen dat een bij onherroepelijk vonnis berechte persoon die zijn recht op vrij verkeer uitoefent, dientengevolge wegens dezelfde feiten wordt vervolgd op het grondgebied van meerdere staten die partij zijn bij het Akkoord. Volgens het Hof moet dat artikel namelijk worden uitgelegd in het licht van artikel 3, lid 2, VEU. ( 27 ) Het Hof heeft verduidelijkt dat meer bepaald uit die rechtspraak voortvloeit dat een persoon die reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht, zich vrij moet kunnen verplaatsen zonder te hoeven vrezen voor nieuwe strafvervolgingen ter zake van dezelfde feiten door een andere staat die partij is bij het Akkoord. Het is eveneens juist dat de redenering van het Hof in dat arrest, wat betreft de vragen die in casu voor ons interessant zijn ( 28 ), verschillende verwijzingen naar artikel 21, lid 1, VWEU bevat. ( 29 ) |
|
51. |
Volgens mij kan uit deze vaststellingen evenwel niet worden afgeleid dat, zoals de Generalstaatsanwaltschaft München en de Duitse regering betogen, de werkingssfeer van artikel 54 SUO zich beperkt tot Unieburgers die hun recht op vrij verkeer uitoefenen. |
|
52. |
Naar mijn mening zijn deze verschillende verwijzingen naar artikel 21, lid 1, VWEU grotendeels te verklaren door de context van de zaak die tot het arrest Red notice van Interpol heeft geleid. De betrokkene was namelijk een Duits staatsburger die de betrokken Duitse verwijzende rechter had verzocht de Bondsrepubliek Duitsland te gelasten alle nodige maatregelen te nemen voor de intrekking van de red notice ten aanzien van hem, met name omdat hij vreesde dat het bestaan van de red notice hem belette te reizen naar een andere lidstaat of een andere staat die partij was bij het Schengenakkoord dan de Bondsrepubliek Duitsland, zonder het risico te lopen te worden aangehouden. Daarom zagen twee van de prejudiciële vragen aan het Hof uitdrukkelijk op artikel 21, lid 1, VWEU. |
|
53. |
Wat betreft de in punt 50 van deze conclusie aangehaalde en door de Duitse regering overgenomen verklaring van het Hof dat artikel 54 SUO moet worden uitgelegd in het licht van artikel 3, lid 2, VEU, dat een verwijzing naar het begrip „Unieburger” bevat, deze is volgens mij niet doorslaggevend. Zo heeft het Hof in het arrest Spasic ( 30 ) een dergelijke uitlegging gegeven, hoewel de betrokkene Servisch staatsburger was. Evenzo is artikel 54 SUO in eerdere rechtspraak reeds uitgelegd in het licht van de bepaling die aan artikel 3, lid 2, VEU voorafging, namelijk artikel 2, eerste alinea, vierde streepje, VEU ( 31 ), hoewel die bepaling niet naar dit begrip verwees ( 32 ). |
|
54. |
Derhalve ben ik van mening dat het in artikel 54 SUO verankerde ne-bis-in-idembeginsel bescherming biedt aan elke persoon die binnen de Schengenruimte het recht van vrij verkeer geniet, ongeacht of de betrokkene Unieburger is. |
|
55. |
In dit verband zij eraan herinnerd dat, zoals de verwijzende rechter en de Commissie terecht opmerken, derdelanders onder bepaalde voorwaarden, onder meer als zij over een geldige verblijfsvergunning beschikken of niet zijn onderworpen aan de visumplicht, ook het recht hebben zich binnen de Schengenruimte vrij te verplaatsen, althans gedurende een bepaalde tijd. In casu merkt de verwijzende rechter op dat HF ten tijde van zijn aanhouding het recht had om zich binnen de Schengenruimte vrij te verplaatsen krachtens artikel 20, lid 1, SUO, aangezien hij wegens zijn Servische nationaliteit was vrijgesteld van de visumplicht. De situatie van deze derdelanders, in het kader van de SUO, is dus in bepaalde opzichten vergelijkbaar met die van Unieburgers, hetgeen, zoals de Commissie tevens opmerkt, voor de partijen bij die overeenkomst een van de redenen kan zijn geweest om de toepassing van het ne-bis-in-idembeginsel niet te beperken tot Unieburgers. |
|
56. |
Het is juist dat de aldus aan derdelanders toegekende vrijheid van verkeer en de vrijheid die Unieburgers genieten niet gelijkwaardig zijn, zoals de Generalstaatsanwaltschaft München en de Duitse regering terecht opmerken. Dat neemt evenwel niet weg dat deze derdelanders, wanneer zij in een overeenkomstsluitende staat bij onherroepelijk vonnis zijn berecht, vanuit het oogpunt van billijkheid en „maatschappelijke rust” ( 33 ) net zoals Unieburgers hun recht om zich vrij te verplaatsen binnen de Schengenruimte moeten kunnen uitoefenen zonder te hoeven vrezen voor een nieuwe strafvervolging ter zake van dezelfde feiten in een andere overeenkomstsluitende staat. |
|
57. |
In de derde plaats deel ik het standpunt van de Commissie dat het in artikel 54 SUO vervatte ne-bis-in-idembeginsel niet uitsluitend tot doel heeft het vrije verkeer van personen te garanderen, ook al valt niet te ontkennen dat dit vrije verkeer een belangrijke rol speelt in de vaste rechtspraak. ( 34 ) Dit beginsel heeft namelijk ook tot doel om binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht de rechtszekerheid te waarborgen middels de naleving van onherroepelijk geworden beslissingen van openbare instanties bij het ontbreken van harmonisatie of onderlinge aanpassing van de strafwetgevingen van de lidstaten. ( 35 ) Doordat het ne-bis-in-idembeginsel, waarvan de reikwijdte aanvankelijk beperkt was tot het grondgebied van elk land afzonderlijk, op grond van artikel 54 SUO een „transnationale” toepassing krijgt, wordt uitdrukking gegeven aan die ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, die steunt op het beginsel van wederzijds vertrouwen en het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken. Zo heeft het Hof in het arrest Red notice van Interpol, evenals in verschillende eerdere arresten, benadrukt dat dit artikel noodzakelijkerwijs impliceert dat de staten die partij zijn bij het Akkoord wederzijds vertrouwen hebben in elkaars strafrechtsstelsels en dat elk van die staten aanvaardt dat het strafrecht wordt toegepast dat van kracht is in de andere staten die partij zijn bij het Akkoord, ook al zou de toepassing van het eigen nationale recht tot een andere oplossing leiden. ( 36 ) Zoals de Commissie terecht opmerkt, zou de mogelijkheid dat een en dezelfde persoon binnen de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht ter zake van dezelfde feiten meerdere malen strafrechtelijk wordt vervolgd in strijd zijn met het doel van die ruimte en met het beginsel van wederzijds vertrouwen en het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken. |
|
58. |
De hierboven uiteengezette overwegingen lijken bovendien steun te vinden in punt 89 van het arrest Red notice van Interpol, waarin het Hof voor recht heeft verklaard dat, wanneer is vastgesteld dat het ne-bis-in-idembeginsel toepasselijk is op een persoon ten aanzien van wie Interpol een red notice heeft gepubliceerd, „zowel het […] wederzijdse vertrouwen dat op grond van artikel 54 SUO, gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, bestaat tussen de staten die partij zijn bij het Akkoord, als het recht op vrij verkeer dat wordt gewaarborgd door artikel 21, lid 1, VWEU, eveneens gelezen in het licht van artikel 50 van het Handvest, zich ertegen verzet dat [de] autoriteiten [van een staat die partij is bij het Akkoord of van een lidstaat waarnaar die persoon zich heeft verplaatst] die persoon voorlopig aanhouden of in voorkomend geval deze aanhouding handhaven”. ( 37 ) Door aldus te oordelen heeft het Hof de toepassing van artikel 54 SUO niet gekoppeld aan die van artikel 21, lid 1, VWEU, noch de eerstgenoemde bepaling gelezen in het licht van de laatstgenoemde. |
|
59. |
Gelet op alle voorgaande overwegingen ben ik van mening dat de beginselen die het Hof in het arrest Red notice van Interpol heeft geformuleerd met betrekking tot artikel 54 SUO ook van toepassing zijn in een feitelijke en juridische situatie zoals de onderhavige. Aangezien de SUO integraal deel uitmaakt van het Unierecht ( 38 ) moet bovendien worden overwogen dat de autoriteiten van de lidstaat in een dergelijke situatie het recht van de Unie ten uitvoer brengen in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest en dus de door het Handvest gewaarborgde grondrechten dienen te eerbiedigen, waaronder ook het recht om niet tweemaal in een strafrechtelijke procedure voor hetzelfde delict te worden berecht of gestraft, dat in artikel 50 ervan is verankerd. ( 39 ) Derhalve ben ik van mening dat een besluit van de Bondsrepubliek Duitsland om HF uit te leveren aan de Verenigde Staten om hem daar strafrechtelijk te laten vervolgen ter zake van dezelfde feiten als die waarvoor hij in Slovenië reeds onherroepelijk is veroordeeld tot een straf die hij al volledig heeft vervuld, in strijd zou zijn met artikel 54 SUO, gelezen in samenhang met artikel 50 van het Handvest. |
|
60. |
Aan deze gevolgtrekking kan mijns inziens niet worden afgedaan door het argument van de Generalstaatsanwaltschaft München dat een uitbreiding van het ne-bis-in-idembeginsel tot de uitlevering aan derde staten, in combinatie met een koppeling aan veroordelingen in andere staten dan de aangezochte staat, het risico met zich meebrengt dat plegers van strafbare feiten zich ten onrechte op dit beginsel beroepen om strafvervolging te ontwijken. Dit argument – dat overigens moeilijk te begrijpen is – berust namelijk louter op vermoedens. ( 40 ) Bovendien zou het genoemde risico zich hoe dan ook eveneens kunnen voordoen in situaties waarbij alleen overeenkomstsluitende staten of burgers van de Unie betrokken zijn. Ten slotte wijst niets in de verwijzingsbeslissing erop dat HF in deze zaak misbruik maakt van het ne-bis-in-idembeginsel. |
Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag en EU-VS-overeenkomst
|
61. |
Gelet op het voorgaande moet worden onderzocht of de Bondsrepubliek Duitsland, zoals de verwijzende rechter aanvoert, in strijd zou handelen met haar verplichtingen krachtens de EU-VS-overeenkomst, in casu gelezen in samenhang met het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag, door op grond van het ne-bis-in-idembeginsel te weigeren HF aan de Verenigde Staten uit te leveren, en indien dat het geval is, of dat aan een dergelijke weigering in de weg zou kunnen staan. |
|
62. |
In het licht van de vaststellingen in de verwijzingsbeslissing, die zijn overgenomen in de punten 25 tot en met 27 van deze conclusie, blijkt in casu dat de Duitse autoriteiten, zoals de verwijzende rechter opmerkt, krachtens artikel 1 van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag in beginsel verplicht zijn HF aan de Verenigde Staten uit te leveren, aangezien alle in dit verdrag vervatte voorwaarden zijn vervuld. Wat meer bepaald de weigeringsgrond in artikel 8 (met het opschrift „Ne bis in idem”) van dit verdrag betreft, verklaart de verwijzende rechter dat deze in de onderhavige zaak niet van toepassing is, aangezien de eerdere onherroepelijke beslissing afkomstig is van de Sloveense autoriteiten en niet van die van de aangezochte staat, te weten de Bondsrepubliek Duitsland. |
|
63. |
De verwijzende rechter merkt op dat de EU-VS-overeenkomst niet voorziet in de toepasselijkheid van een ne-bis-in-idembeginsel „op Europese schaal”, om daaruit a contrario af te leiden dat de uit het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering moet worden nagekomen. |
|
64. |
In dit verband ben ik, evenals de verwijzende rechter en de Commissie, van mening dat de EU-VS-overeenkomst, die volgens artikel 1 ervan tot doel heeft de samenwerking tussen de Unie en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de bestaande betrekkingen tussen de lidstaten en die derde staat inzake uitlevering te versterken, van toepassing is in een situatie zoals de onderhavige. ( 41 ) Zoals de Commissie terecht opmerkt, voorziet deze overeenkomst in „een aanvullend gemeenschappelijk kader naast de bilaterale uitleveringsverdragen tussen de lidstaten en de Verenigde Staten [van Amerika], en is zij dus in beginsel op al het uitleveringsverkeer tussen die partijen van toepassing”. Uit geen enkele bepaling van deze overeenkomst kan worden afgeleid dat de bilaterale uitleveringsverdragen tussen de lidstaten voorrang hebben boven deze overeenkomst. In het bijzonder kan een eventuele ondergeschiktheid van de EU-VS-overeenkomst aan die verdragen niet worden afgeleid uit artikel 3 van die overeenkomst, volgens hetwelk sommige bepalingen van de overeenkomst enkel van toepassing zijn indien de genoemde verdragen geen corresponderende bepalingen bevatten, noch uit artikel 17, lid 1, volgens hetwelk de aangezochte staat de mogelijkheid behoudt zich te beroepen op gronden voor weigering van de uitlevering die zijn vastgelegd in een bilateraal uitleveringsverdrag en die betrekking hebben op een kwestie die in genoemde overeenkomst niet is geregeld. Integendeel, andere bepalingen van de EU-VS-overeenkomst, zoals artikel 18, waarin is bepaald dat nadat zij in werking is getreden tussen een lidstaat en de Verenigde Staten van Amerika alleen bilaterale overeenkomsten mogen worden gesloten die verenigbaar zijn met de EU-VS-overeenkomst, bevestigen dat zij algemeen toepasbaar is. |
|
65. |
In de EU-VS-overeenkomst wordt, zoals het Hof in punt 97 van het arrest Red notice van Interpol heeft aangegeven, inderdaad niet uitdrukkelijk bepaald dat de autoriteiten van de lidstaten een door de Verenigde Staten van Amerika gevraagde uitlevering zouden kunnen weigeren omdat het ne-bis-in-idembeginsel toepasselijk is. Meer in het algemeen voorziet deze overeenkomst niet in specifieke gronden tot weigering van uitlevering, behalve dan in artikel 13 met betrekking tot de doodstraf. ( 42 ) Zoals advocaat-generaal Bobek in zijn conclusie in de zaak Bundesrepublik Deutschland (Red notice van Interpol) ( 43 ) heeft opgemerkt, behoren de regels inzake uitlevering, bij het ontbreken van Uniewetgeving ter zake, tot de bevoegdheid van de lidstaten, die daartoe bilaterale overeenkomsten met derde landen mogen sluiten. De lidstaten zijn evenwel verplicht bij de uitoefening van die bevoegdheid rekening te houden met het Unierecht en in het bijzonder met de door het Handvest gegarandeerde grondrechten, zoals het in artikel 50 vervatte ne-bis-in-idembeginsel, en kunnen dan ook niet instemmen met verplichtingen die niet met de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen verenigbaar zijn. |
|
66. |
Derhalve ben ik van mening dat het argument van de verwijzende rechter dat is gebaseerd op een a-contrario-uitlegging van de EU-VS-overeenkomst niet kan slagen en dat, onder voorbehoud van het bepaalde in artikel 351 VWEU, dat hieronder wordt onderzocht, moet worden vastgesteld dat de Bondsrepubliek Duitsland zich niet kan beroepen op haar uit het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichtingen om het verzoek tot uitlevering van HF in te willigen. |
|
67. |
Daarbij zij aangetekend dat juist op basis van de EU-VS-overeenkomst kan worden geoordeeld dat de weigering om HF aan de Verenigde Staten uit te leveren niet noodzakelijkerwijs in strijd is met het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag, zoals ook de Commissie meent. Uit artikel 17, lid 2, van die overeenkomst komt namelijk naar voren dat „grondwettelijke beginselen van de aangezochte lidstaat of voor de aangezochte lidstaat bindende onherroepelijke uitspraken deze lidstaat aan naleving van zijn verplichting tot uitlevering in de weg […] kunnen staan” en dat, wanneer „noch [genoemde] overeenkomst noch het toepasselijk uitleveringsverdrag in een oplossing voorziet, […] de aangezochte en de verzoekende staat overleg [voeren]”. Hoewel met die bepaling in dat geval enkel een verplichting tot overleg tussen de betrokken staten als rechtsgevolg wordt beoogd, weerspiegelt zij niettemin de wil van de partijen bij de EU-VS-overeenkomst om te erkennen dat bepaalde omstandigheden die niet uitdrukkelijk in het toepasselijke bilaterale uitleveringsverdrag zijn genoemd, een belemmering voor uitlevering kunnen vormen. ( 44 ) |
|
68. |
Afgezien van het feit dat het vonnis van de Okrožno sodišče v Mariboru van 6 juli 2012 kan worden opgevat als een voor de Bondsrepubliek Duitsland „bindende onherroepelijke uitspraak”, ben ik van mening dat met name de voorrang van het Unierecht en de bescherming van de grondrechten tot de „grondwettelijke beginselen” van een lidstaat kunnen worden gerekend. In een situatie als de onderhavige moeten de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat naar mijn mening dus in de eerste plaats in overleg treden met de bevoegde autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika. Hoewel ik het eens ben met de beoordeling van de Commissie dat dit overleg er niet toe kan leiden dat deze lidstaat de door het recht van de Unie gecreëerde „belemmering” negeert, wil ik niet zo ver gaan om, net zoals de Commissie, te zeggen dat het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag, gelezen in samenhang met de EU-VS-overeenkomst, uiteindelijk niet in strijd is met het Unierecht. Indien een dergelijk overleg niet zou leiden tot intrekking of, in voorkomend geval, beperking van het verzoek tot uitlevering door de bevoegde autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika, zou de aangezochte lidstaat geen andere keuze hebben dan het Unierecht te laten prevaleren boven zijn uit het bilaterale uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichtingen. |
Toepasselijkheid van artikel 351 VWEU
|
69. |
Thans moet nog worden nagegaan of de Bondsrepubliek Duitsland een beroep kan doen op artikel 351, eerste alinea, VWEU om te voldoen aan haar uit het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting om HF uit te leveren aan de Verenigde Staten, hoewel die verplichting in strijd is met het Unierecht. ( 45 ) |
|
70. |
Artikel 351, eerste alinea, VWEU bepaalt dat de rechten en verplichtingen voortvloeiende uit overeenkomsten vóór 1 januari 1958 of, voor de toetredende staten, vóór de datum van hun toetreding gesloten tussen een of meer lidstaten enerzijds en een of meer derde staten anderzijds, niet door de bepalingen van de Verdragen worden aangetast. ( 46 ) |
|
71. |
Het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag is op 20 juni 1978 ondertekend en op 30 juli 1980 in werking getreden, dus na 1 januari 1958, toen de Bondsrepubliek Duitsland reeds lid was van de toenmalige Europese Economische Gemeenschap. Strikte lezing van artikel 351, eerste alinea, VWEU zou dus kunnen leiden tot de gevolgtrekking dat deze bepaling in casu geen toepassing vindt. |
|
72. |
Evenals de verwijzende rechter, de Generalstaatsanwaltschaft München, de Duitse regering en de Commissie, ben ik evenwel van mening dat artikel 351, eerste alinea, VWEU ruim moet worden uitgelegd, in die zin dat het naar analogie ook ziet op de verdragen die een lidstaat heeft gesloten na 1 januari 1958 of na de datum van zijn toetreding, maar vóór de datum waarop de Unie bevoegd is geworden op het door deze verdragen bestreken gebied. |
|
73. |
In casu is de Unie pas na de inwerkingtreding van ten eerste het Verdrag van Maastricht op 1 november 1993 en vervolgens het Verdrag van Amsterdam op 1 mei 1999 bevoegd geworden op het gebied van de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken, dus na de datum waarop het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag in werking is getreden. Hetzelfde geldt met betrekking tot het Schengenakkoord en de SUO, die op respectievelijk 14 juni 1985 en 19 juni 1990 zijn ondertekend en pas door het Verdrag van Amsterdam in het Unierecht zijn opgenomen. |
|
74. |
Derhalve kan naar mijn idee worden geoordeeld dat de Bondsrepubliek Duitsland, toen zij met de Verenigde Staten van Amerika het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag sloot, zich in een situatie bevond die vergelijkbaar is met de in artikel 351, eerste alinea, VWEU bedoelde situatie. |
|
75. |
Betekent dit dan dat zij in dit geval het verzoek tot uitlevering van HF aan de Verenigde Staten zou mogen inwilligen? Ik denk van niet. |
|
76. |
In het arrest Kadi en Al Barakaat International Foundation/Raad en Commissie heeft het Hof namelijk reeds geoordeeld dat artikel 307 EG, dat aan artikel 351 VWEU voorafging, geenszins de mogelijkheid biedt om de beginselen die behoren tot de grondslagen van de rechtsorde van de Unie op de helling te zetten. Tot deze beginselen behoort het beginsel van de bescherming van de grondrechten. ( 47 ) Anders dan de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen beweert, zijn de door het Hof in dat arrest geformuleerde beginselen volledig toepasbaar in de onderhavige zaak, aangezien er geen reden is om binnen de grondrechten sommige rechten aan te merken als fundamenteler dan andere. ( 48 ) Hieruit volgt naar mijn mening dat de Bondsrepubliek Duitsland de schending van het in artikel 50 van het Handvest verankerde ne-bis-in-idembeginsel, die de uitlevering van HF aan de Verenigde Staten met zich mee zou brengen, niet kan rechtvaardigen door een verplichting tot naleving van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag. |
|
77. |
Bovendien verplicht artikel 351, tweede alinea, VWEU de lidstaten gebruik te maken van alle passende middelen om de eventuele onverenigbaarheid tussen de betrokken overeenkomsten en de Verdragen op te heffen. Die middelen zouden kunnen inhouden dat de nationale rechters moeten nagaan of een dergelijke onverenigbaarheid kan worden voorkomen door aan de overeenkomst zo veel mogelijk en met inachtneming van het volkenrecht een uitlegging te geven die met het Unierecht in overeenstemming is. ( 49 ) Wordt er geen met het Unierecht overeenstemmende uitlegging gegeven, dan kunnen de lidstaten in een situatie zoals in de onderhavige zaak overleg voeren, zoals is bepaald in artikel 17, lid 2, van de EU-VS-overeenkomst, en zelfs verplicht zijn om een overeenkomst, bij problemen die wijziging ervan onmogelijk maken, op te zeggen. ( 50 ) Wat dit laatste punt betreft, zij opgemerkt dat artikel 34, lid 4, van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag een clausule bevat die uitdrukkelijk voorziet in de mogelijkheid voor elk van de partijen om dat verdrag op te zeggen. |
Conclusie
|
78. |
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van het Oberlandesgericht München te beantwoorden als volgt: „Artikel 54 van de op 19 juni 1990 te Schengen ondertekende en op 26 maart 1995 in werking getreden Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 610/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013, moet, gelezen in samenhang met artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat: deze bepalingen eraan in de weg staan dat een persoon, ongeacht of deze Unieburger in de zin van artikel 20 VWEU is, door de autoriteiten van een lidstaat van de Europese Unie wordt uitgeleverd aan een derde staat, wanneer die persoon in een andere lidstaat reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht wegens dezelfde feiten als die welke aan het door die derde staat geformuleerde uitleveringsverzoek ten grondslag liggen en dat vonnis ten uitvoer is gelegd. Dit geldt ook indien de beslissing om de uitlevering te weigeren slechts mogelijk zou zijn door te aanvaarden dat een bestaand bilateraal uitleveringsverdrag met die derde staat wordt geschonden.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 2000, L 239, blz. 19. De SUO is gesloten ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 13; hierna: „Schengenakkoord”).
( 3 ) Zie punt 10 van deze conclusie.
( 4 ) PB 1997, C 340, blz. 93.
( 5 ) PB 1999, L 176, blz. 17, met rectificatie in PB 2000, L 9, blz. 31. Dit besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 1, tweede alinea, van het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de Europese Unie, waarin onder meer wordt bepaald dat „[d]e Raad [van de Europese Unie] […] in overeenstemming met de desbetreffende bepalingen van de Verdragen de rechtsgrondslag [vaststelt] voor elk van de bepalingen en besluiten die het Schengenacquis vormen”.
( 6 ) Artikel 34 VEU is ingetrokken bij het Verdrag van Lissabon, terwijl artikel 31 VEU is vervangen door de artikelen 82, 83 en 85 VWEU.
( 7 ) PB 2003, L 181, blz. 27.
( 8 ) PB 2016, L 77, blz. 1.
( 9 ) PB 2018, L 236, blz. 1.
( 10 ) PB 2018, L 303, blz. 39.
( 11 ) PB 2006, L 105, blz. 1.
( 12 ) BGBl. 1980 II, blz. 646. Volgens de verwijzingsbeslissing is dit verdrag op 30 juli 1980 in werking getreden.
( 13 ) BGBl. 1988 II, blz. 1087.
( 14 ) BGBl. 2007 II, blz. 1618.
( 15 ) In de verwijzingsbeslissing is aangegeven dat die strafbare feiten, waarvoor HF was opgenomen in de nationale lijst van gezochte personen van het Bundeskriminalamt (federale recherche, Duitsland), volgens Duits recht moeten worden gekwalificeerd als „georganiseerde misdaad”, „spionage en onderscheppen van gegevens” en „computersabotage”.
( 16 ) C‑505/19, EU:C:2021:376; hierna: „arrest Red notice van Interpol”. Zie punt 44 van deze conclusie.
( 17 ) Zie in dit verband artikel 2, lid 1, van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag.
( 18 ) Zie in dit verband artikel 2, lid 2, van het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag.
( 19 ) BGBl. 1982 I, blz. 2071.
( 20 ) Met „Akkoord” wordt verwezen naar het Schengenakkoord.
( 21 ) C‑188/07, EU:C:2008:174, punt 95.
( 22 ) Zie punt 6 van deze conclusie.
( 23 ) Arrest Red notice van Interpol (punt 70 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 24 ) Arrest van 22 maart 2022, Nordzucker e.a. (C‑151/20, EU:C:2022:203, punt 62 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 25 ) Opgemerkt zij dat artikel 50 van het Handvest de term „strafbaar feit” gebruikt, terwijl artikel 54 SUO het begrip „dezelfde feiten” hanteert. In de rechtspraak is dat begrip aldus uitgelegd dat het „alleen betrekking heeft op de feiten zelf en een geheel van onlosmakelijk met elkaar verbonden concrete omstandigheden omvat, ongeacht de juridische kwalificatie van deze feiten of het beschermde rechtsbelang” (arrest van 16 november 2010, Mantello, C‑261/09, EU:C:2010:683, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In dezelfde zin komt in de vaste rechtspraak naar voren dat, wat het bestaan van hetzelfde „strafbare feit” in de zin van artikel 50 van het Handvest betreft, het relevante criterium om te beoordelen of daarvan sprake is, is dat de materiële feiten dezelfde zijn, in die zin dat het gaat om een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn en die tot de onherroepelijke vrijspraak of veroordeling van de betrokkene hebben geleid (zie met name arrest van 20 maart 2018, Menci, C‑524/15, EU:C:2018:197, punt 35 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 26 ) Arrest Red notice van Interpol (punten 90, 94 en 95).
( 27 ) In dat artikel wordt bepaald dat „[d]e Unie […] haar burgers een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht zonder binnengrenzen [biedt], waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot […] voorkoming en bestrijding van criminaliteit”.
( 28 ) Namelijk de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag van de verwijzende rechter in de zaak die tot dat arrest heeft geleid.
( 29 ) Arrest Red notice van Interpol (punten 71, 72, 85, 89, 91‑93, 100, 102 en 106).
( 30 ) Arrest van 27 mei 2014 (C‑129/14 PPU, EU:C:2014:586, punten 61‑63).
( 31 ) Zie met name arresten van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge (C‑187/01 en C‑385/01, EU:C:2003:87, punt 36; een van de zaken die tot dat arrest heeft geleid betrof een Turks staatsburger), en 28 september 2006, Gasparini e.a. (C‑467/04, EU:C:2006:610, punten 34‑37).
( 32 ) Volgens artikel 2, eerste alinea, vierde streepje, VEU stelde de Unie zich ten doel „handhaving en ontwikkeling van de Unie als een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid waarin het vrije verkeer van personen gewaarborgd is in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, asiel, immigratie, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit”.
( 33 ) Arrest van 28 september 2006, Gasparini e.a. (C‑467/04, EU:C:2006:610, punt 27).
( 34 ) Zie met name arrest van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge (C‑187/01 en C‑385/01, EU:C:2003:87, punt 38).
( 35 ) Arrest van 27 mei 2014, Spasic (C‑129/14 PPU, EU:C:2014:586, punt 77). Zie in die zin ook punt 79 van het arrest Red notice van Interpol, waarvan de inhoud is overgenomen in punt 50 van deze conclusie.
( 36 ) Arrest Red notice van Interpol (punt 80 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zie ook arresten van 11 februari 2003, Gözütok en Brügge (C‑187/01 en C‑385/01, EU:C:2003:87, punt 33), en 28 september 2006, Van Straaten (C‑150/05, EU:C:2006:614, punt 43).
( 37 ) Cursivering van mij.
( 38 ) Zie punt 5 van deze conclusie.
( 39 ) Zie met name arrest van 20 maart 2018, Garlsson Real Estate e.a. (C‑537/16, EU:C:2018:193, punt 26 en aangehaalde rechtspraak). Zie ook punt 41 van deze conclusie.
( 40 ) Zo voert de Generalstaatsanwaltschaft München in zijn schriftelijke opmerkingen aan dat „[d]e betrokkene te allen tijde de opening van een procedure tegen hem kan uitlokken door zichzelf aan te geven” en dat „hij, indien hij bovendien summiere bekentenissen doet, de mogelijkheid creëert van een ruime opschorting zonder gevolgen, hetgeen te verwachten valt als andere bewijsmiddelen niet onder de bevoegdheid vallen van de autoriteit die is belast met het onderzoek en indien de autoriteit op basis van de bekentenissen niet beseft wat de omvang van het strafbare feit is”.
( 41 ) Waaruit voor zover nodig blijkt dat de onderhavige zaak binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt en dat onder meer rekening moet worden gehouden met de in het Handvest verankerde grondrechten.
( 42 ) Arrest van 10 april 2018, Pisciotti (C‑191/16, EU:C:2018:222, punt 38).
( 43 ) C‑505/19, EU:C:2020:939, punten 78‑80. Zie in die zin ook arrest van 6 september 2016, Petruhhin (C‑182/15, EU:C:2016:630, punt 26), en arrest Red notice van Interpol (punt 100).
( 44 ) Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Bobek in de zaak Bundesrepublik Deutschland (Red notice van Interpol) (C‑505/19, EU:C:2020:939, punt 76).
( 45 ) Dit artikel heeft een algemene strekking en geldt voor elke internationale overeenkomst, ongeacht haar voorwerp, die de toepassing van het Verdrag kan beïnvloeden (arrest van 5 november 2002, Commissie/Verenigd Koninkrijk,C‑466/98, EU:C:2002:624, punt 23 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Het kan dan ook worden toegepast met betrekking tot het Duits-Amerikaans uitleveringsverdrag.
( 46 ) Volgens de rechtspraak beoogt die bepaling overeenkomstig de beginselen van het volkenrecht te preciseren dat de verbintenis van de betrokken lidstaat om de uit een eerder verdrag voortvloeiende rechten van derde landen te eerbiedigen en de daarmee samenhangende plichten na te komen, niet wordt aangetast door de toepassing van de Verdragen (arrest van 9 februari 2012, Luksan,C‑277/10, EU:C:2012:65, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak). In de bewoordingen van advocaat-generaal Jääskinen in zijn conclusie in de zaak Commissie/Slowakije: „Bijgevolg lost deze bepaling het conflict tussen de twee onverenigbare verplichtingen op ten gunste van de oudste verplichting, en neemt aldus het beginsel van internationaal recht over dat een later gesloten verdrag dat in strijd is met een eerder gesloten verdrag, geen afbreuk kan doen aan de rechten van een staat die alleen partij is bij het eerder gesloten verdrag” (C‑264/09, EU:C:2011:150, punt 73).
( 47 ) Arrest van 3 september 2008 (C‑402/05 P en C‑415/05 P, EU:C:2008:461, punt 304).
( 48 ) Overigens is het ne-bis-in-idembeginsel, in de bewoordingen van advocaat-generaal Wahl in zijn conclusie in de zaak Powszechny Zakład Ubezpieczeń na Życie, „ongetwijfeld een van de hoekstenen van elk op de rechtsstaat gebaseerd rechtsstelsel” (C‑617/17, EU:C:2018:976, punt 18). Evenzo wordt het door de rechtspraak gekwalificeerd als „grondbeginsel van het Unierecht” (zie met name arrest van 25 februari 2021, Slovak Telekom, C‑857/19, EU:C:2021:139, punt 40).
( 49 ) Arrest van 22 oktober 2020, Ferrari (C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punt 68 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
( 50 ) Zie in die zin arrest van 22 oktober 2020, Ferrari (C‑720/18 en C‑721/18, EU:C:2020:854, punt 69).