CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

N. EMILIOU

van 30 mei 2024 ( 1 )

Zaak C‑406/22

CV

tegen

Ministerstvo vnitra České republiky, Odbor azylové a migrační politiky

[verzoek van de Krajský soud v Brně (rechter in eerste aanleg Brno, Tsjechië) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming – Richtlijn 2013/32/EU – Procedure ter beoordeling van een verzoek om internationale bescherming – Verzoek als kennelijk ongegrond beschouwd – Verzoek van een staatsburger van een veilig land van herkomst – Begrip ,veilig land van herkomst’ – Moldavië – Artikel 15 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) – Afwijking van de door het EVRM opgelegde verplichtingen in tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand – Gevolg van het gebruik van artikel 15 EVRM voor de mogelijkheid om een derde land als veilig land van herkomst te beschouwen – Derde land dat slechts gedeeltelijk als veilig wordt beschouwd – Ambtshalve uit te oefenen bevoegdheden van de nationale rechter”

I. Inleiding

1.

De gemeenschappelijke procedureregels voor het verlenen van internationale bescherming van richtlijn 2013/32/EU ( 2 ) voorzien in een specifieke behandeling van verzoeken die worden ingediend door personen die, kort gezegd, onderdaan zijn van een land dat is aangemerkt als „veilig land van herkomst”. Die aanmerking heeft belangrijke juridische gevolgen die de voorwaarden beperken waaronder dergelijke verzoeken in overweging worden genomen.

2.

Tot op heden bestaat er geen gemeenschappelijke lijst van veilige landen van herkomst op Unieniveau. In plaats daarvan staat richtlijn 2013/32 de lidstaten toe om dergelijke lijsten voor nationale doeleinden vast te stellen. Hoewel het begrip „veilig land van herkomst” vrij algemeen wordt gebruikt door de lidstaten (door 19 van hen), passen niet alle lidstaten het toe. ( 3 ) Het begrip heeft overigens ook kritiek geoogst.

3.

In de door Tsjechië vastgestelde lijst is Moldavië opgenomen.

4.

Tegen dit besluit is opgekomen bij de verwijzende rechter, de Krajský soud v Brně (rechter in eerste aanleg Brno, Tsjechië), die zich thans afvraagt hoe het begrip „veilig land van herkomst” moet worden opgevat in het licht van de volgende omstandigheden.

5.

Ten eerste gold voor de Tsjechische aanmerking van Moldavië als veilig land van herkomst een territoriale uitzondering met betrekking tot Transnistrië, een regio in het oostelijke deel van het land, aan de grens met Oekraïne (of gold die uitzondering op het relevante moment, zo lijkt het). Uit het dossier volgt dat deze uitzondering is gemaakt omdat Moldavië binnen die regio geen gezag kan uitoefenen.

6.

Ten tweede heeft Moldavië, dat partij is bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EVRM) ( 4 ), in de loop van 2022 gebruikgemaakt van artikel 15 van dat verdrag, dat de mogelijkheid biedt om in tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand af te wijken van zijn verplichtingen ingevolge dat verdrag.

7.

Gelet op deze elementen wenst de verwijzende rechter te vernemen of het feit dat een land gebruik heeft gemaakt van de bepalingen van artikel 15 EVRM, betekent dat het niet langer als veilig land van herkomst in de zin van richtlijn 2013/32 kan worden beschouwd. Hij vraagt zich ook af of deze richtlijn het de lidstaten verbiedt een land slechts gedeeltelijk als veilig land van herkomst aan te merken, met een territoriale uitzondering. Indien ten slotte uit de beoordeling van een van deze vragen zou volgen dat het Unierecht zich verzet tegen de aanmerking van Moldavië als veilig land van herkomst, wenst hij te vernemen of hij krachtens richtlijn 2013/32 verplicht is ambtshalve rekening te houden met deze kwestie.

II. Toepasselijke bepalingen

A.   Internationaal recht

8.

Artikel 15 EVRM bepaalt:

„1.   In tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt, kan iedere Hoge Verdragsluitende Partij maatregelen nemen die afwijken van zijn verplichtingen ingevolge [het EVRM], voor zover de ernst van de situatie deze maatregelen strikt vereist en op voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale recht.

2.   De voorgaande bepaling staat geen enkele afwijking toe van artikel 2, behalve in geval van dood als gevolg van rechtmatige oorlogshandelingen, en van de artikelen 3, 4, eerste lid, en 7.

3.   Elke Hoge Verdragsluitende Partij die gebruikmaakt van dit recht om af te wijken, moet de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa volledig op de hoogte houden van de genomen maatregelen en van de beweegredenen daarvoor. Zij moet de Secretaris-Generaal van de Raad van Europa eveneens in kennis stellen van de datum waarop deze maatregelen hebben opgehouden van kracht te zijn en de bepalingen van het Verdrag opnieuw volledig worden toegepast.”

B.   Unierecht

a) Protocol Nr. 24

9.

In het enige artikel van Protocol nr. 24 inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie ( 5 ) is bepaald:

„Het niveau van bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden in de lidstaten van de Europese Unie in aanmerking nemend, beschouwen de lidstaten elkaar als veilige landen van oorsprong voor alle juridische en praktische doeleinden in verband met asielzaken. Dienovereenkomstig kan een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking worden genomen of ontvankelijk worden verklaard in de volgende gevallen:

a)

indien de lidstaat waarvan de aanvrager onderdaan is na de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam maatregelen neemt met gebruikmaking van de bepalingen van artikel 15 [EVRM], waarbij op zijn grondgebied wordt afgeweken van zijn verplichtingen uit hoofde van [het EVRM];

[…]”

b) Richtlijn 2013/32

10.

Artikel 31 van richtlijn 2013/32 („Behandelingsprocedure”) bepaalt:

„1.   De lidstaten behandelen verzoeken om internationale bescherming in een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de behandelingsprocedure zo spoedig mogelijk wordt afgerond, onverminderd een behoorlijke en volledige behandeling.

[…]

8.   De lidstaten kunnen bepalen dat een behandelingsprocedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen in hoofdstuk II wordt versneld en/of aan de grens of in transitzones wordt gevoerd overeenkomstig artikel 43 indien:

[…]

b)

de verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van deze richtlijn;

[…]”

11.

Artikel 32 van richtlijn 2013/32 („Niet-ontvankelijke verzoeken”) bepaalt het volgende:

„[…]

2.   In gevallen van ongegronde verzoeken waarop een van de in artikel 31, lid 8, vermelde omstandigheden van toepassing is, kunnen de lidstaten tevens een verzoek als kennelijk ongegrond beschouwen indien dit zo in de nationale wetgeving is omschreven.”

12.

Artikel 36 van richtlijn 2013/32 („Het begrip ‚veilig land van herkomst’”) bepaalt:

„1.   Een derde land dat op grond van deze richtlijn als veilig land van herkomst is aangemerkt, kan voor een bepaalde verzoeker, nadat zijn verzoek afzonderlijk is behandeld, alleen als veilig land van herkomst worden beschouwd wanneer:

a)

hij de nationaliteit van dat land heeft, of

b)

hij staatloos is en voorheen in dat land zijn gewone verblijfplaats had;

en wanneer hij geen substantiële redenen heeft opgegeven om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als een veilig land van herkomst te beschouwen ten aanzien van de vraag of hij voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet in aanmerking komt overeenkomstig richtlijn 2011/95/EU.[ ( 6 )]”

2.   De lidstaten stellen verdere nationale wetsvoorschriften en -bepalingen vast voor de toepassing van het begrip ‚veilig land van herkomst’.”

13.

Artikel 37 van richtlijn 2013/32 („Nationale aanmerking van derde landen als veilig land van herkomst”) luidt:

„1.   De lidstaten kunnen voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming wetgeving handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking, overeenkomstig bijlage I, van veilige landen van herkomst.

2.   De lidstaten onderzoeken de situatie in derde landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst zijn aangemerkt, regelmatig opnieuw.

3.   De beoordeling of een land een veilig land van herkomst is overeenkomstig dit artikel dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

4.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de landen die overeenkomstig dit artikel als veilige landen van herkomst worden aangemerkt.”

14.

Artikel 46 van richtlijn 2013/32 („Recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel) luidt als volgt:

„1.   De lidstaten zorgen ervoor dat voor verzoekers een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie openstaat tegen:

a)

een beslissing die inzake hun verzoek om internationale bescherming is gegeven, met inbegrip van een beslissing:

i)

om een verzoek als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus;

ii)

om een verzoek als niet-ontvankelijk te beschouwen overeenkomstig artikel 33, lid 2;

iii)

aan de grens of in de transitzones van een lidstaat zoals omschreven in artikel 43, lid 1;

iv)

om een behandeling niet uit te voeren krachtens artikel 39;

b)

een weigering om de behandeling van een verzoek na de onderbreking ervan overeenkomstig de artikelen 27 en 28 te hervatten;

c)

een beslissing tot intrekking van de internationale bescherming krachtens artikel 45.

[…]

3.   Teneinde aan lid 1 te voldoen, zorgen de lidstaten ervoor dat een daadwerkelijk rechtsmiddel een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg.

4.   De lidstaten stellen redelijke termijnen en andere vereiste voorschriften vast opdat de verzoeker zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel krachtens lid 1 kan uitoefenen. De termijnen maken het uitoefenen van dit recht niet onmogelijk of uiterst moeilijk.

De lidstaten kunnen ook voorzien in een ambtshalve toetsing van krachtens artikel 43 genomen beslissingen.

5.   Onverminderd lid 6 staan de lidstaten de verzoekers toe om op het grondgebied te blijven tot de termijn waarbinnen zij hun recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel kunnen uitoefenen, verstreken is en, wanneer dat recht binnen de termijn werd uitgeoefend, in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.

6.   In geval van een beslissing om:

a)

een verzoek als kennelijk ongegrond te beschouwen overeenkomstig artikel 32, lid 2, of als ongegrond na behandeling overeenkomstig artikel 31, lid 8, behoudens de gevallen waarin deze beslissingen zijn genomen op basis van de in artikel 31, lid 8, onder h), genoemde omstandigheden;

[…]

is een rechterlijke instantie bevoegd om, op verzoek van de betrokken verzoeker of ambtshalve, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker op het grondgebied van de lidstaat mag blijven, indien deze beslissing resulteert in een beëindiging van het recht van de verzoeker om in de lidstaat te blijven, en het nationale recht in dergelijke gevallen niet voorziet in het recht om in de lidstaat te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel.

[…]”

15.

Bijlage I bij richtlijn 2013/32, met het opschrift „Aanmerking van veilige landen van herkomst voor de toepassing van artikel 37, lid 1”, luidt:

„Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van [richtlijn 2011/95], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:

a)

de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

b)

de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het [EVRM] en de fundamentele vrijheden en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, [EVRM];

c)

de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève;

d)

het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.”

C.   Tsjechisch recht

16.

§ 2, lid 1, onder k), van zákon č. 325/1999 Sb., o azylu (wet nr. 325/1999 betreffende het asiel; hierna: „asielwet”) bepaalt:

„Voor de toepassing van deze wet wordt onder ‚veilig land van herkomst’ verstaan de staat waarvan de vreemdeling onderdaan is of, in het geval van een staatloze, de staat waar hij het laatst permanent verbleef,

1. waarin er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict;

2. die noch de onderdanen van die staat, noch staatlozen verlaten om de redenen genoemd in § 12 of § 14, onder a), [van de asielwet];

3. die de internationale verdragen inzake mensenrechten en fundamentele vrijheden heeft geratificeerd en naleeft, met inbegrip van de normen met betrekking tot daadwerkelijke rechtsmiddelen, en

4. die juridische entiteiten in staat stelt toezicht te houden op de situatie met betrekking tot de eerbiediging van de mensenrechten […]”.

17.

Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat § 2 van vyhláška č. 328/2015 Sb., kterou se provádí zákon o azylu a zákon o dočasné ochraně cizinců (besluit nr. 328/2015 inzake de tenuitvoerlegging van de bepalingen van de asielwet en de wet inzake de tijdelijke bescherming van vreemdelingen; hierna: „besluit nr. 328/2015”) op het relevante tijdstip bepaalde dat Tsjechië Moldavië als een veilig land van herkomst beschouwde, met uitzondering van Transnistrië. ( 7 )

18.

Overeenkomstig § 16, leden 2 en 3, van de asielwet wordt een verzoek om toekenning van internationale bescherming kennelijk ongegrond verklaard indien de verzoeker afkomstig is uit een land dat door Tsjechië als veilig land van herkomst wordt aangemerkt, tenzij de verzoeker aantoont dat dit land in zijn geval niet als zodanig kan worden beschouwd. Indien sprake is van gronden voor een dergelijke afwijzing wordt niet nagegaan of de verzoeker voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van asiel of subsidiaire bescherming en of hij feiten heeft aangevoerd waaruit blijkt dat hij mogelijk een risico van vervolging of ernstige schade loopt.

19.

Overeenkomstig § 32, lid 2, van de asielwet heeft het instellen van beroep tegen een besluit in de zin van § 16, lid 2, van de asielwet geen schorsende werking. ( 8 )

20.

Overeenkomstig § 73, lid 2, van zákon č. 150/2002 Sb., soudní řád správní (wet nr. 150/2002 houdende het wetboek van bestuursprocesrecht; hierna: „wetboek van bestuursprocesrecht”) kent de rechter, op verzoek van de verzoeker en na de verwerende partij te hebben gehoord, bij beschikking schorsende werking toe aan het beroep indien de verzoeker door de uitvoering of andere rechtsgevolgen van het besluit onevenredig meer schade zou lijden dan andere personen zouden lijden als gevolg van de schorsing van de uitvoering van het besluit en indien geen enkel zwaarwegend algemeen belang zich daartegen verzet.

21.

Overeenkomstig § 75, lid 2, van het wetboek van bestuursprocesrecht „onderzoekt de rechter de betwiste punten van het besluit binnen de grenzen van de aangevoerde middelen”.

III. Feiten, nationale procedure en prejudiciële vragen

22.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat Moldavië in januari 2022 wegens de energiecrisis de noodtoestand heeft afgekondigd en op 24 februari 2022, als reactie op de Russische invasie in Oekraïne, de staat van beleg en de oorlogsnoodtoestand heeft afgekondigd. In de verwijzingsbeslissing is ook vermeld dat Moldavië op 25 februari 2022 de Raad van Europa ervan in kennis heeft gesteld dat het artikel 15 EVRM inriep.

23.

Op 9 februari 2022 heeft CV in Tsjechië een verzoek om internationale bescherming ingediend. In dat verzoek verklaarde hij getuige te zijn geweest van een incident waarbij de bestuurder van een voertuig het voetpad is opgereden en een voetganger heeft doodgereden. De bestuurder van het voertuig is de plaats van het incident ontvlucht. Diezelfde nacht is CV thuis opgezocht door een aantal onbekenden. Deze personen hebben hem naar het bos gedreven en hem geslagen. CV is ontsnapt en is ondergedoken. Toen hij twee dagen later naar huis terugkeerde, heeft hij vastgesteld dat zijn huis was afgebrand. Kort daarna is hij vanuit Moldavië naar Tsjechië gevlucht, waarbij hij een vals Roemeens paspoort gebruikte om het land binnen te komen. CV voerde ook aan dat de Moldavische politie beweert de daders van het vermeende incident nooit te hebben geïdentificeerd en dat hij bang is om naar Moldavië terug te keren omdat hij vreest voor onheil, zowel vanwege zijn aanvallers als vanwege de Russische invasie in Oekraïne.

24.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat CV, voordat hij zijn verzoek om internationale bescherming indiende, in 2016 en opnieuw in 2019 naar Moldavië is teruggekeerd en, in een poging om discreet te blijven, alleen zijn neven en nichten daarvan op de hoogte heeft gebracht. CV heeft erkend dat hij in 2016 voor twee jaar is uitgezet omdat hij met een vervalst Roemeens paspoort had gewerkt. In 2020 heeft hij bovendien het bevel gekregen het land te verlaten, en dat bevel is op 23 januari 2022 opnieuw gegeven. Hij heeft uitgelegd niet eerder om internationale bescherming te hebben verzocht omdat hij het mechanisme niet begreep.

25.

Op 8 maart 2022 heeft het ministerie zijn verzoek om internationale bescherming kennelijk ongegrond verklaard op grond van § 16, lid 2, van de asielwet. Het ministerie heeft dat besluit gebaseerd op informatie over de politieke en veiligheidssituatie in Moldavië (die het volgens de verwijzingsbeslissing heeft verkregen uit twee documenten van medio 2021 ( 9 ) en uit zijn eigen verslag van januari 2022), en op het feit dat Tsjechië Moldavië, met uitzondering van Transnistrië, in besluit nr. 328/2015 als veilig land van herkomst aanmerkte. ( 10 )

26.

Uit de verwijzingsbeslissing blijkt ook dat het ministerie heeft geoordeeld dat van een aanvrager van internationale bescherming uit een veilig land van herkomst een hogere bewijslast wordt verlangd en dat hij moet aantonen dat het land in zijn geval niet als veilig kan worden aangemerkt. Het ministerie oordeelde dat CV er niet in is geslaagd dat te bewijzen, en heeft daarom niet beoordeeld of hij al dan niet recht heeft op asiel of internationale bescherming. Het ministerie was meer in het bijzonder van mening dat CV om verschillende redenen niet aan de vereiste bewijslast had voldaan.

27.

Ten eerste waren er ten tijde van het besluit er geen berichten dat het conflict in Oekraïne zich naar Moldavië zou uitbreiden. Ten tweede erkende het ministerie dat, hoewel er fundamentele tekortkomingen zijn met betrekking tot de eerbiediging van de rechtsstaat in Moldavië, met name wat betreft het gerechtelijke apparaat, en hoewel personen die zich verzetten tegen het overheidsregime, hun advocaten en activisten het risico lopen te worden vervolgd in de zin van artikel 9 van richtlijn 2011/95, verzoeker niet beweerde tot de categorie van dergelijke personen te behoren. Ten derde verklaarde het ministerie dat verzoeker de Moldavische overheid om bescherming had kunnen verzoeken, maar dat hij dat niet had geprobeerd. Ten vierde stelde het ministerie, na onderzoek van de feiten in hun geheel, dat het verzoek van CV om internationale bescherming er uitsluitend toe strekte zijn verblijf in Tsjechië te regulariseren.

28.

CV heeft beroep ingesteld bij de Krajský soud v Brně.

29.

Op 9 mei 2022 heeft de verwijzende rechter op verzoek van CV de uitvoering van het besluit van het ministerie geschorst op grond van het argument van CV dat hij in geval van terugkeer naar Moldavië het risico liep ernstige schade te lijden door toedoen van zijn aanvallers. De verwijzende rechter heeft ook rekening gehouden met het feit dat op 8 mei 2022 het separatistische leger van Transnistrië in staat van militaire paraatheid is gebracht. De rechter heeft voorts rekening gehouden met het feit dat Moldavië op 28 april 2022 de Raad van Europa in kennis heeft gesteld van het feit dat het, wegens de oorlog in Oekraïne, zowel de afwijking van zijn verplichtingen ingevolge het EVRM – op grond van artikel 15 EVRM – als de noodtoestand zou verlengen tot 23 juni 2022.

30.

In die omstandigheden heeft de Krajský soud v Brně, daar hij van oordeel was dat het welslagen van de zaak van CV afhangt van de uitlegging van het begrip „veilig land van herkomst” in de zin van richtlijn 2013/32, de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet het criterium voor de aanmerking als veilig land van herkomst in de zin van artikel 37, lid 1, [van richtlijn 2013/32,] opgenomen in bijlage I, punt b), bij deze richtlijn, namelijk dat het betrokken land bescherming biedt tegen vervolging of mishandeling door middel van de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het [EVRM], in het bijzonder de rechten waarvan volgens artikel 15, lid 2, [EVRM] geen afwijkingen zijn toegestaan, aldus worden uitgelegd dat een land dat in geval van een algemene noodtoestand in de zin van artikel 15 [EVRM] afwijkt van zijn verplichtingen ingevolge [het EVRM], niet langer voldoet aan het betreffende criterium om als veilig land van herkomst te worden aangemerkt?

2)

Moeten de artikelen 36 en 37 [van richtlijn 2013/32] aldus worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een lidstaat een derde land slechts gedeeltelijk als veilig land van herkomst aanmerkt, met bepaalde territoriale uitzonderingen waar het vermoeden dat een dergelijk deel van het land veilig is voor de verzoeker niet van toepassing is, en dat wanneer de lidstaat een land als veilig aanmerkt met dergelijke territoriale uitzonderingen, dat land niet in zijn geheel als veilig land van herkomst in de zin van deze richtlijn kan worden aangemerkt?

3)

Indien een van de twee hierboven gestelde prejudiciële vragen bevestigend wordt beantwoord: moet artikel 46, lid 3, [van richtlijn 2013/32,] gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat een rechter die uitspraak moet doen op een rechtsmiddel tegen een in een procedure als bedoeld in artikel 31, lid 8, onder b), [van richtlijn 2013/32] gegeven besluit waarbij een verzoek kennelijk ongegrond is verklaard in de zin van artikel 32, lid 2, [van de richtlijn], ambtshalve (ex officio) – ook zonder grieven van de verzoeker – rekening dient te houden met het feit dat de aanmerking van een land als veilig land om de uiteengezette redenen in strijd is met het Unierecht?”

31.

De Tsjechische, de Duitse en de Nederlandse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Ter terechtzitting van 6 juni 2023 hebben de Tsjechische en de Nederlandse regering en de Commissie mondelinge opmerkingen gemaakt en geantwoord op de vragen van het Hof.

IV. Analyse

32.

Om de gestelde vragen te beantwoorden, zal ik eerst uitleggen dat bepaalde ontwikkelingen die zich sinds de indiening van de onderhavige verwijzingsbeslissing lijken te hebben voorgedaan, niet uitsluiten dat het antwoord van het Hof relevant is voor de beslechting van de bij de verwijzende rechter aanhangige zaak (A). Vervolgens zal ik enkele inleidende opmerkingen maken over het begrip „veilig land van herkomst” (B). Als antwoord op de eerste vraag zal ik uitleggen hoe het enkele feit dat een land zich heeft beroepen op artikel 15 EVRM er niet aan in de weg staat dat dit land als veilig land van herkomst in de zin van richtlijn 2013/32 wordt aangemerkt (C). Als antwoord op de tweede vraag zal ik de redenen uiteenzetten die mij tot de conclusie brengen dat richtlijn 2013/32 de lidstaten alleen toestaat een land als veilig land van herkomst aan te merken op basis van het gehele grondgebied (D). Tot slot zal ik ingaan op de derde prejudiciële vraag en in overweging geven dat richtlijn 2013/32 de nationale rechter verplicht om ambtshalve rekening te houden met het feit dat de aanmerking als veilig land van herkomst in strijd is met richtlijn 2013/32 (E).

A.   Moeten de gestelde vragen nog worden beantwoord?

33.

Eerst wil ik erop wijzen dat de rechter met de eerste vraag wenst te vernemen welke gevolgen moeten worden verbonden aan de beslissing van een derde land om zich te beroepen op artikel 15 EVRM voor de mogelijkheid van een lidstaat om dat land te blijven aanmerken als veilig land van herkomst in de zin van richtlijn 2013/32. Hoewel ik hieronder zal ingaan op de details van de regeling die verbonden is aan artikel 15 EVRM, lijkt het erop dat Moldavië de Raad van Europa op 11 april 2024 heeft meegedeeld dat deze regeling per 31 december 2023 is beëindigd. ( 11 )

34.

Vervolgens betreft de tweede vraag de mogelijkheid van een lidstaat om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken onder voorbehoud van een territoriale uitzondering. Wat dat betreft, heb ik reeds opgemerkt dat de territoriale uitzondering in het hoofdgeding met ingang van 1 oktober 2023 lijkt te zijn geschrapt. ( 12 ) Met ingang van die datum lijkt Moldavië door Tsjechië in zijn geheel als een veilig land van herkomst te worden aangemerkt.

35.

Tot slot houdt de derde vraag verband met de antwoorden die moeten worden gegeven op de eerste en de tweede vraag, die tevens de relevantie van deze vraag bepalen.

36.

Uit de verwijzingsbeslissing volgt in wezen dat indien het Hof zou oordelen dat het beroep op artikel 15 EVRM of het bestaan van de aan de orde zijnde territoriale uitzondering in de weg staan aan de aanmerking van Moldavië als veilig land van herkomst, het verzoek van CV niet had mogen worden onderzocht volgens de specifieke behandelingsregeling die verbonden is aan het begrip „veilig land van herkomst”.

37.

Die toelichting is uiteraard gegeven in het licht van de juridische situatie ten tijde van de verwijzingsbeslissing. Gelet op bovenstaande ontwikkelingen weet ik niet precies wat de gevolgen van de beantwoording van de in de eerste en de tweede vraag opgeworpen kwesties zouden zijn voor de zaak in het hoofdgeding indien het Hof een of beide vragen zou beantwoorden zoals hierboven aangegeven.

38.

Ik ben echter van oordeel dat deze opmerking het antwoord van het Hof op de gestelde vragen niet kennelijk irrelevant maakt. ( 13 ) Indien het Hof daadwerkelijk tot een van de bovenstaande conclusies zou komen, kan dat mijn inziens namelijk procedurele gevolgen hebben voor de wijze waarop het verzoek van CV moet worden behandeld zodra de procedure voor de verwijzende rechter wordt hervat. Bovendien staat het nog steeds aan de verwijzende rechter om zich te vergewissen van de hierboven kort beschreven ontwikkelingen.

39.

Ik zal er dus van uitgaan dat het antwoord van het Hof op de gestelde vragen relevant blijft voor de beslechting van het hoofdgeding.

B.   Begrip „veilig land van herkomst” in de zin van richtlijn 2013/32

40.

Het begrip „veilig land van herkomst” maakt deel uit van een bredere categorie van verwante begrippen, zoals „eerste land van asiel”, „veilig derde land” en „Europees veilig derde land”, die de lidstaten op grond van richtlijn 2013/32 in asielprocedures mogen hanteren, in wezen om het proces efficiënter te maken. Met al deze begrippen wordt voorzien in een of andere afwijking van de algemene regels die doorgaans van toepassing zijn op de behandeling van verzoeken om internationale bescherming, maar de juridische gevolgen van deze begrippen lopen uiteen. ( 14 )

41.

Sinds deze begrippen in de jaren 1990 hun opkomst maakten (en zich vervolgens snel verspreidden over de nationale rechtsstelsels ( 15 )), is er kritiek op geleverd omdat zij kunnen leiden tot een inperking van het recht van personen die om internationale bescherming verzoeken op een passende behandeling van hun zaak. Tegelijkertijd worden zij, wanneer zij gepaard gaan met de nodige waarborgen, erkend als instrumenten die kunnen bijdragen aan een snellere behandeling van (het toenemende aantal) verzoeken om internationale bescherming, doordat zij de staat in de gelegenheid stellen zijn middelen toe te spitsen op de behandeling van verzoeken uit landen waarvoor het waarschijnlijker is dat de verzoeken van asielzoekers die uit dat land afkomstig zijn, gegrond zijn. ( 16 )

42.

De onderhavige zaak betreft de behandelingsregeling die verbonden is aan het begrip „veilig land van herkomst”, dat wordt geregeld door de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32 en bijlage I daarbij en dat, in tegenstelling tot de andere hierboven genoemde begrippen, de bevoegde autoriteiten niet ontslaat van de verplichting om de gegrondheid van het verzoek om internationale bescherming te onderzoeken.

43.

De basiskenmerken van het begrip en de juridische gevolgen die het met zich meebrengt, zijn als volgt.

44.

Ten eerste volgt uit de gemeenschappelijke definitie van het desbetreffende begrip dat een land als veilig land van herkomst wordt beschouwd wanneer „op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van [richtlijn 2011/95], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict”. ( 17 )

45.

Ten tweede staat artikel 37 van richtlijn 2013/32 de lidstaten toe derde landen als veilige landen van herkomst aan te merken, wat gewoonlijk gebeurt door middel van daartoe opgestelde nationale lijsten. ( 18 ) In deze richtlijn is dus niet het idee overgenomen van een gemeenschappelijke lijst die in richtlijn 2005/85 ( 19 ) (de rechtsvoorganger van de huidige richtlijn) was opgenomen. Die lijst is echter niet geconcretiseerd in het kader die richtlijn, waarvan het Hof het desbetreffende deel op institutionele gronden overigens nietig heeft verklaard. ( 20 )

46.

Dat gezegd zijnde is het ten derde zo dat de lidstaten, wanneer zij besluiten om het begrip „veilig land van herkomst” te hanteren, de gemeenschappelijke definitie daarvan moeten eerbiedigen, zoals vermeld in punt 44. Daartoe moet worden geverifieerd dat er geen sprake is van de daarin beschreven risico’s, aan de hand van verschillende factoren, die op niet-uitputtende wijze zijn opgesomd in bijlage I bij richtlijn 2013/32, waaronder „a) de desbetreffende wetten en andere voorschriften […] en de wijze waarop die worden toegepast; b) de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het [EVRM] en/of het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, [EVRM] zijn toegestaan; c) de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Verdrag van Genève[ ( 21 )], [en] d) het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden”.

47.

Voorts moeten de lidstaten ook voldoen aan bepaalde procedurele verplichtingen, met name de verplichting om de Commissie in kennis te stellen van nationale aanmerkingen en de verplichting om de situatie regelmatig te evalueren „op basis van een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie van andere lidstaten, het [EUAA ( 22 )], de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties”. ( 23 )

48.

Tot slot, maar niet in het minst, heeft de aanmerking van een land als veilig land van herkomst aanzienlijke gevolgen voor de verzoekers uit die landen.

49.

Ten eerste wordt, zoals het Hof heeft uitgelegd, bij deze bepalingen „een bijzondere behandelingsregeling ingesteld die berust op een vorm van weerlegbaar vermoeden van afdoende bescherming in het land van herkomst, dat door de verzoeker kan worden weerlegd door dwingende redenen in verband met zijn specifieke omstandigheden aan te voeren” ( 24 ).

50.

Ten tweede machtigt artikel 31, lid 8, onder b), van richtlijn 2013/32 de lidstaten om verzoeken van verzoekers die afkomstig zijn uit een veilig land van herkomst te behandelen in een versnelde procedure (waarvan zij de „redelijke” duur moeten bepalen) ( 25 ) of aan de grens of in transitzones.

51.

Ten derde kunnen de lidstaten verzoeken van personen uit een veilig land van herkomst die ongegrond worden geacht, op grond van artikel 32, lid 2, van richtlijn 2013/32 ook als „kennelijk ongegrond” beschouwen ( 26 ) indien de nationale wetgeving in die mogelijkheid voorziet.

52.

Overeenkomstig met wat in wezen door de Nederlandse regering en door de Commissie is opgemerkt, heeft deze aanvullende kwalificatie onder meer tot gevolg dat het de verzoeker mogelijk niet wordt toegestaan op het nationale grondgebied te verblijven in afwachting van de uitkomst van zijn rechtsmiddel tegen de beslissing tot afwijzing (anders dan de algemene regel die geldt in het geval van een „eenvoudige” afwijzing), tenzij de nationale rechter aan dat rechtsmiddel schorsende werking verleent. ( 27 )

53.

Het feit dat de verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst, betekent echter niet dat nationale autoriteiten het verzoek van een persoon uit een veilig land van herkomst mogen afwijzen zonder een individueel onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van de verzoeker. De omgekeerde vaststelling zou onverenigbaar zijn met richtlijn 2013/32, waarvan artikel 31, lid 8, de versnelde procedure (ook voor verzoekers uit veilige landen van herkomst) onderwerpt aan de „fundamentele beginselen en waarborgen” die algemeen zijn beschreven in hoofdstuk II van diezelfde richtlijn. Die waarborgen omvatten onder meer de verplichting voor de lidstaat om ervoor te zorgen dat het onderzoek naar verzoeken individueel wordt verricht, en de beslissing daarover individueel wordt genomen, zoals is bepaald in artikel 10, lid 3, onder a), en – in de context van de hier aan de orde zijnde „bijzondere behandelingsregeling” – in herinnering is gebracht is artikel 36, lid 1, van richtlijn 2013/32. ( 28 )

54.

Na deze inleidende opmerkingen zal ik nu ingaan op de eerste vraag.

C.   Staat het beroep op artikel 15 EVRM eraan in de weg dat een derde land zijn aanmerking als „veilig land van herkomst” behoudt?

55.

Zoals reeds gezegd, wenst de verwijzende rechter met zijn eerste vraag te vernemen of het inroepen van artikel 15 EVRM door een bepaald derde land belet dat dit land zijn status van veilig land van herkomst behoudt.

56.

Alvorens deze kwestie volledig te beoordelen, zal ik ingaan op de juridische regeling die verbonden is aan artikel 15 EVRM (1). Op basis daarvan zal ik de redenen uiteenzetten op grond waarvan ik, in overeenstemming met de standpunten van alle interveniërende partijen, van mening ben dat een beroep op artikel 15 EVRM als zodanig niet belet dat een land als een veilig land van herkomst in de zin van richtlijn 2013/32 wordt beschouwd, zolang aan de in bijlage I bij die richtlijn vermelde voorwaarden voor die aanmerking is voldaan (2). Ik zal ook toelichten dat mijn conclusie niet wordt beïnvloed door Protocol nr. 24, waarop de verwijzende rechter de aandacht heeft gevestigd en waarvan de gevolgen met name ter terechtzitting zijn besproken (3).

1. Wat betekent het voor een land om zich te beroepen op artikel 15 EVRM?

57.

Artikel 15, lid 1, EVRM staat een verdragsluitende partij toe af te wijken van zijn verplichtingen uit hoofde van het EVRM „in tijd van oorlog of in geval van enig andere algemene noodtoestand die het bestaan van het land bedreigt”. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft uitgelegd dat dit begrip betrekking heeft op „een uitzonderlijke crisis‑ of noodsituatie die de gehele bevolking treft en een bedreiging vormt voor het georganiseerde leven van de samenleving waaruit de staat bestaat” ( 29 ), waarbij de desbetreffende noodsituatie „dreigend of feitelijk” moet zijn. ( 30 )

58.

De maatregelen die worden getroffen om een dergelijke uitzonderlijke situatie het hoofd te bieden, mogen echter alleen worden genomen „voor zover de ernst van de situatie deze maatregelen strikt vereist en op voorwaarde dat deze niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationale recht”. ( 31 ) In overeenstemming met artikel 15, lid 2 (gelezen in het licht van latere protocollen bij het EVRM ( 32 )), mogen deze maatregelen bovendien in geen geval afbreuk doen aan rechten die worden beschouwd als rechten waarvan geen afwijkingen zijn toegestaan: het recht op leven, het verbod van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, het verbod van slavernij en dienstbaarheid, het verbod van straffen zonder wet, de afschaffing van de doodstraf en het recht om niet tweemaal te worden berecht of gestraft.

59.

Binnen die belangrijke grenzen heeft het EHRM herhaaldelijk geoordeeld dat de verdragsluitende partijen bij het EVRM over een ruime beoordelingsmarge beschikken om te bepalen of „een algemene noodtoestand een bedreiging vormt voor het bestaan van het volk” in de zin van artikel 15 EVRM en om te bepalen wat een passende reactie is. ( 33 )

60.

De uitoefening van die marge blijft echter onderworpen aan het toezicht door het EHRM. Enerzijds heeft het EHRM reeds geoordeeld dat bepaalde situaties niet voldoen aan de drempel om de regeling van artikel 15 EVRM in werking te stellen. ( 34 ) Anderzijds wordt de vraag of de genomen maatregelen, kort gezegd, evenredig zijn met de noodtoestand die wordt ingeroepen, met name onderzocht in het licht van de aard van de aangetaste rechten en de omstandigheden die tot de noodtoestand hebben geleid, alsook in het licht van de duur ervan. ( 35 ) Zoals de verwijzende rechter opmerkt, heeft het EHRM ook benadrukt dat een beroep op artikel 15 „de autoriteiten van de staat geen carte blanche geeft om zich te gedragen op een wijze die willekeurige gevolgen kan hebben voor personen” ( 36 ) en heeft het aangedrongen op passende waarborgen om misbruik te voorkomen ( 37 ).

61.

Bovendien volgt uit de rechtspraak van het EHRM dat het feit dat een land zich heeft beroepen op artikel 15 EVRM, niet noodzakelijkerwijs de beoordeling van deze rechter van een vermeende schending van het EVRM verandert. Ik heb begrepen dat het EHRM bij de behandeling van een zaak doorgaans eerst zal beoordelen of de vermeende schending gerechtvaardigd is onder de gewone regeling. Pas wanneer dat niet het geval is, zal het EHRM de specifieke, soepelere evenredigheidstoets uitvoeren waarnaar hierboven is verwezen. ( 38 ) De reden daarvoor is dat een beroep op artikel 15 niet gelijkstaat aan een opzegging van het EVRM (zoals de verwijzende rechter opmerkt) en dat de desbetreffende verdragsluitende partij aan dat verdrag gebonden blijft, ook al biedt de regeling van artikel 15 EVRM haar een ruimere beoordelingsmarge bij de vaststelling van beperkende maatregelen.

62.

Mijns inziens houdt een beroep op artikel 15 EVRM met andere woorden niet in dat de verdragsluitende partij in kwestie zich automatisch schuldig maakt aan gedragingen die de door het EVRM gewaarborgde rechten en vrijheden schenden. Een kennisgeving in deze context lijkt veeleer tot doel te hebben de andere verdragsluitende partijen ervan in kennis te stellen dat eerstgenoemde verdragsluitende partij die rechten en vrijheden mogelijk niet kan beschermen gelet op de uitzonderlijke situatie waarmee zij wordt geconfronteerd. ( 39 ) De beoordeling of dit inderdaad het geval is geweest en om welke rechten en vrijheden het specifiek gaat, hangt af van de inhoud van een dergelijke kennisgeving en van de maatregelen die daadwerkelijk zijn genomen.

63.

In het verleden zijn er in verschillende situaties „kennisgevingen op grond van artikel 15” ingediend. Zo hebben recentelijk tien verdragsluitende partijen (waaronder drie lidstaten – Estland, Letland en Roemenië –, maar ook Moldavië) kennisgeving gedaan van afwijkingen op grond van die bepaling in de context van de COVID-19-pandemie ( 40 ) en zijn tussen begin 2020 en eind 2023 zeven nieuwe kennisgevingen gedaan op andere gronden, waaronder natuurrampen, energiecrises en oorlog. ( 41 ) Het gebruik van artikel 15 EVRM door Moldavië, dat in het hoofdgeding aan de orde is, lijkt deel uit te maken van die laatste ontwikkelingen. ( 42 )

64.

Tegen deze achtergrond zal ik nu de vraag onderzoeken hoe de beslissing van een derde land om gebruik te maken van artikel 15 EVRM van invloed is op de mogelijkheid voor een lidstaat om dit derde land als veilig land van herkomst in de zin van richtlijn 2013/32 te blijven aanmerken.

2. Beroep op artikel 15 EVRM en begrip „veilig land van herkomst” in de zin van richtlijn 2013/32

65.

Ik herinner eraan dat een land alleen als veilig land van herkomst kan worden beschouwd als er „algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van [richtlijn 2011/95], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict” ( 43 ), zoals reeds is opgemerkt. Dit vereiste geldt zowel voor landen die partij zijn bij het EVRM als voor landen die dat niet zijn.

66.

Uit bijlage I bij richtlijn 2013/32 volgt dat de lidstaten moeten beoordelen of aan dit vereiste is voldaan in het licht van een niet-uitputtende lijst van rechtsmiddelen waarmee de bescherming tegen voornoemde risico’s wordt verzekerd, waarnaar ik heb verwezen in punt 46 en die ook de naleving omvat van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het EVRM, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen zijn toegestaan.

67.

Uit de uitleg in het vorige deel volgt namelijk dat deze rechten, waarvan geen afwijkingen zijn toegestaan, volgens de definitie ervan in het EVRM, „zelfs in de moeilijkste omstandigheden” ( 44 ) moeten worden nageleefd, dus ook in de omstandigheden die het gebruik van artikel 15 EVRM noodzakelijk maakten. Hieruit volgt echter niet dat de op grond van artikel 15 EVRM genomen maatregelen die andere door het EVRM gewaarborgde rechten aantasten, geen situatie kunnen opleveren die in strijd is met de gemeenschappelijke definitie van een veilig land van herkomst van bijlage I bij richtlijn 2013/32. Of dat het geval is, kan echter moeilijk in abstracto, louter op basis van het feit dat artikel 15 EVRM is ingeroepen, worden gezegd, zoals Tsjechië en de Commissie in wezen aanvoeren.

68.

Zoals ik eerder heb uitgelegd, komt het beroep op die bepaling er niet op neer dat wordt toegegeven dat de door het EVRM gewaarborgde rechten (die waarvan kan worden afgeweken) daadwerkelijk zullen worden aangetast. ( 45 ) Of dat zo is, zal noodzakelijkerwijs veeleer afhangen van elk afzonderlijk geval en in het bijzonder van de werkelijke situatie in het desbetreffende derde land. Zoals Tsjechië ter terechtzitting heeft benadrukt, vloeit de beslissing om zich te beroepen op artikel 15 EVRM voort uit de beoordeling van het zich op dat artikel beroepende land van de vraag of de situatie in kwestie dit noodzakelijk maakt of zou kunnen maken. Sommige landen zullen zich namelijk uit voorzorg beroepen op artikel 15 EVRM, terwijl andere van mening zijn dat eenzelfde situatie geen afwijking van de gewone regeling van het EVRM met zich hoort te brengen. ( 46 )

69.

In dat verband merk ik op dat in de verwijzingsbeslissing geen bezorgdheid wordt geuit over enige specifieke maatregel die door Moldavië is aangekondigd of genomen. Niettemin staat hierin ten eerste vermeld dat Moldavië op 25 februari 2022 een kennisgeving heeft ingediend waarin het de noodzaak uiteenzette af te wijken van de toepassing van een aantal bepalingen van het EVRM en de protocollen daarbij, waaronder artikel 10 EVRM (dat voorziet in de vrijheid van meningsuiting). Ik merk op dat in die kennisgeving wordt gesproken van een „noodtoestand” als reactie op de energiecrisis, en van de mogelijke vaststelling van maatregelen om „het verbruik van aardgas te rationaliseren […], het werk van de media te coördineren [of] snelle instrumenten voor het innen van betalingen van consumenten voor het verbruikte aardgas in te stellen”. ( 47 )

70.

Ten tweede refereert de verwijzende rechter aan een kennisgeving van 3 maart 2022 waarin Moldavië een „noodtoestand, een staat van beleg en een oorlogstoestand” beschrijft. ( 48 ) Zoals kan worden opgemaakt uit de publiekelijk beschikbare informatie, is in die kennisgeving en in de latere verlengingen daarvan een lijst van maatregelen opgenomen die veel ruimer zijn dan die van de eerdere kennisgeving. Die lijst lijkt betrekking te hebben op diverse aspecten van het leven van de personen die zich op het nationale grondgebied bevinden en omvat onder meer de volgende maatregelen: „uitzetting uit het grondgebied […] van personen wier aanwezigheid het verzekeren van de openbare orde en veiligheid kan aantasten” of „het nemen van de nodige maatregelen voor het beheer van de migratiestromen” ( 49 ).

71.

Zonder te specificeren welke van de EVRM-rechten kunnen worden aangetast (in tegenstelling tot de eerdere kennisgeving van 25 februari 2022 waarnaar hierboven wordt verwezen), wordt de noodzaak van de maatregelen bovendien uitgelegd onder verwijzing naar „grote bedreigingen voor de nationale veiligheid in de onmiddellijke omgeving van de landgrens tussen Moldavië en Oekraïne ten gevolge van de aanvang van grootschalige militaire acties op het grondgebied van Oekraïne op 24 februari 2022” ( 50 ) of – later – „ten gevolge van de aanhoudende oorlog op het grondgebied van Oekraïne” ( 51 ).

72.

Om nog een voorbeeld te geven: in de kennisgeving die Moldavië in het kader van de COVID-19-pandemie heeft ingediend, die ik kort heb genoemd in punt 63, wordt de vaststelling van een bijzondere regeling voor binnenkomst in, verplaatsing binnen en vertrek uit het land beschreven, „waarbij de activiteiten van onderwijsinstellingen worden opgeschort, een quarantaineregeling wordt ingevoerd, vergaderingen, openbare demonstraties en andere massabijeenkomsten worden verboden”, en wordt aangekondigd dat moet worden afgeweken „van […] met name artikel 11 [EVRM], artikel 2 van het Eerste Protocol en artikel 2 van Protocol nr. 4” ( 52 ).

73.

De verscheidenheid aan maatregelen die in deze voorbeelden wordt aangehaald, laat zien hoe moeilijk het is om te concluderen dat elke kennisgeving op grond van artikel 15 EVRM automatisch uitsluit dat een derde land aan de voorwaarden van bijlage I bij richtlijn 2013/32 voldoet. Tegelijkertijd tonen deze voorbeelden aan dat de aard van bepaalde beoogde maatregelen of de brede werkingssfeer ervan tot bijzondere waakzaamheid moet leiden.

74.

Mijn constatering dat het beroep op artikel 15 EVRM als zodanig en in abstracto niet van invloed is op de aanmerking als veilig land van herkomst, betekent niet dat dat beroep irrelevant is. Net als alle partijen ter terechtzitting in wezen hebben opgemerkt, ben ik van oordeel dat het inroepen van artikel 15 EVRM een factor is waarmee rekening moet worden gehouden bij de regelmatige beoordeling van de situatie die de lidstaten (die het begrip „veilig land van herkomst” hanteren) moeten verrichten, zoals ik reeds heb uitgelegd. ( 53 ) In die context moeten de lidstaten mijns inziens de reikwijdte van de maatregelen in aanmerking nemen zoals deze zijn omschreven in de kennisgeving die is ingediend op grond van artikel 15 EVRM en zoals deze in de praktijk zijn uitgevoerd.

75.

Dat gezegd zijnde, moet nog worden onderzocht of dat standpunt wordt beïnvloed door rekening te houden met Protocol nr. 24, waaraan de verwijzende rechter in zijn eerste vraag bijzondere aandacht heeft geschonken.

3. Protocol nr. 24

76.

In Protocol nr. 24 verklaren de lidstaten elkaar wederzijds als veilige landen van herkomst te beschouwen en komen zij „dienovereenkomstig” overeen dat „een asielaanvraag van een onderdaan van een lidstaat door een andere lidstaat uitsluitend in aanmerking [kan] worden genomen of ontvankelijk worden verklaard” in een van de vier gevallen die in dat protocol worden genoemd, waaronder het beroep op artikel 15 EVRM. ( 54 )

77.

De verwijzende rechter begrijpt de regel aldus dat wanneer artikel 15 EVRM wordt ingeroepen, de lidstaat die dit artikel inroept door andere lidstaten niet langer als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Volgens deze rechter moet a fortiori hetzelfde gevolg worden verbonden aan het inroepen van artikel 15 EVRM door een derde land (in dit geval Moldavië).

78.

Ik ben van oordeel dat de conclusie van de verwijzende rechter op een onjuiste veronderstelling berust.

79.

Zoals de Commissie (in wezen) betoogt, ben ik namelijk van mening dat de betekenis van het begrip „veilig land van herkomst” in Protocol nr. 24 eenvoudigweg verschilt van de betekenis die in richtlijn 2013/32 aan dat begrip wordt gegeven.

80.

Anders dan wat uit het protocol volgt met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming binnen de Unie, kan de aanmerking van een derde land als veilig land van herkomst in de zin van richtlijn 2013/32 nooit, op zichzelf, de behandeling van een verzoek verhinderen. Zoals reeds kort is opgemerkt in het vorige deel van deze conclusie, moet een verzoek van een persoon uit een dergelijk land altijd worden behandeld (tenzij, naar mijn mening, wanneer het niet-ontvankelijk wordt geacht op basis van een van de uitputtend genoemde gronden die in richtlijn 2013/32 zijn opgenomen). ( 55 )

81.

Ik wijs erop dat Protocol nr. 24 een bijgewerkte versie is van het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie, dat aan het Verdrag van Amsterdam was gehecht (hierna: „oorspronkelijk protocol”) ( 56 ) en niet alleen voorafging aan de huidige richtlijn 2013/32, maar ook aan de voorgaande richtlijn (richtlijn 2005/85), waarbij het begrip „veilig land van herkomst” in het secundaire Unierecht werd opgenomen.

82.

Uit bestudering van de overwegingen van beide protocollen (waarvan de inhoud in wezen hetzelfde is) blijkt dat de lidstaten bij de vaststelling (en de latere handhaving) van de respectieve tekst voor ogen hadden om, als specifieke uiting van wederzijds vertrouwen, de ontvankelijkheid van verzoeken om internationale bescherming binnen de Unie uit te sluiten. ( 57 ) Dit argument is ter terechtzitting door de Tsjechische regering aangevoerd.

83.

Die overwegingen verwijzen met name naar de verplichting voor de lidstaten om de in artikel 2 VEU verankerde waarden te eerbiedigen ( 58 ), naar de „bijzondere status en bescherming” die „iedere onderdaan van een lidstaat, als burger van de Unie” geniet ( 59 ) en naar de doelstelling „te voorkomen dat het recht op asiel wordt aangewend voor andere doeleinden dan die waarvoor het bedoeld is” ( 60 ).

84.

Die elementen brengen mij er dus toe het protocol op te vatten als een overeenkomst tussen de lidstaten met betrekking tot, enerzijds, de algemene regel dat verzoeken om internationale bescherming binnen de Unie niet in behandeling kunnen worden genomen en, anderzijds, de (beperkte) uitzonderingen op die regel (zoals het inroepen van artikel 15 EVRM). Zij lijken echter niet relevant voor de voorwaarden waaronder een derde land als veilig land van herkomst kan worden beschouwd in de zin van richtlijn 2013/32. ( 61 )

85.

Om deze redenen, en net als alle interveniënten in deze procedure, ben ik van mening dat Protocol nr. 24 niet van invloed is op mijn eerdere conclusie in punt 74 wat betreft de gevolgen van het inroepen van artikel 15 EVRM door een derde staat voor de capaciteit van die staat om als veilig land van herkomst te blijven worden beschouwd. Mijn algemene conclusie met betrekking tot de eerste vraag is dan ook dat het enkele het feit dat een derde land dat als veilig land van herkomst in de zin van voornoemde bepaling is aangemerkt, zich heeft beroepen op artikel 15 EVRM, er niet automatisch aan in de weg staat dat dit land als veilig land van herkomst aangemerkt blijft. Een dergelijk beroep op artikel 15 EVRM moet echter door de bevoegde autoriteiten in aanmerking worden genomen bij de beslissing of de aanmerking als veilig land van herkomst kan worden gehandhaafd, met name gelet op de omvang van de maatregelen die afwijken van de door het EVRM opgelegde verplichtingen zoals omschreven in de kennisgeving krachtens artikel 15 EVRM en de uitvoering daarvan in de praktijk.

D.   Territoriale uitzondering op de aanmerking als veilig land van herkomst

86.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de artikelen 36 en 37 van richtlijn 2013/32 zich ertegen verzetten dat een lidstaat een derde land als veilig land van herkomst aanmerkt onder voorbehoud van een territoriale uitzondering en of, indien de situatie in een deel van een derde land een dergelijke uitzondering op deze aanmerking noodzakelijk maakt, dit betekent dat het betrokken derde land niet als veilig land van herkomst in de zin van de aan de orde zijnde richtlijn kan worden beschouwd.

87.

Ter herinnering: deze vraag wordt gesteld omdat Tsjechië Moldavië als veilig land van herkomst had aangemerkt, met uitzondering van Transnistrië. ( 62 )

88.

Anders dan bij de eerste prejudiciële vraag, waarover de standpunten van de interveniërende partijen overeenkwamen, lopen hun standpunten over de tweede vraag sterk uiteen. Terwijl de Tsjechische en de Nederlandse regering van mening zijn dat richtlijn 2013/32 zich niet verzet tegen de toepassing van een territoriale uitzondering op de aanmerking als veilig land van herkomst, is de Duitse regering de tegenovergestelde mening toegedaan. De Commissie deelt in grote lijnen het standpunt van de Duitse regering. Zij is evenwel van mening dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde territoriale uitzondering mogelijk blijft omdat Moldavië niet in staat is daadwerkelijk zijn gezag uit te oefenen in Transnistrië.

89.

Tegen die achtergrond zal ik uitleggen dat uit de bestudering van de tekst van de relevante bepalingen van richtlijn 2013/32 (1), de wetgevende context ervan (2) en de bedoeling van de wetgever met richtlijn 2013/32 (3) volgt dat een land slechts als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt uitgaande van het gehele grondgebied. Ik zal ook uitleggen dat die conclusie evenzeer geldt wanneer een territoriale uitzondering is gemaakt omdat de derde staat in kwestie geen gezag kan uitoefenen over een deel van zijn grondgebied (4).

1. Tekst

90.

Ik herinner eraan dat in bijlage I bij richtlijn 2013/32 is bepaald dat „[e]en land […] als veilig land van herkomst [wordt] beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van [richtlijn 2011/95], noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict”.

91.

Mijns inziens vormen twee elementen van die definitie een duidelijke aanwijzing. Ten eerste het vereiste dat de veiligheid in het land algemeen („algemeen gezien”) moet worden vastgesteld (a) en ten tweede het feit dat de wetgever ervoor heeft gekozen om het desbetreffende begrip te definiëren onder verwijzing naar een land, en alleen naar een land (b). Ik zal beide punten achtereenvolgens behandelen.

a) Vereiste om de veiligheid algemeen vast te stellen

92.

Ik merk op dat de definitie van het begrip in kwestie verwijst naar een land waar algemeen gezien (en op duurzame wijze) geen sprake is van de in die definitie gespecificeerde risico’s.

93.

Het gebruik van de bijwoordelijke bepaling „algemeen gezien” in de context van een wetgevingshandeling die, binnen de rechtsorde van de Unie, het recht op asiel concretiseert, geeft mijns inziens aan dat op het gehele grondgebied van het desbetreffende land aan die voorwaarde moet zijn voldaan, en niets slechts in een deel van dat land (ook al is dat dan een groot deel).

94.

Om te beginnen wil ik het argument weerleggen dat wanneer de relevante risico’s beperkt zijn tot een deel van het nationale grondgebied, dit niet uitsluit dat het land in kwestie over het algemeen als veilig wordt beschouwd omdat de leden van de getroffen bevolking een goed heenkomen kunnen zoeken in het veilige deel van het nationale grondgebied.

95.

Of daadwerkelijk een goed heenkomen kan worden gevonden in een ander deel van het land moet namelijk in het kader van het onderzoek ten gronde worden nagegaan aan de hand van het begrip „binnenlandse bescherming” zoals geregeld bij artikel 8 van richtlijn 2011/95 ( 63 ), zoals de Commissie ter terechtzitting terecht heeft uitgelegd. Dat onderzoek moet individueel zijn en het resultaat zal altijd afhangen van de omstandigheden van de specifieke verzoeker. De mogelijkheid dat er een „intern beschermingsalternatief” bestaat, mag dan ook niet leiden tot een andere beslissing over de vraag of het desbetreffende land over het algemeen veilig kan worden geacht, hetgeen de enige omstandigheid is die de toepassing kan rechtvaardigen van de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan het begrip „veilig land van herkomst”, zoals kort omschreven in de punten 48 tot en met 52. ( 64 )

96.

Hieruit volgt dat het begrip „veilig land van herkomst” in de eerste plaats een instrument is om de doeltreffendheid van de procedure te verzekeren, doordat alle verzoeken die door verzoekers uit het derde land in kwestie worden ingediend, via een versnelde procedure kunnen worden behandeld, op basis van de aanname dat het land van herkomst van de verzoekers veilig is.

97.

Hoewel deze handelwijze mogelijk is gerechtvaardigd ten aanzien van landen waarvoor geen twijfel bestaat over de algemene situatie, zoals de verwijzende rechter in wezen opmerkt, en voor zover er passende waarborgen bestaan ( 65 ), is zij mijns inziens echter uitgesloten wanneer de algemene situatie in een deel van een bepaald derde land tot het tegenovergestelde standpunt leidt, zelfs wanneer het gebrek aan veiligheid beperkt is tot een bepaalde regio.

98.

Het innemen van het tegenovergestelde standpunt zou namelijk betekenen dat de desbetreffende versnelde behandelingsmethode nog steeds kan worden toegepast op alle verzoeken van verzoekers uit een dergelijk land, ondanks het feit dat een deel van de bevolking van dat land stelselmatig aan de relevante risico’s wordt blootgesteld, hetgeen op zijn beurt een verhoogd risico zou opleveren van schending van het recht op asiel en daarmee ook van het beginsel van non-refoulement, die in de rechtsorde van de Unie beide als grondrechten zijn gewaarborgd in artikel 18 en artikel 19, lid 2, van het Handvest. ( 66 )

99.

Het klopt dat de Tsjechische regering ter terechtzitting heeft uitgelegd dat de territoriale uitzondering die in het hoofdgeding aan de orde is, juist werd ingevoerd om dit probleem aan te pakken en om verzoekers uit Transnistrië dus een betere bescherming te bieden.

100.

Ik merk op dat hoewel deze benadering inderdaad tegemoetkomt aan de situatie van de bevolking die in het getroffen gebied woont, dit niet kan wegnemen dat zij ertoe leidt dat het begrip „veilig land van herkomst” wordt toegepast op een (groot) deel van de bevolking, ondanks de conclusie dat het derde land in kwestie niet op zijn gehele grondgebied als veilig kan worden beschouwd (zonder welke de territoriale uitzondering überhaupt niet noodzakelijk zou zijn geacht).

101.

Dat resultaat vind ik problematisch, omdat ik niet zeker weet of er altijd gemakkelijk zekerheid kan worden verkregen (en behouden) over waar precies de interne „grens” ligt tussen de veilige en de onveilige delen van het derde land in kwestie, ook gelet op het feit dat die grens vanwege de precaire situatie in de gegeven regio per definitie instabiel kan zijn. Ik stel vast dat de UNHCR eveneens herhaaldelijk het standpunt heeft geuit dat het begrip „veilig land van herkomst” alleen mag worden toegepast op landen in hun geheel beschouwd. ( 67 )

102.

Los van deze overweging betekent de keuze om een land in twee delen op te splitsen om de versnelde behandelingsregeling te handhaven voor een deel van de verzoekers uit het betrokken derde land, dat het begrip „veilig land van herkomst” op een andere manier wordt opgevat dan wat in de omgangstaal en, voor zover in deze zaak van belang is, in de specifieke context van asiel, onder de term „land” wordt verstaan. Hierna zal ik uitleggen dat bij gebreke van enige aanwijzing van het tegendeel, de door de Uniewetgever gegeven definitie van het betrokken begrip louter en alleen verwijst naar die betekenis.

b) Keuze om het betrokken begrip te definiëren onder verwijzing naar een land, en louter naar een land

103.

Zoals ik reeds heb opgemerkt, maakt richtlijn 2013/32 deel uit van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel (Common European Asylum System; hierna: „CEAS”), waarvan de verschillende onderdelen invulling geven aan het asielrecht. In die onderdelen van het CEAS wordt rekening gehouden met de risico’s waaraan personen die om internationale bescherming verzoeken kunnen worden blootgesteld en die doorgaans worden beoordeeld op basis van de situatie in hun land van herkomst, en niet onder verwijzing naar anders gedefinieerde territoriale gebieden. Deze benadering komt tot uiting in verschillende begrippen waarop het CEAS is gebaseerd, te beginnen met de definitie van vluchteling ( 68 ) of het kernbeginsel van non-refoulement ( 69 ).

104.

Dit hoeft in feite niet te verbazen, aangezien de verantwoordelijkheid om de bevolking te beschermen binnen de internationale rechtsorde bij de staten ligt. Aangezien de staten dus als eerste verantwoordelijk zijn voor de veiligheid, is het alleen maar logisch dat in een wetgevingshandeling waarbij een specifiek procedureel instrument wordt ingesteld om na te gaan of er een recht op internationale bescherming bestaat (zoals het begrip „veilig land van herkomst” dat hier in het geding is), die precieze verwijzing naar veiligheid wordt gehanteerd.

105.

Onverminderd mijn eerdere opmerking over de problemen die zich kunnen voordoen bij de beslissing om een onderscheid te maken in de behandeling van de bevolking van een bepaald derde land in het kader van asiel, betekent de centrale rol van het begrip „land” op het gebied van asiel mijns inziens dat wanneer de wetgever besluit om van dat hoofdkenmerk af te wijken, dit hoe dan ook uitdrukkelijk moet worden bevestigd en dat bovendien moet worden toegelicht wat een dergelijke afwijking precies inhoudt.

106.

Dat blijkt duidelijk uit het begrip „intern beschermingsalternatief” waarnaar is verwezen in punt 95, en in de huidige context komt de strekking van deze opmerking nog beter tot uiting in het licht van de respectieve bepalingen van richtlijn 2005/85, de voorloper van richtlijn 2013/32, zoals ook de Duitse regering in wezen aangeeft.

107.

Ik herinner eraan dat het begrip „veilig land van herkomst” in bijlage II bij richtlijn 2005/85 op dezelfde wijze is gedefinieerd als momenteel in bijlage I bij richtlijn 2013/32. Evenwel was, anders dan in deze richtlijn, in richtlijn 2005/85 bovendien voorzien in twee verschillende categorieën van gedeeltelijke aanmerkingen.

108.

Ten eerste werd in artikel 30, lid 1, van richtlijn 2005/85 duidelijk gemaakt dat de lidstaten een deel van een land als veilig konden aanmerken indien de toepasselijke voorwaarden alleen met betrekking tot dat deel waren vervuld. Daartoe moesten de gemeenschappelijke voorwaarden voor aanmerking in bijlage II bij richtlijn 2005/85 worden gebruikt (die opnieuw dezelfde waren als die welke momenteel van toepassing zijn op grond van bijlage I bij richtlijn 2013/32). ( 70 ) Ten tweede bevatte artikel 30, lid 3, een standstillclausule die de mogelijkheid bevestigde voor de lidstaten om bestaande nationale wetgeving te handhaven op grond waarvan een deel van een land als veilig kon worden aangemerkt, of op grond waarvan een land of een deel van een land als veilig kon worden aangemerkt voor een specifieke groep personen. ( 71 ) Voor die mogelijkheid moesten aanmerkingsvoorwaarden worden gehanteerd die konden verschillen van die in bijlage II bij richtlijn 2005/85.

109.

Hoewel hieruit blijkt dat de Uniewetgever het begrip „veilig land van herkomst” ruimer heeft opgevat dan de gebruikelijke betekenis die gewoonlijk aan de term „land” wordt gegeven, blijkt tevens dat voor het afwijken van een dergelijke voor de hand liggende en gangbare betekenis een uitdrukkelijke verklaring en tegelijkertijd een verduidelijking van de precieze draagwijdte ervan moet worden gegeven: of het begrip „veilig land van herkomst” ook kan verwijzen naar een deel van het nationale grondgebied, of naar een deel van de bevolking dat op het gehele nationale grondgebied woont, of zelfs naar een deel van de bevolking dat op een deel van het nationale grondgebied woont, wat, zoals zojuist beschreven, alle opties waren die in richtlijn 2005/85 werden gegeven.

110.

Geen enkel element van deze vrij complexe regeling is in richtlijn 2013/32 gehandhaafd. Hoewel ik later meer in detail zal ingaan op de gevolgen van de schrapping ervan, merk ik op dat, anders dan de eerdere situatie, niets in de tekst van richtlijn 2013/32 erop wijst dat de wetgever heeft willen afwijken van de gangbare betekenis van de term „land”, zoals die ook algemeen wordt begrepen in de specifieke context van asiel. In dat licht ben ik van mening dat het begrip „veilig land van herkomst” slechts kan worden opgevat als een verwijzing naar een land, en niet naar een zone binnen een land of een regio die uit meerdere landen bestaat.

111.

Hierna zal ik toelichten dat die conclusie verder wordt ondersteund door het onderzoek van de specifieke juridische regeling die in gang wordt gezet door het begrip „veilig land van herkomst”, in vergelijking met de ruimere context van de gemeenschappelijke procedurele normen die in richtlijn 2013/32 zijn vastgelegd.

2. Context

112.

Zoals in het vorige deel van deze conclusie is uiteengezet, moeten verzoeken om internationale bescherming die worden ingediend door verzoekers uit veilige landen van herkomst ten gronde worden onderzocht. In het bredere kader van de gemeenschappelijke procedurele normen van richtlijn 2013/32 verschillen de regels voor dat onderzoek echter op drie belangrijke vlakken.

113.

Ten eerste kan het begrip „veilig land van herkomst” aanleiding geven tot het gebruik van de versnelde procedure, die per definitie binnen kortere termijnen wordt uitgevoerd dan die welke gelden onder de algemene regel, binnen de gewone procedure. Hoewel dit zeker het voordeel heeft dat de rechtspositie van de verzoekers sneller kan worden vastgesteld, brengt het ook het nadeel met zich dat deze verzoekers minder tijd hebben om hun zaak te bepleiten dan de „gewone” verzoekers om internationale bescherming. ( 72 )

114.

Ten tweede geldt dat wanneer de behandeling van een verzoek om internationale bescherming tot afwijzing leidt, „gewone” verzoekers het recht hebben om op het nationale grondgebied te blijven in afwachting van de uitkomst van hun beroep, indien beroep wordt ingesteld. Daarentegen kunnen de lidstaten besluiten om dit recht niet automatisch toe te kennen aan verzoekers uit veilige landen van herkomst, en kan dat recht slechts voortvloeien uit de schorsende werking die aan het beroep wordt verleend. ( 73 )

115.

Ten derde moeten verzoekers uit het veilige land van herkomst, om aan voornoemde ongemakken te ontsnappen, voorkomen dat het betrokken begrip in hun geval überhaupt wordt gebruikt, door het vermoeden van veiligheid in hun land van herkomst te weerleggen en door aan te tonen dat dit land in hun specifieke omstandigheden niet als veilig kan worden beschouwd. ( 74 ) Dit vermoeden is daarentegen niet van invloed op de behandelingsprocedure voor „gewone” verzoekers.

116.

De drie hierboven beschreven elementen wijken dus aanzienlijk af van de gewone regels die gelden voor de behandeling van verzoeken om internationale bescherming en plaatsen de verzoekers uit die landen in een nadelige rechtspositie ten opzichte van de rechtspositie die voortvloeit uit de algemene regels die van toepassing zijn op de gewone verzoekers. Wanneer een verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst, is immers niet alleen de procedure voor de behandeling van zijn verzoek sneller, maar wordt ook de manier waarop hij aanspraak kan maken op het recht op asiel aanzienlijk beïnvloed. Hoewel ik het met de Commissie eens ben dat het aan de orde zijnde begrip geen afbreuk doet aan de verplichting om de behoefte aan internationale bescherming van verzoeker te onderzoeken – zoals ik reeds heb opgemerkt –, moet de verzoeker bij dat individuele onderzoek nog steeds het vermoeden van veiligheid weerleggen, zoals volgt uit artikel 36, lid 1, tweede alinea van richtlijn 2013/32.

117.

Daarom moet het begrip dat de toepassing van bovengenoemde aanzienlijke afwijkingen in gang zet eng worden uitgelegd en mag het niet verder reiken dan de situaties waarvoor het door de Uniewetgever is opgezet. Dat sluit mijns inziens uit dat het wordt uitgebreid tot derde landen waarvan niet is vastgesteld dat zij op hun gehele grondgebied aan de toepasselijke voorwaarden voldoen.

118.

Deze bevinding wordt tot slot ondersteund door de bedoeling van de wetgever die tot de vaststelling van de huidige richtlijn 2013/32 heeft geleid en waarop ik nu zal ingaan.

3. Bedoeling van de wetgever met richtlijn 2013/32

119.

Zoals reeds gezegd, is de definitie van het aan de orde zijnde begrip bij de vaststelling van richtlijn 2013/32 dezelfde gebleven als in richtlijn 2005/85, maar zijn twee specifieke bepalingen die twee verschillende categorieën van gedeeltelijke aanmerkingen toelieten (zoals besproken in de punten 107 tot en met 109), geschrapt.

120.

Toen de Commissie deze wijziging voorstelde, legde zij uit dat die schrapping betekende dat aan „de materiële vereisten voor de nationale aanmerking [als veilig land van herkomst] moet worden voldaan voor het gehele grondgebied van een land” ( 75 ).

121.

Gelet op die verklaring zie ik, in tegenstelling tot de Nederlandse regering, niets dubbelzinnigs in wat de Commissie beoogde te bereiken.

122.

Toch ging een groot deel van de discussie ter terechtzitting over het ontbreken van enige uitleg over die wijziging in de aangenomen tekst. De Tsjechische en de Nederlandse regering voerden namelijk aan dat dit stilzwijgen niet kan worden uitgelegd alsof de Uniewetgever aan deze schrapping dezelfde consequentie wilde verbinden als die welke de Commissie in bovengenoemd voorstel had voorgesteld. De schrapping van de betrokken bepalingen onder die omstandigheden betekende eerder dat de kwestie aan de lidstaten werd overgelaten.

123.

Dat standpunt overtuigt mij niet.

124.

Ten eerste, en in tegenstelling tot deze interveniënten, vind ik het ontbreken van een overweging waarin de gevolgen van die precieze wijziging worden toegelicht, niet verrassend. Deze wijziging bestond namelijk niet in de vaststelling van een nieuwe regel of een nieuwe uitzondering, maar in de schrapping van een afwijking. ( 76 ) Zoals ik eerder heb uitgelegd, had die afwijking tot gevolg dat het begrip „veilig land van herkomst” werd uitgebreid tot een deel van een land of tot een deel van de bevolking of tot een deel van de bevolking binnen een deel van een land. Toen de afwijking werd geschrapt, werd de definitie van het betrokken begrip gewoon weer de natuurlijke betekenis van het begrip zoals het ook op het gebied van asiel doorgaans wordt begrepen. Dat behoeft op zich geen bijzondere toelichting, en dat is misschien ook de reden waarom de Commissie die niet heeft gegeven, ook niet in de ontwerpoverwegingen van het oorspronkelijke voorstel.

125.

Ten tweede vind ik het relevant om het „beginpunt” en het „eindpunt” van het gehele wetgevingsproces te vergelijken. Uit die vergelijking blijkt dat bovengenoemde wetswijziging (de schrapping) is goedgekeurd zoals oorspronkelijk voorgesteld, waardoor redelijkerwijs kan worden aangenomen dat deze wijziging geen problemen heeft opgeleverd, ook niet wat betreft de toelichting van de Commissie bij het beoogde resultaat.

126.

Ten derde merk ik op dat de documenten bij het oorspronkelijke voorstel van de Commissie getuigen van de wil „ervoor te zorgen dat de toepassing van het begrip [veilig land van herkomst] in alle lidstaten waarop de richtlijn van toepassing is aan dezelfde voorwaarden is onderworpen” ( 77 ) en „de dubbelzinnigheid van de [toenmalige] normen te verminderen” ( 78 ). Dat doel kwam tot uiting bij de voorbereiding van een wet waarin de Uniewetgever nogmaals zijn wil uitte om via een nieuwe fase van harmonisering werk te maken van de vaststelling van een gemeenschappelijke asielprocedure. ( 79 )

127.

In dat laatste opzicht, en wat het aan de orde zijnde begrip betreft, klopt het dat in richtlijn 2013/32 ook het idee van de gemeenschappelijke minimumlijst van veilige landen van herkomst werd losgelaten (die onder de vorige richtlijn nooit was aangenomen). ( 80 ) Tegelijkertijd werd echter ook de standstillregeling geschrapt die de lidstaten tot dan toe de mogelijkheid bood om de aanmerking als veilig land van herkomst te onderwerpen aan normen die afweken van de gemeenschappelijke definitie in bijlage II van richtlijn 2005/85. ( 81 ) Dat betekent dat krachtens richtlijn 2013/32 alle nationale aanmerkingen moeten voldoen aan de gemeenschappelijke definitie van het begrip „veilig land van herkomst” zoals omschreven in bijlage I bij die richtlijn.

128.

In dat licht en in het licht van de hierboven vermelde bedoeling van de wetgever op de lange termijn om richting een gemeenschappelijke asielprocedure te gaan, kan de schrapping van voornoemde afwijkingen redelijkerwijs worden opgevat als een beoogde stap in de richting van meer uniforme procedurele normen. Hoewel de huidige juridische situatie het risico niet wegneemt dat verzoekers uit een en hetzelfde derde land in verschillende lidstaten verschillend worden behandeld ( 82 ), beperkt de onmogelijkheid om territoriale uitzonderingen toe te passen dat risico immers.

129.

Bovendien zou het aannemen van de door de Tsjechische en de Nederlandse regering voorgestelde uitlegging betekenen dat ondanks het feit dat de uitdrukkelijke, vrij uitgebreide afwijking van een reeds bestaande algemene regel is geschrapt ( 83 ), diezelfde algemene regel onderworpen blijft aan dezelfde (en/of mogelijk andere) uitzonderingen.

130.

Het resultaat van deze uitlegging is mijns inziens gewoon te raadselachtig om te kunnen overtuigen. Het is mij namelijk niet duidelijk waarom de Uniewetgever de afwijking in kwestie zou hebben geschrapt als het in feite zijn bedoeling was om deze te handhaven. Als dat inderdaad het beoogde resultaat was, zou een dergelijke bedoeling – in tegenstelling tot de eerder omschreven bedoeling – een toelichting hebben vereist waarin werd verduidelijkt waarom de schrapping van een regeling die afweek van de algemene regel inhield dat die regeling in feite werd gehandhaafd en onder welke precieze voorwaarden.

131.

Tot slot wordt aan deze conclusie niet afgedaan door artikel 36, lid 2, van richtlijn 2013/32, waarnaar de Tsjechische regering verwijst, waarin te lezen staat dat „[d]e lidstaten […] verdere nationale wetsvoorschriften en -bepalingen [vaststellen] voor de toepassing van het begrip ‚veilig land van herkomst’”. Zoals uit de bewoordingen en de structuur van deze bepaling blijkt, heeft deze mogelijkheid betrekking op de „verdere” regels en voorwaarden, naast die van artikel 36, lid 1, waarin de voorwaarden worden vastgesteld waaronder een land als veilig land van herkomst kan worden beschouwd voor een bepaalde verzoeker. ( 84 ) Dat lid heeft daarentegen geen betrekking op de definitie van het begrip, die, zoals de Tsjechische regering erkent, vanaf het begin in acht moet worden genomen. Die definitie (die is opgenomen in bijlage I bij richtlijn 2013/32), bevat echter geen soortgelijke bewoordingen die aangeven dat de lidstaat de daarin vastgestelde voorwaarden mag aanvullen.

132.

In dat licht ben ik van mening dat daar waar de Uniewetgever heeft besloten om de vorige regeling, die twee verschillende categorieën van verschillend opgezette gedeeltelijke aanmerkingen toestond, te schrappen en tegelijkertijd dezelfde algemene regel betreffende de definiëring van het begrip „veilig land van herkomst” te blijven hanteren, die wijziging aldus moet worden uitgelegd dat de wetgever de juridische regeling die van toepassing is op de nationale aanmerkingen als veilig land van herkomst wilde harmoniseren door alleen toe te staan dat bij dergelijke aanmerkingen wordt uitgegaan van het gehele grondgebied.

133.

Hoewel die vaststelling de vorige elementen van mijn analyse bevestigt, moet ik nog steeds nagaan of die algemene conclusie wordt beïnvloed door de suggestie van de Commissie dat op de aanmerking als veilig land van herkomst nog steeds een territoriale uitzondering van toepassing kan zijn wanneer een derde land niet in staat is zijn gezag uit te oefenen over een deel van zijn grondgebied.

4. Begrip „daadwerkelijke controle” (en „daadwerkelijk gezag”)

134.

Zoals reeds opgemerkt, werd Transnistrië uitgesloten van de aanmerking van Moldavië als veilig land van herkomst omdat werd geoordeeld dat Moldavië geen „daadwerkelijke controle” over deze regio had.

135.

De Commissie haalde dat feit aan om te stellen dat, hoewel richtlijn 2013/32 volgens haar geen territoriale uitzonderingen toelaat (noch aanmerkingen als veilig land van herkomst waarvoor dergelijke uitzonderingen nodig zouden zijn), de omstandigheid dat Moldavië niet in staat was om gezag uit te oefenen in Transnistrië een geldige grond voor een dergelijke uitzondering vormt, een scenario dat volgens deze interveniënt door de Uniewetgever over het hoofd was gezien. ( 85 )

136.

Ten eerste zie ik, anders dan de Commissie, niet in hoe de kwestie van daadwerkelijke zeggenschap van invloed kan zijn op het resultaat van bovenstaande analyse.

137.

Dat begrip is inderdaad een begrip uit het internationaal recht dat er in beginsel toe strekt te bepalen of de internationale verantwoordelijkheid voor een internationaal gezien onrechtmatige daad in een extraterritoriale context aan een staat kan worden toegerekend (wat er vervolgens toe kan leiden dat de aansprakelijkheid van de territoriale staat dienovereenkomstig wordt beperkt). ( 86 ) De daaruit voortvloeiende rechtsregeling lijkt eerder complex, maar die complexiteit hoeft hier niet te worden besproken. ( 87 )

138.

De reden hiervoor is dat het in deze zaak niet gaat (en niet kan gaan) om de toerekening van internationale verantwoordelijkheid voor een onrechtmatige daad, maar om de vraag of het Unierecht toestaat dat op de aanmerking als veilig land van herkomst een territoriale uitzondering wordt gemaakt.

139.

Dat moet worden bepaald aan de hand van de specifieke regels die de Uniewetgever met de vaststelling van richtlijn 2013/32 heeft ingevoerd. Ik heb hierboven de redenen uiteengezet die tot de conclusie leiden dat een dergelijke mogelijkheid niet bestaat onder de regels die momenteel van kracht zijn. In dat licht is irrelevant wat de precieze reden is die een lidstaat ertoe heeft gebracht te concluderen dat de situatie in een derde land een uitzondering op de aanmerking als veilig land van herkomst noodzakelijk maakt.

140.

Ten tweede ben ik niet overtuigd door het argument van een omissie door de wetgever. Het argument met betrekking tot de daadwerkelijke controle lijkt inderdaad te verwijzen naar de rechtspraak van het EHRM waarin het de aansprakelijkheid van Moldavië voor schendingen van het EVRM in Transnistrië heeft beperkt omdat het land „geen gezag uitoefent” over die regio, die volgens herhaaldelijk oordeel van die rechter, kort gezegd, onder de „daadwerkelijke controle” van Rusland stond. ( 88 )

141.

Ik merk op dat het eerste element van die rechtspraak dateert van 2004, terwijl het voorstel dat tot de aanneming van de huidige richtlijn heeft geleid, in 2009 is bekendgemaakt en de richtlijn zelf in 2013 is aangenomen. De aan de orde zijnde situatie was dus zeker niet onbekend.

142.

Voorts staat een dergelijke situatie zeker niet op zichzelf, zoals de Tsjechische regering ter terechtzitting in wezen opmerkte. Bovendien heeft de Nederlandse regering ter terechtzitting uitgelegd dat Nederland Georgië als veilig land van herkomst heeft aangemerkt met uitzondering van Abchazië en Zuid-Ossetië, omdat de territoriale staat binnen die regio’s niet daadwerkelijk gezag uitoefent. ( 89 )

143.

Hoewel ik niet kan uitsluiten dat andere redenen de lidstaten er in het verleden toe kunnen hebben gebracht een specifieke territoriale uitzondering toe te passen op een aanmerking als veilig land van herkomst ( 90 ), lijkt het mij dat een zeker praktisch onvermogen om gezag uit te oefenen over een regio een typische reden, zo niet de vaakst voorkomende reden zal zijn. Ik kan mij dan ook moeilijk voorstellen dat de Uniewetgever, toen hij de grondslag voor de gedeeltelijke aanmerkingen schrapte zoals eerder uiteengezet, is voorbijgegaan aan het feit dat sommige derde landen met dit soort moeilijkheden kunnen worden geconfronteerd.

144.

Op basis van het bovenstaande ben ik van mening dat het feit dat een derde land zijn gezag niet kan uitoefenen op een deel van zijn nationale grondgebied, niet afdoet aan de conclusie die ik eerder heb getrokken, zoals uiteengezet in punt 132, te weten dat richtlijn 2013/32 het aanmerken als veilig land van herkomst alleen toestaat op basis van het volledige grondgebied, wanneer op het gehele grondgebied van het respectieve derde land aan de toepasselijke voorwaarden is voldaan.

E.   Onverenigbaarheid van de aanmerking als veilig land van herkomst met richtlijn 2013/32 en ambtshalve rechterlijke toetsing

145.

Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of hij krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, verplicht is om ambtshalve te toetsen of de in het hoofdgeding aan de orde zijnde aanmerking als veilig land van herkomst onverenigbaar is met richtlijn 2013/32, indien het Hof in zijn antwoord op de eerste of de tweede vraag zou oordelen dat er sprake is van een dergelijke onverenigbaarheid.

146.

Hieruit volgt dat de noodzaak van een antwoord op de derde vraag afhankelijk is van de antwoorden op de eerste twee vragen. Gelet op het antwoord dat ik op de tweede vraag in overweging heb gegeven, blijkt dit inderdaad noodzakelijk. ( 91 )

147.

In dat verband merk ik om te beginnen op dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, waarop de derde vraag hoofdzakelijk betrekking heeft, een specifieke garantie vormt waarin de Uniewetgever op het gebied van asielrecht heeft voorzien om het recht van de verzoeker op een daadwerkelijke rechterlijke toetsing te beschermen. Het vereist „een daadwerkelijk rechtsmiddel [voor een rechter dat] een volledig en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden omvat, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming overeenkomstig [richtlijn 2011/95], zulks ten minste in beroepsprocedures voor een rechterlijke instantie van eerste aanleg”.

148.

Aangezien deze bepaling de omvang van de rechterlijke toetsing op het gebied van het asielrecht van de Unie harmoniseert, ben ik net als de verwijzende rechter van oordeel dat het antwoord op de derde vraag in de eerste plaats moet worden geformuleerd in het licht van deze precieze uitdrukking van het recht op effectieve rechterlijke bescherming. Indien echter zou worden vastgesteld dat de rechterlijke verplichting tot ambtshalve toetsing van de in casu aan de orde zijnde kwestie buiten de werkingssfeer van de geharmoniseerde norm valt, worden automatisch de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid (waarnaar sommige interveniënten hebben verwezen) relevant. ( 92 )

149.

Ik zal dienovereenkomstig te werk gaan en eerst de precieze kwestie vaststellen die de verwijzende rechter het Hof verzoekt te onderzoeken in het licht van met name artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 (1). Op basis van deze toelichtingen zal ik vervolgens uiteenzetten dat wanneer deze bepaling in aanmerking wordt genomen, dit tot de conclusie leidt dat de derde prejudiciële vraag bevestigend moet worden beantwoord (2). Subsidiair zal ik die vraag behandelen vanuit het oogpunt van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid (3).

1. Precieze kwestie die aan de orde wordt gesteld

150.

Ik herinner eraan dat het verzoek van CV ten gronde als kennelijk ongegrond is afgewezen (in de zin van artikel 32, lid 2, van richtlijn 2013/32) en dat deze beslissing is genomen in het kader van een versnelde procedure (in de zin van artikel 31, lid 8, van diezelfde richtlijn), waarbij de toepassing van beide bepalingen het gevolg was van de status van Moldavië als veilig land van herkomst waarvan CV onderdaan is.

151.

De Commissie is in wezen van mening dat een dergelijke procedurele situatie veronderstelt dat eerst een beslissing tot toepassing van de versnelde procedure wordt genomen, vervolgens een beslissing ten gronde waarbij het verzoek om internationale bescherming ongegrond wordt verklaard en tot slot een beslissing waarbij hetzelfde verzoek (bovendien) als kennelijk ongegrond wordt beschouwd (wat volgens de Commissie slechts en pas kan gebeuren indien het betrokken verzoek eerst ongegrond wordt verklaard). ( 93 )

152.

Op basis van dat onderscheid structureert de Commissie haar antwoord op de derde prejudiciële vraag anders naargelang van welk van bovengenoemde aspecten in overweging wordt genomen. Hoewel ik in de beoordeling die volgt zal ingaan op de details van deze overwegingen, moet ik de volgende drie opmerkingen maken.

153.

Ten eerste wijst niets in het dossier erop dat in de nationale procedure die is gevolgd met betrekking tot het verzoek van CV meer dan één formele beslissing is genomen. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijkt er immers geen sprake te zijn geweest van een formele beslissing die de versnelde procedure in gang heeft gezet, noch van een afzonderlijke formele beslissing waarbij het verzoek van CV eerst ongegrond werd verklaard alvorens het kennelijk ongegrond werd geacht.

154.

Ten tweede, en zonder dat deze benadering in het kader van de onderhavige zaak nader hoeft te worden besproken ( 94 ), lijkt niet te zijn aangevoerd dat de rechtstreekse kwalificatie van het verzoek van CV als kennelijk ongegrond (zonder voorafgaande beslissing waarbij het verzoek ongegrond was verklaard) eraan in de weg staat dat de aan de orde zijnde negatieve beslissing vatbaar is voor rechterlijke toetsing krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, voor zover het verzoek van CV bij die beslissing ten gronde wordt afgewezen. Uit die bepaling, gelezen in samenhang met artikel 46, lid 1, van dezelfde richtlijn, volgt immers dat beslissingen waarbij een verzoek om internationale bescherming ten gronde wordt afgewezen, vatbaar moeten zijn voor rechterlijke toetsing krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32. ( 95 )

155.

Ten derde heeft de vraag van de verwijzende rechter echter geen betrekking op de mogelijkheid voor CV om de gegrondheid van de afwijzende beslissing te betwisten, maar op het gebruik van het begrip „veilig land van herkomst” waarop die beslissing was gebaseerd. Hoewel CV de afwijzende beslissing ten gronde betwist, heeft hij de onderliggende onrechtmatigheid (indien bevestigd) van de aanmerking van Moldavië als veilig land van herkomst namelijk niet betwist.

156.

Zoals ik in het vorige deel reeds heb uitgelegd, betekende het feit dat Moldavië was aangemerkt als veilig land van herkomst dat het verzoek om internationale bescherming van CV werd onderworpen aan een specifieke behandelingsregeling die aan dat begrip is verbonden, die onder meer inhield dat zijn zaak werd beoordeeld op basis van het vermoeden van veiligheid in zijn thuisland en dat de versnelde procedure werd toegepast.

157.

Dienaangaande legt de verwijzende rechter uit dat indien uit het antwoord van het Hof op de eerste of de tweede vraag zou volgen dat de aanmerking van Moldavië als veilig land van herkomst in strijd is met richtlijn 2013/32, het toepasselijke nationale recht deze rechter niet toestaat ambtshalve rekening te houden met een dergelijke kwestie. Hij legt meer in het bijzonder uit dat de rechterlijke toetsing in bestuurszaken krachtens artikel 75, lid 2, van het wetboek van bestuursprocesrecht beperkt is tot de door de verzoeker opgeworpen rechtsvragen.

158.

Hij voegt daar evenwel aan toe dat er bij de Tsjechische bestuursrechtelijke instanties, als uitzondering op deze regel, een nationale praktijk bestaat waarbij rechters ambtshalve rekening moeten houden met procedurefouten die ertoe hebben geleid dat de bestuurlijke autoriteit een besluit heeft gegeven dat door het procedurele kader van een specifiek geval was uitgesloten. De verwijzende rechter merkt op dat deze oplossing hypothetisch zou kunnen worden toegepast op de aan de orde zijnde situatie, aangezien de aan het begrip „veilig land van herkomst” verbonden specifieke behandelingsregeling, naar ik begrijp, niet had mogen worden toegepast wanneer niet was voldaan aan de voorwaarden voor het gebruik ervan (wegens de onverenigbaarheid van de aanmerking als veilig land van herkomst met richtlijn 2013/32, zo deze wordt bevestigd).

159.

Tegelijkertijd legt de verwijzende rechter uit dat in de nationale rechtspraak niet is bevestigd dat deze uitzondering kan worden toegepast op de rechterlijke toetsing op asielgebied en dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 niet is omgezet in de nationale rechtsorde. Hij vraagt zich dus in wezen af of hij de bevoegdheid om de onrechtmatige aanmerking als veilig land van herkomst (indien deze wordt bevestigd) ambtshalve aan de orde te stellen kan ontlenen aan (het rechtstreeks toepasselijke) artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest ( 96 ), en of deze bepalingen de rechter daadwerkelijk verplichten om tot een dergelijke toetsing over te gaan. Dat is dus de precieze kwestie die hierna moet worden onderzocht.

2. Kernbetoog

160.

Ik merk op dat de formulering van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 (zoals opgemerkt in punt 147) met name is uitgelegd in het arrest Alheto, waarin het Hof in wezen heeft uitgelegd dat terwijl de term „ex nunc” de nationale rechter verplicht om een beoordeling te maken die in voorkomend geval rekening houdt met nieuwe elementen die aan het licht zijn gekomen nadat de aangevochten beslissing is vastgesteld, het woord „volledig” betekent dat de rechter zowel de elementen moet onderzoeken waarmee de beslissingsautoriteit rekening heeft gehouden als die waarmee zij rekening had kunnen houden (maar dat niet gedaan heeft). ( 97 )

161.

Uit de latere rechtspraak van het Hof volgt bovendien dat het volledige en ex nunc onderzoek van zowel de feitelijke als juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, een onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van de verzoeker, betrekking heeft op een onderzoek dat „uitputtend en geactualiseerd” is en dat de norm voor rechterlijke toetsing door de Uniewetgever zodanig is vastgesteld dat de nationale rechter een bindende uitspraak kan doen „over de vraag of deze verzoeker voldoet aan de voorwaarden […] om internationale bescherming te krijgen”, wanneer deze rechter beschikt over „alle daartoe noodzakelijke feitelijke en juridische gegevens”. ( 98 )

162.

Gelet op die verduidelijkingen en rekening houdend met de context waarin artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 wordt toegepast en de doelstellingen die met deze richtlijn worden nagestreefd, ben ik van oordeel dat de verplichting om een volledig of, zoals het Hof heeft uitgelegd, „uitputtend” en geactualiseerd onderzoek te verrichten in beginsel een verplichting inhoudt voor de nationale rechter om ambtshalve rekening te houden met een fout waarbij het desbetreffende verzoek is behandeld volgens de aan het begrip „veilig land van herkomst” verbonden specifieke behandelingsregeling, terwijl niet was voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van die regeling.

163.

Om mijn standpunt toe te lichten, wil ik er ten eerste aan herinneren dat het Unierecht de Uniewetgever verplicht om het Verdrag van Genève te eerbiedigen ( 99 ) en tevens het recht op asiel vastlegt als grondrecht ( 100 ). Dat betekent dat Uniewetgeving die is vastgesteld om concreet gestalte te geven aan dat recht, zoals richtlijn 2013/32, moet worden opgezet en uitgelegd in overeenstemming met die primairrechtelijke vereisten. ( 101 ) Bovendien moeten deze instrumenten ook worden uitgelegd in het licht van de aard van de rechten waarop onderdanen van derde landen aanspraak kunnen maken op grond van richtlijn 2011/95, waarbij binnen de Europese Unie een specifieke rechtsregeling inzake internationale bescherming is vastgesteld.

164.

Het Hof heeft in dat verband reeds uiteengezet dat wanneer een onderdaan van een derde land voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2011/95 om internationale bescherming te krijgen, de lidstaten in beginsel de gevraagde internationale bescherming moeten verlenen zonder dat zij daarbij over een discretionaire bevoegdheid beschikken. ( 102 )

165.

Dat betekent dat de elementen van de rechterlijke toetsing krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 aldus moeten worden uitgelegd dat zij ertoe bijdragen dat wordt gewaarborgd dat personen die aan de toepasselijke voorwaarden voldoen, internationale bescherming krijgen en dat wordt voorkomen dat deze bescherming wordt geweigerd hoewel aan de toepasselijke voorwaarden is voldaan.

166.

Met betrekking tot de onderhavige zaak volgt ten tweede uit het begrip „veilig land van herkomst” krachtens richtlijn 2013/32 dat de behandeling van een verzoek dat op basis van dat begrip is ingediend, berust op het vermoeden van veiligheid in het land van herkomst, dat door de verzoeker moet worden weerlegd, in een procedure die bovendien kan worden versneld.

167.

Dat verandert als zodanig het toegepaste behandelingskader, en hoewel dat kader niet de verplichting van een afzonderlijke behandeling opheft, zoals ik herhaaldelijk in herinnering heb gebracht, kan een verzoek om internationale bescherming niet worden geacht behoorlijk en volledig te zijn behandeld zoals algemeen is voorgeschreven bij richtlijn 2013/32 ( 103 ) wanneer de beslissingsautoriteit die regeling heeft toegepast ofschoon niet aan de toepasselijke voorwaarden voor het gebruik ervan was voldaan.

168.

Ten derde ben ik niet zeker hoe de verplichting van een „volledig en ex nunc onderzoek” van de feitelijke en juridische gronden, met inbegrip van, indien van toepassing, het onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van de verzoeker, precies zou werken indien artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, waarin die verplichting vervat zit, niet aldus zou worden uitgelegd dat de nationale rechter ambtshalve rekening moet houden met de onrechtmatigheid van de toegepaste procedure en, zoals de Tsjechische regering voorstelt, zou worden beperkt tot de vraag of de verzoeker het vermoeden van veiligheid heeft weerlegd, zonder dat de rechter de toepasselijkheid zou kunnen toetsen van het begrip op grond waarvan een dergelijk vermoeden überhaupt geldt. ( 104 )

169.

De onmogelijkheid om, bij gebreke van een argument van de verzoeker, de onrechtmatigheid van het toegepaste procedurele kader aan de orde te stellen, zou immers betekenen dat de nationale rechter gebonden zou moeten blijven door een procedurele keuze van de beslissingsautoriteit, die in casu niet alleen gevolgen zou hebben voor de termijn voor de behandeling van de procedure, maar ook voor de omvang van de behandeling (vanwege de toepassing van het vermoeden van veiligheid in het land van herkomst van verzoeker).

170.

In die omstandigheden zou de onmogelijkheid voor de nationale rechter om de eventuele onrechtmatigheid van de behandelingsregeling te onderzoeken, die in feite het hele proces van het onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming van de verzoeker heeft aangetast, de nationale rechter onredelijk beperken, waardoor hij bij de beoordeling van de vraag of verzoeker internationale bescherming moet krijgen niet verder zou kunnen gaan dan de door de desbetreffende behandelingsregeling opgelegde beperkingen.

171.

De beantwoording van die vraag vormt, zoals reeds in herinnering is gebracht, de overkoepelende beweegreden voor de procedureregels die in richtlijn 2013/32 zijn vastgelegd. Bij de vaststelling van de nieuwe definitie van de omvang van de rechterlijke toetsing in artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, heeft de Uniewetgever mijns inziens dan ook willen waarborgen dat zaken volledig worden behandeld ( 105 ), wat tot de conclusie leidt dat de met die bepaling beoogde rechterlijke toetsing noodzakelijkerwijs de rechtmatigheid van de bij de behandeling van het gegeven verzoek toegepaste procedure omvat.

172.

Hieraan moet worden toegevoegd dat de nationale rechter bij de toetsing van een beslissing tot afwijzing van een verzoek om internationale bescherming dat volgens de hier aan de orde zijnde specifieke regeling is behandeld, uiteraard tot de conclusie kan komen dat de beschikbare elementen in het dossier betekenen dat de afwijzende beslissing moet worden teruggedraaid en dat internationale bescherming moet worden verleend. In een dergelijke situatie ben ik het met de Commissie eens dat de beoordeling van de rechtmatigheid van de aanmerking van een bepaald land als veilig land van herkomst irrelevant is. ( 106 )

173.

Dat gezegd zijnde, en anders dan het meer algemene standpunt van de Commissie, volgt uit het voorgaande dat het onderzoek van de rechtmatigheid van de hier aan de orde zijnde aanmerking als veilig land van herkomst relevant blijft wanneer de nationale rechter niet tot een conclusie kan komen die ten gronde verschilt van de conclusie van de beslissingsautoriteit.

174.

De enige manier waarop deze rechter kan waarborgen dat het verzoek behoorlijk en volledig is behandeld (nadat het aan een behandelingsregeling is onderworpen die niet had mogen worden toegepast), is door hetzij het onderzoek zelf uit te voeren, hetzij het dossier terug te verwijzen naar de beslissingsautoriteit. ( 107 ) In beide situaties moet de nationale rechter voorbij kunnen gaan aan elke procedurele behandeling van de zaak (wat noodzakelijkerwijs betekent dat hij een standpunt inneemt over de rechtmatigheid van die behandeling) en, in voorkomend geval, een bindende uitspraak kunnen doen over het juiste procedurele kader waarbinnen het verzoek opnieuw door de beslissingsautoriteit moet worden behandeld, ongeacht of de onrechtmatigheid van het in eerste instantie toegepaste procedurele kader door de verzoeker is betwist.

175.

Aan die conclusie wordt niet afgedaan door het feit dat het Hof artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 in het arrest Fathi aldus heeft uitgelegd dat de nationale rechter niet ambtshalve dient na te gaan of de in de Dublin III-verordening neergelegde criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, correct zijn toegepast. ( 108 ) Het ontkennende antwoord van het Hof was gebaseerd op specifieke bepalingen van beide betrokken wetgevingshandelingen van de Unie die, kort gezegd, procedures tussen lidstaten die vallen onder de Dublin III-verordening uitsluiten van de werkingssfeer van richtlijn 2013/32. ( 109 ) In de onderhavige context is een dergelijke uitsluiting daarentegen niet van toepassing.

176.

Aan bovenstaande conclusie wordt evenmin afgedaan door het feit dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 niet verwijst naar een „ambtshalve” toetsing en in die zin verschilt van artikel 46, leden 4 en 6, waar die term wel wordt gebruikt, zoals de Nederlandse regering benadrukt.

177.

Ten eerste is in artikel 46, lid 4, van richtlijn 2013/32 onder meer bepaald dat „[d]e lidstaten kunnen […] voorzien in een ambtshalve toetsing van […] beslissingen” die zijn genomen in het kader van de procedures aan de grens of in transitzones. ( 110 ) Ten tweede wordt in artikel 46, lid 6, van richtlijn 2013/32 ingegaan op de gevolgen van de mogelijkheid om te voorkomen dat verzoekers in bepaalde situaties (zoals verzoekers uit veilige landen van herkomst) automatisch toestemming krijgen om op het nationale grondgebied te blijven in afwachting van de uitkomst van het rechtsmiddel tegen de beslissing tot afwijzing van hun verzoek. Voorwaarde voor deze mogelijkheid is dat de nationale rechter bevoegd is om, „op verzoek van de betrokken verzoeker of ambtshalve”, uitspraak te doen over de vraag of de verzoeker al dan niet op het nationale grondgebied mag blijven. ( 111 )

178.

Ik ben van oordeel dat geen van beide aspecten relevant is voor de onderhavige beoordeling, omdat geen van beide verband houdt met de omvang van de toetsing van de zaak van verzoeker.

179.

Niettemin mag de beslissing van de Uniewetgever om in verschillende leden van dezelfde bepaling verschillende termen te gebruiken om de toetsing te beschrijven (namelijk de term „ambtshalve” in artikel 46, leden 4 en 6, van richtlijn 2013/32, enerzijds, en de term „volledig” in artikel 46, lid 3, van die richtlijn, anderzijds) zeker niet uit het oog worden verloren.

180.

In dat verband suggereren de hierboven uiteengezette standpunten echter niet dat de verplichting tot een „volledige” rechterlijke toetsing van de juridische gronden krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 een verplichting met zich brengt voor de nationale rechterlijke instanties om die gronden, zonder enige beperking van de materiële werkingssfeer ervan, ambtshalve te toetsen. Dit is des te meer het geval omdat het adjectief „volledig”, zoals volgt uit het arrest Alheto, onder meer juridische gronden omvat die niet in aanmerking zijn genomen door de autoriteit die de beslissing in eerste aanleg heeft gegeven. Indien dat vereiste wordt gecombineerd met de verplichting tot ambtshalve toetsing, zou dit voor de nationale rechterlijke instanties een verplichting inhouden om ambtshalve een mogelijk onbepaalde categorie van rechtsvragen te toetsen. ( 112 )

181.

De vraag of het verzoek volgens de juiste behandelingsregeling is behandeld, maakt daarentegen in de eerste plaats noodzakelijkerwijs deel uit van de beoordeling die de beslissingsautoriteit heeft verricht. In de tweede plaats heb ik uiteengezet dat de keuze van de beslissingsautoriteit om de specifieke behandelingsregeling die verbonden is aan het begrip „veilig land van herkomst” toe te passen van invloed is op de parameters van die behandeling en daarom nauw verband houdt met de omvang van de elementen die zijn verzameld en die, bijgevolg, mogelijk vatbaar zijn voor rechterlijke toetsing.

182.

In dat licht ben ik van mening dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 aldus moet worden uitgelegd dat het vereist dat een nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, lid 2, van richtlijn 2013/32 is afgewezen in het kader van de specifieke behandelingsregeling die verbonden is aan het begrip „veilig land van herkomst”, ambtshalve rekening houdt met de onverenigbaarheid van de aanmerking als veilig land van herkomst met de vereisten van richtlijn 2013/32 wanneer de verzoeker zich daar niet op heeft beroepen en wanneer die rechter niet tot een conclusie kan komen die, inhoudelijk, zou verschillen van de conclusie van de beslissingsautoriteit.

3. Subsidiair betoog

183.

Indien het Hof het niet eens zou zijn met de analyse die ik hierboven heb uiteengezet en in plaats daarvan zou oordelen dat het begrip „,volledig en ex nunc’ onderzoek” van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 geen verplichting voor de nationale rechter inhoudt om ambtshalve rekening te houden met een fout in de toegepaste behandelingsregeling, dan zou daaruit volgen dat een dergelijke kwestie in beginsel door de lidstaten moet worden geregeld, met inachtneming van de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid. ( 113 )

184.

Ten eerste vereist het gelijkwaardigheidsbeginsel een gelijke behandeling van vergelijkbare vorderingen die zijn gebaseerd op schending van het nationale recht enerzijds en van het Unierecht anderzijds. ( 114 )

185.

Zoals reeds aangegeven, heeft de verwijzende rechter uiteengezet dat er bij de Tsjechische bestuursrechtelijke instanties op de gebieden die – naar ik begrijp – worden beheerst door het nationale recht, een praktijk bestaat waarbij nationale rechters ambtshalve rekening moeten houden met procedurefouten die ertoe hebben geleid dat de bestuurlijke autoriteit een besluit heeft gegeven dat door het procedurele kader van het specifieke geval was uitgesloten. Tegelijkertijd heeft de verwijzende rechter erop gewezen dat deze praktijk niet geldt voor de rechterlijke toetsing van een besluit op een verzoek om internationale bescherming dat wordt beheerst door de toepasselijke regels van het Unierecht.

186.

In dat verband verwijs ik naar de vaste rechtspraak volgens welke de toepasselijkheid van het gelijkwaardigheidsbeginsel wordt vastgesteld op basis van de vraag of de betrokken vorderingen, die respectievelijk op het nationale recht en op het Unierecht zijn gebaseerd, daadwerkelijk vergelijkbaar zijn. Dat moet worden beoordeeld in het licht van „hun voorwerp, oorzaak en voornaamste kenmerken” ( 115 ) en ook met inaanmerkingneming van de „plaats van de betrokken regels in de gehele procedure, van het verloop van deze procedure en van de bijzondere kenmerken van die regels voor de verschillende nationale instanties” ( 116 ). Uit de vaste rechtspraak volgt ook dat dit onderzoek taak is van de nationale rechter, die rechtstreeks bekend is met de toepasselijke procedureregels. ( 117 )

187.

In dat licht staat het dus aan de verwijzende rechter om na te gaan of de op regels van het nationale recht gebaseerde vorderingen, waarvan de nationale rechter ambtshalve de rechtmatigheid van de procedure dient te toetsen, vergelijkbaar zijn met die welke in casu aan de orde zijn. Indien dit het geval is, vereist het gelijkwaardigheidsbeginsel dat de rechter een dergelijke nationale praktijk ook toepast op de vordering in het hoofdgeding.

188.

Ten tweede moet voor de toetsing aan het doeltreffendheidsbeginsel worden onderzocht of artikel 75, lid 2, van het wetboek van bestuursprocesrecht, dat nationale rechters die bestuurlijke besluiten toetsen beperkt tot een onderzoek van de door de partijen aangevoerde argumenten, het de verzoekers onmogelijk of uiterst moeilijk maakt om de rechten uit te oefenen die zij aan de relevante regels van het Unierecht ontlenen.

189.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet, bij de beoordeling of een nationaal procedurevoorschrift de toepassing van het Unierecht onmogelijk of uiterst moeilijk maakt, rekening worden gehouden met de plaats van dat voorschrift in de gehele procedure en met het verloop en de bijzonderheden van deze procedure voor de verschillende nationale instanties, alsmede met de bescherming van de rechten van de verdediging, het rechtszekerheidsbeginsel en het goede verloop van de procedure. ( 118 )

190.

In de context van de ambtshalve verplichtingen van de nationale rechters, merk ik op dat uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt dat het doeltreffendheidsbeginsel voor de nationale rechter niet de verplichting inhoudt om ambtshalve een aan het Unierecht ontleende grond, ongeacht het belang daarvan voor de rechtsorde van de Unie, te onderzoeken, wanneer de partijen daadwerkelijk de mogelijkheid hadden om voor de nationale rechter een dergelijke grond aan te voeren. ( 119 )

191.

Dat gezegd zijnde heeft het Hof op het gebied van consumentenrecht inderdaad geleidelijk aan verregaande ambtshalve verplichtingen voor de nationale rechters vastgesteld om er, kort gezegd, voor te zorgen dat oneerlijke contractuele bedingen consumenten niet binden. ( 120 )

192.

Uit de rechtspraak van het Hof volgt echter dat deze benadering, kort gezegd, specifiek is voor het gebied waarin zij is ontwikkeld. Het Hof heeft namelijk uitgelegd dat dezelfde benadering niet vereist was in het kader van strafprocedures, onder bepaalde voorwaarden die eigen zijn aan dat rechtsgebied, en ik zie geen reden om in de huidige context anders te oordelen. ( 121 )

193.

Anderzijds is het ook juist dat het Hof heeft geoordeeld dat de bevoegde rechterlijke instantie ambtshalve de rechtmatigheid van de bewaring van derdelanders moet onderzoeken, ook met betrekking tot de gronden die de betrokkene niet heeft aangevoerd.

194.

Het Hof is echter niet tot die conclusie gekomen onder verwijzing naar het doeltreffendheidsbeginsel, maar wel gelet op de specifieke en precieze regels die de Uniewetgever heeft vastgesteld in het kader van de rechterlijke toetsing van de bewaring van derdelanders ( 122 ), net zoals de analyse die ik hierboven heb gemaakt in het licht van de precieze regel van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32.

195.

Indien het Hof mijn kernbetoog niet zou volgen, ben ik derhalve van mening dat het antwoord op de derde vraag in het licht van het doeltreffendheidsbeginsel moet worden gebaseerd op de algemene rechtspraak van het Hof, zoals in herinnering is gebracht in punt 190.

196.

In dat opzicht wijst niets in het dossier erop dat CV niet de gelegenheid heeft gehad om de onverenigbaarheid van de aanmerking als veilig land van herkomst met de voorwaarden van bijlage I bij richtlijn 2013/32 aan de orde te stellen in het kader van zijn beroep bij de verwijzende rechter.

197.

Niettemin wijst de verwijzende rechter erop dat de versnelde procedure het voor verzoekers bijzonder moeilijk maakt om hun argumenten aan te voeren.

198.

Dat betekent echter niet noodzakelijk dat het voor verzoekers, zoals CV, onmogelijk of uiterst moeilijk is om de toepasselijkheid van het begrip „veilig land van herkomst” te betwisten.

199.

Het klopt dat de respectieve rollen van de verzoekers, enerzijds, en de beslissingsautoriteiten, anderzijds, in de procedure in eerste aanleg verschillen, zoals de Duitse regering betoogt.

200.

Meer specifiek volgt uit artikel 4, lid 1, van richtlijn 2011/95 dat hoewel van personen die om internationale bescherming verzoeken kan worden verlangd dat zij de voor de behandeling noodzakelijke feitelijke gegevens verstrekken ( 123 ), niet van hen kan worden verlangd dat zij kwesties aan de orde stellen die verband houden met het rechtskader waarbinnen hun verzoek wordt beoordeeld. Dat is de taak van de beslissingsautoriteit, zoals in het algemeen wordt erkend in deze bepaling, die luidt dat „[d]e lidstaat […] tot taak [heeft] om de relevante elementen van het verzoek in samenwerking met de verzoeker te beoordelen”. ( 124 )

201.

Toch blijkt uit een dergelijke taakverdeling tussen de verzoekers, die de feitelijke elementen aanvoeren, en de nationale autoriteiten, die deze juridisch kwalificeren, mijns inziens niet noodzakelijk een structurele buitensporige moeilijkheid die in alle omstandigheden moet worden gecompenseerd door de verplichting voor de nationale rechters om rechtsvragen die mogelijk onjuist zijn beoordeeld ambtshalve aan de orde te stellen. Bovendien worden in hoofdstuk II van richtlijn 2013/32 de algemene waarborgen uiteengezet die aan verzoekers moeten worden geboden, ook in de versnelde procedure, waaronder de verplichting om te worden geïnformeerd over de gevolgde procedure ( 125 ), de wijze waarop een negatieve beslissing kan worden aangevochten ( 126 ) of een verplichting om kosteloze rechtsbijstand te verlenen in beroepsprocedures ( 127 ).

202.

Hoewel de verplichtingen van de lidstaten om deze waarborgen te bieden bepaalde grenzen kennen en sommige van deze waarborgen op verzoek moeten worden geboden (wat veronderstelt dat verzoekers op de hoogte zijn van het bestaan ervan), volgt uit het dossier niet dat CV het voordeel hiervan is ontzegd. Ook wijst niets erop dat de mogelijkheid om beroep in te stellen was onderworpen aan termijnen die zo kort waren dat zij het voor de verzoeker uiterst moeilijk of onmogelijk zouden maken om de onrechtmatigheid van de betrokken aanmerking als veilig land van herkomst aan de orde te stellen.

203.

In deze omstandigheden houdt het doeltreffendheidsbeginsel mijns inziens geen verplichting in voor de nationale rechter om ambtshalve rekening te houden met de onverenigbaarheid van de aanmerking als veilig land van herkomst met richtlijn 2013/32.

V. Conclusie

204.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de vragen van de Krajský soud v Brně te beantwoorden als volgt:

„1)

Artikel 37, lid 1, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in samenhang met bijlage I bij die richtlijn,

moet aldus worden uitgelegd dat

het feit dat een derde land dat als veilig land van herkomst in de zin van voornoemde bepaling is aangemerkt, zich heeft beroepen op artikel 15 EVRM, er niet automatisch aan in de weg staat dat dit land als veilig land van herkomst aangemerkt blijft. Een dergelijk beroep op artikel 15 EVRM moet echter door de bevoegde autoriteiten in aanmerking worden genomen bij de beslissing of de aanmerking als veilig land van herkomst kan worden gehandhaafd, met name gelet op de omvang van de maatregelen die afwijken van de door het EVRM opgelegde verplichtingen zoals omschreven in de kennisgeving krachtens artikel 15 EVRM en de uitvoering daarvan in de praktijk.

2)

Artikel 37, lid 1, van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met bijlage I bij die richtlijn,

moet aldus worden uitgelegd dat

het aanmerkingen als veilig land van herkomst alleen toestaat op basis van het gehele grondgebied, wanneer de toepasselijke voorwaarden over het volledige grondgebied van het respectieve derde land zijn vervuld.

3)

Artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32

moet aldus worden uitgelegd dat

wanneer een nationale rechter bij wie beroep is ingesteld tegen een beslissing waarbij een verzoek om internationale bescherming als kennelijk ongegrond is afgewezen in het kader van de specifieke behandelingsregeling die verbonden is aan het begrip ,veilig land van herkomst’, vaststelt dat deze aanmerking als veilig land van herkomst onverenigbaar is met richtlijn 2013/32, hij daar ambtshalve rekening mee moet houden wanneer de verzoeker zich daar niet op heeft beroepen en wanneer deze rechter niet tot een conclusie kan komen die, inhoudelijk, zou verschillen van de conclusie van de beslissingsautoriteit.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.

( 2 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (PB 2013, L 180, blz. 60).

( 3 ) Zie de informatie op https://whoiswho.euaa.europa.eu/Pages/safe-country-concept.aspx.

( 4 ) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 (ETS nr. 005) en in werking getreden op 3 september 1953, zoals gewijzigd bij de Protocollen nrs. 11, 14 en 15 en aangevuld bij de Protocollen nrs. 1, 4, 6, 7, 12, 13 en 16.

( 5 ) Protocol nr. 24 inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie (PB 2010, C 83, blz. 305) (hierna: „Protocol nr. 24”), dat aan het VWEU is gehecht.

( 6 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9).

( 7 ) Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, wijs ik erop dat deze territoriale uitzondering met ingang 1 oktober 2023 is geschrapt bij Vyhláška č. 289/2023 Sb, kterou se mění vyhláška č. 328/2015 Sb. (besluit nr. 289/2023 tot wijziging van besluit nr. 328/2015; hierna: „besluit nr. 289/2023”). Zie de gelijkluidende informatie op https://whoiswho.euaa.europa.eu/Pages/safe-country-concept.aspx.

( 8 ) Overeenkomstig § 85b, lid 1, van de asielwet geeft het ministerie bovendien ten aanzien van de vreemdeling, nadat een besluit is gegeven waarbij een ingediend verzoek om toekenning van internationale bescherming kennelijk ongegrond is verklaard, indien de rechter dit besluit niet nietig heeft verklaard, of nadat de bevoegde rechter een beslissing heeft gegeven waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging is geweigerd, ambtshalve een bevel om het land te verlaten met een geldigheidsduur van ten hoogste een maand.

( 9 ) In de verwijzingsbeslissing wordt verwezen naar twee documenten, getiteld Évaluation de la Moldavie comme pays d’origine sûr, situation en juillet 2021, van 28 juli 2021, en Informations du Bureau fédéral de la Migration et des Réfugiés de juin 2021.

( 10 ) Zie voetnoot 7.

( 11 ) Mondelinge nota nr. FRA-CoE/352.6/410110 van de Permanente Vertegenwoordiging van de Republiek Moldavië van 11 april 2024, ingekomen bij het secretariaat-generaal op 11 april 2024, beschikbaar op rm.coe.int/0900001680af4f7e.

( 12 ) Zie voetnoot 7.

( 13 ) Volgens vaste rechtspraak „geldt er een vermoeden van relevantie voor de tot het Hof gerichte verzoeken om een prejudiciële beslissing. Het Hof kan slechts weigeren uitspraak te doen op een prejudiciële vraag van een nationale rechter wanneer de gevraagde uitlegging van het Unierecht kennelijk geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of wanneer het Hof niet beschikt over de feitelijke en juridische gegevens die noodzakelijk zijn om een nuttig antwoord te geven op de gestelde vragen.” Zie bijvoorbeeld arrest van 7 maart 2024, Roheline Kogukond e.a. (C‑234/22, EU:C:2024:211, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 14 ) Zie respectievelijk de artikelen 36 en 37 van (en bijlage I bij) richtlijn 2013/32 (veilig land van herkomst), artikel 38 (veilig derde land) en artikel 39 (Europees veilig derde land) van richtlijn 2013/32. Voor een toelichting bij deze verschillende begrippen, zie Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA, Applying the Concept of Safe Countries in the Asylum Procedure, december 2022. Zie ook Goldner Lang, I., en Nagy, B., „External border control techniques in the EU as a challenge to the principle of non-refoulement”, European Constitutional Law Review, deel 17, nr. 3, 2021, blz. 442‑470.

( 15 ) Zoals vermeld in Martenson, H., en McCarthy, J., „In General, no serious risk of persecution: Safe country of origin practices in nine European States”, Journal of Refugee Studies, deel 11, nr. 3, 1998, blz. 304‑325, op blz. 306. Zie ook Van Selm, J., Access to Procedures „Safe Third Countries”, „Safe Countries of Origin” and „Time Limits”, 2001, te raadplegen op https://www.unhcr.org/media/access-procedures-safe-third-countries-safe-countries-origin-and-time-limits.

( 16 ) Zie over beide aspecten bijvoorbeeld Goodwin-Gill, G.S., „Safe country? Says who?”, International Journal of Refugee Law, deel 4, nr. 2, 1992, blz. 248‑250; Costello, C., „Safe country? Says who?”, International Journal of Refugee Law, deel 28, nr. 4, 2016, blz. 601‑622. Zie naar analogie ook arrest van 28 juli 2011, Samba Diouf (C‑69/10, EU:C:2011:524, punt 65; hierna: „arrest Samba Diouf”).

( 17 ) Zie de eerste alinea van bijlage I bij richtlijn 2013/32.

( 18 ) Zie voor een interactieve kaart met de lijst van veilige landen van herkomst https://whoiswho.euaa.europa.eu/Pages/safe-country-concept.aspx.

( 19 ) Richtlijn van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus (PB 2005, L 326, blz. 13). Deze richtlijn is ingetrokken bij richtlijn 2013/32.

( 20 ) Arrest van 6 mei 2008, Parlement/Raad (C‑133/06, EU:C:2008:257). Datzelfde idee werd vervolgens opnieuw geïntroduceerd in wetsvoorstellen. Zie voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor de toepassing van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, en tot wijziging van richtlijn 2013/32/EU, COM(2015) 452 final, en voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van richtlijn 2013/32/EU, COM(2016) 467 final, blz. 18 en 19. Zie voor het laatste element van de wetgevingsprocedure, zoals beschikbaar ten tijde van het opstellen van deze conclusie, artikel 61, lid 2, van verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van richtlijn 2013/32/EU, document PE 16 2024 REV 1 van 15 mei 2024.

( 21 ) Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967 (hierna: „Verdrag van Genève”).

( 22 ) In de tekst van de richtlijn wordt verwezen naar het EASO (Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken), maar dat is nu het Asielagentschap van de Europese Unie (EUAA). Zie verordening (EU) 2021/2303 van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2021 inzake het Asielagentschap van de Europese Unie en tot intrekking van verordening (EU) nr. 439/2010 (PB 2021, L 468, blz. 1).

( 23 ) Artikel 37, lid 3, van richtlijn 2013/32.

( 24 ) Arrest van 25 juli 2018, A (C‑404/17, EU:C:2018:588, punt 25; hierna: „arrest A”). Zie tevens artikel 36, lid 1, van richtlijn 2013/32.

( 25 ) Artikel 31, lid 9, van richtlijn 2013/32.

( 26 ) Cursivering van mij. Zie artikel 31, lid 8, onder b), en artikel 32, lid 2, van richtlijn 2013/32, in hun onderlinge samenhang gelezen, alsmede arrest A, punt 26. Uit de verwijzingsbeslissing volgt dat het ministerie deze kwalificatie heeft gebruikt met betrekking tot het verzoek van CV.

( 27 ) Zoals ook opgemerkt in arrest A, punt 27, waarin wordt verwezen naar artikel 46, leden 5 en 6, van richtlijn 2013/32. Ik herinner eraan dat de verwijzende rechter de werking van de afwijzingsbeslissing op verzoek van CV heeft opgeschort in afwachting van zijn beroep. Zie punt 29 hierboven.

( 28 ) Voor de onderhavige zaak acht ik het niet nodig om in te gaan op het standpunt van de Commissie dat artikel 16 van de asielwet, waarnaar is verwezen in punt 18 van deze conclusie, onverenigbaar is met richtlijn 2013/32 omdat daarin wordt afgezien van het individuele onderzoek van de behoefte aan internationale bescherming voor verzoekers uit veilige landen van herkomst. Indien dat het geval zou zijn, zou ik het met de Commissie eens zijn. Dat gezegd zijnde, volgt uit de verwijzingsbeslissing niet dat de behoefte aan internationale bescherming van CV bij de beoordeling van zijn verzoek niet is onderzocht.

( 29 ) EHRM, 21 september 2021, Dareskizb tegen Armenië, CE:ECHR:2021:0921JUD006173708, § 59 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „EHRM in de zaak Dareskizb”.

( 30 ) Ibidem.

( 31 ) Zoals direct volgt uit artikel 15, lid 1, EVRM.

( 32 ) Zie de artikelen 1 en 3 van Protocol nr. 6 bij het EVRM, de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 13 bij het EVRM en artikel 4, leden 1 en 3, van Protocol nr. 7 bij het EVRM.

( 33 ) Zie bijvoorbeeld EHRM, 26 september 2023, Yüksel Yalçınkaya tegen Turkije, CE:ECHR:2023:0926JUD001566920, § 348 en aldaar aangehaalde rechtspraak; hierna: „EHRM in de zaak Yüksel Yalçınkaya”.

( 34 ) Zie EHRM in de zaak Dareskizb, § 62.

( 35 ) In dat verband lijkt het EHRM te hebben aanvaard dat de uitzonderlijke situatie waarop een verdragsluitende partij zich kan beroepen om artikel 15 EVRM in werking te stellen, niet als tijdelijk kan worden gedefinieerd. Zie EHRM, 19 februari 2009, A. e.a. tegen Verenigd Koninkrijk, CE:ECHR:2009:0219JUD000345505, § 178 (hierna: „EHRM in de zaak A. e.a. tegen Verenigd Koninkrijk”), waarin het EHRM desalniettemin opmerkt dat „de kwestie van de evenredigheid van de respons kan samenhangen met de duur van de noodtoestand”.

( 36 ) EHRM in de zaak Yüksel Yalçınkaya, §§ 349 en 350 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 37 ) Zie EHRM in de zaak A. e.a. tegen Verenigd Koninkrijk, § 184 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 38 ) Zie EHRM in de zaak A. e.a. tegen Verenigd Koninkrijk, § 161 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 39 ) Zoals tevens is bevestigd in EHRM, Guide on Article 15 of the European Convention on Human Rights – Derogation in time of emergency, februari 2022, blz. 5, punt 4.

( 40 ) Zie de speciale pagina van de Raad van Europa met de lijst van aangemelde afwijkingen: https://www.coe.int/en/web/conventions/derogations-covid-19.

( 41 ) Zie het Stuurcomité voor de mensenrechten (CDDH), Redactiegroep mensenrechten in crisissituaties (CDDH-SCR), Draft Explanatory Memorandum to the draft Recommendation of the Committee of ministers on the effective protection of human rights in situations of crisis, CDDH-SCR(2024)02, 10 januari 2024, § 46.

( 42 ) De kennisgeving die Moldavië heeft ingediend in het kader van de COVID-19-pandemie is hier niet relevant. Zie voor de intrekking ervan mondelinge nota nr. FRA-CoE/352/175 van de Permanente Vertegenwoordiging van de Republiek Moldavië van 29 april 2021, ingekomen bij het secretariaat-generaal op 29 april 2021, beschikbaar op rm.coe.int/1680a24f55.

( 43 ) Zie de eerste alinea van bijlage I bij richtlijn 2013/32.

( 44 ) Stuurcomité voor de mensenrechten (CDDH), Redactiegroep mensenrechten in crisissituaties (CDDH-SCR), Draft Recommendation of the Committee of ministers on the effective protection of human rights in situations of crisis, CDDH-SCR(2024)01, 10 januari 2024, overweging 8.

( 45 ) Zie punt 61 hierboven.

( 46 ) Ter terechtzitting noemde de Tsjechische regering het voorbeeld van de COVID-19-pandemie, waarbij drie lidstaten besloten artikel 15 EVRM in te roepen, zoals opgemerkt in punt 63, terwijl de overige lidstaten dat niet deden, hoewel de onderliggende situatie waartoe de pandemie had geleid, naar ik het argument begrijp, niet fundamenteel verschilde tussen deze lidstaten.

( 47 ) Naar ik heb begrepen, komt deze kennisgeving overeen met mondelinge nota nr. FRA-CoE/352/81 van de Permanente Vertegenwoordiging van Moldavië aan de Raad van Europa van 25 februari 2022, ingekomen bij het secretariaat-generaal op 25 februari 2022, https://rm.coe.int/0900001680a5a421. Hoewel de status van die afwijking mij op basis van de publiekelijk beschikbare bronnen niet geheel duidelijk is, heb ik begrepen – onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter – dat de noodtoestand waarop zij was gebaseerd, vervolgens werd opgeheven, zoals dit lijkt te volgen uit de tweede alinea van mondelinge nota nr. FRA-CoE/352/96 van de Permanente Vertegenwoordiging van Moldavië aan de Raad van Europa van 3 maart 2022, ingekomen bij het secretariaat-generaal op 3 maart 2022, beschikbaar op https://rm.coe.int/0900001680a5b630, waarnaar de verwijzende rechter eveneens verwijst.

( 48 ) Zie mondelinge nota nr. FRA-CoE/352/96, waarnaar in de vorige voetnoot wordt verwezen. Onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, lijkt de in de kennisgeving van 3 maart 2022 aangekondigde afwijking achtereenvolgens te zijn verlengd tot 31 december 2023 en te zijn ingetrokken op 11 april 2024, bij de in voetnoot 11 genoemde kennisgeving, zoals opgemerkt in punt 33. Zie voor de volledige lijst van kennisgevingen https://www.coe.int/en/web/conventions/cets-number-/-abridged-title-known?module=declarations-by-treaty&numSte=005&codeNature=0.

( 49 ) Zie voor de volledige lijst van de maatregelen mondelinge nota nr. FRA-CoE/352/96, waarnaar wordt verwezen in voetnoot 47.

( 50 ) Zie mondelinge nota nr. FRA-CoE/352/96, waarnaar wordt verwezen in voetnoot 47.

( 51 ) Zie bijvoorbeeld mondelinge nota nr. FRA-CoE/352.2/410 van de Permanente Vertegenwoordiging van de Republiek Moldavië van 29 november 2023, beschikbaar op https://rm.coe.int/0900001680ad80c6, en de eerdere kennisgevingen die beschikbaar zijn op de website waarnaar wordt verwezen in voetnoot 48.

( 52 ) Mondelinge nota nr. FRA-CoE/352/124 van de Permanente Vertegenwoordiging van de Republiek Moldavië aan de Raad van Europa van 2 april 2021.

( 53 ) Zie punt 47 hierboven. In overweging 48 van richtlijn 2013/32 is onder meer vermeld dat „[w]anneer lidstaten zich er rekenschap van geven dat de mensenrechtensituatie in een door hen als veilig aangemerkt land een ingrijpende wijziging ondergaat, […] zij ervoor [moeten] zorgen dat die situatie zo spoedig mogelijk wordt geëvalueerd en dat indien nodig het aanmerken dat land als veilig opnieuw wordt onderzocht”.

( 54 ) De overige uitzonderingen houden verband met het begin of de voltooiing van de respectievelijk in artikel 7, lid 1, en artikel 7, lid 2, VEU bedoelde procedure, die betrekking heeft op „ernstige en voortdurende schending van de in artikel 2 [VEU] bedoelde waarden”, zoals bepaald onder b) en c) van het enige artikel van Protocol nr. 24. De vierde uitzondering is van toepassing indien een lidstaat besluit een bepaalde aanvraag onder specifieke voorwaarden te behandelen, zoals bepaald onder d) van het enige artikel van Protocol nr. 24.

( 55 ) Zie artikel 33 van richtlijn 2013/32.

( 56 ) Bij het Verdrag van Amsterdam is het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie aan het EG-Verdrag gehecht (PB 1997, C 340, blz. 103).

( 57 ) Zie, in het algemeen, advies 2/13 (Toetreding van de Europese Unie tot het EVRM) van 18 december 2014 (EU:C:2014:2454, punt 191 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 58 ) In de vierde overweging van Protocol nr. 24 wordt eraan herinnerd dat „krachtens artikel 49 [VEU] elke Europese staat die verzoekt lid te worden van de Unie, de in artikel 2 [VEU] genoemde waarden dient te eerbiedigen”. Zie ook de derde overweging van het oorspronkelijke protocol.

( 59 ) Zie de zesde overweging van Protocol nr. 24 en de vijfde overweging van het oorspronkelijke protocol.

( 60 ) Achtste overweging van elk protocol. Het oorspronkelijke protocol werd in het leven geroepen naar aanleiding van een verzoek om internationale bescherming dat in België werd ingediend door een Spaanse onderdaan die werd beschuldigd van terroristische activiteiten, waarbij de Belgische rechter ermee instemde Spanje niet als veilig te beschouwen. Martenson, H. en McCarthy, J., „In general, no serious risk of persecution: Safe country of origin practices in nine European States”, Journal of Refugee Studies, deel 11, nr. 3, 1998, blz. 311. Zie ook Van Selm, J., Access to Procedures „Safe Third Countries”, „Safe Countries of Origin” and „Time Limits”, 2001, punt 93, te raadplegen op https://www.unhcr.org/media/access-procedures-safe-third-countries-safe-countries-origin-and-time-limits. Ik merk op dat België een verklaring heeft afgelegd [Verklaring nr. 5 betreffende het Protocol inzake asiel voor onderdanen van lidstaten van de Europese Unie (PB 1997, C 340, blz. 144) die aan het Verdrag van Amsterdam is gehecht] dat het elk asielverzoek door een onderdaan van een andere lidstaat afzonderlijk zal behandelen in overeenstemming met zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van Genève.

( 61 ) Voor de onderhavige zaak acht ik het niet nodig om te onderzoeken of het inroepen van artikel 15 EVRM door een lidstaat slechts een mogelijkheid in het leven roept om de verzoeken van onderdanen van die staat te behandelen, zoals de Tsjechische regering betoogt, dan wel of dit een verplichting inhoudt om dat te doen, zoals de verwijzende rechter meent. Niettemin ben ik, gelet op het feit dat Protocol nr. 24 een uitzondering vormt op de algemene verplichting om verzoeken om internationale bescherming te behandelen, geneigd de door de verwijzende rechter gevolgde uitlegging te steunen.

( 62 ) Zie de toelichting in voetnoot 7 en in punt 34.

( 63 ) Soms intern beschermingsalternatief of intern vluchtalternatief genoemd. In artikel 8, lid 1, van richtlijn 2011/95 is bepaald dat „[a]ls onderdeel van de beoordeling van het verzoek om internationale bescherming […] de lidstaten [kunnen] vaststellen dat een verzoeker geen behoefte heeft aan internationale bescherming indien hij in een deel van het land van herkomst: a) een gegronde vrees heeft voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade loopt; of b) toegang heeft tot bescherming tegen vervolging of ernstige schade in de zin van artikel 7, en hij op een veilige en wettige manier kan reizen naar en zich toegang verschaffen tot dat deel van het land, en redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij er zich vestigt”. Cursivering van mij.

( 64 ) Ook de UNHCR heeft ervoor gewaarschuwd beide begrippen niet door elkaar te halen, aangezien „de complexe vragen die rijzen bij de toepassing van het interne beschermingsalternatief een zorgvuldige behandeling vereisen van het afzonderlijke geval”, dat volgens de UNHCR daarom niet binnen de versnelde procedure kan worden behandeld. UNHCR, Improving Asylum Procedures: Comparative Analysis and Recommendations for Law and Practice, Key Findings and Recommendations, maart 2010, blz. 67, https://www.refworld.org/reference/research/unhcr/2010/en/92062. Zie ook UNHCR, Guidelines on International Protection No. 4: „Internal Flight or Relocation Alternative” within the Context of Article 1A(2) of the 1951 Convention and/or 1967 Protocol Relating to the Status of Refugees, 23 juli 2003, HCR/GIP/03/04, blz. 8, punt 36, of UNHCR, Observations on the Law Proposal amending the Obligation to Leave and Prohibition on Entry Act, the Law Enforcement Act and the Act on Granting International Protection to Aliens, 12 november 2018, http://www.refworld.org/docid/5c66ceb77.html, punt 22.

( 65 ) Zie bijvoorbeeld UNHCR, Observations by the UNHCR Representation for Northern Europe on the proposal to introduce in Sweden a list of safe countries of origin, 31 maart 2020, www.refworld.org/docid/5e8345014.html, blz. 3, punt 8; UNHCR, Comments on the European Commission’s Proposal for an Asylum Procedures Regulation – COM(2016) 467, april 2019, www.refworld.org/docid/5cb597a27.html, blz. 43; UNHCR, Improving Asylum Procedures: Comparative Analysis and Recommendations for Law and Practice, Key Findings and Recommendations, maart 2010, blz. 65, https://www.refworld.org/reference/research/unhcr/2010/en/92062; UNHCR’s Summary Observations on the Amended Proposal by the European Commission for a Council Directive on Minimum Standards on Procedures in Member States for Granting and Withdrawing Refugee Status [COM(2000) 326 final/2, 18 juni 2002], https://www.refworld.org/legal/intlegcomments/unhcr/2003/en/31802, blz. 8.

( 66 ) Zie in die zin arresten van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis) (C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 55), en 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus) [C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 82; hierna: „arrest M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus)”].

( 67 ) Zie bijvoorbeeld UNHCR, Observations by the UNHCR Representation for Northern Europe on the proposal to introduce in Sweden a list of safe countries of origin, 31 maart 2020, www.refworld.org/docid/5e8345014.html, blz. 4, punt 11; UNHCR, Observations on the Law Proposal amending the Obligation to Leave and Prohibition on Entry Act, the Law Enforcement Act and the Act on Granting International Protection to Aliens, 12 november 2018, http://www.refworld.org/docid/5c66ceb77.html, punt 21; UNHCR, Improving Asylum Procedures: Comparative Analysis and Recommendations for Law and Practice, Key Findings and Recommendations, maart 2010, blz. 67, https://www.refworld.org/reference/research/unhcr/2010/en/92062; Summary of UNHCR’s Provisional Observations on the Proposal for a Council Directive on Minimum Standards on Procedures in Member States for Granting and Withdrawing Refugee Status (document 14203/04 van de Raad, Asiel 64, van 9 november 2004), blz. 4 in fine.

( 68 ) Volgens artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95 is een „vluchteling” een „een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen, dan wel een staatloze die zich om dezelfde reden buiten het land bevindt waar hij vroeger gewoonlijk verbleef en daarheen niet kan, dan wel wegens genoemde vrees niet wil terugkeren […]”. Cursivering van mij.

( 69 ) Zie artikel 19, lid 2, van het Handvest, volgens hetwelk „[n]iemand mag worden verwijderd of uitgezet naar dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen”. Cursivering van mij.

( 70 ) In artikel 30, lid 1, van richtlijn 2005/85 was bepaald dat „de lidstaten voor de behandeling van asielverzoeken wetgeving [konden] handhaven of invoeren met het oog op de nationale aanmerking […] van […] derde landen […] als veilige landen van herkomst. Dat kan inhouden dat een deel van een land als veilig wordt aangemerkt indien de voorwaarden van bijlage II voor dat deel zijn vervuld.”

( 71 ) In artikel 30, lid 3, van richtlijn 2005/85 was bepaald dat „[d]e lidstaten […] tevens wetgeving die op 1 december 2005 van kracht [was], [konden] handhaven voor de nationale aanmerking van een deel van een land als veilig of een land of een deel van een land als veilig voor een specifieke groep van personen in dat land, indien de […] voorwaarden voor dat deel of die groep [waren] vervuld”.

( 72 ) Zie artikel 31, lid 8, onder b), van richtlijn 2013/32. In die richtlijn wordt geen specifieke waarde toegekend aan de duur van de versnelde procedure en wordt de vaststelling daarvan aan de lidstaten overgelaten, op voorwaarde dat deze duur „redelijk” is, zoals reeds kort is opgemerkt in punt 50 en zoals volgt uit artikel 31, lid 9, van richtlijn 2013/32. De duur van de standaardprocedure is daarentegen in artikel 31, leden 3 en 5, van die richtlijn vastgelegd op zes maanden na de indiening van het verzoek, en kan worden verlengd tot „uiterlijk […] 21 maanden na de indiening van het verzoek”.

( 73 ) Zie artikel 46, leden 5 en 6, van richtlijn 2013/32, gelezen in onderlinge samenhang. Zie met betrekking tot die bepalingen arrest van 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken) (C‑808/18, EU:C:2020:1029, punten 303 en 271). Zie ook arrest van 5 juli 2018, C. K. e.a. (C‑269/18 PPU, EU:C:2018:544, punt 53).

( 74 ) Zie artikel 36, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2013/32.

( 75 ) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming (herschikking), bijlage, COM(2009) 554 definitief, bijlage, blz. 15. Cursivering van mij.

( 76 ) Waarin, net zoals wat wordt voorgesteld in ontwerpoverweging 80 en artikel 61, lid 2, in het document PE 16 2024 REV 1 van 15 mei 2024, waarnaar is verwezen in voetnoot 20, de mogelijkheid wordt erkend om een derde land als veilig land van herkomst aan te merken met „uitzonderingen […] voor specifieke delen van zijn grondgebied of voor duidelijk identificeerbare categorieën personen”. Zoals reeds opgemerkt, vormt dat document ten tijde van het opstellen van deze conclusie het laatst beschikbare element van het lopende wetgevingsproces voor het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie en tot intrekking van richtlijn 2013/32/EU [(COM)2016 467 final].

( 77 ) Voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming (herschikking), bijlage, COM(2009) 554 definitief, bijlage, blz. 15.

( 78 ) Werkdocument van de diensten van de Commissie bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming – Effectbeoordeling, SEC(2009) 1376, blz. 34. Zie ook de bijlagen bij het werkdocument van de diensten van de Commissie bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming – Effectbeoordeling, SEC(2009) 1376 (deel II), blz. 66‑68.

( 79 ) In overweging 4 van richtlijn 2005/85 werden „de huidige minimumnormen [in die richtlijn] [als] een eerste maatregel op het gebied van asielprocedures” beschouwd, terwijl overweging 12 van richtlijn 2013/32 luidt dat „[d]eze richtlijn […] in de eerste plaats bedoeld [is] om verdere normen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming te ontwikkelen met het oog op de vaststelling van een gemeenschappelijke asielprocedure in de Unie”.

( 80 ) Voor de erkenning van de politieke moeilijkheden in dat verband, zie de bijlagen bij het werkdocument van de diensten van de Commissie, waarnaar wordt verwezen in voetnoot 78, blz. 18.

( 81 ) Zie artikel 30, leden 2 en 3, van richtlijn 2005/85.

( 82 ) Vanwege de verschillen in het bestaan en de inhoud van de lijsten van veilige landen van herkomst.

( 83 ) Uit de toelichting in punt 108 volgt dat in de vorige regeling in feite een onderscheid werd gemaakt tussen twee hoofdopties: terwijl de mogelijkheid van gedeeltelijke aanmerkingen op territoriale basis werd bevestigd in het kader van de nationale aanmerkingen die moesten worden gebaseerd op de gemeenschappelijke voorwaarden voor aanmerking (artikel 30, lid 2, van richtlijn 2005/85), was de aanmerking als veilig land van herkomst voor een deel van de bevolking slechts mogelijk wanneer de bestaande nationale wetgeving in een dergelijke mogelijkheid voorzag, zoals volgt uit de hierboven genoemde standstillclausule van artikel 30, lid 3, van richtlijn 2005/85.

( 84 ) Ik herinner eraan dat dit alleen het geval is wanneer de verzoeker een onderdaan is van of zijn gewone verblijfplaats heeft in een dergelijk land en tegelijkertijd geen ernstige redenen heeft aangevoerd om het land in zijn specifieke omstandigheden niet als veilig land van herkomst te beschouwen.

( 85 ) Ik herinner eraan dat het standpunt van de Commissie dat in dit onderdeel wordt besproken, samenvalt met het kernbetoog van de Tsjechische en de Nederlandse regering, die meer in het algemeen voor de toelaatbaarheid van territoriale uitzonderingen pleiten.

( 86 ) Het EHRM had het over „effective overall control” (daadwerkelijke algehele controle) in zijn arrest van 18 december 1996, Loizidou tegen Turkije, CE:ECHR:1996:1218JUD001531889, § 56.

( 87 ) Zie in het bijzonder artikel 8 van de Draft articles on the Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts (ontwerpartikelen inzake de verantwoordelijkheid van de staten voor internationale onrechtmatige daden), voorzien van commentaar, Yearbook of the International Law Commission, 2001, deel II, tweede gedeelte, met name blz. 47 en punt 4. Talmon, S., „The Responsibility of Outside Powers for Acts of Secessionist Entities”, International and Comparative Law Quarterly, deel 58, nr. 3, 2009, blz. 493‑517, met name op blz. 493.

( 88 ) Zie met name EHRM, 8 juli 2004, Ilaşcu e.a. tegen Moldavië en Rusland, CE:ECHR:2004:0708JUD004878799, §§ 335, 392 en 394; 19 oktober 2012, Catan tegen Moldavië en Rusland, CE:ECHR:2012:1019JUD004337004, §§ 109‑110; 23 februari 2016, Mozer tegen Moldavië en Rusland, CE:ECHR:2016:0223JUD001113810, § 99, en 17 juli 2018, Sandu e.a. tegen Republiek Moldavië en Rusland, CE:ECHR:2018:0717JUD002103405, §§ 34‑39.

( 89 ) Uit de toelichting van de Tsjechische regering ter terechtzitting volgt dat de Tsjechische lijst van veilige landen van herkomst dezelfde territoriale uitzonderingen bevatte, die, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, samen met de in de onderhavige zaak aan de orde zijnde uitzondering per 1 oktober 2023 zijn geschrapt. Zie voetnoot 7.

( 90 ) Ik merk op dat Hongarije de Verenigde Staten van Amerika als veilig land van herkomst heeft aangemerkt met uitzondering van de staten die de doodstraf toepassen. Zie de informatie van het EUAA op https://whoiswho.euaa.europa.eu/Pages/safe-country-concept.aspx.

( 91 ) Dezelfde conclusie volgt meer in het algemeen uit mijn rol om het Hof volledig bij te staan indien het zou beslissen om mijn suggestie met betrekking tot de tweede prejudiciële vraag niet te volgen en in plaats daarvan, anders dan wat ik voorstel met betrekking tot de eerste prejudiciële vraag, te oordelen dat een beroep op artikel 15 EVRM door een derde land automatisch in de weg staat aan de aanmerking van dat land als veilig land van herkomst.

( 92 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 26 september 2018, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Schorsende werking van het hoger beroep) (C‑180/17, EU:C:2018:775, in het bijzonder de punten 33 en 34). Zie meer in het algemeen Prechal, S., „Between effectiveness, procedural autonomy and judicial protection”, Izzivi prava v življenjski resničnosti. Challenges of law in life reality. Liber amicorum Marko Ilešič, Univerza v Ljubljani, Pravna fakulteta, Ljubljana, 2017, blz. 391‑404, met name blz. 395.

( 93 ) Ik herinner eraan dat, binnen de regeling van richtlijn 2013/32, het gevolg van het feit dat een ongegrond verzoek als kennelijk ongegrond wordt beschouwd, erin bestaat dat de lidstaten ervoor kunnen kiezen om de verzoeker niet automatisch toe te staan op het nationale grondgebied te blijven in afwachting van het beroep tegen de beslissing tot afwijzing van zijn verzoek om internationale bescherming (zoals volgt uit artikel 46, leden 5 en 6, van richtlijn 2013/32, gelezen in onderlinge samenhang).

( 94 ) De Nederlandse regering merkte ter terechtzitting op dat de beslissing om een verzoek van een verzoeker uit een veilig land van herkomst als kennelijk ongegrond te beschouwen niet veronderstelt dat dit verzoek bij een eerdere beslissing ongegrond is verklaard, aangezien beide aspecten gelijktijdig worden beoordeeld.

( 95 ) Uit artikel 46, lid 1, onder a), i), van richtlijn 2013/32 volgt dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel bij een rechterlijke instantie, zoals omschreven in artikel 46, lid 3, van die richtlijn, onder meer moet bestaan tegen beslissingen om een verzoek om internationale bescherming als ongegrond te beschouwen met betrekking tot de vluchtelingenstatus en/of de subsidiairebeschermingsstatus.

( 96 ) Ik herinner eraan dat in wezen uit de rechtspraak van het Hof volgt dat artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, net als artikel 47 van het Handvest, op zichzelf volstaat en niet hoeft te worden verduidelijkt door bepalingen van Unierecht of van nationaal recht om particulieren een als zodanig inroepbaar recht te verlenen. Arrest van 29 juli 2019, Torubarov (C‑556/17, EU:C:2019:626, punt 56; hierna: „arrest Torubarov”).

( 97 ) En, opnieuw, met die welke zich hebben aangediend nadat de afwijzende beslissing in kwestie is vastgesteld. Arrest van 25 juli 2018, Alheto (C‑585/16, EU:C:2018:584, punten 111‑113; hierna: „arrest Alheto”). Ik merk op dat in de Engelse versie van dat arrest niet gesproken wordt van „elements”, maar dat de woorden „new evidence” (punten 111 en 112) en „evidence” (punt 113) worden gebruikt, terwijl in de Franse versie wordt gesproken van „nouveaux éléments” (punten 111 en 112) en „éléments” (punt 113). Gelet op de omstandigheid dat de bestuurlijke autoriteit in die zaak had nagelaten een juridisch element te vermelden, ben ik van oordeel dat het respectieve deel van de redenering van het Hof moet worden opgevat als een verwijzing naar ieder element, feitelijk of rechtens, zoals blijkt uit punt 118 van dat arrest, zowel in de Engelse als in de Franse versie. Zie ook arrest van 3 maart 2022, Secretary of State for the Home Department (Vluchtelingenstatus van een staatloze van Palestijnse afkomst) (C‑349/20, EU:C:2022:151, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 98 ) Arrest Torubarov, punt 65, en arrest van 8 februari 2024, Bundesrepublik Deutschland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek) [C‑216/22, EU:C:2024:122, punt 62; hierna: „arrest Bundesrepublik Deutschland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek)”].

( 99 ) Zie in dat verband (in de context van richtlijn 2011/95) arrest M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus), punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 100 ) Zie in die zin arrest van 29 februari 2024, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Wederzijds vertrouwen in geval van overdracht) (C‑392/22, EU:C:2024:195, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 101 ) Zie in dit verband arrest M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus), punt 83.

( 102 ) Arrest Torubarov, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 103 ) Zie overweging 18 en artikel 31, lid 2, van richtlijn 2013/32.

( 104 ) Zonder in detail te hoeven ingaan op het door de Tsjechische regering aangevoerde argument dat de beoordeling complex is, en om dit argument in voorkomend geval te onderscheiden van de onrechtmatigheid van de aanmerking zoals in de vorige delen van deze conclusie is besproken, heb ik begrepen dat de nationale rechters Oekraïne na februari 2022 niet langer als een veilig land van herkomst beschouwden, hoewel Oekraïne nog niet van de lijst van veilige landen van herkomst was geschrapt. Zie, onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter, het arrest van de Nejvyšší správní soud (hoogste bestuursrechter, Tsjechië) van 10 maart 2022, 10 Azs 537/2021 – 31, met name punt 17 (in casu heeft deze rechter geëist dat het respectieve verzoek opnieuw zou worden behandeld volgens de gewone regeling). Eveneens onder voorbehoud van verificatie door de verwijzende rechter is Oekraïne van de lijst van veilige landen van herkomst geschrapt met ingang van 1 oktober 2023, bij hetzelfde – in voetnoot 7 genoemde – besluit als dat waarbij de aan de orde zijnde territoriale uitzondering werd geschrapt. Zie ook https://whoiswho.euaa.europa.eu/Pages/safe-country-concept.aspx.

( 105 ) Zie in dat verband werkdocument van de diensten van de Commissie bij het voorstel voor een richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de verlening of intrekking van internationale bescherming – Effectbeoordeling, SEC(2009) 1376, punt 4.2.7. In het licht van de in dit deel gepresenteerde ontwikkelingen, acht ik het overbodig om in te gaan op het argument van de Commissie dat de rechterlijke toetsing op grond van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 niet van toepassing is op de beslissing om een verzoek volgens de versnelde procedure te behandelen. Ten eerste wordt die suggestie tegengesproken door het arrest Samba Diouf, ook wanneer rekening wordt gehouden met de bijzonderheden van die zaak. Ten tweede reiken de juridische gevolgen van het begrip „veilig land van herkomst” verder dan het gebruik van de versnelde procedure. Ten derde werd die zaak behandeld in de context van artikel 39 van richtlijn 2005/85, de rechtsvoorganger van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32. De definitie van de kenmerken van het rechtsmiddel in laatstgenoemde bepaling maakt een nader onderzoek overbodig, aangezien deze bepaling een volledig onderzoek van onder meer de „juridische gronden” vereist, zonder dat deze worden beperkt tot een inhoudelijke beoordeling. Zie in dat verband arrest Alheto, punt 115, en arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa) (C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 67).

( 106 ) Hetzelfde geldt volgens mij wanneer de nationale rechter van oordeel is dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zie arrest Alheto, punten 119‑127. Zie ook arrest van 19 maart 2020, Bevándorlási és Menekültügyi Hivatal (Tompa) (C‑564/18, EU:C:2020:218, punt 69). Die vaststelling zou mijns inziens een verdere differentiatie vergen naargelang van de toepasselijke gronden voor die niet-ontvankelijkheid, zoals bepaald in artikel 33, lid 2, van richtlijn 2013/32, maar die kwestie hoeft in het kader van de onderhavige zaak niet te worden uitgewerkt.

( 107 ) Ik herinner eraan dat uit de bewoordingen van artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32 („indien van toepassing”) en uit de rechtspraak van het Hof volgt dat hoewel de lidstaten verplicht zijn hun rechterlijke instanties de bevoegdheid te verlenen om de behoefte aan internationale bescherming te onderzoeken, deze rechterlijke instanties niet noodzakelijkerwijs verplicht zijn om die beoordeling te verrichten omdat zij, naargelang van de gegevens in het dossier, van oordeel kunnen zijn dat de beslissingsautoriteit daartoe beter is toegerust [zie arrest Bundesrepublik Deutschland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek), punt 67]. Zie voor een verwijzing naar „specifieke middelen en op dit gebied gespecialiseerd personeel” van de beslissingsautoriteiten arrest Torubarov, punt 64, of arrest van 16 juli 2020, Addis (C‑517/17; EU:C:2020:579, punt 61).

( 108 ) Arrest van 4 oktober 2018, Fathi (C‑56/17, EU:C:2018:803, punt 72).

( 109 ) Ibid., punten 69‑71. Uit punt 57 van datzelfde arrest volgt dat de nationale rechters bij wie het beroep tegen een beslissing tot afwijzing van een asielverzoek aanhangig was gemaakt, volgens het nationale recht verplicht waren te onderzoeken of de nationale autoriteit in eerste aanleg de juiste procedure had gevolgd, wat de reden lijkt te zijn waarom de verwijzende rechter in die zaak heeft gevraagd of een dergelijke verplichting gold voor de juiste toepassing van de regels van de Dublin III-verordening.

( 110 ) Krachtens artikel 43 van richtlijn 2013/32.

( 111 ) Zie in dat verband de in voetnoot 73 aangehaalde rechtspraak.

( 112 ) Ik merk op dat in de zaak die tot het arrest Alheto heeft geleid, de specifieke juridische grond die niet door de beslissingsautoriteit aan de orde was gesteld, de toepasselijkheid van de regeling van artikel 12, lid 1, onder a), van richtlijn 2011/95 was. Het was met betrekking tot die juridische grond dat het Hof de derde prejudiciële vraag in die zaak beantwoordde, die betrekking had op de omvang van de rechterlijke toetsing krachtens artikel 46, lid 3, van richtlijn 2013/32, die hier aan de orde is. Ik merk op dat de tweede vraag in die zaak de mogelijkheid betrof om artikel 12, lid 1, onder a), tweede volzin, van richtlijn 2011/95 toe te passen wanneer de verzoeker zich daar niet op had beroepen. Tegelijkertijd wijst niets erop dat de verwijzende rechter in die zaak op een soortgelijke hindernis stuitte als de verwijzende rechter in de onderhavige zaak. Zie arrest Alheto, met name de punten 97 en 117.

( 113 ) Zie bijvoorbeeld mijn conclusie in de zaak Bundesrepublik Deutschland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek) (C‑216/22, EU:C:2023:646, punt 94). Zoals ik eerder al opmerkte, zijn de volgende overwegingen alleen relevant indien de nationale rechter niet tot een conclusie kan komen die ten gronde verschilt van de conclusie van de beslissingsautoriteit.

( 114 ) Zie bijvoorbeeld arrest van 9 september 2020, Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Afwijzing van een volgend verzoek – Termijn om beroep in te stellen) [C‑651/19, EU:C:2020:681, punt 36; hierna: „arrest Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Afwijzing van een volgend verzoek – Termijn om beroep in te stellen)”].

( 115 ) Ibidem, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 116 ) Ibidem, punt 39.

( 117 ) Ibidem, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 118 ) Zie bijvoorbeeld arrest Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (Afwijzing van een volgend verzoek – Termijn om beroep in te stellen), punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak.

( 119 ) Arresten van 7 juni 2007, Van der Weerd e.a. (C‑222/05–C‑225/05, EU:C:2007:318, punt 41); 11 juli 1991, Verholen e.a. (C‑87/90–C‑89/90, EU:C:1991:314, punten 11‑16); 14 december 1995, Van Schijndel en Van Veen (C‑430/93 en C‑431/93, EU:C:1995:441, met name punten 17 en 22), en 14 december 1995, Peterbroeck (C‑312/93, EU:C:1995:437, punten 15‑21).

( 120 ) Zie mijn conclusie in de zaak Profi Credit Polska (Heropening van een procedure die is afgesloten met een definitieve rechterlijke beslissing) (C‑582/21, EU:C:2023:674, punten 151‑154).

( 121 ) Arrest van 22 juni 2023, K.B. en F.S. (Ambtshalve vaststelling in strafzaken) (C‑660/21, EU:C:2023:498, punten 52 en 53). In dat arrest heeft het Hof meer specifiek geoordeeld dat de relevante bepalingen van het Unierecht zich niet verzetten tegen een nationale regeling die de rechter in een strafzaak verbiedt om ambtshalve vast te stellen dat de verplichting om de verdachten of beklaagden onverwijld in kennis te stellen van hun zwijgrecht, niet is nagekomen, wanneer die verdachten of beklaagden niet de mogelijkheid is ontzegd om concreet en daadwerkelijk toegang te hebben tot een advocaat en tot hun dossier en om zich binnen een redelijke termijn op deze niet-nakoming te beroepen.

( 122 ) Arrest van 8 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid en X (Ambtshalve toetsing van de bewaring) (C‑704/20 en C‑39/21, EU:C:2022:858, punten 85‑88 en 91‑94). Bovendien wordt in de aanhangige zaak C‑156/23, Ararat, de kwestie aan de orde gesteld van de verplichting voor de rechterlijke instantie om ambtshalve na te gaan of het beginsel van non-refoulement is geëerbiedigd in de context van procedures die binnen de werkingssfeer vallen van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (PB 2008, L 348, blz. 98).

( 123 ) Zie met betrekking tot hun plicht tot samenwerking arrest Alheto, punt 116, en arrest van 29 juni 2023, International Protection Appeals Tribunal e.a. (Bomaanslag in Pakistan) (C‑756/21, EU:C:2023:523, punten 46 e.v.), in de context van richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004, L 304, blz. 12), de rechtsvoorganger van richtlijn 2011/95.

( 124 ) Zie in die zin ook arrest Bundesrepublik Deutschland (Ontvankelijkheid van een volgend verzoek), punt 47 in fine.

( 125 ) Artikel 19 van richtlijn 2013/32.

( 126 ) Artikel 11, lid 2, van richtlijn 2013/32.

( 127 ) Artikel 20 van richtlijn 2013/32.