CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

L. MEDINA

van 13 juli 2023 ( 1 )

Zaak C‑363/22 P

Planistat Europe

Hervé-Patrick Charlot

tegen

Europese Commissie

„Hogere voorziening – Niet-contractuele aansprakelijkheid – Extern onderzoek door OLAF – Mededeling aan de nationale gerechtelijke autoriteiten van gegevens met betrekking tot feiten die aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging voordat het onderzoek is afgelopen – Indiening van een klacht door de Commissie voordat het onderzoek is afgelopen – Nationale strafrechtelijke procedure – Onherroepelijke buitenvervolgingstelling – Begrip ‚voldoende gekwalificeerde schending’ van een regel van het Unierecht – Materiële en immateriële schade die rekwiranten stellen te hebben geleden”

1.

Met de onderhavige hogere voorziening vorderen de vennootschap Planistat Europe en Hervé-Patrick Charlot (hierna samen: „rekwiranten”) vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 6 april 2022, Planistat Europe en Charlot/Commissie ( 2 ), waarbij het Gerecht het beroep van rekwiranten heeft verworpen strekkende tot vergoeding van, ten eerste, de schade die Charlot zou hebben geleden ten gevolge van de mededeling door het Europees Bureau voor Fraudebestrijding (OLAF) aan de nationale autoriteiten van gegevens met betrekking tot mogelijkerwijs strafbare feiten en de klacht die de Europese Commissie bij deze autoriteiten heeft ingediend, en, ten tweede, de materiële schade die rekwiranten zouden hebben geleden ten gevolge van de beëindiging van tussen Planistat Europe en de Europese Commissie gesloten overeenkomsten.

2.

Tot staving van hun hogere voorziening voeren rekwiranten drie middelen aan, die in wezen zijn ontleend aan een onjuiste rechtsopvatting waarvan het Gerecht ten eerste blijk heeft gegeven bij de vaststelling welk feit tot de aangevoerde schade heeft geleid, ten tweede blijk heeft gegeven door te oordelen dat er geen sprake was van een lasterlijke aanklacht van OLAF en de Commissie, en ten derde door de argumenten van rekwiranten betreffende het bestaan van materiële en immateriële schade te verwerpen. Overeenkomstig het verzoek van het Hof beperk ik mij in deze conclusie tot een analyse van het tweede middel in hogere voorziening.

3.

Dit middel biedt het Hof de gelegenheid zich uit te spreken over de rechterlijke toetsing die het Gerecht moet verrichten in het kader van een beroep wegens niet-contractuele aansprakelijkheid, ten eerste wanneer OLAF informatie meedeelt aan de nationale gerechtelijke autoriteiten en een vermeende lasterlijke aanklacht indient, hoewel de nationale rechterlijke instanties de betrokkenen later buiten vervolging hebben gesteld, en ten tweede wanneer de Commissie in die zaak een klacht met burgerlijke partijstelling indient.

I. Verordening nr. 1073/1999

4.

Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) ( 3 ) regelde de controles, verificaties en acties die personeelsleden van OLAF bij de uitoefening van hun taken ondernemen. ( 4 ) De onderzoeken door OLAF bestaan uit „externe” onderzoeken (buiten de instellingen van de Unie) en „interne” onderzoeken (binnen deze instellingen).

5.

Artikel 9 van verordening nr. 1073/1999, met het opschrift „Verslag en vervolg van de onderzoeken”, heeft betrekking op het na afloop van het onderzoek door OLAF opgestelde verslag.

6.

Artikel 10 van verordening nr. 1073/1999, met het opschrift „Mededeling van informatie door [OLAF]” bepaalt het volgende:

„1.   Onverminderd de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening en de bepalingen van verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 [van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Unie tegen fraudes en andere onregelmatigheden], kan [OLAF] in het kader van externe onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten meedelen.

2.   Onverminderd de artikelen 8, 9 en 11 van deze verordening deelt de directeur van [OLAF] in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten mede aan de gerechtelijke instanties van de betrokken lidstaat. Tenzij het onderzoek anders vereist, deelt hij deze informatie tegelijk mede aan de betrokken lidstaat.

[…]”

II. Voorgeschiedenis van het geding

7.

De voorgeschiedenis van het geding, zoals weergegeven in de punten 2 tot en met 18 van het bestreden arrest, kan als volgt worden samengevat.

8.

In 1996 heeft het bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat) een netwerk van verkooppunten voor statistische informatie (datashops) opgezet. In de lidstaten werden deze datashops, die geen rechtspersoonlijkheid hadden, in beginsel ondergebracht bij de nationale bureaus voor de statistiek, behalve in België, Spanje en Luxemburg, waar zij werden beheerd door commerciële vennootschappen. Daartoe zijn er tripartiete overeenkomsten gesloten tussen Eurostat, het Publicatiebureau van de Europese Unie en de entiteit waarin de datashop is ondergebracht.

9.

Van 1996 tot 1999 had Planistat Europe, onder leiding van Charlot, met Eurostat raamovereenkomsten voor verschillende diensten, waaronder met name de terbeschikkingstelling van personeel voor de datashops.

10.

Vanaf 1 januari 2000 was Planistat Europe belast met het beheer van de datashops in Brussel (België), Madrid (Spanje) en Luxemburg en moest zij de volledige omzet van deze drie datashops aan de Commissie overmaken.

11.

In september 1999 heeft de interne auditdienst van Eurostat een verslag opgesteld waarin wordt gewezen op onregelmatigheden in het beheer van de datashops door Planistat Europe.

12.

Op 17 maart 2000 heeft het directoraat-generaal Financiële Controle van de Commissie dit verslag aan OLAF toegezonden.

13.

Op 18 maart 2003 heeft OLAF, na een intern onderzoek naar de wijze van oprichting van het datashopnetwerk, de factureringssystemen, het gebruik van de financiële middelen en de mogelijke betrokkenheid van ambtenaren van de Unie, besloten een extern onderzoek, OF/2002/0510, naar Planistat Europe in te stellen.

14.

Op 19 maart 2003 heeft OLAF in het kader van het lopende onderzoek aan de Franse gerechtelijke autoriteiten een mededeling gedaan over feiten die volgens OLAF mogelijkerwijs strafbaar waren (hierna: „nota van 19 maart 2003”). Op grond daarvan heeft de openbaar aanklager te Parijs (Frankrijk) op 4 april 2003 bij de onderzoeksrechter van de tribunal de grande instance de Paris (rechter in eerste aanleg Parijs, Frankrijk) een gerechtelijk onderzoek ingesteld wegens verhulling van, en medeplichtigheid aan, misbruik van vertrouwen.

15.

Op 16 mei 2003 is over deze mededeling bericht in de pers en hebben leden van het Europees Parlement daarover schriftelijke vragen gesteld aan de Commissie.

16.

De Commissie en OLAF hebben verschillende perscommuniqués uitgebracht; in slechts twee daarvan werd Planistat Europe genoemd. In het perscommuniqué van de Commissie van 9 juli 2003 werd namelijk voor het eerst verwezen naar Planistat Europe en in haar perscommuniqué van 23 juli 2003 bevestigde de Commissie dat zij had besloten om de met Planistat Europe gesloten overeenkomsten te beëindigen.

17.

Op 10 juli 2003 heeft de Commissie bij de openbaar aanklager te Parijs een klacht met burgerlijke partijstelling tegen X ingediend wegens misbruik van vertrouwen en alle andere strafbare feiten die uit de in de klacht vermelde feiten konden worden afgeleid.

18.

Op 10 september 2003 is naar Charlot een onderzoek ingesteld wegens misbruik van vertrouwen en verhulling van misbruik van vertrouwen.

19.

Op 25 september 2003 heeft OLAF zowel intern onderzoek IO/2000/4097 als extern onderzoek OF/2002/0510 afgesloten.

20.

Op 9 september 2013 heeft de onderzoeksrechter van de tribunal de grande instance de Paris ten aanzien van alle personen tegen wie in het kader van de strafrechtelijke procedure een onderzoek was ingesteld, een beschikking van buitenvervolgingstelling gegeven, waartegen de Commissie hoger beroep heeft ingesteld.

21.

Bij arrest van 23 juni 2014 heeft de cour d’appel de Paris (rechter in tweede aanleg Parijs, Frankrijk) het hoger beroep van de Commissie verworpen en de beschikking van buitenvervolgingstelling bevestigd.

22.

Bij arrest van 15 juni 2016 heeft de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) de door de Commissie ingestelde hogere voorziening verworpen, waarmee een einde is gekomen aan de gerechtelijke procedure.

23.

Op 10 september 2020 hebben rekwiranten de Commissie een aanmaningsbrief gezonden om haar te gelasten hen een bedrag van 11,6 miljoen EUR te betalen ter vergoeding van de schade die zij stelden te hebben geleden als gevolg van, onder meer, de ingediende klacht en de ter zake gepubliceerde perscommuniqués.

24.

Op 15 oktober 2020 heeft de Commissie de vordering van rekwiranten afgewezen op grond dat niet was voldaan aan de voorwaarden voor het bestaan van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Europese Unie.

III. Conclusies van partijen en procedure bij het Hof

25.

Rekwiranten verzoeken het Hof in wezen om:

het bestreden arrest te vernietigen voor zover daarbij wordt verklaard dat een deel van de vordering van rekwiranten is verjaard en voor zover de vordering inzake niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie daarbij wordt afgewezen;

hun in eerste aanleg ingestelde vorderingen toe te wijzen;

de Commissie te gelasten publiekelijk te erkennen dat zij een beoordelingsfout heeft gemaakt met betrekking tot Planistat Europe en haar directeur;

de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure voor beide instanties.

26.

De Commissie verzoekt het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen, en

rekwiranten te verwijzen in de kosten.

27.

Het Hof heeft overeenkomstig artikel 76, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof beslist om geen pleitzitting te houden.

IV. Analyse

28.

Met hun tweede middel, dat subsidiair wordt aangevoerd en het voorwerp vormt van deze conclusie, betogen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting met betrekking tot de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie. Dit middel bestaat uit drie onderdelen. Het eerste onderdeel is in wezen ontleend aan de onjuiste opvatting van het Gerecht met betrekking tot de onrechtmatigheid van het smadelijke gedrag van OLAF en de Commissie jegens rekwiranten, het tweede is ontleend aan de onjuiste opvatting met betrekking tot de onrechtmatigheid van het gedrag van OLAF en het derde aan de onjuiste opvatting met betrekking tot de onrechtmatigheid van het gedrag van de Commissie.

29.

Ik zal deze onderdelen in omgekeerde volgorde analyseren. Bij het onderzoek van het tweede en het derde onderdeel moeten de verplichtingen van OLAF worden geanalyseerd wanneer het mogelijkerwijs strafbare feiten meldt, alsmede de verplichtingen van de Commissie wanneer zij aan de nationale procedure deelneemt. Het lijkt mij dus nuttig om mijn analyse met deze onderdelen te beginnen, alvorens in te gaan op het vermeende smadelijke en lasterlijke karakter van deze aanklacht, die het voorwerp vormt van het eerste onderdeel van het tweede middel.

A. Tweede onderdeel van het tweede middel

30.

Met het tweede onderdeel, dat is onderverdeeld in twee grieven, betogen rekwiranten dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door in de punten 84 tot en met 104 van het bestreden arrest te oordelen dat het gedrag van OLAF, in het bijzonder de mededeling aan de Franse autoriteiten van gegevens met betrekking tot mogelijkerwijs strafbare feiten, niet in strijd was met de beginselen van behoorlijk bestuur en vertrouwelijkheid.

1.   Eerste grief

31.

Rekwiranten betogen dat het Gerecht in punt 88 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat OLAF reeds op 19 maart 2003 over informatie of gegevens beschikte op grond waarvan het kon vaststellen dat de in het geding aan de orde zijnde feiten mogelijkerwijs strafbaar waren. Volgens rekwiranten wist OLAF heel goed dat de in het interne-auditverslag van Eurostat vastgestelde onregelmatigheden niet tot enige verduistering van middelen hadden geleid. Aangezien de Franse rechters hebben geoordeeld dat er geen sprake was van nadelige gevolgen voor de begroting van de Unie, is de vaststelling in punt 88 van het bestreden arrest kennelijk onjuist. Het feit dat OLAF de Franse autoriteiten onjuiste informatie heeft verstrekt, laat zien dat OLAF onvoldoende voorzorgsmaatregelen heeft genomen, hetgeen schending van zijn verplichting tot gegevenscontrole en dus van het beginsel van behoorlijk bestuur vormt.

32.

Volgens de Commissie trachten rekwiranten met hun betoog een nieuw onderzoek van de feiten te verkrijgen, zonder evenwel aan te voeren dat deze feiten onjuist zijn opgevat en zonder aan te geven van welke onjuiste rechtsopvatting het Gerecht blijk heeft gegeven.

33.

Volgens de Commissie zijn hun argumenten hoe dan ook ongegrond. Wat de toezending van de nota door OLAF betreft, heeft het Gerecht in de punten 87 en 89 van het bestreden arrest terecht opgemerkt dat het rekening heeft gehouden met het feit dat de in die nota vervatte informatie het resultaat was van een onderzoek dat in 1999 aanving op basis van een auditverslag van Eurostat, alsook met het feit dat onderzoek OF/2002/0510 het externe aspect van intern onderzoek IO/2000/4097 vormde. Het verwijt dat OLAF heel goed wist dat de in het interne-auditverslag van Eurostat vastgestelde onregelmatigheden niet tot enige verduistering van middelen hadden geleid, is niet-ontvankelijk omdat het niet in eerste aanleg is aangevoerd. ( 5 ) Voorts is de Commissie van mening dat het feit dat de Franse rechterlijke instanties tot een andere conclusie zijn gekomen dan OLAF met betrekking tot de vraag of er sprake is van een nadeel voor de begroting van de Unie, geen grond vormde waarop het onderzoek van OLAF ter discussie kon worden gesteld. Het feit dat de Franse rechterlijke instanties hebben geoordeeld dat er geen sprake is van een nadeel voor de begroting van de Unie bewijst op zichzelf niet dat OLAF jegens rekwiranten een fout heeft begaan die in strijd is met het beginsel van behoorlijk bestuur.

34.

Alvorens de ontvankelijkheid van de eerste grief te analyseren, moet ik opmerken dat rekwiranten, voor zover zij stellen dat OLAF schuldig is aan een lasterlijke aanklacht en smaad, het argument herhalen dat zij ook in het kader van het eerste onderdeel van het tweede middel hebben uiteengezet en dat ik in het kader van dat onderdeel zal onderzoeken. ( 6 ) Uit de punten 60 tot en met 66 van de hogere voorziening blijkt echter duidelijk dat rekwiranten met het tweede onderdeel van dit middel schending van het beginsel van behoorlijk bestuur willen aantonen wegens een gebrek aan zorgvuldigheid van OLAF, omdat OLAF om te beginnen overhaast informatie aan de nationale autoriteiten heeft verstrekt en voorts informatie aan de pers heeft bekendgemaakt.

a)   Ontvankelijkheid

35.

Met hun eerste grief voeren rekwiranten aan dat OLAF de nota van 19 maart 2003 heeft verzonden zonder dat er voldoende aanwijzingen waren voor laakbaar gedrag van rekwiranten, hetgeen schending van het beginsel van behoorlijk bestuur vormt. In het licht van de argumenten van de Commissie en met het oog op de ontvankelijkheid van deze grief, merk ik op dat rekwiranten in hun verzoekschrift in eerste aanleg reeds schending van het beginsel van behoorlijk bestuur en schending van het vermoeden van onschuld hebben aangevoerd wegens beweerdelijk onjuiste berichtgeving door OLAF in de media. ( 7 )

36.

Bovendien vormen de argumenten die in de punten 60 tot en met 66 van de hogere voorziening tegen de punten 87 en 88 van het bestreden arrest worden aangevoerd, volgens mij niet louter een herhaling van de argumenten die zij in eerste aanleg hebben aangevoerd, maar strekken zij ertoe de gestelde fouten in deze punten van het bestreden arrest aan te tonen. Het is duidelijk dat rekwiranten trachten aan te tonen dat het Gerecht het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden door in deze punten van het bestreden arrest te oordelen dat OLAF reeds op 19 maart 2003 beschikte over informatie of gegevens op grond waarvan het kon oordelen dat de in het geding aan de orde zijnde feiten mogelijkerwijs strafbaar waren.

37.

Voorts moet het betoog van rekwiranten aldus worden begrepen dat uit het arrest in de zaak C‑591/19, Commissie/De Esteban Alonso ( 8 ), volgt dat OLAF, aangezien de verstrekking van informatie aan de nationale autoriteiten facultatief is, behoedzaam moest handelen teneinde het beginsel van behoorlijk bestuur te eerbiedigen. Met andere woorden, het feit dat het niet verplicht is om het verslag van OLAF aan de nationale autoriteiten over te leggen, resulteert volgens rekwiranten in de verplichting om de resultaten van het onderzoek te verifiëren, hetgeen het Gerecht had moeten doen.

38.

Bijgevolg geef ik het Hof in overweging om de eerste grief ontvankelijk te verklaren.

b)   Ten gronde

39.

De eerste grief van het tweede onderdeel van het tweede middel is gericht tegen de punten 82 tot en met 92 van het bestreden arrest. In die punten heeft het Gerecht geoordeeld dat uit artikel 10 en overweging 13 van verordening nr. 1073/1999 volgt dat OLAF het recht heeft om zich, zelfs vóór het einde van het externe onderzoek, tot de gerechtelijke instantie te wenden wanneer het van oordeel is dat het over informatie of gegevens beschikt die het instellen van een gerechtelijk onderzoek kunnen rechtvaardigen of voor een dergelijk onderzoek nuttig kunnen zijn. ( 9 ) Het Gerecht heeft opgemerkt dat OLAF, aangezien de nota van 19 maart 2003 was gebaseerd op het interne auditverslag van Eurostat van september 1999 en de omstandigheden en relevante feiten bevatte, reeds op 19 maart 2003 beschikte over informatie of gegevens waaruit kon worden afgeleid dat de in het geding aan de orde zijnde feiten mogelijkerwijs strafbaar waren. Het Gerecht is tot de slotsom gekomen dat er geen aanwijzingen waren dat het beginsel van behoorlijk bestuur of het beginsel van een redelijke termijn was geschonden. ( 10 )

40.

Aangezien de Franse gerechtelijke instanties hebben kunnen vaststellen dat er geen sprake was van schade aan de begroting van de Unie, is die slotsom volgens rekwiranten kennelijk onjuist, hetgeen schending van het beginsel van behoorlijk bestuur vormt. In dit verband acht ik het nuttig om in de eerste plaats te onderzoeken of de rechtsregel waarop rekwiranten zich beroepen ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, in de tweede plaats de melding van de feiten door OLAF en zijn zorgvuldigheidsplicht te analyseren, en in de derde plaats de rechterlijke toetsing die op die melding van de feiten is toegepast te analyseren.

1) Voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel

41.

Er zij aan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak een recht op schadevergoeding wordt erkend wanneer aan drie voorwaarden is voldaan, namelijk dat de geschonden rechtsregel ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, dat de schending voldoende gekwalificeerd is en dat er een rechtstreeks causaal verband bestaat tussen de schending van de op de dader van de handeling rustende verplichting en de door de benadeelde persoon geleden schade. Wat de tweede voorwaarde betreft, heeft het Hof er tevens aan herinnerd dat voor de vaststelling dat een schending van het Unierecht voldoende gekwalificeerd is, beslissend is dat de betrokken instelling van de Unie de grenzen waarbinnen haar beoordelingsbevoegdheid dient te blijven, kennelijk ernstig heeft miskend. ( 11 ) Van een dergelijke schending is sprake wanneer zij een kennelijke en ernstige overschrijding door de betrokken instelling van de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid impliceert, waarbij met name rekening moet worden gehouden met de mate van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de geschonden regel en de omvang van de beoordelingsmarge die de geschonden regel de autoriteit van de Unie laat. ( 12 )

42.

Wat betreft de beweerdelijk geschonden regel beroepen rekwiranten zich op de zorgvuldigheidsplicht. ( 13 ) In dit verband volgt uit de rechtspraak dat deze plicht, die inherent is aan het in artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) verankerde recht op behoorlijk bestuur, inhoudt dat de administratie van de Unie met zorg en omzichtigheid moet handelen ( 14 ), en een rechtsregel vormt waarbij rechten worden toegekend aan particulieren. ( 15 ) Bijgevolg ben ik van mening dat rekwiranten zich beroepen op schending van een regel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren. ( 16 )

2) Melding van de feiten door OLAF en zorgvuldigheidsplicht

43.

Uit overweging 1 van verordening nr. 1073/1999 komt naar voren dat de onderzoeken van OLAF tot doel hebben om de financiële belangen van de Unie te beschermen alsook fraude en elke andere voor de financiële belangen van de Unie schadelijke activiteit te bestrijden. ( 17 ) Volgens overweging 5 van deze verordening blijft de verantwoordelijkheid van OLAF niet beperkt tot de bescherming van de financiële belangen, maar strekt deze zich uit tot alle werkzaamheden ter vrijwaring van de belangen van de Unie tegen onregelmatige handelingen waartegen administratieve of strafrechtelijke vervolging kan worden ingesteld. Juist met het oog op de verwezenlijking van deze doelstellingen verricht OLAF interne en externe onderzoeken, waarvan de resultaten worden vastgelegd in een onderzoeksverslag, overeenkomstig artikel 9 van verordening nr. 1073/1999, en verstrekt OLAF informatie aan de nationale autoriteiten en instellingen, overeenkomstig artikel 10 van deze verordening.

44.

Ten eerste moet worden opgemerkt dat de mededeling van de informatie door OLAF in casu lijkt te hebben plaatsgevonden tijdens een extern onderzoek ( 18 ) op grond van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1073/1999. ( 19 ) Volgens deze bepaling „kan [OLAF] in het kader van externe onderzoeken verkregen informatie te allen tijde aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten meedelen” ( 20 ), hetgeen betekent dat de melding van de feiten aan deze autoriteiten in het kader van externe onderzoeken slechts een mogelijkheid is. ( 21 ) OLAF maakt van deze mogelijkheid gebruik in het licht van zijn verplichting om de financiële belangen van de Unie doeltreffend te beschermen overeenkomstig artikel 280 EG (thans artikel 325 VWEU). ( 22 ) Naar mijn mening is er op het eerste gezicht dus sprake van de regelmatige uitoefening van de bevoegdheden van OLAF ter bescherming van de financiële belangen van de Unie. ( 23 ) Hieruit volgt dat de mededeling van informatie aan de nationale autoriteiten op zichzelf geen onrechtmatig gedrag kan vormen.

45.

Ten tweede is het van belang erop te wijzen dat uit overweging 13 van verordening nr. 1073/1999 volgt dat de conclusies van OLAF in een eindverslag niet automatisch kunnen leiden tot de opening van gerechtelijke procedures, aangezien de bevoegde autoriteiten vrij zijn te beslissen welk gevolg zij aan het eindverslag zullen geven en zij dus de enige autoriteiten zijn die besluiten kunnen geven die de rechtspositie kunnen aantasten van de personen ten aanzien van wie in het verslag wordt aanbevolen een dergelijke procedure in te leiden. ( 24 ) De door OLAF verstrekte gegevens kunnen worden aangevuld en gecontroleerd door de nationale autoriteiten, die over meer onderzoeksbevoegdheden beschikken dan OLAF.

46.

In dit verband moet worden benadrukt dat het Hof reeds heeft geoordeeld dat geen enkele bepaling „de betrokken instelling uitdrukkelijk verbiedt de zaak aanhangig te maken bij de gerechtelijke instantie voordat het onderzoek van OLAF is afgelopen, indien zij van mening is dat zij over informatie of gegevens beschikt die de inleiding van een gerechtelijk onderzoek kunnen rechtvaardigen of die voor een dergelijk onderzoek nuttige bewijzen kunnen vormen”. ( 25 ) Aangezien het de nationale autoriteiten vrijstaat al dan niet een gerechtelijk onderzoek in te stellen, geef ik in overweging deze voorwaarde aldus op te vatten dat OLAF over informatie of gegevens moest beschikken op grond waarvan het kon oordelen dat de betrokken feiten mogelijkerwijs strafbaar waren.

47.

De aldus aan OLAF toegekende bevoegdheid om zich te richten tot de nationale autoriteiten wordt ten eerste echter ingeperkt door artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1073/1999, waaruit voortvloeit dat de door OLAF opgestelde verslagen op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de door de nationale administratieve controleurs opgestelde administratieve verslagen toelaatbare bewijsmiddelen vormen in de administratieve of gerechtelijke procedures van de lidstaat waar het gebruik ervan nodig blijkt. Hieruit volgt mijns inziens, mutatis mutandis, dat de door OLAF in het kader van een onderzoek verzamelde informatie een zekere geloofwaardigheid geniet. In het algemeen ben ik van mening dat voorzichtigheid geboden is, aangezien OLAF, in het kader van de mededeling van informatie door dit bureau aan de nationale autoriteiten, niet optreedt als ongeacht welke klokkenluider, maar als een bureau met onderzoeksbevoegdheden, en deze mededeling plaatsvindt tussen twee autoriteiten met deze bevoegdheden. ( 26 ) Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat het voorleggen van de gegevens aan de nationale autoriteiten als basis kan dienen voor zowel civiel- als strafrechtelijke procedures. Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat op strafrechtelijk gebied de door het Handvest gewaarborgde grondrechten door de lidstaten niet alleen moeten worden verzekerd tijdens de strafrechtelijke procedures, maar ook tijdens het vooronderzoek, vanaf het tijdstip dat de betrokken persoon in beschuldiging is gesteld. ( 27 ) Het is duidelijk dat de instellingen en organen van de Unie bij de uitvoering van het Unierecht aan dezelfde eisen zijn gebonden als de lidstaten. Hieruit volgt dat alleen door vast te stellen of OLAF, in het kader van de mededeling van informatie aan de nationale autoriteiten, met de nodige zorgvuldigheid en voorzichtigheid heeft gehandeld, zodat het de zorgvuldigheidsplicht niet heeft geschonden en de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid heeft geëerbiedigd, bepaald kan worden of die informatie en gegevens voldoende waren om melding van de betrokken feiten te rechtvaardigen.

48.

De vraag die thans rijst, is welke toets het Gerecht moet verrichten om na te gaan of op basis van die informatie of gegevens een dergelijke mededeling mag worden gedaan.

3) Toetsing door het Gerecht van de door OLAF meegedeelde informatie en gegevens

49.

Aangezien het Gerecht in het kader van de mededeling van informatie aan de nationale autoriteiten moet nagaan of OLAF op geldige wijze kon beschikken over informatie of gegevens die aanleiding konden geven tot strafrechtelijke vervolging ( 28 ), moet het mijns inziens vaststellen of OLAF aan de nationale autoriteiten aannemelijke informatie heeft overgedragen. ( 29 ) Het begrip „aannemelijkheid” impliceert dat de rechter in eerste aanleg moet nagaan of OLAF, op het tijdstip dat het informatie aan de nationale autoriteiten meedeelde, over meer gegevens beschikte dan een louter vermoeden, zonder evenwel harde bewijzen te verlangen die verder onderzoek overbodig maken. ( 30 ) In casu kon de aard van die informatie dus niet worden verondersteld ( 31 ), zodat het aan het Gerecht stond om de inhoud van de nota van 19 maart 2003 te onderzoeken.

50.

In dit verband merk ik op dat rekwiranten in eerste aanleg twee argumenten hebben aangevoerd. Ten eerste hebben zij betoogd dat het beginsel van behoorlijk bestuur was geschonden door het overhaast verstrekken van informatie. ( 32 ) Voor zover rekwiranten de Commissie in dit verband een gebrek aan zorgvuldigheid verwijten wegens het korte tijdsverloop tussen de audit van Eurostat in 1999 en de nota van 19 maart 2003, merk ik nogmaals op dat zij, op grond van de zorgvuldigheidsplicht in samenhang met het beginsel van behoorlijk bestuur, zoals verankerd in artikel 41, lid 1, van het Handvest, alle relevante factoren van het betrokken geval zorgvuldig en onpartijdig moet onderzoeken. Het is evenwel duidelijk dat op grond van dit tijdsverloop niet kan worden geconcludeerd dat bijzondere zorgvuldigheid is betracht, noch dat er sprake is geweest van een gebrek aan zorgvuldigheid, zodat het Gerecht in dit opzicht geen blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting.

51.

Ten tweede moet de argumentatie van rekwiranten, voor zover zij in eerste aanleg hebben betoogd dat de Commissie „verplicht was gegevens te verifiëren die van invloed konden zijn op het resultaat, aangezien het betrokken document rekwiranten van ernstige onregelmatigheden beschuldigde en voor hen ernstige economische gevolgen kon hebben”, in die zin worden begrepen dat OLAF niet had voldaan aan zijn verplichting om gegevens te verifiëren die van invloed konden zijn op het door de nationale autoriteiten te bereiken resultaat. ( 33 ) Rekwiranten hebben in wezen aangevoerd dat de betrokken onrechtmatigheid het gevolg was van schending van de zorgvuldigheidsplicht en dat OLAF (en/of de Commissie) de informatie die het aan de nationale autoriteiten had meegedeeld, had moeten verifiëren. ( 34 )

52.

In dit verband ben ik, zoals ik reeds heb opgemerkt ( 35 ), van mening dat in het kader van een beroep op grond van artikel 340 VWEU de aannemelijkheid van de door OLAF verstrekte informatie niet kan worden verondersteld ( 36 ), zodat het Gerecht de inhoud van de nota van 19 maart 2003 diende te onderzoeken en diende na te gaan of de verstrekte informatie aannemelijk was. ( 37 ) Daartoe diende het Gerecht na te gaan of OLAF over voldoende nauwkeurige materiële aanwijzingen beschikte die aantoonden dat er sprake was van een redelijk vermoeden dat de verstrekte informatie mogelijk strafbare feiten bevatte. Ik voeg daaraan toe dat de discretionaire bevoegdheid van de nationale autoriteiten om een nationale procedure in te leiden, er niets aan afdoet dat OLAF verplicht is om aannemelijke informatie te verstrekken en het Gerecht dient na te gaan of de verstrekte informatie aan dit vereiste voldoet. Het feit dat er sprake kan zijn van een „discrepantie” tussen de door OLAF aan de nationale autoriteiten verstrekte informatie en de bevindingen van de nationale rechterlijke instanties kan geen schending van het recht op behoorlijk bestuur vormen, aangezien de nationale autoriteiten, die geenszins gebonden zijn door de conclusies van OLAF, een onafhankelijk en onpartijdig onderzoek naar de feiten en juridische kwesties verrichten.

53.

In casu moet ik erop wijzen dat het Gerecht zich in punt 87 van het bestreden arrest ten eerste heeft beperkt tot de vaststelling dat uit de nota van 19 maart 2003 bleek dat de daarin vervatte informatie het resultaat was van een onderzoek dat was begonnen op basis van een intern auditverslag van Eurostat van september 1999, dus van bijna drieënhalf jaar eerder, en ten tweede heeft vastgesteld dat die nota het institutionele kader schetste waarbinnen het onderzoek plaatsvond, de geschiedenis van de in het onderzoek aan de orde gestelde feiten weergaf vanaf de oprichting van het datashopnetwerk in 1995 en 1996, de financiële betrekkingen binnen dat netwerk uiteenzette en een gedetailleerd overzicht gaf van de bevindingen die in de loop van het onderzoek waren gedaan. In punt 88 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat OLAF reeds op 19 maart 2003 beschikte over informatie waaruit kon worden afgeleid dat de in het geding aan de orde zijnde feiten mogelijkerwijs strafbaar waren.

54.

Het lijkt mij evenwel dat het Gerecht daarmee niet heeft aangetoond dat het de aannemelijkheid van de aan de nationale autoriteiten meegedeelde informatie heeft geverifieerd. Door een korte beschrijving te geven van de procedure die heeft geleid tot het besluit om de informatie aan de nationale autoriteiten te verstrekken en van de inhoud van de nota van 19 maart 2003, beoogt het Gerecht in het bestreden arrest immers aan te tonen dat OLAF zelf van mening kon zijn dat de betrokken feiten mogelijkerwijs strafbaar waren. Ik ben evenwel van mening dat het Gerecht zelf de informatie en de feitelijke gegevens had moeten verifiëren om na te gaan of het aannemelijk was dat de betrokken feiten mogelijkerwijs strafbaar waren.

55.

Bijgevolg ben ik van mening dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door niet de aannemelijkheid van de door OLAF aan de nationale autoriteiten verstrekte informatie en gegevens te onderzoeken. Ik geef het Hof dan ook in overweging om het bestreden arrest op dit punt te vernietigen en te oordelen dat het aan het Gerecht als rechter in eerste aanleg was om te onderzoeken of op basis van de informatie die OLAF in de nota van 19 maart 2003 aan de Franse autoriteiten had verstrekt, kon worden verondersteld dat het aannemelijk was dat de betrokken feiten mogelijkerwijs strafbaar waren.

2.   Tweede grief

56.

Rekwiranten beroepen zich op reputatieschade voor Charlot als gevolg van het lekken naar de pers door OLAF. Rekwiranten verwijzen naar artikelen die in mei en juni 2003 in bepaalde Duitstalige kranten zijn gepubliceerd, waarin de naam Planistat Europe wordt genoemd. Door de vermeende lekken heeft OLAF de geheimhoudingsplicht van artikel 8 van verordening nr. 1073/1999 en het beginsel van behoorlijk bestuur geschonden.

57.

Volgens de Commissie gaat het bij de vermeende lekken van de inhoud van de nota van 19 maart 2003 door OLAF om feitelijke beweringen, die, aangezien er geen sprake is van verdraaiing, niet tot het voorwerp van een hogere voorziening behoren. Hoe dan ook vormen de persartikelen die de bewering van rekwiranten ondersteunen, geen bewijs van schending van een geheimhoudingsplicht, aangezien in die artikelen slechts wordt verwezen naar gegevens die openbaar waren gemaakt toen een Duits lid van het Europees Parlement op 13 mei 2003, dat wil zeggen vóór de publicatie van de betrokken artikelen, een schriftelijke vraag stelde. ( 38 ) Bijgevolg blijkt uit de beweringen over de lekken niet dat er sprake is van schending – laat staan van een voldoende gekwalificeerde schending – van de geheimhoudingsplicht van OLAF.

58.

Voor zover rekwiranten met hun tweede grief OLAF verwijten dat het informatie aan de pers heeft bekendgemaakt ( 39 ), dient eraan te worden herinnerd dat uit artikel 256, lid 1, tweede alinea, VWEU, artikel 58, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie alsmede artikel 168, lid 1, onder d), en artikel 169, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof volgt dat een hogere voorziening, op straffe van niet-ontvankelijkheid van die hogere voorziening of van het betrokken middel, precies moet vermelden tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en duidelijk moet aangeven welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen. ( 40 ) In casu stel ik vast dat rekwiranten niet verwijzen naar een onjuiste rechtsopvatting of een specifiek punt van het bestreden arrest, zodat ik het Hof in overweging geef om deze grief kennelijk niet-ontvankelijk te verklaren.

B. Derde onderdeel van het tweede middel

59.

Met het derde onderdeel van het tweede middel, dat is onderverdeeld in drie grieven, verwijten rekwiranten het Gerecht dat het in punt 114 van het bestreden arrest blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie geen fout had gemaakt door bij de Franse rechterlijke instanties een klacht in te dienen tegen X en zich er burgerlijke partij te stellen.

1.   Eerste grief

60.

Rekwiranten betogen dat de Commissie een lasterlijke aanklacht tegen Planistat Europe en haar bestuurder heeft ingediend. De Commissie van haar kant betwist de ontvankelijkheid van deze grief.

61.

In dit verband merk ik op dat rekwiranten niet hebben aangegeven van welke onjuiste rechtsopvatting het Gerecht in zijn redenering blijk zou hebben gegeven. Zoals hierboven is uiteengezet, volgt uit artikel 168, lid 1, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof dat een hogere voorziening op straffe van niet-ontvankelijkheid van die hogere voorziening of van het betrokken middel, duidelijk moet aangeven tegen welke onderdelen van het arrest waarvan de vernietiging wordt gevorderd, zij is gericht en welke argumenten rechtens die vordering specifiek ondersteunen. ( 41 ) Een middel waarin slechts de voor het Gerecht aangevoerde middelen en argumenten worden herhaald of woordelijk worden overgenomen, en waarin zelfs geen argumenten naar voren worden gebracht waarmee specifiek wordt aangegeven op welk punt de bestreden beslissing op een onjuiste rechtsopvatting berust, voldoet niet aan deze vereisten. Wat ten slotte het begrip „lasterlijke aanklacht” betreft, verwijs ik naar mijn analyse van het eerste onderdeel van het tweede middel. ( 42 )

2.   Tweede grief

62.

Volgens rekwiranten heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn vaststelling dat de Commissie geen fout had gemaakt door bij de Franse rechterlijke instanties een klacht in te dienen tegen X en zich er burgerlijke partij te stellen. Meer in het bijzonder verwijten rekwiranten de Commissie in wezen dat zij overhaast te werk is gegaan toen zij de klacht indiende zonder de afronding van het onderzoek van OLAF af te wachten. Volgens rekwiranten heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in punt 111 van het bestreden arrest te erkennen dat de Commissie het recht had om de klacht in te dienen, terwijl de uitoefening van een dergelijk recht in de omstandigheden van de onderhavige zaak „misbruik” vormt. De Commissie had zich vooraf moeten vergewissen van de juistheid van de informatie die het voorwerp vormde van haar klacht.

63.

Om te beginnen heeft OLAF, zoals ik reeds heb opgemerkt, in casu de informatie aan de Franse autoriteiten meegedeeld op grond van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1073/1999 ( 43 ) en oefende OLAF met deze mededeling zijn bevoegdheden ter bescherming van de financiële belangen van de Unie uit die het ontleent aan artikel 280 EG (thans artikel 325 VWEU). ( 44 ) Bovendien volgt uit de rechtspraak van het Hof dat geen enkele bepaling in deze verordening de Commissie uitdrukkelijk verbiedt de zaak aanhangig te maken bij de gerechtelijke instantie voordat het onderzoek van OLAF is afgelopen, indien zij van mening is dat zij over informatie of gegevens beschikt die aanleiding kunnen geven tot strafrechtelijke vervolging. ( 45 ) Bijgevolg zou het, zoals de Commissie betoogt, in strijd zijn geweest met het doel van artikel 280 EG indien op de formele afsluiting van het OLAF-onderzoek werd gewacht, aangezien OLAF na drie jaar onderzoek reeds informatie had kunnen verzamelen die het in de loop van het onderzoek op basis van artikel 10, lid 1, van verordening nr. 1073/1999 aan de bevoegde autoriteiten had meegedeeld. ( 46 )

64.

Wat betreft het argument van rekwiranten dat het beginsel van inachtneming van een redelijke termijn is geschonden doordat de Commissie zich overhaast burgerlijke partij heeft gesteld, kan de schending van dit beginsel – mocht deze worden vastgesteld –, zoals het Gerecht in punt 108 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, slechts tot niet-contractuele aansprakelijkheid van de Commissie leiden voor zover daardoor schade is ontstaan als gevolg van een onredelijk tijdsverloop. ( 47 ) Bovendien zou moeten worden aangetoond dat de eventuele schending van dit beginsel de mogelijkheid van rekwiranten om zich doeltreffend te verdedigen, heeft aangetast, hetgeen in casu niet het geval is, aangezien zij zich voor de nationale rechter hebben kunnen verdedigen. Bijgevolg heeft het Gerecht geen blijk gegeven van een onjuiste opvatting door te oordelen dat de Commissie, door zich burgerlijke partij te stellen voordat zij het eindverslag in het kader van het externe onderzoek had ontvangen, dit beginsel niet heeft geschonden.

65.

Wat betreft het argument van rekwiranten dat het aan de Commissie stond om het door OLAF verrichte werk te controleren, moet worden opgemerkt dat OLAF volstrekt onafhankelijk opereert. ( 48 ) Zo zijn op grond van artikel 2, lid 1, van besluit 1999/352 en artikel 1, lid 1, van verordening nr. 1073/1999 de bevoegdheden van de Commissie op het gebied van externe administratieve onderzoeken met het oog op een krachtiger bestrijding van fraude, corruptie en alle andere onwettige activiteiten waardoor de financiële belangen van de Unie worden geschaad, en ter bestrijding van fraude in verband met alle andere feiten of activiteiten van marktdeelnemers waarbij Uniebepalingen worden geschonden, rechtstreeks aan OLAF toegekend. Bijgevolg kan de Commissie, zonder in te grijpen in de bevoegdheden van OLAF, niet worden verplicht de door OLAF meegedeelde informatie te verifiëren.

66.

Ten slotte betogen rekwiranten dat de Commissie geen klacht had mogen indienen, aangezien er „zeer uitzonderlijke omstandigheden” waren die haar dit beletten. Aangezien dit argument niet in het kader van het verzoekschrift is ingeroepen, is het mijns inziens niet-ontvankelijk.

3.   Derde grief

67.

Met hun derde grief betogen rekwiranten dat de Commissie deze klacht in de media heeft gebracht en aldus het beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden. Volgens de Commissie is deze grief niet-ontvankelijk.

68.

Er zij op gewezen dat rekwiranten verzuimd hebben in deze grief aan te geven van welke fout het Gerecht in zijn redenering in het bestreden arrest blijk heeft gegeven. De grief is dus niet-ontvankelijk.

69.

Derhalve geef ik het Hof in overweging het derde onderdeel van het tweede middel deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond te verklaren.

C. Eerste onderdeel van het tweede middel

70.

Met het eerste onderdeel van het tweede middel betogen rekwiranten dat het Gerecht had moeten erkennen dat er sprake was van een lasterlijke aanklacht van OLAF en de Commissie, die onder het begrip „smaad” valt en in 25 van de 27 landen van de Unie zowel een strafbaar feit als een onrechtmatige daad vormt. Het Gerecht heeft volgens rekwiranten blijk gegeven van een onjuiste opvatting door in de punten 74 en 76 van het bestreden arrest te oordelen dat zij zich, om zich te beroepen op het bestaan van een lasterlijke aanklacht, hebben gebaseerd op bepalingen van het Franse strafrecht, de rechtspraak van de Franse rechterlijke instanties en de Franse rechtsleer.

71.

Volgens rekwiranten had het Gerecht deze argumenten moeten onderzoeken in het licht van het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op behoorlijk bestuur, welke rechten zijn verankerd in respectievelijk artikel 7 en artikel 41 van het Handvest. Rekwiranten hadden de nationale rechtspraak inzake lasterlijke aanklachten enkel bij wijze van voorbeeld aangehaald om aan te tonen dat een dergelijke onrechtmatige daad de algemene beginselen schendt die de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben.

72.

De Commissie is van mening dat deze argumenten niet-ontvankelijk zijn, aangezien zij niet in eerste aanleg zijn aangevoerd. Zij is van mening dat rekwiranten in hun verzoekschrift voor het Gerecht hebben aangevoerd dat er sprake was van een lasterlijke aanklacht en uitdrukkelijk hebben verwezen naar de code pénal français en de relevante nationale rechtspraak. Rekwiranten hebben voor het Gerecht duidelijk aangevoerd dat het gedrag van OLAF en de Commissie onrechtmatig was wegens een lasterlijke aanklacht. ( 49 )

73.

Wat de ontvankelijkheid van het eerste onderdeel betreft, stelt de Commissie in de eerste plaats in wezen dat in het kader van dit eerste onderdeel bij het Hof een ruimer geschil aanhangig is dan het geschil dat aan het Gerecht is voorgelegd, aangezien rekwiranten zich pas in hun hogere voorziening voor het eerst op smaad hebben beroepen.

74.

Met betrekking tot de vraag of de argumenten van rekwiranten betrekking hebben op een lasterlijke aanklacht dan wel smaad, merk ik in dit verband op dat zij in hun verzoekschrift in eerste aanleg hebben betoogd dat de lasterlijke aanklacht, te weten de mededeling van informatie aan de Franse gerechtelijke autoriteiten, gepaard ging met smadelijke communicatie, met name het lekken naar de pers over die mededeling. ( 50 ) Voor zover zij enerzijds kritiek hebben geuit op de toezending van de nota van 19 maart 2003 en de indiening van een klacht met burgerlijke partijstelling tegen hen door de Commissie op 10 juli 2003, hebben zij aangevoerd dat er sprake was van een lasterlijke aanklacht tegen hen. ( 51 ) Anderzijds merk ik op dat rekwiranten, voor zover zij kritiek hebben geuit op het vermeende lekken naar de media door OLAF en de Commissie, hebben verwezen – zij het kort – naar „smadelijke” perscommuniqués, die in strijd waren met het recht op het vermoeden van onschuld van de betrokkene. ( 52 )

75.

Ik geef het Hof dan ook in overweging om vast te stellen dat rekwiranten reeds in eerste aanleg argumenten hebben aangevoerd die zowel op een lasterlijke aanklacht als op smaad betrekking hebben. Het argument met betrekking tot smaad lijkt echter alleen betrekking te hebben op de bewering dat de informatie naar de pers is gelekt ( 53 ) en niet op de mededeling van informatie door OLAF en de Commissie aan de nationale autoriteiten. Wat voorts de vraag betreft of „lasterlijke aanklacht” een begrip is dat verwant is aan „smaad” dan wel er rechtstreeks onder valt, en de vraag of laster schending van de artikelen 7 en 41 van het Handvest vormt, ben ik van mening dat deze vragen verband houden met de grond van de zaak, die ik hieronder zal onderzoeken. ( 54 )

76.

In de tweede plaats betoogt de Commissie in wezen dat in het verzoekschrift in eerste aanleg met geen enkel argument wordt aangevoerd dat er, in strijd met een bepaling of een algemeen beginsel van het Unierecht, sprake is van smaad.

77.

In dit verband volstaat het op te merken dat ten eerste het petitum van het inleidende verzoekschrift betrekking heeft op de voldoende gekwalificeerde schending van de zorgvuldigheidsplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur, van de rechten van de verdediging, van het recht op het vermoeden van onschuld, en van de geheimhoudingsplicht. Naar mijn mening is het duidelijk dat rekwiranten hebben verwezen naar de algemene Unierechtelijke beginselen, zoals vastgelegd in het Handvest. ( 55 ) Ten tweede wordt deze beoordeling ondersteund door lezing van de argumenten in het verzoekschrift in eerste aanleg, aangezien rekwiranten zich, met name wat betreft de beweringen in verband met de lasterlijke aanklacht, hebben beroepen op aantasting van de reputatie of eer en dus op aantasting van het privéleven van een persoon, in de zin van de vrijheid van meningsuiting die is verankerd in artikel 10 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ( 56 ) Bovendien hebben zij in hun memorie van repliek in eerste aanleg geconcludeerd dat er sprake was van aantasting van iemands reputatie, die onder de eerbiediging van het privéleven valt ( 57 ), en van het recht op behoorlijk bestuur, zoals verankerd in artikel 41 van het Handvest ( 58 ). Ik kom daarom tot de slotsom dat de Commissie niet met succes kan betogen dat de schending van het Unierecht een nieuw argument is dat voor het eerst in hogere voorziening is aangevoerd.

78.

Wat in de derde plaats de verjaring van het eerste onderdeel van het tweede middel inzake smaad betreft, zij eraan herinnerd dat volgens artikel 46 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie vorderingen tegen de Unie inzake niet-contractuele aansprakelijkheid verjaren vijf jaar na het feit dat tot deze vordering aanleiding heeft gegeven. In casu lijkt het middel dat is ontleend aan smaad wegens het lekken naar de pers te zijn verjaard, aangezien deze schade meteen is veroorzaakt.

79.

Indien het onderzoek van OLAF en de toezending van het verslag van dit onderzoek onder het beginsel van geheimhouding vallen dat is vastgelegd in artikel 8 van verordening nr. 1073/1999, ontstaat de schade als gevolg van schending van dit beginsel op het tijdstip van openbaarmaking van de vertrouwelijke gegevens. Derhalve moet een onderscheid worden gemaakt naargelang van de vraag of de schade ontstaat door de lasterlijke aanklacht dan wel door smaad, met als gevolg dat in het laatste geval de onrechtmatige daad vaststaat, ongeacht de uitspraak van het arrest van de Cour de cassation. Het Gerecht heeft in punt 60 van het bestreden arrest dan ook terecht geoordeeld dat de eventuele uitkomst van de nationale gerechtelijke procedure geen invloed kan hebben op de instelling van een beroep in verband met niet-contractuele aansprakelijkheid, zodat er, ongeacht de uitspraak van de Cour de cassation, sprake was van een onrechtmatige daad wegens smaad.

80.

Hieruit volgt dat rekwiranten binnen vijf jaar na de publicatie van de vermeende smadelijke uitlatingen, die tussen mei en juli 2003 zijn gedaan, vergoeding van deze schade hadden moeten vorderen. Ik geef het Hof dan ook in overweging om de door de Commissie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid toe te wijzen.

81.

Wat de inhoud van het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, betwisten rekwiranten de beoordeling door het Gerecht van de argumenten betreffende de lasterlijke aanklacht.

82.

In de punten 74 tot en met 76 van het bestreden arrest, die behoren tot het deel van het arrest dat betrekking heeft op het onderzoek van de onrechtmatigheid van het gedrag van OLAF en de Commissie wegens een lasterlijke aanklacht, stelt het Gerecht vast dat rekwiranten zich hebben gebaseerd op bepalingen van het Franse strafrecht, de rechtspraak van de Franse rechterlijke instanties en de Franse rechtsleer ter zake. Het Gerecht merkt op dat de rechterlijke instanties van de Unie weliswaar exclusief bevoegd zijn om uitspraak te doen over vorderingen tot vergoeding van schade die aan de instellingen van de Unie kan worden toegerekend, maar dat de uitlegging en het juridische kader van de door rekwiranten aangevoerde feiten in het Franse strafrecht niet tot de bevoegdheid van de Unierechter behoren. In die omstandigheden zijn de argumenten van rekwiranten betreffende het bestaan van een lasterlijke aanklacht volgens het Gerecht ongegrond en moeten zij dus worden verworpen.

83.

Opgemerkt zij dat de redenering van het Gerecht in de punten 74 tot en met 76 van het bestreden arrest is gebaseerd op een lezing van het verzoekschrift volgens welke rekwiranten enkel argumenten ter ondersteuning van het nationale recht hebben aangevoerd. Zoals ik reeds in het deel over de niet-ontvankelijkheid heb uiteengezet, lijkt het mij echter vast te staan dat rekwiranten zich hebben beroepen op het Unierecht en in het bijzonder op de algemene beginselen ervan. ( 59 ) Volgens het verzoekschrift in eerste aanleg is de lasterlijke aanklacht die OLAF en de Commissie hebben ingediend in strijd met de zorgvuldigheidsplicht ( 60 ) en het recht op behoorlijk bestuur, die zijn neergelegd in artikel 41 van het Handvest. ( 61 )

84.

Hoe dan ook ben ik van mening dat het aan het Gerecht staat om de algemene beginselen van het Unierecht, zelfs bij gebreke van een uitdrukkelijke verwijzing daarnaar, overeenkomstig het beginsel iura novit curia te onderzoeken. ( 62 ) Aangezien het begrip „lasterlijke aanklacht” in het Unierecht niet of nauwelijks is ontwikkeld, is het ten slotte volkomen begrijpelijk dat partijen hun argumenten illustreren aan de hand van de nationale rechtspraak en de nationale rechtsleer om de strekking ervan af te bakenen, temeer daar de algemene rechtsbeginselen, die in het Handvest zijn herbevestigd, ten dele voortvloeien uit de gemeenschappelijke tradities van de lidstaten. ( 63 )

85.

Door te oordelen dat rekwiranten hebben verwezen naar schending van de regels van nationaal recht, heeft het Gerecht mijns inziens dan ook een te formele en restrictieve lezing gegeven van het verzoekschrift en de memorie van repliek in eerste aanleg, die uitdrukkelijke verwijzingen bevatten naar de algemene beginselen van het Unierecht en de bepalingen van het Handvest. Ik geef het Hof dus in overweging het eerste onderdeel van het tweede middel toe te wijzen en vast te stellen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste opvatting door in de punten 74 en 76 van het bestreden arrest te oordelen dat rekwiranten zich, om zich te beroepen op het bestaan van een lasterlijke aanklacht, hebben gebaseerd op bepalingen van het Franse strafrecht, de rechtspraak van de Franse rechterlijke instanties en de Franse rechtsleer.

86.

Ten slotte zal ik volledigheidshalve enkele opmerkingen maken over de vraag of een lasterlijke aanklacht eventueel een voldoende gekwalificeerde schending kan vormen van een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren.

87.

Opgemerkt zij dat er in de bepalingen van afgeleid Unierecht geen directe rechtsbron voor de lasterlijke aanklacht lijkt te bestaan. Om te bepalen wat de kenmerken zijn van inbreukmakend gedrag met het oog op de vaststelling van schending van een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, moeten de gemeenschappelijke tradities van de lidstaten worden onderzocht.

88.

In dit verband vormt de lasterlijke aanklacht een strafbaar feit dat in het strafrecht van verschillende lidstaten is opgenomen ( 64 ), zodat kan worden verondersteld dat het gaat om een gemeenschappelijke traditie van de lidstaten. Een lasterlijke aanklacht houdt in dat een niet-bestaande laakbare en strafbare handeling of een niet-bestaand laakbaar of strafbaar feit ter kennis van de autoriteiten wordt gebracht. ( 65 ) Niet alle aanklachten zijn echter noodzakelijkerwijs lasterlijk. Gewoonlijk worden lasterlijke aanklachten namelijk gekenmerkt door de onwaarheid van de gemelde feiten en de lasterlijke intentie van de indiener ervan. ( 66 ) Met andere woorden, enkel onoplettendheid of nalatigheid heeft geen opzettelijk strafbaar feit tot gevolg. Indien rekwiranten er in eerste aanleg in slagen aan te tonen dat OLAF inderdaad opzettelijk onjuiste informatie aan de nationale autoriteiten heeft verstrekt, kan dus worden vastgesteld dat er sprake is van een lasterlijke aanklacht. Dergelijk gedrag zou dan de individuele grondrechten van de aangeklaagde persoon kunnen aantasten en het staat aan het Gerecht om, teneinde te bepalen of er sprake is van een voldoende gekwalificeerde schending van een rechtsregel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren, te onderzoeken of de vermeende lasterlijke aanklacht mogelijk schending vormt van de in het Handvest verankerde grondrechten die overeenkomstig artikel 52, lid 3 van het Handvest moeten worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM).

89.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om het eerste onderdeel van het tweede middel gedeeltelijk toe te wijzen, voor zover het Gerecht heeft geweigerd de argumentatie van rekwiranten betreffende een lasterlijke aanklacht te onderzoeken.

V. Beroep bij het Gerecht

90.

Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, indien het de beslissing van het Gerecht vernietigt, de zaak zelf afdoen wanneer die in staat van wijzen is. Dit is in casu niet het geval, aangezien het Gerecht noch de aannemelijkheid van de door OLAF aan de nationale autoriteiten meegedeelde informatie en feitelijke gegevens, noch de inhoud ervan, noch de bedoeling van deze mededeling heeft onderzocht.

VI. Kosten

91.

Daar de zaak volgens mijn bevindingen naar het Gerecht moet worden terugverwezen, dient de beslissing omtrent de kosten te worden aangehouden overeenkomstig artikel 137 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, dat ingevolge artikel 184, lid 1, van dit Reglement van toepassing is op de procedure in hogere voorziening.

VII. Conclusie

92.

Gelet op een en ander en onverminderd de gegrondheid van andere middelen in hogere voorziening, geef ik het Hof in overweging het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 6 april 2022 in de zaak Planistat Europe en Charlot/Commissie (T‑735/20, EU:T:2022:220), gedeeltelijk te vernietigen voor zover het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ten eerste de aannemelijkheid van de door OLAF aan de nationale autoriteiten meegedeelde gegevens en feiten niet te onderzoeken en ten tweede de argumentatie van rekwiranten betreffende een eventuele lasterlijke aanklacht niet te onderzoeken. Ik geef het Hof in overweging de beslissing omtrent de kosten aan te houden.


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) T‑735/20, EU:T:2022:220; hierna: „bestreden arrest”.

( 3 ) PB 1999, L 136, blz. 1.

( 4 ) Deze verordening, die ratione temporis van toepassing is op de feiten van de onderhavige zaak, is ingetrokken bij en vervangen door verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door [OLAF] en tot intrekking van verordening nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (PB 2013, L 248, blz. 1).

( 5 ) Hoe dan ook betoogt de Commissie dat dit verwijt wordt tegengesproken door de bewoordingen van het definitieve onderzoeksverslag, waarin sprake is van een bedrag dat op onregelmatige wijze aan Planistat Europe is betaald, aangezien uit het onderzoek blijkt dat deze onderneming actief heeft deelgenomen aan de vorming van een verborgen reserve die haar in staat heeft gesteld om door middel van een systeem van valse facturen te profiteren van met name financiële middelen die niet waren voorzien in de voorwaarden van de opdracht. Overigens vormt deze bevinding een bevestiging van die in het auditverslag van Eurostat (zie bijlagen A.11, blz. 550‑552, en A.13, blz. 569).

( 6 ) Zie punt 88 van deze conclusie.

( 7 ) Punten 57 e.v. van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 8 ) Arrest van 10 juni 2021 (EU:C:2021:468, punt 61).

( 9 ) Zie de punten 82‑86 van het bestreden arrest.

( 10 ) Zie de punten 87‑92 van het bestreden arrest.

( 11 ) Arrest van 23 maart 2004, Ombudsman/Lamberts (C‑234/02 P, EU:C:2004:174, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 12 ) Zie in die zin arresten van 4 april 2017, Ombudsman/Staelen (C‑337/15 P, EU:C:2017:256, punt 37), en 30 mei 2017, Safa Nicu Sepahan/Raad (C‑45/15 P, EU:C:2017:402, punt 30). Wanneer deze instelling bijvoorbeeld slechts een zeer beperkte of in het geheel geen beoordelingsmarge heeft, kan de enkele inbreuk op het Unierecht volstaan om een voldoende gekwalificeerde schending te doen vaststaan [zie in die zin arrest van 10 december 2002, Commissie/Camar en Tico (C‑312/00 P, EU:C:2002:736, punt 54)].

( 13 ) Zie, wat betreft de rechterlijke toetsing van vermeende schendingen door OLAF, Inghelram, J. F. H., Legal and Institutional Aspects of the European Anti-fraud Office (OLAF) – An Analysis with a Look Forward to a European Public Prosecutor’s Office, Europa Law Publishing, Zutphen 2011, blz. 203, en Groussot, X., en Popov, Z., „What’s wrong with OLAF? Accountability, due process and criminal justice in European anti-fraud policy”, Common Market Law Review, deel 47, 2010, blz. 605‑643. Zie over het beroep tot schadevergoeding Inghelram, J. F. H., „Judicial review of investigative acts of the European Anti-Fraud Office (OLAF): a search for balance”, Common Market Law Review, deel 49, 2012, blz. 616‑617.

( 14 ) Zie in die zin arrest van 16 december 2008, Masdar (UK)/Commissie (C‑47/07 P, EU:C:2008:726, punten 92 en 93).

( 15 ) Zie in die zin arrest van 16 september 2013, ATC e.a./Commissie (T‑333/10, EU:T:2013:451, punt 93).

( 16 ) Zie naar analogie, wat de onpartijdigheidsregel betreft, arrest van 6 april 2006, Camós Grau/Commissie (T‑309/03, EU:T:2006:110, punten 102 en 103).

( 17 ) Zie in die zin Inghelram, J. F. H., Legal and Institutional Aspects of the European Anti-Fraud Office (OLAF), Europa Law Publishing, Amsterdam, 2011, met name blz. 107.

( 18 ) Zie voor de uitvoering van een extern onderzoek Inghelram, J. F. H., Legal and Institutional Aspects of the European Anti-Fraud Office (OLAF) – An Analysis with a Look Forward to a European Public Prosecutor’s Office, zoals aangehaald in voetnoot 13 van deze conclusie, blz. 65 e.v.

( 19 ) Zie punt 84 van het bestreden arrest.

( 20 ) Cursivering van mij.

( 21 ) Zie in dit verband artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1073/1999, op grond waarvan OLAF in het kader van interne onderzoeken verkregen informatie over strafrechtelijk vervolgbare feiten moet meedelen aan de gerechtelijke instanties van de betrokken lidstaat.

( 22 ) Zie ook overweging 1 van verordening nr. 1073/1999.

( 23 ) Zie ook aan OLAF toegekende bevoegdheden, die uitdrukkelijk en gedetailleerd zijn beschreven in besluit 1999/352/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 28 april 1999 houdende oprichting van OLAF (PB 1999, L 136, blz. 20).

( 24 ) Zie in die zin beschikkingen van het Gerecht van 13 juli 2004, Comunidad Autónoma de Andalucía/Commissie (T‑29/03, EU:T:2004:235, punt 37); 21 juni 2017(Inox Mare/Commissie, T‑289/16, EU:T:2017:414, punt 22), en 22 januari 2018(Ostvesta/Commissie, T‑175/17, EU:T:2018:49, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 25 ) Zie arrest van 10 juni 2021, Commissie/De Esteban Alonso (C‑591/19 P, EU:C:2021:468, punt 57).

( 26 ) In dit verband breng ik in herinnering dat, gelet op het in artikel 4, lid 3, VEU, vastgelegde beginsel van loyale samenwerking, de samenwerking tussen OLAF en de nationale autoriteiten een zeker vertrouwen inhoudt en derhalve een belangrijke bewijskracht heeft.

( 27 ) Zie in die zin arrest van 17 januari 2019, Dzivev e.a. (C‑310/16, EU:C:2019:30, punt 33).

( 28 ) Zoals ik reeds in punt 46 hierboven heb opgemerkt, ben ik van mening dat het arrest van 10 juni 2021, Commissie/De Esteban Alonso (C‑591/19 P, EU:C:2021:468, punt 57) weliswaar enkel verwijst naar de noodzaak om „een gerechtelijk onderzoek [in te leiden] of […] voor een dergelijk onderzoek nuttige bewijzen [te] vormen”, maar dat het relevante criterium de beschikking over de gegevens met betrekking tot onrechtmatige feiten moet zijn, aangezien de noodzaak om een gerechtelijke procedure in te stellen onder de bevoegdheid van de nationale autoriteiten valt.

( 29 ) Zie naar analogie de bewoordingen van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 1073/1999.

( 30 ) Zie in die zin en naar analogie Mascala, C., „La fonction de l’apparence vraisemblable dans l’enquête pénale”, Juge et Apparence(s) [online]. Presses de l’Université, Toulouse, Capitole, 2010. http://books.openedition.org/putc/293. Volgens de auteur komt het begrip „aannemelijkheid” overeen met een toestand tussen louter twijfel, die onvoldoende is om een strafrechtelijk onderzoek in te stellen of bepaalde handelingen ervan te verrichten, en harde bewijzen, die verdere onderzoekshandelingen overbodig maken.

( 31 ) Zie Groussot. X., en Popov, Z., „What’s wrong with OLAF? Accountability, due process and criminal justice in European anti-fraud policy”, Common Market Law Review, deel 47, blz. 605‑643.

( 32 ) Zie met name punt 86 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 33 ) Zie ook punt 74 van het verweerschrift van de Commissie in eerste aanleg.

( 34 ) In deze omstandigheden ben ik van mening dat het recht op behoorlijk bestuur, dat is verankerd in artikel 41 van het Handvest, zoals ingeroepen door rekwiranten, de uitdrukking van specifieke rechten in de zin van deze bepaling vormt, te weten het recht dat hun zaken onpartijdig en billijk worden behandeld en dat de bevoegde instelling dus alle relevante gegevens van het individuele geval zorgvuldig en onpartijdig dient te onderzoeken. Dit recht moet in casu derhalve worden aangemerkt als een regel die ertoe strekt rechten toe te kennen aan particulieren.

( 35 ) Zie punt 51 hierboven.

( 36 ) Zie Groussot. X., en Popov, Z., „What’s wrong with OLAF? Accountability, due process and criminal justice in European anti-fraud policy”, Common Market Law Review, deel 47, blz. 605‑643.

( 37 ) Zie punt 88 van het bestreden arrest.

( 38 ) Bijlage A.18, blz. 669‑675.

( 39 ) Zie de punten 67‑69 van de hogere voorziening.

( 40 ) Arresten van 26 januari 2017, Mamoli Robinetteria/Commissie (C‑619/13 P, EU:C:2017:50, punt 42), en 8 juni 2017, Dextro Energy/Commissie (C‑296/16 P, EU:C:2017:437, punt 60).

( 41 ) Zie punt 58 van deze conclusie.

( 42 ) Zie de punten 81 en 90 hieronder.

( 43 ) Zie punt 84 van het bestreden arrest.

( 44 ) Er zij op gewezen dat de aan de orde zijnde mededeling verschilt van het verstrekken van bewijsmiddelen zoals bedoeld in artikel 9, lid 2, van verordening nr. 1073/1999.

( 45 ) Zie naar analogie arrest van 10 juni 2021, Commissie/De Esteban Alonso (C‑591/19 P, EU:C:2021:468, punten 56 en 57).

( 46 ) In dit verband zij opgemerkt dat de Commissie zich beroept op de verjaringstermijn van zes jaar waarin het Franse recht voorziet om vervolging in te stellen, om uit te leggen dat zij verplicht was zo snel mogelijk een klacht in te dienen zodra OLAF de feiten had kunnen vaststellen, omdat zij anders het risico zou lopen dat een strafrechtelijke vervolging in Frankrijk, althans gedeeltelijk, onmogelijk zou zijn door verjaring. Volgens de Commissie bepaalt artikel 113‑8 van de code pénal français (Frans wetboek van strafrecht) dat voor strafbare feiten die buiten het Franse grondgebied zijn gepleegd, de vervolging op verzoek van het openbaar ministerie moet worden voorafgegaan door een klacht van het slachtoffer. In casu was de verjaringstermijn van zes jaar om vervolging in te stellen, zoals bedoeld in artikel 8 van de code de procédure pénale français (Frans wetboek van strafvordering), reeds ingegaan, aangezien de feiten dateerden van 1996 tot en met 1999.

( 47 ) Zie naar analogie arrest van 9 juni 2016, CEPSA/Commissie (C‑608/13 P, EU:C:2016:414, punt 61).

( 48 ) Zie in die zin en naar analogie arrest van 8 juli 2008, Franchet en Byk/Commissie (T‑48/05, EU:T:2008:257, punt 299).

( 49 ) De Commissie beroept zich bovendien op een passage uit het verslag van de terechtzitting voor het Gerecht, waarin sprake is van een lasterlijke aanklacht en niet van laster of smaad.

( 50 ) Punten 37‑40 van het verzoekschrift in eerste aanleg. Zie ook het onderscheid in de punten 62 en 63 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 51 ) Zie met name de punten 37, 43, 44 en 56 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 52 ) Zie met name de punten 59 en 69 van het verzoekschrift in eerste aanleg, waarin wordt verwezen naar het lekken naar de pers.

( 53 ) Zie met name de context van punt 110 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 54 ) Zie de punten 81-90 van deze conclusie.

( 55 ) Met name uit de verwijzing naar de zorgvuldigheidsplicht en het beginsel van behoorlijk bestuur, die op het eerste gezicht bindend zijn voor de administratie van de Unie, blijkt dat rekwiranten zich willen beroepen op algemene beginselen van de Unie.

( 56 ) Zie met name punt 110 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 57 ) Punt 27 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 58 ) Punt 29 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 59 ) Zie de punten 74 en 75 van deze conclusie.

( 60 ) Punt 56 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 61 ) Punt 58 van het verzoekschrift in eerste aanleg.

( 62 ) Zie in die zin arrest van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39, punt 54). Bovendien heeft het Gerecht zelf geoordeeld dat volgens de rechtspraak de ontvankelijkheid van een middel niet afhangt van het gebruik van een bijzondere terminologie of van het aanvoeren van concrete rechtsregels of ‑beginselen. Het heeft erop gewezen dat het de taak van de Unierechter is om de relevante bepalingen vast te stellen en deze toe te passen op de feiten die de partijen hem hebben voorgelegd, zelfs al hebben zij niet naar de betrokken bepalingen verwezen of hebben zij zelfs andere bepalingen aangevoerd [zie in die zin arrest van 24 september 2015, Italië en Spanje/Commissie (T‑124/13 en T‑191/13, EU:T:2015:690)].

( 63 ) Zie de punten 87-91 van deze conclusie.

( 64 ) Zie ter illustratie in het Duitse recht § 164 van het Strafgesetzbuch (Duitse wetboek van strafrecht); in het Franse recht artikel 226‑10 van de code pénal; in het Letse recht de artikelen 290 en 298 van de Krimināllikums (Letse wetboek van strafrecht) en in het Slowaakse recht § 345 van de zákon 300/2005 Z.z., Trestný zákon (Slowaakse wetboek van strafrecht). Zie ook arrest van 6 september 2011, Patriciello (C‑163/10, EU:C:2011:543), inzake de lasterlijke aanklacht in Italië.

( 65 ) Zie bijvoorbeeld artikel 226‑10 van de code pénal français.

( 66 ) Zie de in voetnoot 64 van deze conclusie aangehaalde bepalingen. Zie ook Ceccaldi, S., „Sur la nature conjecturale de l’élément moral: l’exemple de la dénonciation calomnieuse”, Revue de science criminelle et de droit pénal comparé, deel 2, nr. 3, blz. 587‑598.