CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

L. MEDINA

van 8 juni 2023 ( 1 )

Zaak C‑231/22

Belgische Staat

tegen

Gegevensbeschermingsautoriteit,

in tegenwoordigheid van:

LM

[verzoek van de cour d’appel de Bruxelles (hof van beroep Brussel, België) om een prejudiciële beslissing]

„Verzoek om een prejudiciële beslissing – Verordening (EU) 2016/679 – Artikel 4, punten 7 en 8 – Verwerking van persoonsgegevens – Begrippen ‚verwerkingsverantwoordelijke’ en ‚verwerker’ – Vaststelling van het doel van en de middelen voor de gegevensverwerking – Aanwijzingsverplichting ingevolge het nationale recht – Staatsblad – Bekendmaking van een door een notaris krachtens het wetboek van vennootschappen opgestelde akte – Verzoek tot verwijdering – Beoordelingsmarge – Onveranderlijkheid – Artikel 5, lid 2 – Opeenvolgende verwerkingsverantwoordelijken – Onderscheiden verplichtingen van onderscheiden entiteiten”

1.

Acta Diurna waren in steen of metaal gegraveerde dagelijkse officiële Romeinse berichten die op openbare plaatsen zoals het Forum Romanum werden uitgehangen. In het digitale tijdperk kunnen nationale autoriteiten worden geconfronteerd met de vraag of de in het staatsblad van een gegeven land gepubliceerde gegevens – figuurlijk gesproken – ook in steen zijn gegraveerd, dan wel of zij kunnen worden gewist of gewijzigd.

2.

Het hoofdgeding vindt zijn oorsprong in de bekendmaking van gegevens door het Belgisch Staatsblad, dat officiële documenten op papier en elektronisch publiceert.

3.

Het hoofdgeding speelt tussen de Belgische Staat en de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: „GBA”). Nadat de functionaris voor gegevensbescherming (hierna: „DPO”) van een notaris had vastgesteld dat een passage uit een door die notaris gewaarmerkt besluit van een vennootschap die naast de naar Belgisch recht vereiste gegevens persoonsgegevens van een natuurlijke persoon bevatte, per vergissing was gepubliceerd, heeft deze functionaris het Belgisch Staatsblad verzocht deze gegevens te wissen. De Federale Overheidsdienst Justitie (hierna: „FOD Justitie”), de beheersautoriteit van het Belgisch Staatsblad, heeft dit verzoek echter afgewezen.

4.

In deze context hebben de vragen die de cour d’appel de Bruxelles in zijn verzoek om een prejudiciële beslissing heeft gesteld, een nogal enge strekking. De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of het Belgisch Staatsblad dan wel de FOD Justitie moet worden beschouwd als „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 4, punt 7, van verordening (EU) 2016/679 ( 2 ) (hierna: „AVG”). Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, vraagt de verwijzende rechter zich voorts af wat de grenzen zijn van de verplichtingen van een verwerkingsverantwoordelijke wanneer de verwerking wordt verricht door opeenvolgende entiteiten.

I. Toepasselijke bepalingen

A.   Unierecht

5.

In hoofdstuk I AVG, met als opschrift „Algemene bepalingen”, worden in artikel 4 onder meer de volgende termen gedefinieerd: „persoonsgegevens”, „verwerking”, „verwerkingsverantwoordelijke” en „verwerker”.

6.

De artikelen 5, 6, 17 en 26 AVG zijn in de onderhavige zaak eveneens relevant.

B.   Nationaal recht

1. Wetboek van vennootschappen

7.

Artikel 67, §§ 1 en 2, van de wet van 7 mei 1999 houdende het wetboek van vennootschappen ( 3 ) (hierna: „wetboek van vennootschappen”) bepaalde:

„§ 1.   De expedities van de authentieke akten, de dubbels of originelen van de onderhandse akten en de uittreksels waarvan de volgende artikelen de neerlegging of bekendmaking voorschrijven, moeten neergelegd worden ter griffie van de rechtbank van koophandel van het rechtsgebied waarbinnen de vennootschap haar zetel heeft.

[…]

§ 2.   De neergelegde stukken worden bewaard in het dossier dat voor ieder van deze vennootschappen en economische samenwerkingsverbanden op [de griffie van de kruispuntbank] wordt bijgehouden.”

8.

Artikel 71 van dat wetboek luidde:

„Het uittreksel van de akten van vennootschappen wordt voor de authentieke akten getekend door de notarissen, voor de onderhandse akten door alle hoofdelijk aansprakelijke vennoten, of door een van hen, die door de anderen bijzonder gemachtigd is.”

9.

Artikel 73 van dat wetboek bepaalde:

„De bekendmaking geschiedt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad, binnen vijftien dagen na de neerlegging, op straffe van schadevergoeding ten laste van de ambtenaren aan wie het verzuim of de vertraging te wijten is.”

[…]

10.

Artikel 74, 1°, van dat wetboek was als volgt verwoord:

„Overeenkomstig de vorige artikelen worden neergelegd en bekendgemaakt:

1° de akten die bepalingen wijzigen waarvoor dit wetboek de bekendmaking voorschrijft […]”.

2. Koninklijk besluit van 30 januari 2001

11.

Artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen ( 4 ) luidde:

„[…] [A]lle akten, uittreksels van akten, processen-verbaal en stukken waarvan de openbaarmaking door het Wetboek van vennootschappen [wordt bevolen], [worden] in ontvangst genomen door de griffiers van de rechtbanken van koophandel.”

12.

Artikel 11 van dit koninklijk besluit bepaalde:

„§ 1.   De akten, uittreksels van akten en stukken die in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad moeten worden bekendgemaakt, worden neergelegd ter griffie samen met een afschrift. […]

§ 2.   Elk neergelegd papieren stuk moet aan de volgende voorwaarden beantwoorden:

naargelang het geval, eigenhandig ondertekend zijn door de notaris die de akte opmaakt of door personen die bevoegd zijn om de vennootschap of onderneming tegenover derden te vertegenwoordigen, waarbij de naam en de hoedanigheid van de ondertekenaars dienen te worden vermeld;

[…]

§ 3.   In de afschriften bestemd voor het Belgisch Staatsblad, van akten, uittreksels van akten en stukken bedoeld in de artikelen 67, 68 [en] 74 […] van het Wetboek van vennootschappen […] met niets zijn geschrapt noch verbeterd.

[…]”

13.

Artikel 14, eerste lid, van dat koninklijk besluit luidde als volgt:

„Uiterlijk de tweede werkdag na de datum van de neerlegging zendt de griffier aan het bestuur van het Belgisch Staatsblad de afschriften van de akten, uittreksels van akten en stukken […] die hij heeft ontvangen en die in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad moeten worden bekendgemaakt.

[…]”

14.

Artikel 16 van dat koninklijk besluit bepaalde:

„Wanneer bekendmaking vereist is, vindt zij plaats in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad binnen de termijnen door de wet bepaald.”

3. Programmawet I van 24 december 2002

15.

Artikel 472 van de programmawet van 24 december 2002 ( 5 ) bepaalt:

„Het Belgisch Staatsblad is een officiële publicatie uitgegeven door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad, die alle teksten waarvoor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad wordt bevolen, verzamelt.”

16.

Artikel 474 van deze programmawet luidt als volgt:

„De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad door het Bestuur van het Belgisch Staatsblad gebeurt in drie exemplaren die op papier gedrukt worden.

[…]

Eén exemplaar wordt bewaard op elektronische wijze. De Koning bepaalt de modaliteiten van de bewaring op elektronische wijze […]”.

17.

Artikel 475 van diezelfde programmawet is als volgt verwoord:

„Elke andere terbeschikkingstelling van het publiek gebeurt via de internetsite van het Bestuur van het Belgisch Staatsblad.

De op deze internetsite ter beschikking gestelde publicaties zijn de exacte reproducties in elektronisch formaat van de in artikel 474 vermelde exemplaren op papier.”

18.

Artikel 475bis van de programmawet van 24 december 2002 luidt:

„Iedere burger kan bij de diensten van het Belgisch Staatsblad, door middel van een gratis telefonische hulpdienst, een afschrift van de in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakte akten en documenten verkrijgen tegen kostprijs. Deze dienst is eveneens belast met het leveren van een hulpdienst aan de burgers bij het zoeken van documenten.”

19.

Artikel 475ter van deze programmawet bepaalt:

„Bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad worden andere begeleidende maatregelen genomen met het oog op een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de in het Belgisch Staatsblad opgenomen informatie.”

II. Feiten, procedure en prejudiciële vragen

20.

LM is meerderheidsaandeelhouder van Bureau LM, een Belgische vennootschap met beperkte aansprakelijkheid.

21.

Op 23 januari 2019 heeft deze vennootschap een algemene vergadering gehouden en besloten om het vennootschapskapitaal te verminderen en daartoe de statuten van die vennootschap gewijzigd.

22.

Overeenkomstig de wettelijke bekendmakingsregels heeft de instrumenterende notaris een uittreksel van dat besluit opgesteld. Op 12 februari 2019 heeft de notaris het uittreksel ter griffie van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel (België) neergelegd met het oog op de officiële bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

23.

Op 22 februari 2019 is dit uittreksel bekendgemaakt in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. Het bevatte met name het besluit tot vermindering van het vennootschapskapitaal, het oorspronkelijke bedrag van het kapitaal, het bedrag van de kapitaalvermindering, het nieuwe bedrag van het vennootschapskapitaal en de nieuwe tekst van de statuten. Naast de wettelijk vereiste gegevens vermeldde het uittreksel in kwestie de namen van de twee vennoten van de betrokken vennootschap, de aan hen terugbetaalde bedragen en hun bankrekeningnummers (hierna: „litigieuze passage”), waarvan de bekendmaking niet wettelijk vereist was.

24.

Na te hebben vastgesteld dat de notaris de litigieuze passage per vergissing in het uittreksel in kwestie had opgenomen, heeft de DPO van de notaris, onder verwijzing naar artikel 17 AVG, de FOD Justitie verzocht om de litigieuze passage te wissen en het uittreksel opnieuw te publiceren, ditmaal zonder die passage.

25.

Op 10 april 2019 heeft de FOD Justitie geweigerd om aan dat verzoek gehoor te geven ( 6 ) en voorgesteld om het uittreksel opnieuw te publiceren zonder de litigieuze passage, maar tegelijkertijd de oorspronkelijke bekendmaking van 22 februari 2019 ongewijzigd te laten.

26.

Op 21 januari 2020 heeft LM, een van de twee vennoten van de betrokken vennootschap, bij de GBA een klacht ingediend tegen het Belgisch Staatsblad (de FOD Justitie) wegens vermeende inbreuk op artikel 5 (met name op het beginsel van minimale gegevensverwerking), artikel 6 (bekendmaking van persoonsgegevens) en artikel 17 (recht op gegevenswissing) AVG.

27.

Bij besluit van 23 maart 2021 heeft de GBA de klacht toegewezen en in essentie gelast dat de litigieuze passage werd gewist.

28.

Op 22 april 2021 heeft de Belgische Staat tegen dat besluit hoger beroep ingesteld bij de cour d’appel de Bruxelles, de verwijzende rechter, en vernietiging van dat besluit gevorderd. LM heeft geïntervenieerd in het geding.

29.

De verwijzende rechter merkt op dat partijen het oneens zijn over de uitlegging die moet worden gegeven aan het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” in artikel 4, punt 7, AVG. Hij wijst erop dat het Belgisch Staatsblad, na ontvangst van het uittreksel van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel, dit uittreksel overeenkomstig de wettelijke bepalingen die zijn statuut en taken regelen, als zodanig heeft gepubliceerd, dat wil zeggen zonder controle- of wijzigingsbevoegdheid. In het bijzonder vraagt de verwijzende rechter zich af of elk van de mogelijk opeenvolgende entiteiten dan wel slechts één van hen moet worden aangemerkt als „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van dat artikel en, bijgevolg, krachtens artikel 5, lid 2, AVG verantwoordelijk is voor de naleving van de in artikel 5, lid 1, van deze verordening geformuleerde beginselen.

30.

Dienaangaande vraagt de verwijzende rechter zich af of het begrip „opeenvolgende” of „latere” verantwoordelijkheid in die verordening is vastgesteld. Naar het oordeel van deze rechter is het Belgisch Staatsblad ongetwijfeld ontvanger van de gegevens in de zin van artikel 4, punt 9, AVG, maar hij vraagt zich af of het Belgisch Staatsblad op zijn beurt als „latere” verwerkingsverantwoordelijke heeft gehandeld. Het lijkt er echter op dat dit niet het geval is, aangezien het Belgisch Staatsblad volgens het toepasselijke Belgische recht niet de mogelijkheid heeft om de middelen voor en de doelstellingen van zijn eigen verwerking in de zin van artikel 4, punt 7, AVG vast te stellen.

31.

Tegen deze achtergrond heeft de cour d’appel de Bruxelles het Hof de volgende vragen voorgelegd:

„1)

Moet artikel 4, punt 7, [AVG] aldus worden uitgelegd dat het staatsblad van een lidstaat – dat belast is met de openbaredienstverleningstaak van bekendmaking en archivering van officiële documenten en dat volgens de toepasselijke nationale wetgeving tot taak heeft de akten en officiële documenten waarvan de bekendmaking hem door derde overheidsinstanties wordt bevolen, bekend te maken zoals zij door die instanties zijn meegedeeld nadat zij de in die akten en documenten opgenomen persoonsgegevens zelf hebben verwerkt, waarbij de nationale wetgever hem geen beoordelingsbevoegdheid heeft gelaten met betrekking tot de inhoud van de bekend te maken documenten of het doel van en de middelen voor de bekendmaking – de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke heeft?

2)

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 5, lid 2, [AVG] dan aldus worden uitgelegd dat het betrokken staatsblad als enige verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen die volgens deze bepaling rusten op de verwerkingsverantwoordelijke, met uitsluiting van de derde overheidsinstanties die de gegevens in deze akten en officiële documenten eerder hebben verwerkt en hem hebben verzocht om deze gegevens bekend te maken, of rusten die verplichtingen cumulatief op elk van de opeenvolgende verwerkingsverantwoordelijken?”

32.

De GBA, de Belgische en de Hongaarse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

33.

Ter terechtzitting van 23 maart 2023 zijn de GBA, de Belgische regering en de Commissie voor het Hof verschenen.

III. Analyse

A.   Eerste prejudiciële vraag

34.

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 4, punt 7, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het staatsblad van een lidstaat de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke heeft. Om te beginnen zijn over de formulering van deze vraag twee opmerkingen op hun plaats.

35.

Ten eerste blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat het wetboek van vennootschappen voorziet in de wettelijke verplichting voor vennootschappen om verschillende documenten en besluiten bekend te maken in de bijlagen bij het Belgisch Staatsblad. De verwijzende rechter merkt ook op dat het Belgisch Staatsblad onder de FOD Justitie valt, zonder dat dit punt nader wordt toegelicht. Aangezien de verdeling van de bevoegdheden van de nationale autoriteiten binnen een lidstaat zaak van het nationale recht is, zal ik in deze conclusie uitsluitend verwijzen naar het Belgisch Staatsblad.

36.

Ten tweede merk ik op dat de verwijzende rechter in zijn vraag tussen twee korte streepjes een passage opneemt die de door de Belgische wetgever aan het Belgisch Staatsblad verleende bevoegdheden lijkt te verklaren.

37.

Bijgevolg zou deze vraag aldus kunnen worden geherformuleerd dat zij er in wezen toe strekt te vernemen of een staatsblad van een lidstaat, zoals het Belgisch Staatsblad, dat krachtens de toepasselijke nationale wetgeving is belast met de bekendmaking en archivering van officiële documenten, kan worden aangemerkt als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, AVG, wanneer de bekendmaking van deze documenten, als zodanig, wordt gelast door derde entiteiten, deze entiteiten zelf de in die documenten vervatte persoonsgegevens hebben verwerkt en dit staatsblad geen beoordelingsbevoegdheid heeft ten aanzien van de inhoud van de bekend te maken documenten of ten aanzien van de doelstellingen van en de middelen voor die bekendmaking.

38.

Alvorens die vraag te beantwoorden merk ik op dat de term „verwerkingsverantwoordelijke” in artikel 4, punt 7, AGV is gedefinieerd als „een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking in het Unierecht of het lidstatelijke recht worden vastgesteld, kan daarin worden bepaald wie de verwerkingsverantwoordelijke is of volgens welke criteria deze wordt aangewezen”. Uit deze bepaling, gelezen in samenhang met artikel 5, lid 1, AVG, waarin de beginselen betreffende de verwerking van persoonsgegevens zijn neergelegd, blijkt dat er in elk stadium van deze verwerking een verwerkingsverantwoordelijke moet zijn ( 7 ). Bij de verwerking van persoonsgegevens moet er dus altijd een verwerkingsverantwoordelijke zijn die „bij de toepassing van het gegevensbeschermingsrecht de sleutelrol vervult” ( 8 ); het is derhalve van belang om in elk stadium van de gegevensverwerking vast te stellen wie de verwerkingsverantwoordelijke is ( 9 ). Het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” omvat zowel natuurlijke personen als rechtspersonen, alsook overheden, instanties of andere organen. Het is echter duidelijk dat de kwalificatie van het type entiteit in casu geen problemen oplevert.

39.

Alvorens in te gaan op de kern van de vraag, namelijk de vaststelling van het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 4, punt 7, AVG, is het volgens mij van belang om te verduidelijken of de in casu aan de orde zijnde bewerkingen een „verwerking” van „persoonsgegevens” in de zin van artikel 4, punt 2 respectievelijk punt 1, AVG vormen.

1. „Verwerking” van „persoonsgegevens”

40.

Om te beginnen zij eraan herinnerd dat onder „persoonsgegevens” in de zin van artikel 4, punt 1, AVG wordt verstaan „alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”, met dien verstande dat deze definitie volgens de rechtspraak van toepassing is wanneer die informatie wegens haar inhoud, doel of gevolg gelieerd is aan een bepaalde persoon. ( 10 ) In casu wordt door partijen niet betwist dat de gegevens in de litigieuze passage, zoals de namen van de twee vennoten van de vennootschap en hun bankrekeningnummers, persoonsgegevens zijn. Mijns inziens zijn de bedragen die aan deze vennoten zijn terugbetaald, als zodanig niet noodzakelijkerwijs persoonsgegevens. Wanneer deze bedragen echter worden gecombineerd met de personen die ze hebben ontvangen, moeten zij inderdaad als persoonsgegevens worden beschouwd.

41.

Voorts wordt het begrip „verwerking” in artikel 4, punt 2, AVG gedefinieerd als „een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés”, zoals met name het „raadplegen”, „gebruiken”, „verstrekken door middel van doorzending”, „verspreiden” of „op andere wijze ter beschikking stellen” van persoonsgegevens. Blijkens deze definities heeft de Uniewetgever aan deze twee begrippen een ruime draagwijdte willen toekennen. ( 11 )

42.

Zo heeft het Hof in het arrest Google Spain bevestigd dat de activiteit van een zoekmachine die erin bestaat door derden op het internet gepubliceerde of opgeslagen informatie te vinden, automatisch te indexeren, tijdelijk op te slaan en, ten slotte, in een bepaalde volgorde ter beschikking te stellen van internetgebruikers, wanneer deze informatie „persoonsgegevens” bevat, moet worden gekwalificeerd als „verwerking van persoonsgegevens” in de zin van artikel 2, onder b), van richtlijn 95/46/EG ( 12 ), dat in essentie overeenkomt met artikel 4, punt 2, AVG. ( 13 ) Bovendien heeft het Hof in het arrest Fashion ID ( 14 ) bevestigd dat een verwerking van persoonsgegevens kan bestaan uit een of meerdere bewerkingen, die elk betrekking hebben op een van de verschillende fasen waarin een verwerking van persoonsgegevens kan plaatsvinden.

43.

Mijns inziens hebben in de onderhavige zaak drie opeenvolgende verwerkingen van persoonsgegevens plaatsgevonden. De eerste verwerking is verricht door de notaris, die het in het Belgisch Staatsblad te publiceren document heeft opgesteld (en daarbij abusievelijk de persoonsgegevens in kwestie heeft opgenomen) en het heeft neergelegd bij de griffie van de ondernemingsrechtbank. De tweede verwerking is verricht door deze griffie, die dit document aan het dossier van de vennootschap heeft toegevoegd en ter bekendmaking aan het Belgisch Staatsblad heeft toegezonden. Bij de derde verwerking was het Belgisch Staatsblad betrokken, dat het document op papier niet alleen heeft omgezet in een elektronisch document, maar het ook heeft verzameld, geordend, bewaard, openbaar gemaakt en verspreid. Mijns inziens lijdt het geen twijfel dat alle drie gevallen, en met name de door het Belgisch Staatsblad uitgevoerde bewerkingen, een „verwerking” in de zin van artikel 4, punt 2, AVG vormen.

44.

Het feit dat in deze drie gevallen een verwerking heeft plaatsgevonden, betekent echter niet noodzakelijkerwijs dat het Belgisch Staatsblad als verwerkingsverantwoordelijke heeft gehandeld. In artikel 4, punten 7 en 8, AVG wordt immers onderscheid gemaakt tussen enerzijds de verwerkingsverantwoordelijke en anderzijds de verwerker. De verwerkingsverantwoordelijke stelt het doel van en de middelen voor de verwerking vast ( 15 ), terwijl de verwerker persoonsgegevens verwerkt namens de verwerkingsverantwoordelijke ( 16 ). Hoewel het dus duidelijk is dat de drie gevallen een „verwerking” in de zin van artikel 4, punt 2, AVG vormen, blijkt uit deze vaststelling niet of het Belgisch Staatsblad – of een andere entiteit die in deze drietraps-keten gegevens verwerkt – in casu de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke heeft.

2. Vaststelling van het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens

45.

Voor het antwoord op de vraag of het Belgisch Staatsblad als „verwerkingsverantwoordelijke” heeft gehandeld, moet volgens mij worden onderzocht of het Belgisch Staatsblad „het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt” in de zin van artikel 4, punt 7, AVG.

46.

Om te beginnen wil ik eraan herinneren dat het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” volgens de relevante rechtspraak van het Hof ruim moet worden omschreven. Het Hof heeft immers reeds geoordeeld dat het doel van artikel 4, punt 7, AVG erin bestaat via een ruime omschrijving van het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te verzekeren. ( 17 ) Bovendien zijn de begrippen „verwerkingsverantwoordelijke” en „verwerker” functionele begrippen: zij zijn bedoeld om de verantwoordelijkheden toe te wijzen volgens de daadwerkelijke rol van de partijen. ( 18 ) Met ander woorden: „de verantwoordelijke voor de verwerking van persoonsgegevens is de persoon die beslist waarom en hoe deze gegevens worden verwerkt”. ( 19 ) Bijgevolg berust de vaststelling van de verantwoordelijkheden van de verwerkingsverantwoordelijke „eerder op een feitelijke dan op een formele analyse”. ( 20 )

47.

Ten tweede erkent artikel 4, punt 7, AVG, door de precisering „alleen of samen”, dat „het doel van en de middelen voor” de verwerking van gegevens door meerdere entiteiten kunnen worden vastgesteld. De mate waarin twee of meer actoren samen controle uitoefenen, kan echter verschillende vormen aannemen ( 21 ), die in het kader van de analyse van de tweede vraag zullen worden onderzocht.

48.

Ten derde merk ik op dat het Koninkrijk België met de vaststelling van het koninklijk besluit van 25 juni 2020 de FOD Justitie als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, AVG aanwijst. ( 22 ) De feiten van het hoofdgeding hebben zich evenwel voorgedaan vóór de inwerkingtreding van dat besluit. Het is dus niet ratione temporis van toepassing op de onderhavige zaak. Hieruit volgt dat het Hof moet onderzoeken hoe de bevoegdheden en verantwoordelijkheden onder de nationale entiteiten waren verdeeld vóór de inwerkingtreding van dat besluit.

49.

Na deze inleidende opmerkingen zal ik thans de voorwaarden van artikel 4, punt 7, AVG onderzoeken, namelijk welke van de betrokken entiteiten „het doel van en de middelen voor de verwerking” van de persoonsgegevens in kwestie vaststellen.

a) Impliciete aanwijzing van de verwerkingsverantwoordelijke in het nationale recht

50.

De verantwoordelijkheid voor de verwerking kan bij wet worden vastgesteld of kan voortvloeien uit een analyse van de feitelijke elementen of omstandigheden van het geval. ( 23 ) Artikel 4, punt 7, AVG preciseert dat wanneer de doelstellingen van en de middelen voor deze verwerking met name in het lidstatelijke recht worden vastgesteld, de verwerkingsverantwoordelijke kan worden aangewezen of de specifieke criteria voor zijn aanwijzing kunnen worden bepaald op grond van dat recht. Hieruit volgt dat wanneer een entiteit bij wet specifiek is aangewezen als verwerkingsverantwoordelijke, deze aanwijzing doorslaggevend is. ( 24 ) In casu wijst geen enkele specifieke bepaling uitdrukkelijk een voor de verwerking verantwoordelijke aan.

51.

Het is ook mogelijk dat de wet een entiteit als verwerkingsverantwoordelijke aanwijst, zij het impliciet. ( 25 ) Wanneer bijvoorbeeld de nationale wetgeving de entiteit in kwestie de verplichting oplegt om bepaalde gegevens onder zich te houden of te verstrekken, wordt deze entiteit beschouwd als verantwoordelijke voor de verwerking die noodzakelijk is voor de nakoming van die verplichting. Een dergelijke impliciete aanwijzing in de nationale wetgeving vindt plaats wanneer uit de rol, de taken en de bevoegdheden van deze autoriteit blijkt dat zij het doel van en de middelen voor de betrokken verwerking vaststelt. In het arrest Manni heeft het Hof zich op de beoordeling van feiten gebaseerd en verklaard dat, „bij het inschrijven en bewaren van die informatie in het register en het in voorkomend geval op aanvraag verstrekken daarvan aan derden”, de met het houden van dat register belaste autoriteit een „verwerking van persoonsgegevens” verricht waarvoor zij de „verantwoordelijke” is in de zin van artikel 2, onder b) en d), van richtlijn 95/46. ( 26 )

52.

Ofschoon de nationale wettelijke regeling in casu niet uitdrukkelijk een verwerkingsverantwoordelijke heeft aangewezen, voorziet zij in de wettelijke verplichting voor vennootschappen om bepaalde documenten in het Belgisch Staatsblad te publiceren. ( 27 ) Daarmee heeft zij een wettelijke verplichting tot gegevensverwerking in het leven geroepen, die door een verwerkingsverantwoordelijke moet worden gekweten. De nationale wetgever heeft een stelsel ontworpen waarbij drie entiteiten achtereenvolgens de gegevens verwerken; partijen zijn het echter oneens over de vraag welke van deze drie entiteiten daadwerkelijk verantwoordelijk is voor de verwerking. ( 28 ) Bijgevolg moeten de aan deze entiteiten toegekende specifieke bevoegdheden worden vastgesteld om te bepalen welke entiteit de wetgever impliciet heeft aangewezen als verantwoordelijke voor de derde fase van de verwerking, te weten de door het Belgisch Staatsblad uitgevoerde bewerkingen.

b) Doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen

53.

Artikel 4, punt 7, AVG vereist, door het gebruik van het werkwoord „vaststellen”, dat een verwerkingsverantwoordelijke invloed uitoefent op de verwerking door middel van de uitoefening van een beslissingsbevoegdheid ( 29 ). Zo ging het in de zaak betreffende de „vind-ik-leuk”-plug-in van Facebook ( 30 ) om de vraag of Fashion ID, een onlinehandelaar in kleding, die op haar website de social plug-in „vind-ik-leuk” van het sociale netwerk Facebook had ingevoegd, al dan niet samen met Facebook de middelen vaststelde om de persoonsgegevens van de bezoekers van de website van Fashion ID te verzamelen en door middel van doorzending te verstrekken. In die zaak heeft het Hof uitdrukkelijk verklaard dat Fashion ID, door een dergelijke social plug-in in haar internetsite in te voegen, op beslissende wijze invloed uitoefent op het verzamelen en doorzenden van de persoonsgegevens van de bezoekers van die site ten gunste van de aanbieder van die plug-in, in casu Facebook Ireland, waarbij het verzamelen en doorzenden van die gegevens niet zou plaatsvinden indien die plug-in niet was ingevoegd. ( 31 ) Hieruit volgt dat het feit dat een beslissende invloed wordt uitgeoefend op de verwerking van persoonsgegevens impliceert dat de entiteit die deze invloed uitoefent, een verwerkingsverantwoordelijke is. Het ontbreken van beslissende invloed volstaat echter niet om uit te sluiten dat een entiteit nog steeds de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke kan bezitten.

54.

Door de wijze waarop informatie langs elektronische weg wordt geproduceerd en geordend, verhoogt de verspreiding van gegevens via het internet exponentieel de risico’s van schending van de grondrechten op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en bescherming van persoonsgegevens. ( 32 ) Het Hof was zich terdege bewust van dit risico en heeft het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” ( 33 ) ruim omschreven om ervoor te zorgen dat de AVG een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen waarborgt, met name van hun recht op eerbiediging van privéleven ( 34 ). Daartoe heeft het Hof in het arrest Google Spain geoordeeld dat het niet enkel in strijd zou zijn met de duidelijke bewoordingen, maar tevens met de doelstelling van artikel 2, onder d), van richtlijn 95/46 – dat in essentie overeenkomt met artikel 4, punt 7, AVG –, indien de exploitant van een zoekmachine van die omschrijving zou worden uitgesloten omdat hij geen controle uitoefent over de op de webpagina’s van derden gepubliceerde persoonsgegevens. ( 35 ) Door een dergelijke ruime omschrijving te hanteren, heeft het Hof duidelijk gekozen voor een teleologische uitlegging van die bepaling: de omschrijving van „verwerkingsverantwoordelijke” moet een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen verzekeren. Bovendien wijs ik erop dat een dergelijke uitlegging enkel kan worden versterkt door de AVG, die is vastgesteld op basis van artikel 16, lid 1, VWEU, dat de Uniewetgever in staat stelt het in artikel 8, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) neergelegde grondrecht op bescherming van persoonsgegevens te waarborgen. ( 36 )

55.

In casu moet worden vastgesteld dat de nationale wetgever een regeling heeft vastgesteld die drie verschillende verwerkingen behelst: een reeks die begint met de notaris die de betrokken akten opstelt en ondertekent, wordt voortgezet door de griffie van de ondernemingsrechtbank, die de akte toevoegt aan het dossier van de vennootschap en ze bewaart, en eindigt met de digitalisering en bekendmaking van deze akten door het Belgisch Staatsblad. Hoewel het Belgisch Staatsblad de betrokken akte als zodanig moet bekendmaken, neemt dit niet weg dat voor de bekendmaking ervan noch de notaris noch de griffie van de ondernemingsrechtbank ze in een elektronisch document omzet. Alleen het Belgisch Staatsblad zorgt voor een dergelijke omzetting en verspreidt het betrokken document vervolgens op internet.

56.

Ik merk met name op dat de nationale wetgever met de vaststelling van de artikelen 474 tot en met 475ter van de programmawet van 24 december 2002 bepaalde bevoegdheden aan het Belgisch Staatsblad heeft toegekend. Uit deze bepalingen volgt dat het Belgisch Staatsblad niet alleen de papieren versie van de betrokken documenten publiceert, maar deze documenten ook via zijn website in elektronische vorm ter beschikking stelt, ze op elektronische wijze bewaart, ter beschikking stelt van de burgers door het aanbieden van een telefonische hulpdienst en een hulpdienst bij het zoeken, en ten slotte zorgt voor een zo ruim mogelijke verspreiding van en toegang tot de in het Belgisch Staatsblad opgenomen informatie. Uit deze bepalingen volgt mijns inziens dan ook dat de nationale wetgever, door het Belgisch Staatsblad bevoegdheden op het gebied van de digitale omzetting, publicatie, verspreiding en bewaring van de documenten in kwestie te verlenen, dat staatsblad bevoegdheden heeft toegekend die onder het begrip verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, AVG vallen. ( 37 )

57.

Door bovengenoemde – aan hem door de wetgever toevertrouwde – bewerkingen uit te voeren, te weten de digitale omzetting, publicatie en verspreiding, verhoogt het Belgisch Staatsblad exponentieel het risico van schending van de grondrechten van de betrokkene (ten opzichte van de enkele publicatie van het document op papier). Het is de door dit staatsblad verrichte verwerking die de doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkene feitelijk in gevaar brengt. Ik zie dan ook geen andere mogelijkheid dan ervan uit te gaan dat het Belgisch Staatsblad niet kan worden uitgesloten van de omschrijving van „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 4, punt 7, AVG, gelet op de doelstelling om een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te waarborgen, en gelet op de mogelijke schade die de digitale omzetting en verspreiding aan deze personen zouden kunnen berokkenen.

58.

Wat ten slotte de toepasselijkheid van de rechtspraak inzake particuliere zoekmachines op openbare entiteiten – zoals het Belgisch Staatsblad – betreft, moet worden opgemerkt dat het Hof deze rechtspraak in een recent arrest heeft toegepast om te bevestigen dat het openbaar ministerie moet worden beschouwd als een „verwerkingsverantwoordelijke” ( 38 ). Mijns inziens ligt de bestaansreden voor een dergelijke toepassing ten grondslag aan de ruime uitlegging van het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 4, punt 7, AVG, teneinde een doeltreffende en volledige bescherming te waarborgen van de in het primaire recht verankerde grondrechten en fundamentele rechten van de betrokkenen ( 39 ), ongeacht of de verwerkingsverantwoordelijke een openbare dan wel particuliere entiteit is. ( 40 ) Om een dergelijke doeltreffende en volledige bescherming te waarborgen, zijn de aan particuliere zoekmachines opgelegde beginselen inzake gegevensbescherming relevant voor zowel particuliere entiteiten als openbare entiteiten, die beide onderworpen zijn aan dezelfde algemene beginselen inzake gegevens en aan de verplichtingen van de AVG, die een concrete uitdrukking van het primaire recht vormen.

c) Vraag of een andere entiteit een verwerkingsverantwoordelijke is

59.

Ter terechtzitting heeft de Belgische regering betoogd dat de notaris moet worden geacht een verwerkingsverantwoordelijk te zijn, aangezien hij de middelen voor en het doel van de gegevensverwerking vaststelt.

60.

Indien de notaris moet worden beschouwd als de enige verwerkingsverantwoordelijke, zou dit mijns inziens in de praktijk betekenen dat niemand verantwoordelijk is voor de derde fase van de verwerking, te weten de door het Belgisch Staatsblad uitgevoerde bewerkingen, aangezien de wetgever de notaris niet de bevoegdheid heeft verleend om beslissende invloed uit te oefenen op deze derde fase van die verwerking, zoals de feiten van het onderhavige geval illustreren. Niettemin kunnen de drie entiteiten in kwestie in verschillende stadia en in verschillende mate bij die verwerking van persoonsgegevens betrokken zijn, zodat elke entiteit als verwerkingsverantwoordelijke kan worden beschouwd, zij het op een ander vlak en een ander niveau, naargelang van de aan elke entiteit toekomende verantwoordelijkheid. ( 41 ) Voorts merk ik op dat, zoals de Commissie ter terechtzitting heeft verklaard, de wet in theorie het Belgisch Staatsblad als de verwerker zou kunnen aanwijzen, mits de nationale wettelijke regeling een verplichting tot het opstellen, bewaren en digitaal verspreiden van het betrokken document aan meerdere entiteiten oplegt. Het Belgisch Staatsblad kan evenwel slechts als een verwerker worden aangemerkt mits is voldaan aan de voorwaarden van artikel 28 AVG, hetgeen in de omstandigheden zoals die aan het Hof zijn voorgelegd duidelijk niet het geval is, aangezien elke betrokken entiteit verantwoordelijk is voor haar eigen deel van de verwerking. ( 42 ) Bijgevolg kan het Belgisch Staatsblad niet worden beschouwd als een verwerker in de zin van deze bepaling.

61.

Bovendien heeft de Belgische regering aangevoerd dat de nationale wetgever zelf als verwerkingsverantwoordelijke optreedt of een voor de verwerking verantwoordelijke entiteit aanwijst, terwijl het Belgisch Staatsblad enkel de een hem toegekende bevoegdheid uitoefende. Volgens de Belgische regering kan de rechtspraak inzake particuliere zoekmachines niet worden toegepast op openbare entiteiten, aangezien het Belgisch Staatsblad, als een door de wetgever ingestelde openbaar gezagsdrager, niet uit eigen beweging zijn opdrachten en taken kan vaststellen.

62.

Zoals ik reeds heb opgemerkt ( 43 ), heeft de nationale wetgever in de onderhavige zaak het Belgisch Staatsblad impliciet als verwerkingsverantwoordelijke aangewezen door hem de bevoegdheid te verlenen om een aantal specifieke taken uit te voeren.

63.

Hoe dan ook ben ik van mening dat indien het Hof zou oordelen dat de nationale wetgever de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke heeft telkens wanneer hij zijn bevoegdheid uitoefent om het doel van en de middelen voor een bepaalde verwerking vast te stellen, een dergelijke benadering tot gevolg zou hebben dat natuurlijke personen niet langer een doeltreffende bescherming genieten, zodat het begrip verwerkingsverantwoordelijke zijn nuttig effect zou verliezen. De doeltreffende bescherming van de betrokkenen kan immers niet worden gewaarborgd indien de wetgever zelf voor elke door de regeling van een lidstaat voorgeschreven verwerking van persoonsgegevens de talrijke verantwoordelijkheden van de verwerkingsverantwoordelijke draagt. Wanneer aan een overheidsinstantie bevoegdheden voor de verwerking van persoonsgegevens zijn toegekend, is het mijns inziens dus niet de wetgever die verwerkingsverantwoordelijke is, maar de autoriteit die de openbare taken uitoefent, die het doel van en de middelen voor die verwerking vaststelt. ( 44 ) In casu blijkt uit de omstandigheden dat de betrokken verwerking, zoals is uiteengezet in punt 43 van deze conclusie, plaatsvindt als uitvoering van een nationale wettelijke regeling, hetgeen de hypothese uitsluit dat de wetgever zelf – wanneer hij wetten invoert – bij de verwerking van persoonsgegevens verwerkingsverantwoordelijke is.

d) Geen beslissingsbevoegdheid

64.

In casu blijkt uit de aan het Hof voorgelegde nationale wetgeving dat het Belgisch Staatsblad geen enkele beslissingsbevoegdheid heeft met betrekking tot de teksten die het moet bekendmaken. ( 45 ) Zoals de Belgische regering in haar schriftelijke opmerkingen en ter terechtzitting heeft benadrukt, beschikt het Belgisch Staatsblad immers over 15 dagen ( 46 ) om het document bekend te maken, en moet de publicatie een exacte kopie zijn van de door de notaris opgestelde akte. In geval van verzuim of vertraging kan de ambtenaar van het Belgisch Staatsblad worden aangesproken tot schadevergoeding. ( 47 ) Om een dergelijk geval te voorkomen, verifieert deze autoriteit niet de volledigheid, de regelmatigheid en de nauwkeurigheid van de door haar bekend te maken gegevens. Derhalve blijkt dat, zoals de Belgische regering betoogt, het Belgisch Staatsblad niet bevoegd is om controle uit te oefenen op de inhoud van deze documenten, met inbegrip van de persoonsgegevens die zij zouden kunnen bevatten.

65.

Aangezien de wetgever bij de invoering van wetten echter zelf niet optreedt als verwerkingsverantwoordelijke en geen andere entiteit invloed heeft op de vaststelling van het doel van en de middelen voor de betrokken verwerking, te weten de digitale omzetting en de digitale verspreiding van de betrokken documenten, moet, om een leemte in de aanwijzing te voorkomen, het Belgisch Staatsblad als verwerkingsverantwoordelijke worden aangewezen. De notaris en de griffie van de ondernemingsrechtbank ontberen eenvoudigweg de bevoegdheid om in dat stadium te interveniëren. Het ontbreken van beslissingsbevoegdheid van het Belgisch Staatsblad kan dus niet dienen als excuus voor het niet doeltreffend beschermen van de betrokkenen. Bijgevolg moet worden geoordeeld dat het Belgisch Staatsblad – ook al is het, zoals de nationale wetgeving vereist, impliciet aangewezen – bij de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de publicatie van documenten, een verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, AVG is.

e) Verwijdering van persoonsgegevens

66.

Uit de feiten van de onderhavige zaak blijkt dat de DPO van de notaris de FOD Justitie (handelend in naam van het Belgisch Staatsblad) heeft verzocht om de litigieuze passage te wissen (van het internet te verwijderen) en het uittreksel zonder die passage te publiceren. De FOD Justitie heeft dit verzoek afgewezen en voorgesteld het uittreksel opnieuw te publiceren. Hieruit blijkt dat de betrokken notaris niet bevoegd is om de wijziging of de intrekking van de litigieuze passage te gelasten. Ik wijs er evenwel op dat geen enkele andere entiteit over die bevoegdheid lijkt te beschikken.

67.

De Belgische regering wijst erop dat de nationale wetgever heeft gewild dat de in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde documenten onveranderlijk in de tijd worden bewaard met het oog op archivering en dat de elektronische versie van de publicaties steeds de exacte kopie van de papieren versie blijft, hetgeen elke wijziging met terugwerkende kracht uitsluit. Deze regering voegt daaraan toe dat de notaris, om een in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd document van een rechtspersoon te verbeteren, een wijzigingsdocument moet deponeren ter griffie van de ondernemingsrechtbank, die vervolgens het bestuur van het Belgisch Staatsblad moet verzoeken deze wijzigingsakte bekend te maken. Daarentegen is het naar Belgisch recht niet mogelijk de oorspronkelijke akte in haar geheel te verwijderen zonder het beginsel van onveranderlijkheid van het Belgisch Staatsblad te schenden.

68.

Naar mijn mening heeft de weigering van de overheidsinstantie om de passage met de betrokken persoonsgegevens te wissen en het litigieuze document zonder die passage te publiceren tot gevolg dat deze gegevens voor het publiek toegankelijk blijven. Dit betekent mijns inziens dat deze instantie, bij de toepassing van het nationale recht, handelt als „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 4, punt 7, AVG, aangezien zij, door de litigieuze passage niet te verwijderen en deze openbaar te houden, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt. Zou het Belgisch Staatsblad niet als verwerkingsverantwoordelijke worden bestempeld, dan zou geen enkele autoriteit die hoedanigheid lijken te hebben. ( 48 )

69.

Volgens mij kan de hoedanigheid van „verwerkingsverantwoordelijke” niet afhangen van het feit dat een autoriteit als het Belgisch Staatsblad naar nationaal recht geen gevolg kan geven aan een verzoek om gegevens te wissen. Wanneer er een leemte in de nationale wetgeving bestaat, staat het dus aan de nationale autoriteiten en in dit stadium aan de nationale rechter om op basis van de AVG de entiteit aan te wijzen die de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen moet nakomen. In casu blijven de gegevens, aangezien zij worden verwerkt, openbaar toegankelijk, maar in de nationale wetgeving is voor dit deel van de verwerking geen autoriteit als verwerkingsverantwoordelijke aangewezen.

70.

In een dergelijk scenario zou het Hof, nu de nationale wetgever – door te verzuimen een verwerkingsverantwoordelijke aan te wijzen – een leemte heeft laten bestaan, moeten aangeven dat het aan de verwijzende rechter staat om op basis van de voor het Hof beschreven omstandigheden het Belgisch Staatsblad (of de FOD Justitie, naar het oordeel van deze rechter) als verwerkingsverantwoordelijke aan te wijzen. Enkel een dergelijke uitlegging zou mijns inziens in overeenstemming zijn met de doelstelling van artikel 4, punt 7, AVG om via een ruime omschrijving van het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen te verzekeren. ( 49 ) Op die manier kunnen ook mazen worden gedicht en kan worden voorkomen dat de AVG-regels worden omzeild.

71.

Aangaande de praktische argumenten die zijn ontleend aan het beginsel van de onveranderlijkheid van de door het Belgisch Staatsblad verspreide informatie, staat het aan de nationale wetgever om, gelet op de verplichtingen die voortvloeien uit onder meer de artikelen 5 en 17 AVG, een wettelijk kader vast te stellen dat toestaat rekening te houden met de bescherming van de betrokkenen en met dit beginsel. Aangezien de bekendmaking van persoonsgegevens de kans op schade voor de betrokkenen exponentieel vergroot, is het zaak te voorzien in innovatieve oplossingen in het nationale recht. ( 50 )

72.

Concluderend geef ik het Hof in de onderhavige zaak in overweging te oordelen dat het Belgisch Staatsblad optreedt als „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 4, punt 7, AVG, wanneer het weigert om de litigieuze passage uit het publieke domein te verwijderen, dat wil zeggen wanneer het die passage publiekelijk toegankelijk houdt.

3. Tussenconclusie

73.

In het onderhavige geval is in de nationale wetgeving een verplichting ingevoerd om een verwerkingsverantwoordelijke aan te wijzen teneinde te voldoen aan de uit de AVG voortvloeiende verplichtingen. Wat ten eerste de digitale omzetting, publicatie en verspreiding van de gegevens in kwestie betreft, moet het Belgisch Staatsblad worden geïdentificeerd als een „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 4, punt 7, AVG, die ervoor moet zorgen dat de bescherming van de grondrechten van de betrokkene worden gewaarborgd. Wat ten tweede het feit betreft dat de gegevens in kwestie niet zijn verwijderd, bestaat er een leemte in de nationale wetgeving, aangezien geen van de betrokken entiteiten deze gegevens mag verwijderen. In een dergelijk geval staat het aan de verwijzende rechter om overeenkomstig de AVG, teneinde de bescherming van de grondrechten van de betrokkenen te waarborgen, een verwerkingsverantwoordelijke aan te wijzen, die in casu het Belgisch Staatsblad lijkt te zijn.

74.

Bijgevolg geef ik het Hof in overweging om op de eerste vraag te antwoorden dat artikel 4, punt 7, AVG aldus moet worden uitgelegd dat een staatsblad van een lidstaat, zoals het Belgisch Staatsblad, waaraan krachtens de toepasselijke nationale wetgeving de bekendmaking en archivering van akten en officiële documenten is opgedragen, met het oog op een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen, als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, AVG kan worden beschouwd in omstandigheden waarin de publicatie van deze documenten, als zodanig, is bevolen door derde entiteiten, aangezien de nationale wetgever dit staatsblad de bevoegdheid heeft verleend om de middelen voor de digitale omzetting, bekendmaking, verspreiding en bewaring van de documenten in kwestie vast te stellen en brede doelen voor de publicatie en verspreiding van die documenten heeft geformuleerd. Aangaande het verzuim om voor het verwijderen of wissen van gegevens een verwerkingsverantwoordelijke aan te wijzen, en het daardoor publiekelijk toegankelijk blijven van de gegevens in kwestie, staat het evenwel aan de nationale rechter om de entiteit aan te wijzen die de uit de AVG voortvloeiende verplichtingen moet naleven.

75.

Indien het Hof dit antwoord op de eerste vraag overneemt, dient het enkel in dat geval de tweede vraag te beantwoorden, namelijk of het Belgisch Staatsblad dan wel de autoriteit die het staatsblad beheert, als enige verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen die krachtens de AVG op de verwerkingsverantwoordelijke rusten.

B.   Tweede prejudiciële vraag

76.

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 5, lid 2, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het staatsblad in kwestie als enige verantwoordelijk is voor de naleving van de verplichtingen die volgens deze bepaling rusten op de verwerkingsverantwoordelijke, met uitsluiting van de derde entiteiten die de gegevens in deze akten en officiële documenten eerder hebben verwerkt en dat staatsblad hebben verzocht om deze gegevens bekend te maken, dan wel dat die verplichtingen cumulatief op elk van de opeenvolgende verwerkingsverantwoordelijken rusten.

77.

Krachtens artikel 5, lid 2, AVG is de verwerkingsverantwoordelijke verantwoordelijk voor de naleving van de in lid 1 van dat artikel neergelegde beginselen, zoals het beginsel van minimale gegevensverwerking en juistheid ( 51 ), en moet hij kunnen aantonen dat deze beginselen zijn nageleefd. De verwijzende rechter legt uit dat, aangezien een natuurlijke persoon verzoekt om verwijdering van persoonsgegevens waarvan de nationale wetgeving geen publicatie vereist, hij moet beslissen of het Belgisch Staatsblad dan wel de autoriteit die het beheert, als enige verantwoordelijk is voor de naleving van de beginselen van minimale gegevensverwerking en juistheid van de gegevens, dan wel of de twee andere entiteiten daarvoor eveneens verantwoordelijk zijn.

78.

De verwijzende rechter merkt in het bijzonder op dat partijen in het hoofdgeding zich niet beroepen op het bestaan van een gezamenlijke verantwoordelijkheid in de zin van artikel 26 AVG, en vraagt zich af of elk van de mogelijk opeenvolgende verwerkingsverantwoordelijken, dan wel slechts één van hen, moet worden aangemerkt als „verwerkingsverantwoordelijke” in de zin van artikel 4, punt 7, van deze verordening en dus krachtens artikel 5, lid 2, ervan verantwoordelijk is voor de naleving van bovengenoemde beginselen.

1. Opeenvolgende bewerkingen

79.

Zoals ik reeds heb opgemerkt ( 52 ), zijn de betrokken persoonsgegevens in de in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde litigieuze passage achtereenvolgens verwerkt door verschillende entiteiten, namelijk door de notaris die het uittreksel heeft opgesteld, door de griffie van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank Brussel die het heeft opgenomen in het dossier van de vennootschap, en ten slotte door het Belgisch Staatsblad, dat het als zodanig heeft gepubliceerd.

80.

Wat deze reeks gebeurtenissen betreft, moet worden opgemerkt dat de betrokken verwerking van persoonsgegevens waarmee het Belgisch Staatsblad is belast, niet enkel plaatsvindt na de verwerking door de notaris en door de griffie van de ondernemingsrechtbank, maar ook technisch verschilt van de verwerking door deze twee entiteiten en daar bovenop komt. Het verdient vermelding dat de bij wet aan het Belgisch Staatsblad opgedragen bewerkingen, met name de digitale omzetting van de gegevens in de uittreksels van hem overgelegde documenten, de publicatie, de beschikbaarstelling aan een breed publiek en de bewaring van die gegevens – vergeleken met de door de twee andere entiteiten eerder uitgevoerde bewerkingen – ingrijpende en aanvullende gevolgen en risico’s meebrengen voor de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens. ( 53 )

81.

Bijgevolg staat het aan het Belgisch Staatsblad om alle door de AVG aan de verwerkingsverantwoordelijke opgelegde verplichtingen na te komen met betrekking tot de verwerkingshandelingen die door het nationale recht aan dat staatsblad worden opgelegd.

2. Uitsluiting van gezamenlijke verantwoordelijkheid

82.

Krachtens artikel 4, punt 7, AVG kunnen „het doel van en de middelen voor de verwerking” door meerdere actoren worden vastgesteld. Dit artikel bepaalt dat het begrip „verwerkingsverantwoordelijke” doelt op het orgaan dat „alleen of samen met anderen” het doel van en de middelen voor de verwerking vaststelt. Deze situatie wordt aan de orde gesteld in artikel 26 AVG, volgens hetwelk meerdere verschillende entiteiten als verwerkingsverantwoordelijken kunnen optreden in het kader van eenzelfde verwerking, waarbij elk van hen onderworpen is aan de toepasselijke bepalingen inzake gegevensbescherming. ( 54 )

83.

Ik herinner eraan dat artikel 26, lid 1, AVG bepaalt dat wanneer twee of meer verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk de doeleinden van en de middelen voor de verwerking bepalen, zij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken zijn. Hetzelfde lid voegt daaraan toe dat de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken op transparante wijze hun respectieve verantwoordelijkheden voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van de AVG vaststellen, tenzij en voor zover hun respectieve verantwoordelijkheden zijn vastgesteld bij, onder meer, lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijken van toepassing zijn. De gezamenlijke verantwoordelijkheid van meerdere verwerkingsverantwoordelijken hangt dus niet noodzakelijkerwijs af van het bestaan van een overeenkomst tussen de verschillende verwerkingsverantwoordelijken of zelfs van hun bedoeling, maar kan voortvloeien uit het nationale recht, voor zover de aanwijzing van meerdere verwerkingsverantwoordelijken en de respectieve verplichtingen van elk van deze verwerkingsverantwoordelijken in het licht van de vereisten van de AVG uit dit recht kunnen worden afgeleid.

84.

Het feit dat meerdere actoren een rol spelen in dezelfde verwerkingsketen, betekent echter niet dat zij noodzakelijkerwijs als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken optreden. ( 55 ) Bovendien heeft het Hof geoordeeld dat een natuurlijke of rechtspersoon niet kan worden geacht verantwoordelijk te zijn voor bewerkingen die vroeger of later in de verwerkingsketen plaatsvinden en waarvan respectievelijk waarvoor hij niet het doel en de middelen vaststelt. ( 56 ) In casu blijkt dus niet dat het nationale recht gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken heeft aangewezen, aangezien de notaris geen enkele controle uitoefent op de door het Belgisch Staatsblad uitgevoerde bewerkingen.

85.

Bijgevolg ben ik van mening dat in casu de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de drie entiteiten niet wordt vastgesteld door het nationale recht en evenmin kan worden vastgesteld aan de hand van de door de verwijzende rechter uiteengezette feiten. Wat de feiten van het hoofdgeding betreft, merk ik met name op dat de drie entiteiten in de verwerkingsketen niet dezelfde middelen voor de verwerking toepassen, aangezien het Belgisch Staatsblad de documenten in kwestie digitaal omzet, publiceert en verspreidt. Bovendien zou, gelet op de feiten van het hoofdgeding, de betrokken natuurlijke persoon die gebruik wenst te maken van zijn recht op gegevenswissing overeenkomstig artikel 17 AVG, zijn rechten uit hoofde van de AVG moeten uitoefenen ten aanzien van en jegens elk van de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken. Vanuit dit oogpunt is elk van de actoren dus op onderscheiden wijze verantwoordelijk voor de naleving van de in artikel 5, lid 1, AVG bedoelde beginselen. ( 57 )

86.

Hieruit volgt mijns inziens dat op grond van artikel 5, lid 2, AVG geen „cumulatieve” verantwoordelijkheid van de verschillende verwerkingsverantwoordelijken kan worden vastgesteld. Elk van de actoren in de verwerkingsketen kan immers enkel individueel verantwoordelijk zijn voor de naleving van de beginselen van artikel 5, lid 1, van deze verordening bij de verwerkingshandelingen die zij overeenkomstig het doel van en de middelen voor de gegevensverwerking hebben verricht. Aangezien de gegevens in casu niet door de notaris, maar door het Belgisch Staatsblad onjuist zijn gepubliceerd, moet deze autoriteit mijns inziens, ondanks het feit dat zij de gegevens niet zelf in de litigieuze passage heeft opgenomen, ook individueel verantwoordelijk worden gehouden voor de naleving van de in artikel 5, lid 1, AVG bedoelde beginselen.

87.

Tot slot wil ik erop wijzen dat het aan de verwijzende rechter staat om na te gaan of het nationale recht dat voorziet in de mogelijkheid om in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde gegevens te rectificeren, maar niet te wissen, verenigbaar is met de AVG. De nationale wetgeving lijkt het Belgisch Staatsblad immers niet toe te staan reeds gepubliceerde gegevens met terugwerkende kracht te wissen (ook in elektronische vorm). In deze context is het juist dat de rechten op rectificatie en wissing waarin respectievelijk de artikelen 16 en 17 AVG voorzien, krachtens het nationale recht kunnen worden beperkt, zoals artikel 23 AVG bepaalt. Een dergelijke beperking moet echter overeenkomstig artikel 52, lid 1, van het Handvest bij wet worden gesteld, de wezenlijke inhoud van de grondrechten van natuurlijke personen en het evenredigheidsbeginsel eerbiedigen. ( 58 )

3. Tussenconclusie

88.

Ik geef het Hof dan ook in overweging om op de tweede vraag te antwoorden dat artikel 5, lid 2, AVG aldus moet worden uitgelegd dat het staatsblad in kwestie de verantwoordelijkheden moet naleven die krachtens deze bepaling op de verwerkingsverantwoordelijke rusten voor de door hem verrichte handelingen. De betrokken verwerking leidt niet tot een gezamenlijke verantwoordelijkheid en het Belgisch Staatsblad is als enige verantwoordelijk voor de verwerkingshandelingen die door het nationale recht aan dit staatsblad worden opgelegd.

IV. Conclusie

89.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de door de cour d’appel de Bruxelles gestelde vragen te beantwoorden als volgt:

„Artikel 4, punt 7, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming)

moet aldus worden uitgelegd dat een staatsblad van een lidstaat, zoals het Belgisch Staatsblad, waaraan krachtens de toepasselijke nationale wetgeving de bekendmaking en archivering van akten en officiële documenten is opgedragen, met het oog op een doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen, als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, van verordening 2016/679 kan worden beschouwd in omstandigheden waarin de publicatie van deze documenten, als zodanig, is bevolen door derde entiteiten, aangezien de nationale wetgever dit staatsblad de bevoegdheid heeft verleend om de middelen voor de digitale omzetting, bekendmaking, verspreiding en bewaring van de documenten in kwestie vast te stellen en brede doelen voor de publicatie en verspreiding van die documenten heeft geformuleerd. Aangaande het verzuim om voor het verwijderen of wissen van gegevens een verwerkingsverantwoordelijke aan te wijzen, staat het evenwel aan de nationale rechter om de entiteit aan te wijzen die de uit verordening 2016/679 voortvloeiende verplichtingen moet naleven, aangezien de gegevens in kwestie voor het publiek toegankelijk blijven.

Artikel 5, lid 2, van verordening 2016/679 moet aldus worden uitgelegd dat het staatsblad in kwestie de verantwoordelijkheden moet naleven die krachtens deze bepaling op de verwerkingsverantwoordelijke rusten voor de door hem verrichte handelingen. De betrokken verwerking leidt niet tot een gezamenlijke verantwoordelijkheid en het Belgisch Staatsblad is als enige verantwoordelijk voor de verwerkingshandelingen die door het nationale recht aan dit staatsblad worden opgelegd.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Engels.

( 2 ) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB 2016, L 119, blz. 1).

( 3 ) Belgisch Staatsblad, 6 augustus 1999, blz. 29440.

( 4 ) Belgisch Staatsblad, 6 februari 2001, blz. 3008.

( 5 ) Belgisch Staatsblad, 31 december 2002, blz. 58686.

( 6 ) De FOD Justitie heeft zich beroepen op de uitzondering van artikel 17, lid 3, en artikel 86 AVG.

( 7 ) Overeenkomstig artikel 4, punt 2, AVG wordt onder „verwerking” verstaan „een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens”.

( 8 ) Zie arrest van 13 mei 2014, Google Spain en Google (C‑131/12, EU:C:2014:317; hierna: „arrest Google Spain”), en Lynskey, O., „Control over Personal Data in a Digital Age: Google Spain v AEPD and Mario Costeja Gonzalez”, The Modern Law Review, deel 78, nr. 3, 2015, blz. 522‑534.

( 9 ) Zie de conclusie van advocaat-generaal Ćapeta in de zaak Norra Stockholm Bygg (C‑268/21, EU:C:2022:755, punt 17). Zie ook arrest van 10 juli 2018, Jehovan todistajat (C‑25/17, EU:C:2018:551, punt 68), en Bygrave, L.A., en Tosoni, L., „Article 4(7). Controller”, in Kuner, C., Bygrave, L.A., Docksey, C., Drechsler, L., en Tosoni, L. (red.), The EU General Data Protection Regulation (GDPR): A Commentary, Oxford University Press, Oxford, 2021, blz. 146‑150.

( 10 ) Zie in die zin arrest van 20 december 2017, Nowak (C‑434/16, EU:C:2017:994, punt 35).

( 11 ) Ibidem, punt 34, en arrest van 24 februari 2022, Valsts ieņēmumu dienests (Verwerking van persoonsgegevens voor fiscale doeleinden) (C‑175/20, EU:C:2022:124, punt 35).

( 12 ) Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB 1995, L281, blz. 31).

( 13 ) Arrest Google Spain, punt 41. Zie ook arrest van 8 december 2022, Google (Verwijdering van links naar beweerdelijk onjuiste informatie) (C‑460/20, EU:C:2022:962, punt 49).

( 14 ) Arrest van 29 juli 2019 (C‑40/17, EU:C:2019:629, punt 72).

( 15 ) Artikel 4, punt 7, AVG.

( 16 ) Artikel 4, punt 8, AVG. Zo heeft het Hof met betrekking tot de verantwoordelijkheid van een exploitant van een zoekmachine geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de werking van een zoekmachine verschilt van de door webredacteuren verrichte verwerking van persoonsgegevens – die erin bestaat deze gegevens op een website te plaatsen – en bovenop deze laatste verwerking komt, waarbij het Hof heeft benadrukt dat de exploitant van de zoekmachine de persoon is die het doel van en de middelen voor de werking van die zoekmachine vaststelt [arrest van 8 december 2022, Google (Verwijdering van links naar beweerdelijk onjuiste informatie), C‑460/20, EU:C:2022:962, punt 44].

( 17 ) Zie in die zin arrest Google Spain, punt 34, en arrest van 5 juni 2018, Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein (C‑210/16, EU:C:2018:388, punt 28).

( 18 ) Zie Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen „verwerkingsverantwoordelijke” en „verwerker” in de AVG, EDPB, punt 12.

( 19 ) Conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Wirtschaftsakademie Schleswig-Holstein (C‑210/16, EU:C:2017:796, punt 46).

( 20 ) Advies 1/2010 betreffende de begrippen „verwerkingsverantwoordelijke” en „verwerker”, WP 169, blz. 11, van de werkgroep „artikel 29”, een raadgevend orgaan dat is ingesteld bij artikel 29 van richtlijn 95/46, thans vervangen door het bij artikel 68 AVG ingestelde Europees Comité voor gegevensbescherming (EDPB).

( 21 ) Van Alsenoy, B., „Chapter 4. Allocation of Responsibility”, in Data Protection Law in the EU: Roles, Responsibilities and Liability, 1e uitgave, Intersentia, Mortsel, 2019, blz. 43‑53.

( 22 ) Zie artikel 2 van het koninklijk besluit van 25 juni 2020 [houdende] vaststelling van het model van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, zoals bedoeld in artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek. Ik wijs erop dat de FOD Justitie als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, punt 7, AVG niet alleen moet instaan voor het „operationeel beheer van de bekendmaking en [moet] voorziet in de technische middelen voor de verwerking”, maar ook moet voldoen aan de verplichtingen van deze verordening met betrekking tot de verwerking (zie inzonderheid de artikelen 5 en 6 AVG).

( 23 ) Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen „verwerkingsverantwoordelijke” en „verwerker” in de AVG, EDPB, punt 20.

( 24 ) Ibidem.

( 25 ) De in artikel 4, punt 7, juncto artikel 5, lid 1, onder b), AVG neergelegde verplichting om de doeleinden vast te stellen en te omschrijven, vereist evenwel ten minste dat elke indirecte vaststelling van de doeleinden van de verwerking voortvloeit uit de wettelijke bepalingen die ten grondslag liggen aan de activiteit van de betrokken autoriteit.

( 26 ) Zie arrest van 9 maart 2017, Manni (C‑398/15, EU:C:2017:197, punt 35).

( 27 ) Zie de artikelen 71 en 73 van het wetboek van vennootschappen.

( 28 ) Ter terechtzitting heeft de Belgische regering betoogd dat de wet impliciet de notaris als verwerkingsverantwoordelijke had aangewezen, terwijl de GBA heeft aangevoerd dat de wet die bevoegdheid aan het Belgisch Staatsblad had toegekend.

( 29 ) Arrest van 10 juli 2018, Jehovan todistajat (C‑25/17, EU:C:2018:551, punt 68).

( 30 ) Arrest van 29 juli 2019, Fashion ID (C‑40/17, EU:C:2019:629).

( 31 ) Ibidem, punten 78 en 79.

( 32 ) Zoals advocaat-generaal Pitruzzella in zijn conclusie in de zaak Google (Verwijdering van links naar beweerdelijk onjuiste informatie) (C‑460/20, EU:C:2022:271, punt 15) heeft opgemerkt, heeft het Hof vanwege dit aspect in het arrest Google Spain verklaard dat de verwerking van persoonsgegevens die bij de werking van een zoekmachine plaatsvindt, verschilt van de door webredacteuren verrichte verwerking – die erin bestaat deze gegevens op een website te plaatsen – en deze bovenop laatstgenoemde verwerking komt.

( 33 ) Arrest van 29 juli 2019, Fashion ID (C‑40/17, EU:C:2019:629, punt 70).

( 34 ) Zie dienaangaande arrest van 24 september 2019, GC e.a. (Verwijdering van links naar gevoelige gegevens) (C‑136/17, EU:C:2019:773, punt 37).

( 35 ) Arrest Google Spain, punt 34.

( 36 ) Zie overweging 1 AVG.

( 37 ) Zie punt 68 hieronder.

( 38 ) Arrest van 8 december 2022, Inspektor v Inspektorata kam Visshia sadeben savet (Doel van de verwerking van persoonsgegevens – Strafrechtelijk onderzoek) (C‑180/21, EU:C:2022:967, punt 80).

( 39 ) Zie punt 54 hierboven.

( 40 ) Zie met name de overwegingen 1 en 4, alsook artikel 1, lid 2, AVG.

( 41 ) Zie dienaangaande arrest van 10 juli 2018, Jehovan todistajat (C‑25/17, EU:C:2018:551, punt 66).

( 42 ) Volgens de artikelen 28 en 29 AVG moet de verwerking door een verwerker worden geregeld in een overeenkomst of andere rechtshandeling krachtens het Unierecht of het lidstatelijke recht die de verwerker ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke bindt en waarin de verwerking wordt omschreven. Om het Belgisch Staatsblad als verwerker te kunnen aanmerken, had de nationale wetgever verwerkingsregels moeten vaststellen.

( 43 ) Zie de punten 55‑57 van deze conclusie.

( 44 ) Bovendien is dat argument van de Belgische regering in tegenspraak met haar ter terechtzitting aangevoerde argument dat het Belgisch Staatsblad geen uitvoering geeft aan de wet, maar veeleer gehoor geeft aan het verzoek van de notaris.

( 45 ) Artikelen 474 tot en met 476 van de programmawet van 24 december 2002.

( 46 ) Onder de nieuwe regeling is dit thans 10 dagen.

( 47 ) Zie met name de artikelen 73 en 76 van het wetboek van vennootschappen.

( 48 ) Hier rijst de vraag of de Belgische wetgever de bevoegdheden van de verwerkingsverantwoordelijke heeft beperkt op een met de AVG strijdige wijze. Gesteld zou kunnen worden dat een dergelijke beperking problematisch is, in het licht van niet alleen artikel 17 AVG, maar ook artikel 16, lid 1, VWEU en artikel 8, lid 1, van het Handvest, en mogelijk afbreuk zou kunnen doen aan het nuttig effect van de door de AVG verleende bescherming. Hoewel de verwijzende rechter deze vragen zal moeten onderzoeken – aangezien het verzoek van de betrokkene is gebaseerd op artikel 17 AVG –, vallen zij echter kennelijk niet binnen het bestek van het verzoek om een prejudiciële beslissing van deze rechter.

( 49 ) Zie punt 54 hierboven.

( 50 ) Ter terechtzitting heeft de Commissie uitgelegd dat bijvoorbeeld het Publicatieblad van de Europese Unie kan worden gewijzigd en dat dergelijke oplossingen bestaan.

( 51 ) Zie artikel 5, lid 1, onder c) en d), AVG.

( 52 ) Zie punt 55 hierboven.

( 53 ) Zoals advocaat-generaal Pitruzzella in zijn conclusie in de zaak Google (Verwijdering van links naar beweerdelijk onjuiste informatie) (C‑460/20, EU:C:2022:271, punt 15) heeft opgemerkt, heeft het Hof vanwege dit aspect in het arrest Google Spain verklaard dat de verwerking van persoonsgegevens die bij de werking van een zoekmachine plaatsvindt verschilt van de door webredacteuren verrichte verwerking – die erin bestaat deze gegevens op een website te plaatsen – en deze bovenop laatstgenoemde verwerking komt.

( 54 ) Arrest van 29 juli 2019, Fashion ID (C‑40/17, EU:C:2019:629, punt 67). Zie ook Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen „verwerkingsverantwoordelijke” en „verwerker” in de AVG, EDPB, punt 29.

( 55 ) Zie Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen „verwerkingsverantwoordelijke” en „verwerker” in de AVG, EDPB, punt 67. Zoals de Commissie heeft aangegeven, houden niet alle vormen van partnerschap, samenwerking of medewerking in dat de entiteiten gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken zijn, aangezien voor de vaststelling van deze hoedanigheid een analyse per geval van elke verwerking en de precieze rol van elke entiteit bij elke verwerking vereist is. Naar mijn mening moet van gezamenlijke verantwoordelijkheid worden gesproken wanneer twee entiteiten verwerkingshandelingen verrichten die niet als afzonderlijke verwerkingsfasen kunnen worden onderscheiden.

( 56 ) Zie dienaangaande arrest van 29 juli 2019, Fashion ID (C‑40/17, EU:C:2019:629, punt 74).

( 57 ) Zo kan alleen de griffie van de ondernemingsrechtbank de litigieuze passage aan het dossier van de vennootschap toevoegen.

( 58 ) Zie dienaangaande arrest van 16 juli 2020, Facebook Ireland en Schrems (C‑311/18, EU:C:2020:559, punten 172176).