|
14.6.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 228/36 |
Beroep ingesteld op 20 april 2021 — SB / EU-LISA
(Zaak T-217/21)
(2021/C 228/48)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: SB (vertegenwoordiger: H. Tagaras, advocaat)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
de vorderingen uit het verzoekschrift in te willigen; |
|
— |
de bestreden handelingen nietig te verklaren; |
|
— |
de verwerende partij te verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeker voert zes middelen aan ter onderbouwing van zijn beroep tot nietigverklaring van het besluit van het Europees Agentschap voor het operationele beheer van grootschalige IT-systemen op het gebied van vrijheid, veiligheid en recht (EU-LISA) van 3 augustus 20202 om hem na afloop van zijn proeftijd te ontslaan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan niet-nakoming van de motiveringsplicht, aangezien het rapport aan het einde van de proeftijd geen melding maakt van enig concreet feit en slechts abstracte beoordelingen bevat die niet worden gestaafd door feiten of door verwijzingen naar het vermeende verzuim van verzoeker om aan zijn doelstellingen te voldoen. Hij verwijt het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag eveneens dat het het betrokken rapport mede heeft ondertekend zonder aan te geven welke beoordelingen van de opstellers daarvan het voor zijn eigen rekening nam. |
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan schending van de regel dat de proeftijd onder “normale omstandigheden” moet plaatsvinden, aangezien hem wordt verweten dat hij taken die hem nooit zijn toegewezen, niet goed heeft uitgevoerd en dat zijn kennis van het Engels onvoldoende is, ondanks het feit dat de verwerende partij die kennis vóór zijn aanwerving tweemaal had getoetst. |
|
3. |
Derde middel, ontleend aan schending van het recht om te worden gehoord, aangezien hij geen toelichting heeft mogen geven op het verslag van het formele onderhoud met de beoordelaar van zijn proeftijd, en hij door het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegd gezag pas is gehoord nadat dat gezag het ontslagbesluit had genomen. |
|
4. |
Vierde middel, ontleend aan procedurele onregelmatigheden, onder meer de niet-eerbiediging van de termijnen voor het opstellen van het rapport aan het einde van de proeftijd, de niet-voorziene aanwezigheid van een persoon bij het formele beoordelingsgesprek, de niet-raadpleging van verzoekers rechtstreekse hiërarchieke meerdere en het ontbreken van elke verwijzing in het rapport van de toewijzing van nieuwe taken tijdens de proeftijd. |
|
5. |
Vijfde middel, ontleend aan niet-nakoming van de zorgplicht en van artikel 84 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden, wegens het feit dat verzoeker is aangemoedigd om zich tegen het einde van zijn proeftijd sterk te verbeteren zodat hij in zijn post kon worden bevestigd en hem vervolgens is gezegd dat die verbetering te laat was, terwijl het administratief gezag zelf vertraging had opgelopen bij het opstarten van de procedures. In dit kader verwijt hij de verwerende partij eveneens dat zij zijn proeftijd niet heeft verlengd, zodat zijn verbetering had kunnen worden “gemeten”, eveneens rekening houdend met de beperkingen in verband met de sanitaire crisis. |
|
6. |
Zesde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout en schending van het beginsel van behoorlijk bestuur wegens de hierboven genoemde redenen. |