5.9.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 340/38


Arrest van het Gerecht van 6 juli 2022 — HB/Commissie

(Zaak T-408/21) (1)

(“Overheidsopdrachten voor diensten - Diensten op het gebied van technische ondersteuning voor de Hoge Raad voor Justitie en de Oekraïense autoriteiten - Onregelmatigheden in de aanbestedingsprocedure - Terugvordering van ten onrechte betaalde bedragen - Besluiten die executoriale titels vormen - Artikel 299 VWEU - Bevoegdheid van degene die de handeling heeft vastgesteld - Niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie”)

(2022/C 340/52)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: HB (vertegenwoordiger: L. Levi, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Araujo Arce, J. Estrada de Solà en J. Baquero Cruz, gemachtigden)

Voorwerp

Met het beroep vordert verzoekster, ten eerste, op basis van artikel 263 VWEU, nietigverklaring van besluit C(2021) 3339 final van de Commissie van 5 mei 2021 betreffende de invordering van een schuldvordering van 4 241 507,00 EUR jegens haar in het kader van de overeenkomst met referentienummer TACIS/2006/101-510 en van besluit C(2021) 3340 final van de Commissie van 5 mei 2021 betreffende de invordering van een schuldvordering van 1 197 055,86 EUR jegens haar in het kader van de overeenkomst met referentienummer CARDS/2008/166-429, en, ten tweede, op basis van artikel 268 VWEU, terugbetaling van alle bedragen die de Europese Commissie eventueel op basis van die besluiten heeft ingevorderd, vermeerderd met vertragingsrente tegen de door de Europese Centrale Bank toegepaste rentevoet vermeerderd met 7 punten, alsmede betaling van een symbolisch bedrag van één euro als schadevergoeding, onder voorbehoud van wijziging, voor de immateriële schade die zij stelt te hebben geleden.

Dictum

1)

Besluit C(2021) 3339 final van de Commissie van 5 mei 2021 betreffende de invordering van een schuldvordering van 4 241 507,00 EUR jegens HB, en besluit C(2021) 3340 final van de Commissie van 5 mei 2021 betreffende de invordering van een schuldvordering van 1 197 055,86 EUR jegens HB, worden nietig verklaard.

2)

Het beroep wordt verworpen voor het overige.

3)

HB en de Europese Commissie dragen elk hun eigen kosten, daaronder begrepen de kosten van de procedure in kort geding.


(1)  PB C 338 van 23.8.2021.