|
13.12.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 502/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour de cassation (Frankrijk) op 28 september 2021 — QE / Caisse régionale de Crédit mutuel de Loire-Atlantique et du Centre Ouest
(Zaak C-600/21)
(2021/C 502/23)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour de cassation
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: QE
Verwerende partij: Caisse régionale de Crédit mutuel de Loire-Atlantique et du Centre Ouest
Prejudiciële vragen
|
1) |
Moeten artikel 3, lid 1, en artikel 4 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1) aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een ontheffing van ingebrekestelling in consumentenovereenkomsten, zelfs indien de overeenkomst uitdrukkelijk en ondubbelzinnig in die ontheffing voorziet? |
|
2) |
Moet het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 26 januari 2017, Banco Pimus (C-421/14), aldus worden uitgelegd dat een vertraging van meer dan dertig dagen bij de betaling van één termijn van de hoofdsom, renten of bijkomende kosten, gelet op de looptijd, het bedrag van de lening en het algemene evenwicht van contractuele relaties, een voldoende ernstige niet-nakoming kan vormen? |
|
3) |
Moeten artikel 3, lid 1, en artikel 4 van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een beding waarin wordt bepaald dat een lening vervroegd opeisbaar kan worden verklaard in geval van een vertraging bij de betaling van meer dan dertig dagen wanneer het nationale recht, dat bepaalt dat voor de vervroegde opeisbaarheid van een lening een ingebrekestelling moet worden verzonden, erkent dat de partijen hiervan kunnen afwijken wanneer een redelijke opzegtermijn in acht wordt genomen? |
|
4) |
Zijn de vier criteria die het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 26 januari 2017, Banco Primus (C-421/14), heeft ontwikkeld voor de beoordeling door een nationale rechter van het eventuele oneerlijke karakter van het beding betreffende de vervroegde opeisbaarheid van een lening wanneer de schuldenaar gedurende een beperkte periode zijn verplichtingen verzuimt, cumulatief of alternatief? |
|
5) |
Indien deze criteria cumulatief zijn, kan het oneerlijke karakter van het beding dan niettemin worden uitgesloten gelet op het relatieve belang van een bepaald criterium? |