22.11.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 471/20


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Državna revizijska komisija za revizijo postopkov oddaje javnih naročil (Slovenië) op 9 augustus 2021 — SHARENGO najem in zakup vozil d.o.o. / Mestna občina Ljubljana

(Zaak C-486/21)

(2021/C 471/29)

Procestaal: Sloveens

Verwijzende rechter

Državna revizijska komisija za revizijo postopkov oddaje javnih naročil

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: SHARENGO najem in zakup vozil d.o.o.

Verwerende partij: Mestna občina Ljubljana

Prejudiciële vragen

1)

Moet verordening (EG) nr. 2195/2002 [van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV)] (1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 213/2008 van de Commissie [van 28 november 2007 tot wijziging van verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) (2) en tot wijziging van de richtlijnen 2004/17/EG (3) en 2004/18/EG (4) van het Europees Parlement en de Raad inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, in verband met de herziening van de CPV] aldus worden uitgelegd dat de verhuur van voertuigen voor personenvervoer zonder chauffeur niet valt onder groep 601, maar onder groep 341 van de gemeenschappelijke woordenlijst CPV, met de toevoeging van de code uit de aanvullende woordenlijst CPV PA01 7 Huur om de beschrijving aan te vullen, en waarop code PB04 7 Zonder chauffeur van de aanvullende woordenlijst CPV geen invloed heeft, zodat uit de omschrijving in de codes van groep 341 van de gemeenschappelijke woordenlijst CPV in combinatie met code PA01 7 Huur van de aanvullende woordenlijst CPV volgt dat de verhuur van voertuigen voor personenvervoer zonder chauffeur moet worden aangemerkt als een overheidsopdracht voor leveringen en niet voor diensten, met als gevolg dat indien het hoofdbestanddeel van de investering van de ondernemer voor de uitvoering van het project betreffende de totstandbrenging van een openbaar systeem voor het huren en delen van elektrische voertuigen bestaat in de levering van elektrische voertuigen, en die investering tevens groter is dan de investering van de aanbestedende dienst in de uitvoering van het project, niet blijkt te zijn voldaan aan het bestanddeel “diensten” als bedoeld in artikel 5, punt 1, onder b), van richtlijn 2014/23/EU (5) [van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten], en de overeenkomst voor de uitvoering van dat project bijgevolg geen concessie voor diensten in de zin van artikel 5, punt 1, onder b), van richtlijn 2014/23 is?

2)

Moet het begrip “verrichting [en beheer] van diensten” als bedoeld in artikel 5, punt 1, onder b), van richtlijn 2014/23/EU aldus worden uitgelegd dat:

a)

het begrip “verrichting van diensten” in artikel 5, punt 1, onder b), van richtlijn 2014/23/EU dezelfde betekenis heeft als het begrip “verlenen van […] diensten” in artikel 2, lid 1, punt 9, van richtlijn 2014/24/EU [van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG] (6), zodat het in artikel 5, punt 1, onder b), van richtlijn 2014/23/EU bedoelde begrip “verrichting van diensten” inhoudt dat indien een openbaar systeem voor het huren en delen van elektrische voertuigen tot stand wordt gebracht, de ondernemer diensten met betrekking tot het huren en delen van elektrische voertuigen verricht, en activiteiten uitvoert die verder gaan dan het huren en delen van elektrische voertuigen?

en

b)

het begrip “[beheer] van diensten” in artikel 5, punt 1, onder b), van richtlijn 2014/23/EU, inhoudt dat een ondernemer zijn “recht de diensten […] te exploiteren” verderop in artikel 5, punt 1, onder b), van richtlijn 2014/23/EU uitoefent, en dat dit beheer inkomsten oplevert, zodat het begrip “[beheer] van diensten” in de zin van artikel 5, lid 1, onder b), van richtlijn 2014/23/EU betekent dat indien een openbaar systeem voor het huren en delen van elektrische voertuigen tot stand wordt gebracht, een ondernemer op grond van de verrichting van diensten die onder het huren en delen van elektrische voertuigen vallen en van activiteiten die verder gaan dan het huren en delen van elektrische voertuigen, het recht heeft om van de gebruikers een betaling te vragen voor de verrichting van de diensten, en niet gehouden is de parkeerhuur aan de gemeente te betalen, en evenmin de kosten voor het gewone onderhoud van de parkeerzones, en het dus rechtmatig is dat hij op die grond inkomsten genereert?

3)

Moet het begrip “totale tijdens de looptijd van het contract te behalen omzet van de concessiehouder, exclusief btw, zoals deze door de aanbestedende dienst of de aanbestedende instantie is geraamd, als tegenprestatie voor de […] diensten die het voorwerp van de concessie uitmaken” in artikel 8, lid 2, eerste alinea, van richtlijn 2014/23/EU, aldus worden uitgelegd dat de “totale […] omzet van de concessiehouder” ook de betalingen van de gebruikers aan die concessiehouder omvat, en dat die betalingen dus ook worden aangemerkt als een “tegenprestatie voor de […] diensten die het voorwerp van de concessie uitmaken”?

4)

Moet artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/23/EU aldus worden uitgelegd dat richtlijn 2014/23/EU van toepassing is indien de waarde van de investeringen, of de waarde van de investeringen en de kosten die de ondernemer heeft gemaakt in het kader van een concessie voor diensten, of van de kosten die de ondernemer en de aanbestedende dienst hebben gemaakt in het kader van een concessie voor diensten (kennelijk) hoger is dan 5 350 000 EUR, exclusief btw?

5)

Moet artikel 38, lid 1, van richtlijn 2014/23/EU aldus worden uitgelegd dat deze bepaling de aanbestedende dienst de mogelijkheid biedt om een voorwaarde voor deelname te stellen die betrekking heeft op de beroepsactiviteit, en om van de ondernemers te eisen dat zij bewijzen dat aan een dergelijke voorwaarde is voldaan, ook in overeenstemming met uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 [van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 (7)] en de rectificatie [van uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 (8) van de Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011], waarvan bijlage XXI voorziet in de concessieaankondiging (standaardformulier 24), die tevens afdeling III.1.1. “Geschiktheid om de beroepsactiviteit uit te oefenen, waaronder de vereisten in verband met de inschrijving in het beroeps- of handelsregister” bevat?

6)

Indien vraag 5 bevestigend wordt beantwoord, moet dan artikel 38, lid 1, van richtlijn 2014/23/EU, gelezen in samenhang met het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/23/EU, aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst voor de vaststelling van de voorwaarde voor deelname betreffende de beroepsactiviteit kan verwijzen naar het nationale gegeven NACE 77.110 voor de beschrijving van de activiteit Verhuur en lease van personenauto’s en andere lichte auto’s, die dezelfde betekenis heeft als het bepaalde in verordening (EG) nr. 1893/2006 [van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden] (9), in bijlage I, NACE REV. 2, klasse 77.11 Verhuur en lease van personenauto’s en andere lichte auto’s?

7)

Indien vraag 5 bevestigend wordt beantwoord, moet dan artikel 38, lid 1, van richtlijn 2014/23/EU, met name voor zover daarin wordt verwezen naar het evenredigheidsbeginsel, gelezen in samenhang met het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel als bedoeld in artikel 3, lid 1, van richtlijn 2014/23/EU, aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst kan eisen dat elke partner voldoet aan de voorwaarde dat zijn activiteit is geregistreerd als Verhuur en lease van personenauto’s en andere lichte auto’s?

8)

Moet artikel 2, lid 1, punt 8, van richtlijn 2014/24/EU aldus worden uitgelegd dat er sprake is van een overheidsopdracht voor leveringen wanneer (afhankelijk van de waarde van de investering van de ondernemer) een wezenlijk deel van de toekomstige contractuele verhouding tussen de gemeente en de ondernemer verband houdt met het huren en delen van elektrische voertuigen die bestemd zijn voor de gebruikers van een openbaar systeem voor het huren en delen van elektrische voertuigen, in het kader waarvan de gemeente niet rechtstreeks investeert in de verwezenlijking van het project voor de totstandbrenging van een openbaar systeem voor het huren en delen van elektrische voertuigen door betalingen aan de ondernemer te verrichten, maar indirect door voor een periode van 20 jaar afstand te doen van de parkeerhuur en door te zorgen voor het regelmatig onderhoud van de parkeerzones, en de totale waarde van die investering hoger is dan het in artikel 4, onder b) of onder c), van richtlijn 2014/24/EU vastgestelde bedrag, gelezen in het licht van gedelegeerde verordening (EU) 2019/1828 [van de Commissie van 30 oktober 2019 tot wijziging van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de drempels betreft voor overheidsopdrachten voor leveringen, diensten en werken, en prijsvragen] (10), doch deze investering van de gemeente (beduidend) lager is dan zowel de totale investering van de ondernemer in het project voor de totstandbrenging van een openbaar systeem voor het huren en delen van elektrische voertuigen, als de investering van de ondernemer in het onderdeel van het project dat elektrische voertuigen betreft, los van het feit dat de gebruikers de ondernemer zullen betalen voor het gebruik van de elektrische voertuigen, en het afhangt van de vraag van de gebruikers of de ondernemer erin zal slagen zodanige inkomsten te genereren dat de totstandbrenging van een openbaar systeem voor het huren en delen van elektrische voertuigen in financieel opzicht succesvol zal blijken, wat voor de ondernemer de reden is dat hij het operationele risico voor de verwezenlijking van het project draagt, hetgeen een kenmerk is van een concessie voor diensten als bedoeld in artikel 5, punt 1, onder b), van richtlijn 2012/23/UE, en niet van een overheidsopdracht als bedoel in artikel 2, lid 1, punt 5, van richtlijn 2014/24/EU?

9)

Moet artikel 3, lid 4, derde alinea, van richtlijn 2014/24/EU aldus worden uitgelegd dat deze bepaling de rechtsgrond vormt voor de toepassing van de in richtlijn 2014/24/EU opgenomen regeling op de gunning van een toekomstige overeenkomst tussen de gemeente en de ondernemer voor het project van de totstandbrenging van een openbaar systeem voor het huren en delen van elektrische voertuigen, omdat die overeenkomst moet worden aangemerkt als een gemengde overeenkomst die elementen bevat van een overheidsopdracht voor leveringen en voor diensten en van een concessie voor diensten, gelet op het feit dat de investering van de gemeente voor de uitvoering van dat project een hogere waarde heeft dan die in artikel 4, onder c), van richtlijn 2014/24/EU, gelezen in het licht van gedelegeerde verordening (EU) 2019/1828?

10)

Moet artikel 58, leden 1 en 2, van richtlijn 2014/24/EU, gelezen in samenhang met het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel als bedoeld in artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst voor de vaststelling van de voorwaarde voor deelname betreffende de beroepsactiviteit kan verwijzen naar het nationale gegeven NACE 77.110 voor de beschrijving van de activiteit Verhuur en lease van personenauto’s en andere lichte auto’s, die dezelfde betekenis heeft als het bepaalde in verordening (EG) nr. 1893/2006 in bijlage I, NACE REV. 2, klasse 77.11 Verhuur en lease van personenauto’s en andere lichte auto’s?

11)

Moet artikel 58, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU, met name voor zover daarin wordt verwezen naar het evenredigheidsbeginsel, en artikel 58, lid 2, van richtlijn 2014/24/EU, gelezen in samenhang met het gelijkheids- en het non-discriminatiebeginsel als bedoeld in artikel 18, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU, aldus worden uitgelegd dat de aanbestedende dienst kan eisen dat elke partner voldoet aan de voorwaarde dat zijn activiteit is geregistreerd als Verhuur en lease van personenauto’s en andere lichte auto’s?


(1)  Verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) (Voor de EER relevante tekst) (PB 2002, L 340, blz. 1)

(2)  Verordening (EG) nr. 213/2008 van de Commissie van 28 november 2007 tot wijziging van verordening (EG) nr. 2195/2002 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de gemeenschappelijke woordenlijst overheidsopdrachten (CPV) en tot wijziging van de richtlijnen 2004/17/EG en 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten, in verband met de herziening van de CPV (PB 2008, L 74, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB 2004, L 134, blz. 1)

(4)  Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB 2004, L 134, blz. 114).

(5)  Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (PB 2014, L 94, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG (PB 2014, L 94, blz. 65).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 van de Commissie van 19 augustus 2011 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1564/2005 (Voor de EER relevante tekst) (PB 2011, L 222, blz. 1).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1986 van de Commissie van 11 november 2015 tot vaststelling van standaardformulieren voor de bekendmaking van aankondigingen op het gebied van overheidsopdrachten en tot intrekking van uitvoeringsverordening (EU) nr. 842/2011 (Voor de EER relevante tekst) (PB 2015, L 296, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB 2006, L 393, blz. 1).

(10)  Gedelegeerde verordening (EU) 2019/1828 van de Commissie van 30 oktober 2019 tot wijziging van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad wat de drempels betreft voor overheidsopdrachten voor leveringen, diensten en werken, en prijsvragen (Voor de EER relevante tekst) (PB 2019, L 279, blz. 25).