ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
18 april 2023 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Artikel 1, lid 3 – Artikel 23, lid 4 – Procedure van overlevering tussen de lidstaten – Gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging – Artikel 4, lid 3, VEU – Verplichting tot loyale samenwerking – Opschorting van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen – Ernstige, chronische en mogelijk ongeneeslijke ziekte – Ernstig risico voor de gezondheid van de persoon op wie het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft”
In zaak C‑699/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië) bij beslissing van 18 november 2021, ingekomen bij het Hof op 22 november 2021, in de procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen
E.D.L.
in tegenwoordigheid van:
Presidente del Consiglio dei Ministri,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, A. Prechal, K. Jürimäe (rapporteur), C. Lycourgos, M. Safjan, L. S. Rossi en D. Gratsias, kamerpresidenten, J.‑C. Bonichot, I. Jarukaitis, A. Kumin, N. Jääskinen, M. Gavalec, Z. Csehi en O. Spineanu-Matei, rechters,
advocaat-generaal: M. Campos Sánchez-Bordona,
griffier: C. Di Bella, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 27 september 2022,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
E.D.L., vertegenwoordigd door N. Canestrini en V. Manes, avvocati, |
|
– |
de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door G. Palmieri als gemachtigde, bijgestaan door S. Faraci, avvocato dello Stato, |
|
– |
de Kroatische regering, vertegenwoordigd door G. Vidović Mesarek als gemachtigde, |
|
– |
de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. M. Hoogveld als gemachtigden, |
|
– |
de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna en J. Sawicka als gemachtigden, |
|
– |
de Roemeense regering, vertegenwoordigd door E. Gane, O.‑C. Ichim en A. Wellman als gemachtigden, |
|
– |
de Finse regering, vertegenwoordigd door M. Pere als gemachtigde, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door S. Grünheid en A. Spina als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 december 2022,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”), gelezen in het licht van de artikelen 3, 4 en 35 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging in Italië van een Europees aanhoudingsbevel dat de Općinski sud u Zadru (rechter voor de gemeente Zadar, Kroatië) heeft uitgevaardigd met het oog op de strafvervolging van E.D.L. |
Toepasselijke bepalingen
Unierecht
|
3 |
In de overwegingen 6 en 12 van kaderbesluit 2002/584 staat te lezen:
[…]
|
|
4 |
Artikel 1 van dit kaderbesluit, met het opschrift „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel”, bepaalt: „1. Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel. 2. De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. 3. Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 [VEU], wordt aangetast.” |
|
5 |
Artikel 3 van dat kaderbesluit noemt de gronden tot verplichte weigering van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. De gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging worden opgesomd in de artikelen 4 en 4 bis ervan. |
|
6 |
In artikel 23 van kaderbesluit 2002/584 („Termijn voor overlevering van de persoon”) is bepaald: „1. De gezochte persoon wordt zo spoedig mogelijk overgeleverd, op een datum die de betrokken autoriteiten in onderlinge overeenstemming vaststellen. 2. De gezochte persoon wordt overgeleverd niet later dan tien dagen na de definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. 3. Indien de uitvoerende lidstaat de gezochte persoon door omstandigheden buiten de macht van enige lidstaat niet binnen de in lid 2 gestelde termijn kan overleveren, nemen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onmiddellijk contact met elkaar op en wordt in onderlinge overeenstemming een nieuwe datum voor de overlevering vastgesteld. In dat geval vindt [de] overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum. 4. De overlevering kan bij wijze van uitzondering tijdelijk worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. De tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel vindt plaats zodra deze gronden niet langer bestaan. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en in onderlinge overeenstemming wordt een nieuwe datum voor overlevering vastgesteld. In dat geval vindt de overlevering plaats binnen tien dagen te rekenen vanaf de aldus vastgestelde nieuwe datum. 5. Indien de persoon na het verstrijken van de in de leden 2 tot en met 4 bedoelde termijnen nog steeds in hechtenis verkeert, wordt hij in vrijheid gesteld.” |
Italiaans recht
|
7 |
Artikel 1, lid 1, van legge nr. 69 van 22 april 2005 – Disposizioni per conformare il diritto interno alla decisione quadro 2002/584/GAI del Consiglio, del 13 giugno 2002, relativa al mandato d’arresto europeo e alle procedure di consegna tra Stati membri (wet nr. 69 houdende bepalingen ter aanpassing van het interne recht aan kaderbesluit 2002/584) (GURI nr. 98 van 29 april 2005, blz. 6), in de versie die van toepassing is op de feiten van het hoofdgeding (hierna: „wet nr. 69/2005”), bepaalt: „Deze wet zet de bepalingen van [kaderbesluit 2002/584] om in de interne rechtsorde, voor zover ze niet onverenigbaar zijn met de grondbeginselen van de constitutionele orde op het gebied van de grondrechten, de fundamentele vrijheden en het recht op een eerlijk proces.” |
Hoofdgeding en prejudiciële vraag
|
8 |
Op 9 september 2019 heeft de Općinski sud u Zadru een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd tegen E.D.L., die in Italië woont, teneinde hem strafrechtelijk te vervolgen in Kroatië. E.D.L. wordt ervan verdacht in 2014 op Kroatisch grondgebied in het bezit te zijn geweest van verdovende middelen met het oog op de wederverkoop en de levering daarvan. |
|
9 |
De Corte d’appello di Milano (rechter in tweede aanleg Milaan, Italië) is bevoegd voor de tenuitvoerlegging van dit Europees aanhoudingsbevel. Aan deze rechter heeft E.D.L. verschillende medische dossiers overgelegd waaruit blijkt dat hij aan ernstige psychiatrische aandoeningen lijdt. Op basis van deze stukken heeft de Corte d’appello di Milano E.D.L. psychiatrisch laten onderzoeken. |
|
10 |
Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat E.D.L. lijdt aan een psychotische stoornis waarvoor hij medicatie dient in te nemen en dat hij psychotherapeutisch dient te worden behandeld om mogelijke episoden van psychische decompensatie te voorkomen. Tevens is daaruit gebleken dat een eventuele gevangenisstraf een ernstig risico van zelfdoding met zich zou brengen. Het onderzoeksrapport besluit dan ook dat E.D.L. niet geschikt is voor het gevangenisleven aangezien hij zijn behandeling moet voortzetten. |
|
11 |
Op basis van dat onderzoek heeft de Corte d’appello di Milano ten eerste geoordeeld dat de behandeling van E.D.L. door de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel zou worden onderbroken, hetgeen zou leiden tot een verslechtering van zijn algemene gezondheidstoestand, waarvan de gevolgen uitzonderlijk ernstig zouden kunnen zijn, en zelfs een reëel gevaar van zelfdoding zou meebrengen. Ten tweede heeft deze rechter vastgesteld dat in de relevante bepalingen van wet nr. 69/2005 niet is vastgelegd dat de overlevering in het kader van procedures voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel om dergelijke gezondheidsredenen kan worden geweigerd. |
|
12 |
Tegen deze achtergrond heeft de Corte d’appello di Milano bij beschikking van 17 september 2020 aan de Corte costituzionale (grondwettelijk hof, Italië), de verwijzende rechter in de onderhavige zaak, gevraagd of die bepalingen in overeenstemming zijn met de grondwet. |
|
13 |
De verwijzende rechter benadrukt in dit verband dat de vragen die hij moet beantwoorden niet alleen betrekking hebben op de verenigbaarheid van deze bepalingen met de Italiaanse grondwet, maar ook op de uitlegging van het Unierecht waaraan zij uitvoering geven. Niet alleen volgens wet nr. 69/2005, maar ook volgens de artikelen 3, 4 en 4 bis van kaderbesluit 2002/584 vormt het mogelijk ernstige gevaar dat overlevering zou inhouden voor de gezondheid van de betrokkene omdat die aan een chronische ziekte van mogelijk onbepaalde duur lijdt, namelijk geen grond tot verplichte of facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. |
|
14 |
De verwijzende rechter wenst te vernemen of het risico voor de gezondheid van de gezochte persoon op passende wijze kan worden ondervangen door de overlevering op grond van artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 op te schorten. Hij tekent daar echter bij aan dat deze oplossing hem niet geschikt lijkt voor chronische ziekten van onbepaalde duur, zoals die waaraan E.D.L. lijdt. |
|
15 |
Voorts wijst de verwijzende rechter erop dat zowel in overweging 12 als in artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 het beginsel wordt bevestigd dat dit kaderbesluit, zoals omgezet door de lidstaten, niet tot gevolg kan hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 VEU, wordt aangetast. |
|
16 |
Juist om te voorkomen dat de tenuitvoerlegging van kaderbesluit 2002/584 tot schendingen van de grondrechten van de gezochte persoon leidt, heeft het Hof, naast de gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging die in dit kaderbesluit zijn opgenomen, een toetsingskader vastgesteld waarmee wordt beoogd de vereisten van wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen in strafzaken in overeenstemming te brengen met de eerbiediging van deze grondrechten. |
|
17 |
Dergelijke schendingen zouden zich volgens de rechtspraak van het Hof voordoen wanneer de gezochte persoon door de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in de uitvaardigende lidstaat zou kunnen worden blootgesteld aan onmenselijke en vernederende detentieomstandigheden als gevolg van algemene, structurele tekortkomingen of situaties die bepaalde groepen personen of detentiecentra betreffen, of het gevaar zou lopen te worden onderworpen aan een proces waarin de waarborgen van artikel 47 van het Handvest niet worden geëerbiedigd als gevolg van algemene, structurele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van de uitvaardigende lidstaat betreft. |
|
18 |
De verwijzende rechter merkt evenwel op dat deze rechtspraak uitsluitend betrekking heeft op situaties waarin het gevaar bestaat dat de grondrechten van de gezochte persoon worden aangetast wegens algemene, structurele gebreken in de uitvaardigende lidstaat, of op situaties die bepaalde groepen personen of volledige detentiecentra betreffen. De vragen die aan hem zijn voorgelegd, gaan echter over een andere situatie, namelijk die waarin de persoon om wiens overlevering wordt verzocht, lijdt aan een ernstige, chronische ziekte van onbepaalde duur, die in geval van overlevering aanzienlijk kan verergeren, met name indien de uitvaardigende lidstaat zou besluiten de betrokkene in detentie te plaatsen. |
|
19 |
De verwijzende rechter vraagt zich derhalve af of de uit die rechtspraak voortvloeiende beginselen naar analogie ook op deze situatie van toepassing zijn. Hij wenst met name te vernemen of de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is om met de uitvaardigende rechterlijke autoriteit een dialoog aan te gaan, en of zij de overleveringsprocedure kan beëindigen wanneer het risico dat de grondrechten van de gezochte persoon worden geschonden, niet binnen een redelijke termijn kan worden uitgesloten. |
|
20 |
In deze omstandigheden heeft de Corte costituzionale de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag: „Moet artikel 1, lid 3, van [kaderbesluit 2002/584], gelezen in het licht van de artikelen 3, 4 en 35 van het [Handvest], aldus worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij van oordeel is dat een persoon die aan een ernstige, chronische en mogelijk ongeneeslijke ziekte lijdt het risico loopt dat zijn gezondheid bij overlevering ernstig wordt geschaad, de uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet verzoeken om gegevens op grond waarvan het bestaan van dit risico kan worden uitgesloten, en overlevering moet weigeren indien zij dergelijke waarborgen niet binnen een redelijke termijn heeft verkregen?” |
Procedure bij het Hof
|
21 |
De verwijzende rechter heeft verzocht om deze zaak te behandelen volgens de versnelde procedure van artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. |
|
22 |
Hij erkent dat E.D.L. aan geen enkele vrijheidsbenemende maatregel is onderworpen, maar stelt dat de prejudiciële vraag betrekking heeft op wezenlijke aspecten van de werking van het Europees aanhoudingsbevel. Bovendien kan deze vraag algemene gevolgen hebben, zowel voor de autoriteiten die medewerking moeten verlenen aan procedures betreffende een Europees aanhoudingsbevel als voor de rechten van de betrokkenen. |
|
23 |
Artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat de president van het Hof op verzoek van de verwijzende rechter of bij wijze van uitzondering ambtshalve, wanneer de aard van de zaak een behandeling binnen korte termijnen vereist, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, kan beslissen een prejudiciële verwijzing te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van dat Reglement. |
|
24 |
In dit verband zij eraan herinnerd dat een dergelijke versnelde procedure een procedureel instrument betreft dat bedoeld is om buitengewoon spoedeisende situaties te behandelen (arrest van 21 december 2021, Randstad Italia,C‑497/20, EU:C:2021:1037, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
25 |
In casu heeft de president van het Hof op 20 december 2021, de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten het in punt 21 van het onderhavige arrest bedoelde verzoek af te wijzen. |
|
26 |
De omstandigheid dat de zaak betrekking heeft op een of meer wezenlijke aspecten van de werking van het Europees aanhoudingsbevel, vormt als zodanig namelijk geen reden tot buitengewone spoedeisendheid, die noodzakelijk is om een versnelde behandeling te rechtvaardigen. Dit geldt ook voor het feit dat een groot aantal personen of juridische situaties mogelijkerwijs wordt geraakt door de gestelde prejudiciële vragen (zie in die zin arrest van 21 december 2021, Randstad Italia,C‑497/20, EU:C:2021:1037, punt 39). |
|
27 |
Gelet op de aard en het belang van de gestelde vraag heeft de president van het Hof evenwel beslist om de onderhavige zaak overeenkomstig artikel 53, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering bij voorrang te berechten. |
Beantwoording van de prejudiciële vraag
|
28 |
Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van de artikelen 3, 4 en 35 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit die moet beslissen over de overlevering van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd en die aan een ernstige, chronische en mogelijk ongeneeslijke ziekte lijdt, wanneer zij van oordeel is dat die persoon het risico loopt dat zijn gezondheid bij overlevering ernstig wordt geschaad, de uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet verzoeken om gegevens op grond waarvan dit risico kan worden uitgesloten, en overlevering moet weigeren indien zij de vereiste waarborgen niet binnen een redelijke termijn verkrijgt. |
|
29 |
Vooraf zij erop gewezen dat de omstandigheid dat de verwijzende rechter zijn vraag formeel heeft beperkt tot de uitlegging van artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, het Hof niet belet om hem alle uitleggingsgegevens met betrekking tot het Unierecht te verschaffen die van nut kunnen zijn voor de beslechting van de bij hem aanhangige zaak, ongeacht of hij er in zijn vraag melding van maakt (zie in die zin arresten van 12 december 1990, SARPP,C‑241/89, EU:C:1990:459, punt 8, en 5 juni 2018, Coman e.a.,C‑673/16, EU:C:2018:385, punt 22). |
|
30 |
Er moet aan worden herinnerd dat het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en het beginsel van wederzijdse erkenning, dat zelf op het onderlinge vertrouwen tussen de lidstaten berust, in het Unierecht van wezenlijk belang zijn, aangezien zij de mogelijkheid bieden om een ruimte zonder binnengrenzen te verwezenlijken en in stand te houden. Meer bepaald vereist het beginsel van wederzijds vertrouwen, met name wat de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht betreft, dat elk van de lidstaten, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, ervan uitgaat dat alle andere lidstaten het Unierecht en, meer in het bijzonder, de door dat recht erkende grondrechten in acht nemen [arresten van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 40, en 31 januari 2023, Puig Gordi e.a.,C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 93]. |
|
31 |
Wanneer de lidstaten het Unierecht ten uitvoer brengen, zijn zij dus krachtens dit recht gehouden om aan te nemen dat de andere lidstaten de grondrechten eerbiedigen, zodat zij niet kunnen eisen dat een andere lidstaat een hoger nationaal niveau van bescherming van de grondrechten biedt dan door het Unierecht wordt verzekerd, en, behoudens uitzonderlijke gevallen, evenmin kunnen nagaan of die andere lidstaat in een concreet geval daadwerkelijk de door de Europese Unie gewaarborgde grondrechten heeft geëerbiedigd [advies 2/13 (Toetreding van de Unie tot het EVRM) van 18 december 2014, EU:C:2014:2454, punt 192, en arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a.,C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 94]. |
|
32 |
In die context beoogt kaderbesluit 2002/584 met de instelling van een vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan worden verdacht strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
33 |
Het beginsel van wederzijdse erkenning, dat blijkens overweging 6 van dit kaderbesluit de hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking in strafzaken vormt, komt tot uitdrukking in artikel 1, lid 2, van dit kaderbesluit, waarin de regel is neergelegd dat de lidstaten zich ertoe verbinden om, op grond van dit beginsel en overeenkomstig de bepalingen van het kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
34 |
Hieruit volgt ten eerste dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten slechts kunnen weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen om redenen die voortvloeien uit kaderbesluit 2002/584, zoals uitgelegd door het Hof (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a.,C‑158/21, EU:C:2023:57, punten 69‑73). Ten tweede is de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel de regel en is de weigering van de tenuitvoerlegging de uitzondering, die strikt moet worden uitgelegd [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
35 |
Dit kaderbesluit bepaalt echter niet dat de uitvoerende rechterlijke autoriteiten kunnen weigeren een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen op de enkele grond dat de persoon tegen wie het is uitgevaardigd, aan een ernstige, chronische en mogelijk ongeneeslijke ziekte lijdt. Op basis van het beginsel van wederzijds vertrouwen dat ten grondslag ligt aan de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, bestaat er namelijk een vermoeden dat er in de lidstaten passende zorg wordt verleend en een passende behandeling wordt geboden van dergelijke ziekten (zie naar analogie arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a.,C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 70), niet alleen in gevangenissen maar ook in het kader van andere regelingen via welke deze persoon ter beschikking van de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat wordt gehouden. |
|
36 |
Uit artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 volgt echter dat de overlevering in uitzonderlijke omstandigheden tijdelijk kan worden opgeschort, met name wanneer het leven of de gezondheid van de gezochte persoon daardoor ernstig in gevaar zou komen. |
|
37 |
Bijgevolg mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit de overlevering van de gezochte persoon tijdelijk opschorten, voor zover er zwaarwegende gronden zijn om op basis van objectieve gegevens, zoals medische verklaringen of deskundigenrapporten, aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel de gezondheid van die persoon in gevaar dreigt te brengen, bijvoorbeeld wegens een tijdelijke ziekte of aandoening van die persoon vóór de datum van overlevering. |
|
38 |
Bij de uitoefening van deze beoordelingsbevoegdheid moet artikel 4 van het Handvest, waarin onder meer een verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen is neergelegd, in acht worden genomen. Dit verbod heeft een absoluut karakter, aangezien het nauw samenhangt met de eerbiediging van de in artikel 1 van het Handvest bedoelde menselijke waardigheid [zie in die zin arresten van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 85, en 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punt 57]. |
|
39 |
In dit verband kan niet worden uitgesloten dat de overlevering van een ernstig zieke persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest kan inhouden vanwege, of – in bepaalde omstandigheden – ongeacht de kwaliteit van de zorg die in de uitvaardigende lidstaat aanwezig is (zie naar analogie arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a.,C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punt 73). |
|
40 |
Van een behandeling in de zin van die bepaling is evenwel pas sprake indien zij een zekere mate van ernst heeft, waardoor de intensiteit ervan het onvermijdelijke niveau van lijden dat inherent is aan de detentie overstijgt [zie in die zin arrest van 25 juli 2018, Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije), C‑220/18 PPU, EU:C:2018:589, punt 90]. |
|
41 |
Dit zou het geval zijn bij de overlevering van een ernstig zieke persoon die het risico loopt om in de zeer nabije toekomst te sterven of wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat deze persoon, ook al loopt hij niet het risico om in de zeer nabije toekomst te sterven, in de omstandigheden van het geval wordt blootgesteld aan een reëel risico van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand of van een significante daling van zijn levensverwachting [zie in die zin arrest van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (Verwijdering – Medicinale cannabis), C‑69/21, EU:C:2022:913, punten 63 en 66]. |
|
42 |
Hieruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, in een situatie waarin zij in het licht van de objectieve gegevens waarover zij beschikt, zwaarwegende en op feiten berustende gronden heeft om aan te nemen dat de ernstig zieke gezochte persoon door de overlevering zou worden blootgesteld aan een reëel risico op een significante daling van zijn levensverwachting of op een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, krachtens artikel 4 van het Handvest de bevoegdheid dient uit te oefenen die haar wordt verleend door artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 teneinde de overlevering op te schorten. |
|
43 |
Daaraan moet worden toegevoegd dat dit kaderbesluit, met name artikel 23, lid 4, ervan, aldus moet worden uitgelegd dat geen afbreuk wordt gedaan aan de doeltreffendheid van het stelsel van rechterlijke samenwerking tussen de lidstaten, waarvan het door de Uniewetgever ingestelde Europees aanhoudingsbevel een van de wezenlijke elementen vormt [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
44 |
Dit geldt temeer daar de regeling van het Europees aanhoudingsbevel ook tot doel heeft om te vermijden dat een gezochte persoon die zich in een ander land bevindt dan dat waar hij een strafbaar feit zou hebben gepleegd, onbestraft blijft [zie in die zin arrest van 17 december 2020, Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit), C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU, EU:C:2020:1033, punt 62]. |
|
45 |
Daarom heeft het Hof geoordeeld dat, teneinde met name te verzekeren dat de werking van het Europees aanhoudingsbevel niet wordt verlamd, de in artikel 4, lid 3, eerste alinea, VEU neergelegde verplichting tot loyale samenwerking leidend moet zijn voor de dialoog tussen de uitvoerende en de uitvaardigende rechterlijke autoriteiten. Krachtens het beginsel van loyale samenwerking respecteren en steunen de lidstaten elkaar bij de vervulling van de taken die uit de Verdragen voortvloeien [arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
46 |
De uitvaardigende en de uitvoerende rechterlijke autoriteiten moeten dan ook, teneinde een doeltreffende samenwerking op strafrechtelijk gebied te waarborgen, ten volle gebruikmaken van de instrumenten in kaderbesluit 2002/584, om zo het aan die samenwerking ten grondslag liggende wederzijdse vertrouwen te bevorderen [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 49 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
47 |
Hieruit volgt dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit, wanneer zij in de in punt 42 van het onderhavige arrest beschreven situatie bij wijze van uitzondering besluit om de overlevering van de gezochte persoon op grond van artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 juncto artikel 4 van het Handvest tijdelijk op te schorten, de uitvaardigende rechterlijke autoriteit moet verzoeken alle gegevens te verstrekken die nodig zijn om zich ervan te vergewissen dat de aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag liggende strafvervolging of de omstandigheden waaronder de betrokkene eventueel zal worden gedetineerd, van dien aard zijn dat het in dat punt bedoelde risico wordt uitgesloten (zie naar analogie arrest van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 95). |
|
48 |
Indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit dergelijke waarborgen biedt, volgt uit artikel 23, lid 4, dat het Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer dient te worden gelegd. Krachtens die bepaling stelt de uitvoerende rechterlijke autoriteit de uitvaardigende rechterlijke autoriteit daarvan onmiddellijk in kennis en wordt in onderlinge overeenstemming een nieuwe datum voor overlevering vastgesteld. |
|
49 |
In dit verband moet worden benadrukt dat het feit dat de gezochte persoon aan een chronische, mogelijk blijvende en uitzonderlijk ernstige ziekte lijdt, niet uitsluit dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit die heeft beslist om de overlevering van die persoon op te schorten, van de uitvaardigende lidstaat de toezegging krijgt dat in die lidstaat passende zorg en behandeling voor deze ziekte zal worden geboden, niet alleen in de gevangenis maar ook in het kader van andere regelingen via welke deze persoon ter beschikking van de rechterlijke autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat wordt gehouden. |
|
50 |
Het kan echter voorkomen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit in uitzonderlijke omstandigheden, in het licht van de gegevens die de uitvaardigende rechterlijke autoriteit haar heeft verstrekt en alle informatie waarover zij zelf beschikt, tot de slotsom komt dat er zwaarwegende en op feiten berustende gronden zijn om aan te nemen dat de gezochte persoon in geval van overlevering aan de uitvaardigende lidstaat zal worden blootgesteld aan een risico zoals beschreven in punt 42 van dit arrest en dat dit risico niet binnen een redelijke termijn kan worden weggenomen. |
|
51 |
Ten eerste vormt artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584 een uitzondering op de verplichting die in lid 1 van dat artikel voor de uitvoerende rechterlijke autoriteit is neergelegd om de gezochte persoon zo spoedig mogelijk over te leveren. Het zou dan ook in strijd zijn met zowel de letter van artikel 23, lid 4, van dat kaderbesluit, waaruit blijkt dat het gaat om een „tijdelijke” opschorting van de overlevering, als de algemene opzet van dit artikel dat een uitvoerende rechterlijke autoriteit de overlevering van een gezochte persoon voor langere of zelfs onbepaalde tijd kan uitstellen om de verwezenlijking van een dergelijk risico te voorkomen. Bovendien kunnen het Europees aanhoudingsbevel en eventuele dwangmaatregelen van de uitvoerende lidstaat in een dergelijk geval voor onbepaalde tijd van kracht blijven voor de gezochte persoon, terwijl er geen enkel realistisch vooruitzicht is dat hij daadwerkelijk aan de uitvaardigende lidstaat zal worden overgeleverd. |
|
52 |
Ten tweede moet in een geval als beschreven in punt 50 van het onderhavige arrest ook rekening worden gehouden met artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, op grond waarvan het de uitvoerende rechterlijke autoriteit toegestaan kan zijn om er bij wijze van uitzondering en na een passend onderzoek van af te zien om gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel wanneer er sprake is van een gevaar voor schending van de grondrechten (zie in die zin arrest van 31 januari 2023, Puig Gordi e.a.,C‑158/21, EU:C:2023:57, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
53 |
In een dergelijk geval mag de uitvoerende rechterlijke autoriteit, overeenkomstig artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584, uitgelegd in het licht van artikel 4 van het Handvest, geen gevolg geven aan het Europees aanhoudingsbevel (zie in die zin arresten van 5 april 2016, Aranyosi en Căldăraru, C‑404/15 en C‑659/15 PPU, EU:C:2016:198, punt 104, en, naar analogie, 1 juni 2016, Bob-Dogi,C‑241/15, EU:C:2016:385, punt 66). |
|
54 |
In deze omstandigheden hoeft artikel 1, lid 3, van kaderbesluit 2002/584 niet in het licht van de artikelen 3 en 35 van het Handvest te worden uitgelegd. |
|
55 |
Gelet op een en ander moet op de gestelde vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 3, en artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584, gelezen in het licht van artikel 4 van het Handvest, aldus moeten worden uitgelegd dat
|
Kosten
|
56 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht: |
|
Artikel 1, lid 3, en artikel 23, lid 4, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, gelezen in het licht van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, |
|
moeten aldus worden uitgelegd dat |
|
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Italiaans.