ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)
16 januari 2024 ( *1 )
„Prejudiciële verwijzing – Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht – Gemeenschappelijk asielbeleid – Richtlijn 2011/95/EU – Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de vluchtelingenstatus – Artikel 2, onder d) – Gronden van vervolging –‚Behoren tot een bepaalde sociale groep’ – Artikel 10, lid 1, onder d) – Daden van vervolging – Artikel 9, leden 1 en 2 – Verband tussen de gronden van vervolging en de daden van vervolging of tussen de gronden van vervolging en het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden – Artikel 9, lid 3 – Niet-overheidsactoren – Artikel 6, onder c) – Voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming – Artikel 2, onder f) –‚Ernstige schade’ – Artikel 15, onder a) en b) – Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming met het oog op de verlening van de vluchtelingenstatus of subsidiairebeschermingsstatus – Artikel 4 – Geweld tegen vrouwen op grond van geslacht – Huiselijk geweld – Dreiging van een‚eergerelateerd misdrijf’”
In zaak C‑621/21,
betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) bij beslissing van 29 september 2021, ingekomen bij het Hof op 6 oktober 2021, in de procedure
WS
tegen
Intervyuirasht organ na Darzhavna agentsia za bezhantsite pri Ministerskia savet,
in tegenwoordigheid van:
Predstavitelstvo na Varhovnia komisar na Organizatsiyata na obedinenite natsii za bezhantsite v Bulgaria,
wijst
HET HOF (Grote kamer),
samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, L. Bay Larsen, vicepresident, K. Jürimäe, C. Lycourgos, E. Regan, F. Biltgen en N. Piçarra (rapporteur), kamerpresidenten, M. Safjan, S. Rodin, P. G. Xuereb, I. Ziemele, J. Passer, D. Gratsias, M. L. Arastey Sahún en M. Gavalec, rechters,
advocaat-generaal: J. Richard de la Tour,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gelet op de opmerkingen van:
|
– |
WS, vertegenwoordigd door V. B. Ilareva, advokat, |
|
– |
Predstavitelstvo na Varhovnia komisar na Organizatsiyata na obedinenite natsii za bezhantsite v Bulgaria, vertegenwoordigd door M. Demetriou, J. MacLeod, BL, en C. F. Kroes, advocaat, |
|
– |
de Duitse regering, vertegenwoordigd door J. Möller en R. Kanitz als gemachtigden, |
|
– |
de Franse regering, vertegenwoordigd door A.‑L. Desjonquères en J. Illouz als gemachtigden, |
|
– |
de Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Azéma en I. Zaloguin als gemachtigden, |
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 20 april 2023,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van overweging 17, artikel 6, onder c), artikel 9, lid 2, onder a) en f), artikel 9, lid 3, artikel 10, lid 1, onder d), en artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (PB 2011, L 337, blz. 9). |
|
2 |
Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen WS en de Intervyuirasht organ na Darzhavna agentsia za bezhantsite pri Ministerskia savet (dienst verhoren van het nationaal agentschap voor vluchtelingen bij de ministerraad) (hierna: „DAB”) over een besluit waarbij werd geweigerd de procedure voor de verlening van internationale bescherming na een herhaald verzoek van WS te openen. |
Toepasselijke bepalingen
Internationaal recht
Verdrag van Genève
|
3 |
Artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 [United Nations Treaty Series, deel 189, blz. 150, nr. 2545 (1954)], dat op 22 april 1954 in werking is getreden en dat is aangevuld door het Protocol betreffende de status van vluchtelingen, dat op 31 januari 1967 te New York is gesloten en op 4 oktober 1967 in werking is getreden (hierna: „Verdrag van Genève”), bepaalt dat „[v]oor de toepassing van dit verdrag […] als‚vluchteling’ [geldt] elke persoon [die] uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen”. |
CEDAW
|
4 |
Artikel 1 van het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen (hierna: „CEDAW”), dat op 18 december 1979 is vastgesteld door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en op 3 september 1981 in werking is getreden (United Nations Treaty Series, deel 1249, nr. I-20378, blz. 13), waarbij alle lidstaten partij zijn, bepaalt dat „[v]oor de toepassing van dit verdrag […] onder ‚discriminatie van vrouwen’ [wordt] verstaan elke vorm van onderscheid, uitsluiting of beperking op grond van geslacht, die tot gevolg of tot doel heeft de erkenning, het genot of de uitoefening door vrouwen van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel gebied, op het terrein van de burgerrechten of welk ander gebied dan ook, ongeacht hun huwelijkse staat, op de grondslag van gelijkheid van mannen en vrouwen aan te tasten of teniet te doen”. |
Verdrag van Istanbul
|
5 |
Artikel 2 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld, dat op 11 mei 2011 is gesloten te Istanbul en dat op 13 juni 2017 is ondertekend door de Europese Unie en namens haar is goedgekeurd bij besluit (EU) 2023/1076 van de Raad van 1 juni 2023 (PB 2023, L 143 I, blz. 4) (hierna: „Verdrag van Istanbul”), waarna het voor de Unie in werking is getreden op 1 oktober 2023, bepaalt: „1 Dit verdrag is van toepassing op alle vormen van geweld tegen vrouwen, met inbegrip van huiselijk geweld, dat vrouwen buitenproportioneel treft. 2 De partijen worden aangemoedigd dit verdrag toe te passen op alle slachtoffers van huiselijk geweld. De partijen dienen bij de uitvoering van de bepalingen van dit verdrag bijzondere aandacht te schenken aan vrouwen die het slachtoffer zijn van gendergerelateerd geweld. […]” |
|
6 |
Artikel 60 van dit verdrag, met als opschrift „Gendergerelateerde asielverzoeken”, luidt: „1 De partijen nemen de wetgevende of andere maatregelen die nodig zijn om te waarborgen dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen kan worden erkend als een vorm van vervolging in de zin van artikel 1, A, punt 2, van het [Verdrag van Genève] en als een vorm van ernstig gevaar die aanleiding geeft voor aanvullende/extra bescherming. 2 De partijen waarborgen dat elk van de gronden uit dat verdrag op gendersensitieve wijze wordt uitgelegd en dat, indien wordt vastgesteld dat er op basis van een of meer van deze gronden reden is voor vrees voor vervolging, de aanvragers de vluchtelingenstatus wordt toegekend in overeenstemming met de van toepassing zijnde instrumenten. […]” |
Unierecht
|
7 |
De overwegingen 4, 10, 12, 17, 29, 30 en 34 van richtlijn 2011/95 luiden:
[…]
[…]
[…]
[…]
[…]
|
|
8 |
Artikel 2, onder a), d) tot en met i) en n), van richtlijn 2011/95 bepaalt: „In deze richtlijn gelden de volgende definities:
[…]
[…]
|
|
9 |
Artikel 4 van richtlijn 2011/95, dat als opschrift „Beoordeling van feiten en omstandigheden” draagt en deel uitmaakt van hoofdstuk II van deze richtlijn („Beoordeling van verzoeken om internationale bescherming”), bepaalt in de leden 3 en 4: „3. De beoordeling van een verzoek om internationale bescherming moet plaatsvinden op individuele basis en houdt onder meer rekening met:
[...] 4. Het feit dat de verzoeker in het verleden reeds is blootgesteld aan vervolging of aan ernstige schade, of dat hij rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of dergelijke schade, is een duidelijke aanwijzing dat de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is en het risico op het lijden van ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen.” |
|
10 |
In artikel 6 van die richtlijn, met als opschrift „Actoren van vervolging of ernstige schade”, staat te lezen: „Actoren van vervolging of ernstige schade kunnen onder meer zijn:
|
|
11 |
Artikel 7 van richtlijn 2011/95, met als opschrift „Actoren van bescherming”, bepaalt: „1. Bescherming tegen vervolging of ernstige schade kan alleen worden geboden door:
mits zij bereid en in staat zijn bescherming te bieden overeenkomstig lid 2. 2. Bescherming tegen vervolging of ernstige schade moet doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn. In het algemeen wordt dergelijke bescherming geboden wanneer de actoren als bedoeld in lid 1, onder a) en b), redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft. [...]” |
|
12 |
Artikel 9 van deze richtlijn heeft als opschrift „Daden van vervolging” en is als volgt verwoord: „1. Om te worden beschouwd als een daad van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, van het Verdrag van Genève moet de daad:
2. Daden van vervolging in de zin van lid 1 kunnen onder meer de vorm aannemen van:
[…]
3. Overeenkomstig artikel 2, onder d), moet er een verband zijn tussen de in artikel 10 genoemde redenen en de daden die als vervolging worden aangemerkt in de zin van lid 1 van dit artikel of het ontbreken van bescherming tegen dergelijke daden.” |
|
13 |
In artikel 10 van die richtlijn, met als opschrift „Gronden van vervolging”, staat te lezen: „1. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging houden de lidstaten rekening met de volgende elementen: […]
2. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de […] sociale […] kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven.” |
|
14 |
Artikel 13 van richtlijn 2011/95, met als opschrift „Verlening van de vluchtelingenstatus”, bepaalt: „De lidstaten verlenen de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en III als vluchteling wordt erkend.” |
|
15 |
Artikel 15 („Ernstige schade”) van deze richtlijn bepaalt: „Ernstige schade bestaat uit:
[…]” |
|
16 |
Artikel 18 van die richtlijn, met als opschrift „Verlening van de subsidiairebeschermingsstatus”, luidt: „De lidstaten verlenen de subsidiairebeschermingsstatus aan een onderdaan van een derde land of staatloze die overeenkomstig de hoofdstukken II en V in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming.” |
Bulgaars recht
|
17 |
Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat bij artikel 8, leden 1, 3 tot en met 5 en 7, van de Zakon za ubezhishteto i bezhantsite (asiel- en vluchtelingenwet; hierna: „ZUB”) artikel 2, onder d), alsook de artikelen 6, 7 en 9, van richtlijn 2011/95 zijn omgezet in de Bulgaarse rechtsorde, en dat bij artikel 9, lid 1, van die wet artikel 15 van die richtlijn is omgezet. |
|
18 |
Lid 1, punt 5, van de bepalingen ter aanvulling van de ZUB, in de sinds 16 oktober 2015 geldende versie (DV nr. 80 van 2015), preciseert dat „[d]e begrippen ‚ras, godsdienst, nationaliteit, een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging’ […] de begrippen [zijn] in de zin van het [Verdrag van Genève] en artikel 10, lid 1, van [richtlijn 2011/95]”. |
Hoofdgeding en prejudiciële vragen
|
19 |
WS is een Turkse staatsburger die behoort tot de etnische groep van de Koerden. Zij is soennitisch moslim en is uit de echt gescheiden. Ze is in juni 2018 legaal in Bulgarije aangekomen. Vervolgens heeft zij zich bij een familielid in Berlijn (Duitsland) gevoegd en heeft daar een verzoek om internationale bescherming ingediend. Bij besluit van het DAB van 28 februari 2019, dat is vastgesteld na een verzoek van de Duitse autoriteiten, is WS door de Bulgaarse autoriteiten teruggenomen met het oog op de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming. |
|
20 |
Tijdens drie ondervragingen door het DAB in oktober 2019 heeft WS verklaard dat zij op 16-jarige leeftijd onder dwang was getrouwd en dat zij drie dochters had gekregen. Haar echtgenoot had haar tijdens hun huwelijksleven geslagen, zonder dat haar biologische familie – die op de hoogte was van deze situatie – haar had geholpen. Zij is in september 2016 uit haar echtelijke woning gevlucht, heeft in 2017 een religieus huwelijk gesloten en heeft in mei 2018 uit dit huwelijk een zoon gekregen. Na haar vertrek uit Turkije is zij in september 2018 officieel gescheiden van haar eerste echtgenoot, hoewel deze daartegen bezwaar had gemaakt. Zij heeft dan ook verklaard te vrezen dat haar familie haar zal doden indien zij naar Turkije zou terugkeren. |
|
21 |
WS heeft de onherroepelijk geworden beslissing van de Turkse burgerlijke rechtbank die haar echtscheiding heeft uitgesproken overgelegd aan het DAB, samen met de klacht die zij in januari 2017 tegen haar echtgenoot, haar biologische familie en haar schoonfamilie heeft ingediend bij het parket-generaal van Torbali (Turkije). In het proces-verbaal dat van deze klacht is opgesteld op 9 januari 2017, wordt melding gemaakt van telefonische dreigberichten die haar echtgenoot haar zou hebben gezonden. Zij heeft ook een beslissing van 30 juni 2017 van een Turkse rechtbank overgelegd waarbij zij werd geplaatst in een tehuis voor vrouwen die slachtoffer zijn van geweld, waar zij zich naar eigen zeggen niet veilig voelde. |
|
22 |
Bij besluit van 21 mei 2020 heeft de voorzitter van het DAB het door WS ingediende verzoek om internationale bescherming afgewezen op grond dat, ten eerste, de door haar aangevoerde redenen om Turkije te verlaten – met name huiselijk geweld en doodsbedreigingen vanwege haar echtgenoot en de leden van haar biologische familie – niet relevant waren voor de toekenning van die status, omdat zij niet in verband konden worden gebracht met een van de in artikel 8, lid 1, ZUB genoemde gronden van vervolging. Bovendien heeft WS volgens de voorzitter van het DAB niet aangevoerd dat zij werd vervolgd op grond van haar geslacht. |
|
23 |
Ten tweede heeft de voorzitter van het DAB geweigerd om WS de subsidiairebeschermingsstatus toe te kennen. Hij was van mening dat zij niet voldeed aan de daartoe gestelde voorwaarden aangezien „noch de officiële autoriteiten, noch bepaalde groepen acties tegen verzoekster hebben ondernomen waarover de staat geen controle kan uitoefenen”, en aangezien zij „het slachtoffer is geweest van strafbare aanvallen waarvan zij de politie zelfs niet in kennis had gesteld en waarvoor zij geen klacht had ingediend, en […] zij Turkije legaal heeft verlaten”. |
|
24 |
Bij vonnis van 15 oktober 2020, dat op 9 maart 2021 is bevestigd door de Varhoven administrativen sad (hoogste bestuursrechter, Bulgarije) en onherroepelijk is geworden, heeft de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) het beroep verworpen dat WS had ingesteld tegen het in punt 22 van dit arrest vermelde besluit. |
|
25 |
Op 13 april 2021 heeft WS op basis van nieuw bewijsmateriaal een herhaald verzoek om internationale bescherming ingediend, waarbij zij zich beriep op gegronde vrees voor vervolging door niet-overheidsactoren omdat zij behoorde tot een „bepaalde sociale groep”, te weten die van vrouwen die het slachtoffer zijn van huiselijk geweld en van vrouwen die het slachtoffer kunnen worden van „eergerelateerde misdrijven”. Zij stelde dat de Turkse Staat niet bij machte was haar te verdedigen tegen die niet-overheidsactoren en betoogde dat haar uitwijzing naar Turkije haar zou blootstellen aan een „eergerelateerd misdrijf” of een gedwongen huwelijk en dus aan schending van de artikelen 2 en 3 EVRM. |
|
26 |
Ter ondersteuning van voornoemd verzoek heeft WS als nieuw bewijselement een beslissing van een Turkse strafrechter overgelegd waarbij haar ex-echtgenoot werd veroordeeld tot een vrijheidsstraf van vijf maanden wegens dreigementen die hij in september 2016 tegen haar had geuit. De uitvoering van deze straf is opgeschort met een proeftijd van vijf jaar omdat de verdachte niet eerder was veroordeeld, er sprake was van bijzondere omstandigheden eigen aan de persoon en omdat hij die straf had aanvaard. Bij dat verzoek heeft zij artikelen gevoegd die in 2021 waren verschenen in de krant Deutsche Welle. Daarin werd melding gemaakt van gewelddadige moorden op vrouwen in Turkije. Daarnaast heeft WS als nieuwe omstandigheid vermeld dat de Republiek Turkije zich in maart 2021 had teruggetrokken uit het Verdrag van Istanbul. |
|
27 |
Bij besluit van 5 mei 2021 heeft het DAB geweigerd om de procedure voor de toekenning van internationale bescherming te heropenen naar aanleiding van het nieuwe verzoek van WS, omdat deze geen enkel belangrijk nieuw gegeven over haar persoonlijke situatie of haar staat van herkomst had overgelegd. Het DAB heeft benadrukt dat de Turkse autoriteiten WS herhaaldelijk zouden hebben geholpen en dat zij te kennen hadden gegeven bereid te zijn haar met alle wettelijke middelen bij te staan. |
|
28 |
De verwijzende rechter preciseert om te beginnen dat het door WS ingediende herhaalde verzoek om internationale bescherming weliswaar niet-ontvankelijk is verklaard, maar dat het niettemin noodzakelijk is om de materieelrechtelijke voorwaarden voor de toekenning van internationale bescherming uit te leggen opdat hij in staat is vast te stellen of WS nieuwe gegevens of feiten heeft aangevoerd die de toekenning van die bescherming kunnen rechtvaardigen. |
|
29 |
Dienaangaande merkt de verwijzende rechter op dat het Hof nooit uitspraak heeft gedaan over de vragen die in de onderhavige zaak aan de orde zijn gesteld „met betrekking tot gendergerelateerd geweld tegen vrouwen, in de vorm van huiselijk geweld en dreiging van een eergerelateerd misdrijf, als grond voor de toekenning van internationale bescherming”. Hij vraagt zich af of het biologische of sociale geslacht voldoende is om vast te stellen dat een vrouw die het slachtoffer is geweest van dergelijk geweld, tot een bepaalde sociale groep behoort, en of dit als grond van vervolging in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 kan worden aangemerkt, alsmede of de daden van vervolging, waaronder huiselijk geweld, doorslaggevend kunnen zijn om de zichtbaarheid van die groep in de samenleving vast te stellen. |
|
30 |
Tegen deze achtergrond wenst de verwijzende rechter om te beginnen te vernemen of voor de uitlegging van die bepaling – en gelet op overweging 17 van richtlijn 2011/95 – rekening moet worden gehouden met het CEDAW en het Verdrag van Istanbul, ook al is de Republiek Bulgarije geen partij bij laatstgenoemd verdrag. |
|
31 |
Hij merkt op dat de in de artikelen 34 tot en met 40 van het Verdrag van Istanbul opgesomde daden, te weten onder meer fysiek en seksueel geweld, gedwongen huwelijken en intimidatie, gendergerelateerde vormen van geweld tegen vrouwen uitmaken, die op niet-uitputtende wijze worden vermeld in overweging 30 van richtlijn 2011/95, en dat deze daden kunnen worden aangemerkt als „daden van vervolging” in de zin van artikel 9, lid 2, onder a) en f), van die richtlijn. |
|
32 |
Vervolgens vraagt de verwijzende rechter zich af hoe artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 moet worden uitgelegd wanneer gendergerelateerde daden van vervolging in de vorm van huiselijk geweld worden gepleegd door niet-overheidsactoren in de zin van artikel 6, onder c), van deze richtlijn. Met name wenst hij te vernemen of het in artikel 9, lid 3, vereiste „verband” onderstelt dat de niet-overheidsactoren erkennen dat de door hen gepleegde daden van vervolging verband houden met het biologische of sociale geslacht van de slachtoffers van deze daden. |
|
33 |
Voor het geval niet vaststaat dat een vrouw die het slachtoffer is van huiselijk geweld en het slachtoffer kan worden van een eergerelateerd misdrijf, behoort tot „een bepaalde sociale groep” in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95, benadrukt de verwijzende rechter ten slotte dat WS alleen naar haar land van herkomst kan worden uitgewezen nadat is vastgesteld dat zij daardoor niet zou worden blootgesteld aan een reëel risico op „ernstige schade” in de zin van artikel 2, onder f), van die richtlijn. In dit verband wenst hij met name te vernemen of een dreiging van een „eergerelateerd misdrijf” een reëel risico op ernstige schade vormt in de zin van artikel 15, onder a), van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 2 EVRM, dan wel in de zin van artikel 15, onder b), van die richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 3 EVRM. |
|
34 |
In deze omstandigheden heeft de Administrativen sad Sofia-grad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
|
Beantwoording van de prejudiciële vragen
Eerste tot en met derde prejudiciële vraag
|
35 |
Met zijn eerste drie vragen, die gezamenlijk moeten worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat, naargelang van de omstandigheden in het land van herkomst, vrouwen uit dat land in hun geheel kunnen worden geacht te behoren tot „een bepaalde sociale groep”, wat een „grond van vervolging” kan vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden, dan wel of de betrokken vrouwen een bijkomende gemeenschappelijke eigenschap moeten delen om tot een dergelijke groep te behoren. |
|
36 |
Om te beginnen blijkt uit de overwegingen 4 en 12 van richtlijn 2011/95 dat het Verdrag van Genève de hoeksteen vormt van het internationale rechtsstelsel ter bescherming van vluchtelingen en dat deze richtlijn met name is vastgesteld om te waarborgen dat de lidstaten gemeenschappelijke criteria toepassen voor de identificatie van personen die werkelijk bescherming behoeven [arrest van 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel), C‑238/19, EU:C:2020:945, punt 19]. |
|
37 |
De bepalingen van richtlijn 2011/95 moeten dus niet alleen worden uitgelegd in het licht van de algemene opzet en de doelstelling van deze richtlijn, maar eveneens met inachtneming van het Verdrag van Genève en de overige relevante verdragen als bedoeld in artikel 78, lid 1, VWEU. Blijkens overweging 17 van die richtlijn gaat het bij deze verdragen onder meer om de verdragen die discriminatie verbieden met betrekking tot de behandeling van personen die binnen de werkingssfeer van diezelfde richtlijn vallen [zie in die zin arrest van 26 februari 2015, Shepherd, C‑472/13, EU:C:2015:117, punt 23, en 19 november 2020, Bundesamt für Migration und Flüchtlinge (Militaire dienst en asiel), C‑238/19, EU:C:2020:945, punt 20]. |
|
38 |
Tegen deze achtergrond zijn de documenten van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (UNHCR) bijzonder relevant, gelet op de rol die hem bij het Verdrag van Genève is toebedeeld [zie in die zin arresten van 23 mei 2019, Bilali, C‑720/17, EU:C:2019:448, punt 57, en 12 januari 2023, Migracijos departamentas (Vervolgingsgronden op basis van politieke overtuiging), C‑280/21, EU:C:2023:13, punt 27]. |
|
39 |
Volgens artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95, dat artikel 1, afdeling A, punt 2, van het Verdrag van Genève overneemt, wordt onder „vluchteling” met name verstaan een onderdaan van een derde land die zich wegens een gegronde vrees voor vervolging om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, buiten het land bevindt waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, wegens deze vrees, niet wil inroepen. Artikel 10, lid 1, van deze richtlijn somt voor elk van deze vijf gronden van vervolging die kunnen leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus de elementen op waarmee de lidstaten rekening moeten houden. |
|
40 |
Wat in het bijzonder de grond van het „behoren tot een bepaalde sociale groep” betreft, blijkt uit artikel 10, lid 1, onder d), eerste alinea, dat een groep als een „bepaalde sociale groep” wordt beschouwd wanneer aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan. Ten eerste moeten de leden van de betrokken groep minstens één van de drie volgende identificatiekenmerken delen, te weten een „aangeboren kenmerk”, een „gemeenschappelijke achtergrond […] die niet gewijzigd kan worden” of een „kenmerk of geloof […] dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven”. Ten tweede moet die groep in het land van oorsprong een „eigen identiteit” hebben, „omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd”. |
|
41 |
Bovendien wordt in artikel 10, lid 1, onder d), tweede alinea, onder meer gepreciseerd dat „terdege rekening [dient te worden] gehouden met genderaspecten, waaronder genderidentiteit, wanneer moet worden vastgesteld of iemand tot een bepaalde sociale groep behoort of wanneer een kenmerk van een dergelijke groep wordt geïdentificeerd”. Deze bepaling moet worden gelezen in het licht van overweging 30 van richtlijn 2011/95, waarin staat te lezen dat de genderidentiteit kan samenhangen met bepaalde juridische tradities en gewoonten, die bijvoorbeeld kunnen leiden tot genitale verminking, gedwongen sterilisatie of gedwongen abortus. |
|
42 |
Voorts wordt in punt 30 van de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming nr. 1, die zien op de gendergerelateerde vervolging in het kader van artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag van Genève, met betrekking tot het begrip „sociale groep” dat wordt bedoeld in dit verdrag en dat wordt gedefinieerd in artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95, verduidelijkt dat „het geslacht terdege deel kan uitmaken van de categorie van de sociale groep, daar vrouwen een duidelijk voorbeeld zijn van een sociaal geheel dat wordt gedefinieerd door aangeboren en onveranderlijke kenmerken en daar vrouwen vaak anders worden behandeld dan mannen”, alsmede dat „[z]ij […] door hun kenmerken ook geïdentificeerd [worden] als groep in de maatschappij, waarbij zij in bepaalde landen worden blootgesteld aan andere vormen van behandeling en normen”. |
|
43 |
Bij de beantwoording van de vragen van de verwijzende rechter moet rekening worden gehouden met deze voorafgaande preciseringen. |
|
44 |
In de eerste plaats moet – gelet op de twijfels die de verwijzende rechter heeft geuit over de relevantie van het CEDAW en het Verdrag van Istanbul voor de uitlegging van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 – worden gepreciseerd dat de Unie weliswaar geen partij is bij eerstgenoemd verdrag, maar dat alle lidstaten het hebben bekrachtigd. Het CEDAW is dan ook een van de relevante verdragen als bedoeld in artikel 78, lid 1, VWEU, in overeenstemming waarmee die richtlijn, met name artikel 10, lid 1, onder d), ervan, moet worden uitgelegd. |
|
45 |
Bovendien zijn de lidstaten volgens overweging 17 van richtlijn 2011/95, wat de behandeling van de binnen de werkingssfeer van deze richtlijn vallende personen betreft, gebonden aan de verplichtingen die voortvloeien uit de instrumenten van internationaal recht waarbij zij partij zijn, met name die welke discriminatie verbieden, waaronder het CEDAW. Het Comité voor de uitbanning van discriminatie van vrouwen, dat belast is met het toezicht op de uitvoering van het CEDAW, heeft verduidelijkt dat dit verdrag de internationale wettelijke beschermingsregeling voor vrouwen en meisjes versterkt en vervolledigt, ook in de context van vluchtelingen. |
|
46 |
Daarnaast moet met betrekking tot het Verdrag van Istanbul, dat de Unie sinds 1 oktober 2023 bindt, worden benadrukt dat dit verdrag verplichtingen bevat die vallen binnen de werkingssfeer van artikel 78, lid 2, VWEU, dat de Uniewetgever machtigt om maatregelen inzake een gemeenschappelijk Europees asielstelsel – zoals richtlijn 2011/95 – vast te stellen [zie in die zin advies 1/19 (Verdrag van Istanbul) van 6 oktober 2021, EU:C:2021:832, punten 294, 302 en 303]. Voor zover dat verdrag verband houdt met asiel en non-refoulement, maakt het bijgevolg ook deel uit van de relevante verdragen als bedoeld in artikel 78, lid 1, VWEU. |
|
47 |
Derhalve moeten de bepalingen van richtlijn 2011/95, met name artikel 10, lid 1, onder d), worden uitgelegd met inachtneming van het Verdrag van Istanbul, ook al hebben bepaalde lidstaten – waaronder de Republiek Bulgarije – dit verdrag niet bekrachtigd. |
|
48 |
Dienaangaande zij ten eerste opgemerkt dat artikel 60, lid 1, van het Verdrag van Istanbul bepaalt dat gendergerelateerd geweld tegen vrouwen moet worden erkend als een vorm van vervolging in de zin van artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag van Genève. Ten tweede moeten de partijen krachtens dat artikel 60, lid 2, waarborgen dat elk van de gronden van vervolging uit dat verdrag op gendersensitieve wijze wordt uitgelegd en dat, indien wordt vastgesteld dat er op basis van een of meer van deze gronden reden is voor vrees voor vervolging, de aanvragers de vluchtelingenstatus wordt toegekend. |
|
49 |
In de tweede plaats moet met betrekking tot de eerste voorwaarde voor de identificatie van een „bepaalde sociale groep”, die is neergelegd in artikel 10, lid 1, onder d), eerste alinea, van richtlijn 2011/95 en in punt 40 van dit arrest in herinnering is gebracht, te weten de voorwaarde dat de leden van de betrokken groep ten minste één van de drie in deze bepaling genoemde identificatiekenmerken delen, worden vastgesteld dat het feit dat iemand een vrouw is een aangeboren kenmerk is en dus volstaat opdat aan deze voorwaarde is voldaan. |
|
50 |
Dit sluit niet uit dat ook vrouwen die een bijkomend gemeenschappelijk kenmerk delen – bijvoorbeeld een ander aangeboren kenmerk, een gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden, zoals een bijzondere gezinssituatie, of een kenmerk of geloof dat voor de identiteit of de morele integriteit dermate fundamenteel is dat van de vrouwen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven – tot een „bepaalde sociale groep” in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 kunnen behoren. |
|
51 |
Gelet op de informatie in de verwijzingsbeslissing moet in het bijzonder worden opgemerkt dat het feit dat vrouwen zich hebben onttrokken aan een gedwongen huwelijk of dat gehuwde vrouwen hun huishoudens hebben verlaten, kan worden aangemerkt als een „gemeenschappelijke achtergrond die niet gewijzigd kan worden” in de zin van die bepaling. |
|
52 |
In de derde plaats moet met betrekking tot de tweede voorwaarde voor de identificatie van een „bepaalde sociale groep”, die verband houdt met de „eigen identiteit” van de groep in het land van herkomst, worden vastgesteld dat vrouwen door de directe omgeving als afwijkend kunnen worden beschouwd en kunnen worden erkend als personen met een eigen identiteit in die omgeving, met name ten gevolge van de sociale, morele of juridische normen die in hun land van herkomst gelden. |
|
53 |
Aan deze tweede identificatievoorwaarde wordt ook voldaan door vrouwen die een extra gemeenschappelijk kenmerk delen, zoals een van de in de punten 50 en 51 van dit arrest genoemde kenmerken, wanneer de sociale, morele of juridische normen die in hun land van herkomst gelden tot gevolg hebben dat deze vrouwen wegens dat gemeenschappelijke kenmerk door de directe omgeving als afwijkend worden beschouwd. |
|
54 |
In dit verband moet worden gepreciseerd dat het aan de betrokken lidstaat staat om te bepalen welke directe omgeving relevant is voor de beoordeling of deze sociale groep bestaat. Deze omgeving kan samenvallen met het gehele derde land van herkomst van de persoon die om internationale bescherming verzoekt of kan meer beperkt zijn, bijvoorbeeld tot een deel van het grondgebied of van de bevolking van dat derde land. |
|
55 |
In de vierde plaats moet, voor zover de verwijzende rechter het Hof vraagt of daden als bedoeld in overweging 30 van richtlijn 2011/95 in aanmerking kunnen worden genomen om de eigen identiteit van een „sociale groep” in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van deze richtlijn te bepalen, worden gepreciseerd dat het behoren tot een bepaalde sociale groep moet worden geconstateerd los van de daden van vervolging in de zin van artikel 9 van die richtlijn, waarvan de leden van die groep in het land van herkomst het slachtoffer kunnen zijn. |
|
56 |
Niettemin kan discriminatie of vervolging van personen die een gemeenschappelijk kenmerk delen een relevante factor zijn wanneer bij de controle of voldaan is aan de tweede voorwaarde voor de identificatie van een sociale groep als bedoeld in artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95, moet worden beoordeeld of de betrokken groep zich in het licht van de sociale, morele of juridische normen van het betrokken land van herkomst onderscheidt van de rest. Deze uitlegging vindt steun in punt 14 van de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming nr. 2, die betrekking hebben op het „behoren tot een bepaalde sociale groep” in het kader van artikel 1, onder A, punt 2, van het Verdrag van Genève. |
|
57 |
Derhalve kunnen vrouwen als geheel worden geacht te behoren tot een „bepaalde sociale groep” in de zin van artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95, wanneer vaststaat dat zij in hun land van herkomst op grond van hun geslacht blootgesteld zijn aan lichamelijk of geestelijk geweld, daaronder begrepen seksueel geweld en huiselijk geweld. |
|
58 |
Zoals de advocaat-generaal in punt 79 van zijn conclusie heeft opgemerkt, kunnen vrouwen die een gedwongen huwelijk weigeren, wanneer een dergelijke praktijk in hun samenleving als een sociale norm kan worden beschouwd, of vrouwen die deze norm schenden door een einde te maken aan een dergelijk huwelijk, in hun land van herkomst worden geacht deel uit te maken van een sociale groep met een eigen identiteit, indien zij wegens dergelijke gedragingen worden gestigmatiseerd en worden blootgesteld aan de afkeuring van hun directe omgeving, met sociale uitsluiting of daden van geweld tot gevolg. |
|
59 |
In de vijfde plaats staat het aan de betrokken lidstaat om bij de beoordeling van een verzoek om internationale bescherming dat gebaseerd is op het behoren tot een bepaalde sociale groep, na te gaan of de persoon die zich op deze vervolgingsgrond beroept „gegronde vrees” heeft om in zijn land van herkomst te worden vervolgd omdat hij tot een bepaalde sociale groep behoort in de zin van artikel 2, onder d), van richtlijn 2011/95. |
|
60 |
In dit verband moet de beoordeling of de vrees van een verzoeker voor vervolging gegrond is, volgens artikel 4, lid 3, van deze richtlijn plaatsvinden op individuele basis en per geval met waakzaamheid en voorzichtigheid worden verricht, uitsluitend op basis van een concrete beoordeling van de feiten en omstandigheden, overeenkomstig de regels die niet alleen in lid 3 maar ook in lid 4 van dat artikel zijn neergelegd, teneinde uit te maken of de vastgestelde feiten en omstandigheden een zodanige bedreiging vormen dat de betrokkene, gezien zijn individuele situatie, goede gronden heeft om te vrezen daadwerkelijk te zullen worden vervolgd wanneer hij terugkeert naar zijn land van herkomst [zie in die zin arrest van 21 september 2023, Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (Politieke overtuiging in de lidstaat van ontvangst), C‑151/22, EU:C:2023:688, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak]. |
|
61 |
Zoals staat te lezen in punt 36, onder x), van de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming nr. 1, moet daartoe informatie worden verzameld over het land van herkomst die relevant is voor de behandeling van verzoeken tot toekenning van de vluchtelingenstatus die zijn ingediend door vrouwen, zoals de rechtspositie van vrouwen, hun politieke, economische en sociale rechten, de culturele en sociale gewoonten van het land en de gevolgen van niet-naleving ervan door die vrouwen, de frequentie van de schadelijke traditionele praktijken, de impact en de vormen van geweld tegen vrouwen die zijn gemeld, de bescherming die zij genieten, de straffen die de daders van dergelijk geweld worden opgelegd en de risico’s die een vrouw loopt als zij terugkeert naar haar land van herkomst nadat zij een dergelijk verzoek heeft ingediend. |
|
62 |
Gelet op een en ander dient op eerste drie prejudiciële vragen te worden geantwoord dat artikel 10, lid 1, onder d), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat, naargelang van de omstandigheden in het land van herkomst, zowel vrouwen uit dat land in hun geheel als meer beperkte groepen van vrouwen die een bijkomende gemeenschappelijke eigenschap delen, kunnen worden geacht te behoren tot „een bepaalde sociale groep”, wat een „grond van vervolging” kan vormen die tot verlening van de vluchtelingenstatus kan leiden. |
Vierde prejudiciële vraag
|
63 |
Met zijn vierde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het vereist dat wanneer een verzoeker stelt te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst door niet-overheidsactoren, in alle gevallen wordt aangetoond dat er een verband bestaat tussen de daden van vervolging en ten minste één van de in artikel 10, lid 1, van die richtlijn genoemde gronden van vervolging. |
|
64 |
Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat niet-overheidsactoren op grond van artikel 6, onder c), van richtlijn 2011/95 slechts kunnen worden aangemerkt als „actoren van vervolging of ernstige schade” indien wordt aangetoond dat de in artikel 7 van deze richtlijn bedoelde actoren van bescherming, waaronder met name de staat, geen bescherming tegen de betreffende handelingen kunnen of willen bieden. Zoals de advocaat-generaal in punt 87 van zijn conclusie heeft benadrukt, volgt uit lid 1 van dat artikel 7 dat de actoren van bescherming niet alleen het vermogen, maar ook de wil moeten hebben om de betrokken verzoeker te beschermen tegen de vervolging of ernstige schade waaraan hij wordt blootgesteld. |
|
65 |
Deze bescherming moet overeenkomstig voornoemd artikel 7, lid 2, doeltreffend en van niet-tijdelijke aard zijn. Dit is in het algemeen het geval wanneer de in artikel 7, lid 1, bedoelde actoren van bescherming passende maatregelen nemen om die vervolging of ernstige schade te voorkomen, onder meer door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, waartoe de persoon die om internationale bescherming verzoekt toegang heeft. |
|
66 |
Volgens artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95, gelezen in samenhang met artikel 6, onder c), en artikel 7, lid 1, van deze richtlijn en in het licht van overweging 29 ervan, kan de vluchtelingenstatus slechts worden verleend indien er een verband wordt vastgesteld tussen de in artikel 10, lid 1, van die richtlijn genoemde gronden van vervolging en de daden van vervolging in de zin van artikel 9, leden 1 en 2, van diezelfde richtlijn, dan wel tussen deze gronden van vervolging en het ontbreken van bescherming door „actoren van bescherming” tegen daden van vervolging die worden gepleegd door „niet-overheidsactoren”. |
|
67 |
Wanneer er sprake is van een daad van vervolging door een niet-statelijke actor, is dus aan de voorwaarde van artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 voldaan indien deze daad berust op een van de in artikel 10, lid 1, van deze richtlijn genoemde gronden van vervolging, ook al zou het ontbreken van bescherming niet gebaseerd zijn op deze gronden. Die voorwaarde moet eveneens worden geacht te zijn vervuld wanneer het ontbreken van bescherming berust op een van de in laatstgenoemde bepaling genoemde gronden van vervolging, ook al zou de door een niet-statelijke actor gepleegde daad van vervolging niet gebaseerd zijn op die gronden. |
|
68 |
Deze uitlegging is in overeenstemming met de in de overwegingen 10 en 12 van richtlijn 2011/95 genoemde doelstellingen om een hoog niveau van bescherming van vluchtelingen te waarborgen en alle personen te identificeren die werkelijk internationale bescherming behoeven. |
|
69 |
Die uitlegging vindt tevens steun in punt 21 van de UNHCR-richtsnoeren inzake internationale bescherming nr. 1, waarin staat te lezen dat „[i]n gevallen waarin het risico bestaat door een niet-overheidsfunctionaris (bijvoorbeeld een echtgenoot, partner of andere niet-overheidsactor) te worden vervolgd om redenen die verband houden met een van de in het [Verdrag van Genève] genoemde redenen, […] het oorzakelijk verband [vaststaat], ongeacht of het ontbreken van bescherming door de staat verband houdt met het [Verdrag van Genève]. Wanneer het risico op vervolging door een niet-overheidsactor geen verband houdt met een van de in het [Verdrag van Genève] genoemde gronden, maar het onvermogen of de onwil van de staat om bescherming te bieden berust op een van de in het [Verdrag van Genève] genoemde gronden, staat het eveneens vast dat er een oorzakelijk verband bestaat.” |
|
70 |
Gelet op een en ander dient op de vierde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 9, lid 3, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat wanneer een verzoeker stelt te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst door niet-overheidsactoren, niet hoeft te worden aangetoond dat er een verband bestaat tussen een van de in artikel 10, lid 1, van richtlijn 2011/95 genoemde gronden van vervolging en de betreffende daden van vervolging, indien er een verband kan worden vastgesteld tussen een van die gronden van vervolging en het ontbreken van bescherming tegen die daden door de in artikel 7, lid 1, van die richtlijn bedoelde actoren van bescherming. |
Vijfde prejudiciële vraag
|
71 |
Met zijn vijfde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „ernstige schade” zich uitstrekt tot de daadwerkelijke dreiging dat een familielid of de gemeenschap van een verzoeker hem zal doden of hem geweld zal aandoen wegens de vermeende schending van culturele, religieuze of traditionele normen, en dat dit begrip dus kan leiden tot de verlening van de subsidiairebeschermingsstatus in de zin van artikel 2, onder g), van die richtlijn. |
|
72 |
Om te beginnen moet worden geconstateerd dat deze vraag slechts relevant is voor het hoofdgeding indien de verwijzende rechter tot de slotsom zou komen dat WS niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de vluchtelingenstatus. Aangezien namelijk de lidstaten krachtens artikel 13 van richtlijn 2011/95 verplicht zijn om die status te verlenen aan een verzoeker die voldoet aan de voorwaarden die zijn neergelegd in deze richtlijn, zonder ter zake over discretionaire bevoegdheid te beschikken [zie in die zin arrest van 24 juni 2015, T., C‑373/13, EU:C:2015:413, punt 63, en 14 mei 2019, M e.a. (Intrekking van de vluchtelingenstatus),C‑391/16, C‑77/17 en C‑78/17, EU:C:2019:403, punt 89], moet enkel in die hypothese nog worden nagegaan of aan WS de subsidiairebeschermingsstatus moet worden verleend. |
|
73 |
Volgens artikel 2, onder f), van richtlijn 2011/95 is een persoon die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt – onder meer – een onderdaan van een derde land die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt, doch ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij, wanneer hij naar zijn land van herkomst terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade als omschreven in artikel 15 van die richtlijn, en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen. |
|
74 |
Artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95, gelezen in het licht van overweging 34 van deze richtlijn, kwalificeert „de doodstraf of executie” en „foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst” als „ernstige schade”. |
|
75 |
Artikel 15, onder a), verwijst naar schade die leidt tot de dood van het slachtoffer, terwijl artikel 15, onder b), verwijst naar daden van foltering, ongeacht of deze leiden tot de dood van het slachtoffer. Daarentegen wordt in deze bepalingen geen onderscheid gemaakt naargelang de schade is veroorzaakt door een overheidsinstantie dan wel door een niet-overheidsactor. |
|
76 |
Gelet op het doel van artikel 15, onder a), van richtlijn 2011/95 om bescherming te bieden aan personen van wie het recht op leven zou worden bedreigd indien zij terugkeerden naar hun land van herkomst, kan de daarin gebezigde term „executie” bovendien niet aldus worden uitgelegd dat aantastingen van het leven er niet onder vallen op de enkele grond dat zij worden gepleegd door niet-overheidsactoren. Wanneer een vrouw een reëel risico loopt om door een lid van haar familie of gemeenschap te worden vermoord wegens de vermeende schending van culturele, religieuze of traditionele normen, moet dergelijke ernstige schade dus worden aangemerkt als „executie” in de zin van die bepaling. |
|
77 |
Wanneer de gewelddaden waaraan een vrouw dreigt te worden blootgesteld wegens de vermeende schending van culturele, religieuze of traditionele normen daarentegen waarschijnlijk niet tot de dood van die vrouw zullen leiden, moeten die daden worden aangemerkt als foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing in de zin van artikel 15, onder b), van richtlijn 2011/95. |
|
78 |
Wat voorts de verlening van de subsidiairebeschermingsstatus in de zin van artikel 2, onder g), van richtlijn 2011/95 betreft, zijn de lidstaten krachtens artikel 18 van richtlijn 2011/95 verplicht om, nadat zij het verzoek om subsidiaire bescherming overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van deze richtlijn hebben beoordeeld, die status toe te kennen aan een derdelander of staatloze die voldoet aan de voorwaarden van hoofdstuk V van die richtlijn. |
|
79 |
Aangezien de regels van hoofdstuk II, die van toepassing zijn op de beoordeling van een verzoek om subsidiaire bescherming, dezelfde zijn als die welke gelden voor de beoordeling van een verzoek tot verlening van de vluchtelingenstatus, moet worden verwezen naar de in de punten 60 en 61 van dit arrest gegeven uitlegging van deze regels. |
|
80 |
Gelet op een en ander dient op de vijfde prejudiciële vraag te worden geantwoord dat artikel 15, onder a) en b), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip „ernstige schade” zich uitstrekt tot de daadwerkelijke dreiging dat een familielid of de gemeenschap van een verzoeker hem zal doden of hem geweld zal aandoen wegens de vermeende schending van culturele, religieuze of traditionele normen, en dat dit begrip dus kan leiden tot de verlening van de subsidiairebeschermingsstatus in de zin van artikel 2, onder g), van die richtlijn. |
Kosten
|
81 |
Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking. |
|
Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht: |
|
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Bulgaars.