Voorlopige editie

ARREST VAN HET HOF (Grote kamer)

24 maart 2026 (*)

„ Prejudiciële verwijzing – Rechtsstaat – Effectieve rechterlijke bescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden – Rechterlijke onafhankelijkheid – Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU – Artikel 47, tweede alinea, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Nationale regelgeving en rechtspraak die de nationale rechterlijke instanties verbiedt om de rechtmatigheid van de rechterlijke instanties of de grondwettelijke organen in twijfel te trekken of om de rechtmatigheid van de benoeming van rechters of van hun rechtsprekende bevoegdheden vast te stellen of te beoordelen – Verplichting voor de rechter die een verzoek tot wraking van een andere rechter behandelt om na te gaan of aan het vereiste van een ‚vooraf bij wet ingesteld gerecht’ is voldaan – Benoeming van de gewone rechters in Polen – Geen onafhankelijkheid van de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen) – Geen doeltreffende voorziening in rechte voor de kandidaten voor het betrokken ambt van rechter – Rechter die geen ‚onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld’ vormt – Mogelijkheid om een rechter van een rechtsprekende formatie uit te sluiten ”

In zaak C‑521/21,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de Sąd Rejonowy Poznań-Stare Miasto w Poznaniu (rechter in eerste aanleg Poznań-Stare Miasto, Polen) bij beslissing van 23 juli 2021, ingekomen bij het Hof op 23 augustus 2021, in de procedure

MJ

tegen

AA,

in tegenwoordigheid van:

Rzecznik Praw Obywatelskich,

Prokurator Prokuratury Okręgowej w Poznaniu,

wijst

HET HOF (Grote kamer),

samengesteld als volgt: K. Lenaerts, president, T. von Danwitz, vicepresident, F. Biltgen, I. Jarukaitis (rapporteur), M. L. Arastey Sahún, I. Ziemele, J. Passer, O. Spineanu-Matei en M. Condinanzi, kamerpresidenten, A. Kumin, D. Gratsias, M. Gavalec, Z. Csehi, B. Smulders en R. Frendo, rechters,

advocaat-generaal: D. Spielmann,

griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,

gezien de stukken en na de terechtzitting op 7 januari 2025,

gelet op de opmerkingen van:

–        J. M.,

–        de Rzecznik Praw Obywatelskich, vertegenwoordigd door J. Roszkiewicz en M. Taborowski,

–        de Prokurator Prokuratury Okręgowej w Poznaniu, vertegenwoordigd door M. Smętkowski,

–        de Poolse regering, vertegenwoordigd door B. Majczyna, B. Grabowska-Moroz en M. Rzotkiewicz als gemachtigden,

–        de Belgische regering, vertegenwoordigd door M. Jacobs, C. Pochet, L. Van den Broeck en M. Van Regemorter als gemachtigden,

–        de Deense regering, vertegenwoordigd door V. Pasternak Jørgensen en M. Søndahl Wolff als gemachtigden,

–        de Nederlandse regering, vertegenwoordigd door M. K. Bulterman en J. Langer als gemachtigden,

–        de Finse regering, vertegenwoordigd door H. Leppo als gemachtigde,

–        de Zweedse regering, vertegenwoordigd door A. Runeskjöld en H. Shev als gemachtigden,

–        de Europese Commissie, vertegenwoordigd door K. Herrmann en P. J. O. Van Nuffel als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 april 2025,

het navolgende

Arrest

1        Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van artikel 2, artikel 6, leden 1 tot en met 3, en artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”).

2        Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen MJ en AA, twee ondernemers, over een schuldvordering die voortvloeide uit een dienstverleningsovereenkomst.

 Toepasselijke bepalingen

 Grondwet

3        Artikel 179 van de Konstytucja Rzeczypospolitej Polskiej (Grondwet van de Republiek Polen; hierna: „grondwet”) luidt als volgt:

„Rechters worden voor onbepaalde tijd benoemd door de president van de Republiek Polen op voordracht van de Krajowa Rada Sądownictwa [(nationale raad voor de rechtspraak, Polen) (hierna: ‚KRS’)].”

4        Artikel 186, lid 1, van de grondwet bepaalt:

„De [KRS] ziet toe op de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties en de rechters.”

5        Artikel 187 van de grondwet bepaalt:

„1.      De [KRS] is als volgt samengesteld:

1)      de president van de Sąd Najwyższy [(hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen)], de minister van Justitie, de president van de Naczelny Sąd Administracyjny [(hoogste bestuursrechter, Polen)] en een door de president van de Republiek Polen aangewezen lid,

2)      vijftien leden die worden gekozen uit de rechters van de Sąd Najwyższy, de gewone rechterlijke instanties, de administratieve rechterlijke instanties en de militaire rechterlijke instanties,

3)      vier leden die door de [Sejm (een van de kamers van het Poolse parlement)] worden gekozen uit de afgevaardigden en twee leden die door de [Senat Rzeczypospolitej Polskiej (andere kamer van het Poolse parlement)] worden gekozen uit de senatoren.

[...]

3.      De leden van de [KRS] worden gekozen voor een termijn van vier jaar.

4.      Het reglement, het werkterrein en de werkwijze van de [KRS] alsook de wijze waarop zijn leden worden gekozen, worden bij wet vastgesteld.”

 Wet inzake de KRS

6        Artikel 9a van de ustawa o Krajowej Radzie Sądownictwa (wet inzake de nationale raad voor de rechtspraak) van 12 mei 2011 (Dz.U. 126, volgnr. 714), zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy o Krajowej Radzie Sądownictwa oraz niektórych innych ustaw (wet houdende wijziging van de wet inzake de nationale raad voor de rechtspraak en bepaalde andere wetten) van 8 december 2017 (Dz.U. 2018, volgnr. 3) (hierna: „wet inzake de KRS”) luidt:

„1.      De Sejm kiest uit de rechters van de Sąd Najwyższy, de gewone rechterlijke instanties, de administratieve rechterlijke instanties en de militaire rechterlijke instanties 15 leden van de [KRS] voor een gemeenschappelijk mandaat van vier jaar.

2.      Bij het maken van de in lid 1 bedoelde keuze houdt de Sejm er zo veel mogelijk rekening mee dat binnen [de KRS] rechters van verschillende soorten en niveaus van rechterlijke instanties vertegenwoordigd moeten zijn.

3.      Het gemeenschappelijke mandaat van de uit de rechters gekozen nieuwe leden van de [KRS] vangt aan op de dag volgend op hun verkiezing. De uittredende leden van de [KRS] oefenen hun ambt uit tot op het moment dat het gemeenschappelijke mandaat van de nieuwe leden van de [KRS] aanvangt.”

7        In artikel 44 van de wet inzake de KRS is bepaald:

„1.      Een deelnemer aan de procedure kan bij de Sąd Najwyższy beroep instellen op grond dat het besluit van de [KRS] onrechtmatig is, tenzij in afzonderlijke bepalingen anders is bepaald. [...]

1 a.      In individuele zaken betreffende een benoeming in het ambt van rechter in de Sąd Najwyższy kan beroep worden ingesteld bij de Naczelny Sąd Administracyjny. In deze gevallen is het niet mogelijk om beroep aan te tekenen bij de Sąd Najwyższy. Ter ondersteuning van een beroep bij de Naczelny Sąd Administracyjny kan niet worden aangevoerd dat niet correct is beoordeeld of de kandidaten voldoen aan de criteria die in aanmerking zijn genomen bij het besluit om een kandidaat al dan niet voor te dragen voor benoeming in het ambt van rechter in de Sąd Najwyższy.

1 b.      Indien niet alle deelnemers het in artikel 37, lid 1, bedoelde besluit in individuele zaken betreffende de benoeming in het ambt van rechter in de Sąd Najwyższy heeft aangevochten, wordt dat besluit [van de KRS] definitief voor zover dat het besluit omvat houdende de voordracht tot benoeming in het ambt van rechter in de Sąd Najwyższy en het besluit om geen voordracht tot benoeming in het ambt van rechter in deze rechterlijke instantie in te dienen en dat met betrekking tot de deelnemers aan de procedure die geen beroep hebben ingesteld.

2.      Het beroep wordt ingesteld door tussenkomst van de Przewodniczący [(voorzitter van de KRS)], binnen twee weken na kennisgeving van het met redenen omklede besluit [van de KRS]. [...]”

 Wet inzake de Sąd Najwyższy

8        Bij de ustawa o Sądzie Najwyższym (wet inzake de Sąd Najwyższy; hierna: „USN”) van 8 december 2017 (Dz.U. van 2018, volgnr. 5) is binnen de Sąd Najwyższy onder meer de Izba Kontroli Nadzwyczajnej i Spraw Publicznych (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, Polen) ingesteld.

9        Artikel 26 USN, zoals gewijzigd bij de ustawa o zmianie ustawy – Prawo o ustroju sądów powszechnych, ustawy o Sądzie Najwyższym oraz niektórych innych ustaw (wet tot wijziging van de wet inzake de gewone rechterlijke instanties, de wet inzake de Sąd Najwyższy en bepaalde andere wetten) van 20 december 2019 (Dz.U. 2020, volgnr. 190) bepaalt in de leden 2 en 3:

„2.      De [kamer voor bijzondere controle en publieke zaken] is bevoegd om kennis te nemen van verzoeken of verklaringen betreffende de wraking van een rechter of de aanwijzing van de rechterlijke instantie waarbij een procedure moet worden gevoerd, met inbegrip van bezwaren betreffende het gebrek aan onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie of rechter. De rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, stuurt onverwijld een verzoek aan de president van de [kamer voor bijzondere controle en publieke zaken] opdat de zaak wordt behandeld overeenkomstig de in afzonderlijke bepalingen vastgestelde regels. De indiening van een verzoek bij de president van de [kamer voor bijzondere controle en publieke zaken] brengt geen schorsing van de lopende procedure met zich mee.

3.      Het in lid 2 bedoelde verzoek wordt niet in behandeling genomen indien het betrekking heeft op het vaststellen en beoordelen van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van diens legitimiteit om rechterlijke taken te vervullen.”

 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering

10      Artikel 47 van de ustawa Kodeks postępowania cywilnego (wet houdende invoering van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering) van 17 november 1964 (Dz.U. 1964, volgnr. 296), in de op het hoofdgeding van toepassing zijnde versie (hierna: „wetboek van burgerlijke rechtsvordering”) bepaalt:

„1.      In eerste aanleg neemt het gerecht kennis van zaken in een kamer met één rechter, tenzij in een bijzondere bepaling anders is bepaald.

[...]

3.      Beschikkingen buiten terechtzitting worden gegeven door een alleensprekende rechter.

[...]”

11      Artikel 48 van het wetboek van burgerlijke rechtsvordering bepaalt:

„1.      Een rechter wordt krachtens de wet gewraakt:

1)      in zaken waarbij hij partij is of waarin hij een zodanige rechtsverhouding met een van de partijen heeft dat de uitkomst van de zaak van invloed is op zijn rechten of verplichtingen;

[...]

5)      in zaken waarbij hij als lagere rechter betrokken was bij de vaststelling van de bestreden handeling, net als in zaken betreffende de geldigheid van een handeling die door hem is onderzocht of met zijn medewerking is opgesteld alsmede in zaken waarin hij als prokurator [(openbaar aanklager, Polen)] is opgetreden.

[...]”

12      Artikel 49 van dit wetboek preciseert:

„Niettegenstaande de in artikel 48 genoemde gronden wraakt de rechterlijke instantie een rechter op diens verzoek of op verzoek van een partij, indien er sprake is van een omstandigheid die legitieme twijfel kan doen rijzen over de onpartijdigheid van die rechter in de betrokken zaak.”

13      Artikel 50 van dat wetboek luidt als volgt:

„1.      Partijen verzoeken om wraking van een rechter door onder opgave van redenen een schriftelijke verklaring in te dienen of mondeling bij de rechterlijke instantie waarbij de zaak aanhangig is een verklaring af te leggen.

2.      Bovendien moet de partij die aan de terechtzitting heeft deelgenomen aannemelijk maken dat de omstandigheid die de wraking rechtvaardigt zich pas nadien heeft voorgedaan of haar pas nadien ter kennis is gebracht.

3.      Tot de uitspraak op het verzoek tot wraking van een rechter:

1)      mag de rechter op wie dit verzoek betrekking heeft de behandeling van de zaak voortzetten;

2)      mag er geen beslissing of maatregel worden genomen die de procedure beëindigt.”

 Hoofdgeding en prejudiciële vragen

14      Het geschil in het hoofdgeding betreft twee ondernemers en heeft betrekking op een vordering die voortvloeit uit een overeenkomst voor het verrichten van diensten.

15      Deze overeenkomst is een „handelstransactie” in de zin van artikel 2, punt 1, van richtlijn 2011/35/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2011, L 48, blz. 1). In het kader van zijn vordering vraagt verzoeker in het hoofdgeding met name dat verweerder in het hoofdgeding wordt veroordeeld tot betaling van een vergoeding voor de gemaakte invorderingskosten, zoals bepaald in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn en artikel 10, lid 1, van de ustawa o przeciwdziałaniu nadmiernym opóźnieniom w transakcjach handlowych (wet ter voorkoming van buitensporige vertragingen bij handelstransacties) van 8 maart 2013 (Dz.U. van 2013, volgnr. 403), waarin deze richtlijn is omgezet.

16      Bij brief van 21 mei 2021 heeft verweerder in het hoofdgeding verzocht om wraking van rechter S.C., die met het hoofdgeding was belast. Hij betoogt dat deze rechter niet rechtsgeldig in het ambt van rechter is benoemd. Hij stelt dat het besluit inzake de benoeming van die rechter is vastgesteld door de KRS in zijn nieuwe samenstelling, waarvan de Naczelny Sąd Administracyjny de verenigbaarheid met de grondwet in twijfel heeft getrokken.

17      Rechter S.C. betoogt dat er geen omstandigheden waren die twijfel konden doen rijzen over haar onpartijdigheid en dat er geen enkele reden was om haar van de behandeling van die zaak uit te sluiten.

18      Het onderzoek van het verzoek tot wraking van deze rechter werd voorgelegd aan de Sąd Rejonowy Poznań-Stare Miasto w Poznaniu (rechter in eerste aanleg Poznań-Stare Miasto, Polen), de verwijzende rechter, in een formatie met een alleensprekende rechter die uitspraak doet over dit verzoek.

19      In deze context stelt de verwijzende rechter vragen bij een aantal aspecten van de benoeming van die rechter. Meer in het bijzonder geeft de verwijzende rechter aan dat die rechter door de president van de Republiek Polen is benoemd als rechter in de Sąd Rejonowy Poznań-Stare Miasto w Poznaniu, op voorstel van de KRS in zijn nieuwe samenstelling.

20      Hij verduidelijkt in dit verband dat zich drie personen kandidaat hadden gesteld voor het betrokken ambt van rechter, waaronder S.C., die sinds 2016 eerste assistent van een rechter in de Sąd Okręgowy w Poznaniu (rechter in tweede aanleg Poznań, Polen) was. Hij verklaart nader dat het college van de Sąd Okręgowy w Poznaniu en de vergadering van vertegenwoordigers van de rechters van de rechtbanken in het rechtsgebied van de Sąd Okręgowy w Poznaniu respectievelijk op 21 en 24 september 2018 een positief advies hadden uitgebracht over de kandidatuur van S.C.

21      Bij besluit nr. 611/2018 van 4 december 2018 heeft de KRS van de drie ingediende kandidaturen die van S.C. geselecteerd en de president van de Republiek Polen voorgesteld om haar voor te dragen voor benoeming tot rechter. De twee andere kandidaten hebben geen beroep krachtens artikel 44, lid 1, van de wet inzake de KRS ingesteld tegen dit besluit. Op 14 maart 2019 heeft de president van de Republiek Polen besloten S.C. tot rechter te benoemen.

22      In deze context heeft de verwijzende rechter om te beginnen twijfels over de verenigbaarheid van de procedure tot benoeming van rechter S.C. met het Unierecht, met name gelet op de samenstelling van de KRS en de rol daarvan in deze procedure en op het feit dat het de deelnemers aan deze procedure ontbrak aan een doeltreffende voorziening in rechte tegen die benoeming. Voorts hebben zijn twijfels in dit verband te maken met de rechtspraak van de Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen), volgens welke een verzoek om een rechter te wraken op grond van onregelmatigheden die zijn begaan bij de benoeming van die rechter niet-ontvankelijk is, alsook met de bepalingen van het nationale recht op grond waarvan de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken exclusief bevoegd is om de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter te onderzoeken. In deze context verwijst hij eveneens naar de rechtspraak van de Trybunał Konstytucyjny in zijn arrest van 14 juli 2021 in zaak P 7/20, waarin werd geoordeeld dat artikel 4, lid 3, tweede volzin, VWEU, gelezen in samenhang met artikel 279 VWEU, onverenigbaar is met de Poolse rechtsorde, voor zover het Hof op grond van deze bepalingen aan de Republiek Polen „ultra vires-verplichtingen” op kan leggen door middel van voorlopige maatregelen die betrekking hebben op de organisatie en de bevoegdheid van de Poolse rechtbanken en op de bij deze rechtbanken toe te passen procedure.

23      In dit verband zet de verwijzende rechter ten eerste uiteen dat de KRS volgens de grondwet een essentieel orgaan is voor de autonomie van de rechterlijke macht en tot taak heeft de onafhankelijkheid van rechters en rechtbanken te waarborgen. De samenstelling en de werking van dit orgaan moeten dan ook voldoen aan de vereisten die zijn neergelegd in de grondwet, om te garanderen dat de voorstellen voor de benoeming tot rechter die dit orgaan aan de president van de republiek voorlegt afkomstig zijn van een onafhankelijk orgaan dat representatief is voor de rechterlijke macht. Deze rechter wijst er evenwel op dat de KRS in zijn nieuwe samenstelling, die voortvloeit uit de wet op de KRS, is opgericht in strijd met de fundamentele grondwettelijke beginselen van het Poolse recht en met de waarden van het Unierecht. Volgens de verwijzende rechter heeft met name de verkiezing van de vijftien leden van de KRS met de hoedanigheid van rechter door de Diète, en niet door de rechters zelf, geleid tot een verlies aan autonomie van de rechterlijke macht en tot een kennelijke afhankelijkheid van dit orgaan van de wetgevende en uitvoerende macht. De verwijzende rechter wijst erop dat de Naczelny Sąd Administracyjny, het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en het Hof zelf dit uitdrukkelijk hebben bevestigd. Zij hebben elk opgemerkt dat de KRS in zijn nieuwe samenstelling niet de waarborgen voor onafhankelijkheid en onpartijdigheid biedt die met name het Unierecht vereist.

24      Ten tweede merkt de verwijzende rechter op dat het onderzoek van de beroepen tegen besluiten van de KRS inzake voorstellen voor benoemingen tot rechter is toevertrouwd aan de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, die uitsluitend bestaat uit personen die zijn benoemd nadat de KRS in zijn nieuwe samenstelling de procedure daarvoor had gevoerd. In deze omstandigheden kan deze kamer niet worden aangemerkt als een instantie die de vereiste waarborgen voor onafhankelijkheid biedt van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht”. Aangezien er echter geen andere reële mogelijkheid bestaat om de regelmatigheid van deze benoemingsprocedure in twijfel te trekken, zou het ontbreken van een doeltreffende voorziening in rechte op systematische wijze aanleiding geven tot gerechtvaardigde twijfels over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechters die na afloop van die procedure zijn benoemd.

25      In die omstandigheden heeft de Sąd Rejonowy Poznań-Stare Miasto w Poznaniu de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)      Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, alsmede artikel 6, leden 1 tot en met 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest] aldus worden uitgelegd dat geen sprake is van een gerecht dat bij wet is ingesteld in de zin van het Unierecht wanneer daarin een persoon zitting heeft die tot rechter van die rechterlijke instantie is benoemd in een procedure waarin:

a)      deze voor benoeming tot rechter aan de Poolse president voorgedragen persoon is geselecteerd door de huidige [KRS], die is gekozen onder schending van de Poolse constitutionele en wettelijke bepalingen, die geen onafhankelijk orgaan is en waarin geen vertegenwoordigende rechters zitting hebben die onafhankelijk van de uitvoerende en de wetgevende macht als leden van deze raad zijn benoemd, zodat geen sprake is geweest van een rechtsgeldige voordracht tot benoeming als rechter in de zin van het nationale recht;

b)      de deelnemers aan de benoemingsprocedure niet het recht hadden een voorziening in rechte in de zin van [artikel 2 en artikel 19, lid 1], VEU en artikel 6, leden 1 tot en met 3, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest], in te stellen?

2)      Moeten artikel 2 en artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, aldus worden uitgelegd dat deze bepalingen, wanneer een rechterlijke instantie onder meer bestaat uit een persoon die is benoemd in de in [de eerste vraag] beschreven omstandigheden:

a)      gelet op de institutionele en systemische context in de weg staan aan de toepassing van nationaalrechtelijke bepalingen op grond waarvan [de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken] die uitsluitend bestaat uit personen die tot rechter zijn benoemd in de in [de eerste vraag] beschreven omstandigheden, exclusief bevoegd is om te onderzoeken of de benoeming van een dergelijke persoon tot rechter rechtmatig is, en welke bepalingen tevens vereisen dat bezwaren tegen de benoeming in een rechterlijk ambt buiten behandeling worden gelaten;

b)      met het oog op het waarborgen van het nuttig effect van het Unierecht vereisen dat nationaalrechtelijke bepalingen aldus worden uitgelegd dat een rechterlijke instantie een dergelijke persoon ambtshalve van de behandeling van de zaak kan uitsluiten op grond van de naar analogie toepasselijke bepalingen inzake de uitsluiting van een rechter die ongeschikt is om uitspraak te doen (judex inhabilis);

c)      vereisen dat een nationale rechterlijke instantie met het oog op de toepassing van het Unierecht en de verwezenlijking van het nuttig effect daarvan voorbijgaat aan een arrest van het nationale grondwettelijke hof, voor zover daarin is geoordeeld dat het onverenigbaar is met het nationale recht wanneer kennis wordt genomen van een verzoek om een rechter te wraken vanwege een gestelde onrechtmatige benoeming die niet voldoet aan de Unierechtelijke vereisten inzake een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest;

d)      vereisen dat een nationale rechterlijke instantie met het oog op de toepassing van het Unierecht en de verwezenlijking van het nuttig effect daarvan voorbijgaat aan een arrest van het nationale grondwettelijke hof, wanneer deze beslissing in de weg staat aan de tenuitvoerlegging van een door het Hof [...] gegeven beschikking in kort geding over voorlopige maatregelen waarbij de opschorting is gelast van de toepassing van nationale bepalingen die de nationale rechterlijke instanties beletten te onderzoeken of is voldaan aan de Unierechtelijke vereisten inzake een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van artikel 19, lid 1, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het [Handvest]?”

 Procedure bij het Hof

26      Bij beslissingen van de president van het Hof van 23 maart 2022 en 11 januari 2024 is de procedure respectievelijk geschorst tot een eindbeslissing in de gevoegde zaken C‑181/21 en C‑269/21 en vervolgens hernomen.

 Bevoegdheid van het Hof

27      De Prokuratura Okręgowa w Poznaniu (regionaal parket Poznań, Polen) betoogt dat het Hof niet bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek om een prejudiciële beslissing, in essentie omdat de gestelde vragen betrekking hebben op de rechterlijke organisatie, een gebied dat niet onder de bevoegdheid van de Unie valt.

28      In dit verband volgt uit vaste rechtspraak dat de rechterlijke organisatie in de lidstaten weliswaar onder hun bevoegdheid valt, maar dat dit niet wegneemt dat de lidstaten bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen in acht moeten nemen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht, hetgeen met name het geval kan zijn wat betreft nationale regels inzake de vaststelling van besluiten tot benoeming van rechters en, waar van toepassing, wat betreft voorschriften aangaande het rechterlijk toezicht dat bij dergelijke benoemingsprocedures geldt [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 22 maart 2022, Prokurator Generalny (Tuchtkamer van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑508/19, EU:C:2022:201, punt 56, en 6 maart 2025, D. K. (Onttrekking van zaken aan een rechter), C‑647/21 en C‑648/21, EU:C:2025:143, punt 42].

29      Bovendien heeft het aldus geformuleerde bezwaar van de Prokurator Generalny in wezen betrekking op de eigenlijke draagwijdte van de in de gestelde vragen genoemde Unierechtelijke bepalingen en dus op de uitlegging van deze bepalingen. Een dergelijke uitlegging valt duidelijk onder de bevoegdheid van het Hof krachtens artikel 267 VWEU [zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

30      Het Hof is dus bevoegd om uitspraak te doen over het verzoek om een prejudiciële beslissing.

 Ontvankelijkheid

31      Het regionaal parket van Poznań betoogt in de eerste plaats dat de gestelde vragen hypothetisch zijn, aangezien de verwijzende rechter geen specifieke omstandigheden aanvoert waaruit zou blijken dat rechter S.C. geen waarborgen voor onafhankelijkheid zou bieden of dat zij op onregelmatige wijze zou zijn benoemd.

32      In dit verband zij opgemerkt dat het de bedoeling van deze vragen is om ervoor te zorgen dat om te beginnen de verwijzende rechter kan beoordelen of de nationale regeling inzake de benoeming van rechters, en met name de benoeming van de betrokken rechter, verenigbaar is met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest. Voorts strekken deze vragen ertoe om vast te stellen of deze bepalingen zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat en de rechtspraak van het grondwettelijk hof van die lidstaat, op grond waarvan de exclusieve bevoegdheid om, in het kader van een procedure om een rechter te wraken wegens de omstandigheden waarin deze rechter is benoemd, de rechtmatigheid van een rechterlijke benoeming te onderzoeken, wordt toegekend aan een orgaan dat, zoals de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, niet voldoet aan de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.

33      Vastgesteld moet worden dat de aldus door het regionaal parket Poznań aangevoerde argumenten inzake de waarborgen voor onafhankelijkheid die rechter S.C. biedt in wezen betrekking hebben op de strekking en dus op de uitlegging van de bepalingen van Unierecht waarop de prejudiciële vragen zien, alsook op de mogelijke gevolgen van deze bepalingen. Deze argumenten, die betrekking hebben op de kern van de prejudiciële vraag, kunnen dus per definitie niet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de vraag [arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 90 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

34      Die vragen kunnen dus niet als hypothetisch worden aangemerkt.

35      In de tweede plaats voert het regionaal parket Poznań aan dat de verwijzende rechter de in artikel 94, onder c), van het Reglement voor de procesvoering van het Hof neergelegde verplichting niet is nagekomen omdat hij de redenen niet heeft beschreven waarom hij twijfels heeft over de uitlegging van de betrokken bepalingen van Unierecht, evenals over de uitlegging van het verband dat hij legt tussen deze bepalingen en de in het hoofdgeding aan de orde zijnde nationale regeling.

36      Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het verzoek om een prejudiciële beslissing alle door dat artikel 94, onder c), vereiste gegevens bevat, met name de inhoud van de nationale bepalingen die in casu van toepassing kunnen zijn, de redenen waarom de verwijzende rechter het Hof vragen heeft gesteld over de uitlegging van de in die vragen bedoelde bepalingen van Unierecht, en het verband dat deze rechter heeft gelegd tussen die bepalingen van Unierecht en die nationale regels, zodat het Hof beschikt over alle gegevens die nodig zijn om uitspraak te doen over die vragen.

37      Het verzoek om een prejudiciële beslissing is derhalve ontvankelijk.

 Beantwoording van de prejudiciële vragen

 Opmerkingen vooraf

38      Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt om te beginnen dat de gestelde vragen in essentie betrekking hebben op de uitlegging van het beginsel van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van gerechten dat voortvloeit uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, en voorts dat – zoals aangegeven in punt 15 van het onderhavige arrest – de zaak die heeft geleid tot het in het hoofdgeding aan de orde zijnde wrakingsverzoek met name ziet op de Poolse regeling tot omzetting van richtlijn 2011/7. Het hoofdgeding valt dus niet alleen binnen de werkingssfeer van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, maar ook onder die van artikel 47 van het Handvest.

39      In deze omstandigheden hoeven de gestelde vragen alleen te worden onderzocht in het licht van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, zonder dat ook artikel 6, leden 1 tot en met 3, VEU hoeft te worden uitgelegd, aangezien de verwijzende rechter niet heeft uiteengezet waarom hij het Hof vragen stelt over de uitlegging van deze laatste bepaling.

 Tweede vraag

40      Met zijn tweede vraag, die als eerste moet worden onderzocht, wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat en de rechtspraak van het grondwettelijk hof van die lidstaat op grond waarvan in het kader van een wrakingsprocedure betreffende de omstandigheden waaronder de rechter werd benoemd tot wie die procedure is gericht, het onderzoek van het wrakingsverzoek valt onder de exclusieve bevoegdheid van een orgaan zoals de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, zonder dat dit orgaan de rechtmatigheid van de benoeming van de rechter kan onderzoeken, alsook, indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, of de nationale rechter die dit wrakingsverzoek behandelt, om het nuttig effect van die bepalingen te waarborgen verplicht is om de nationale bepalingen inzake wraking van rechtswege van een rechter die ongeschikt is om uitspraak te doen, naar analogie toe te passen.

41      Vooraf moet worden benadrukt dat, zoals in essentie in herinnering is gebracht in punt 28 van het onderhavige arrest, de rechterlijke organisatie in de lidstaten – met name de invoering, samenstelling, bevoegdheden en werking van de nationale rechterlijke instanties, met inbegrip van de regels inzake het toezicht op de rechtmatigheid van de benoeming van rechters – weliswaar tot de bevoegdheid van die lidstaten behoort, maar dat zij bij de uitoefening van deze bevoegdheid de verplichtingen moeten nakomen die voor hen voortvloeien uit het Unierecht en in het bijzonder uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU.

42      Wat dat betreft vormt het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming waarnaar artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU verwijst een algemeen beginsel van Unierecht dat voortvloeit uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten en dat is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en meer recentelijk in artikel 47 van het Handvest [arresten van 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a., C‑357/19, C‑379/19, C‑547/19, C‑811/19 en C‑840/19, EU:C:2021:1034, punt 219 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 11 mei 2023, Inspecţia Judiciară, C‑817/21, EU:C:2023:391, punt 40, en 8 mei 2024, Asociaţia „Forumul Judecătorilor din România” (Vereniging van magistraten), C‑53/23, EU:C:2024:388, punt 35].

43      Voorts beoogt artikel 52, lid 3, van het Handvest, voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten die zijn gegarandeerd door het EVRM, te zorgen voor de nodige samenhang tussen de in het Handvest vervatte en de daarmee corresponderende, door het EVRM gewaarborgde rechten, zonder de autonomie van het Unierecht aan te tasten. Derhalve dient het Hof erop toe te zien dat de uitlegging die het geeft aan artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, zodanig is dat het daardoor geboden beschermingsniveau niet in strijd komt met het niveau dat wordt geboden door artikel 6, lid 1, EVRM, zoals uitgelegd door het EHRM (zie in die zin arrest van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 1 augustus 2025, Dimnev, C‑404/24, EU:C:2025:595, punt 44, en 4 september 2025, AW „T”, C‑225/22, EU:C:2025:649, punt 46).

44      Na deze precisering zij eraan herinnerd dat elke lidstaat krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, moet verzekeren dat de instanties die als „rechterlijke instantie” in de zin van het Unierecht geroepen zijn om te oordelen over de toepassing of de uitlegging van dit recht en die dus deel uitmaken van zijn stelsel van beroepsmogelijkheden op de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming, waaronder het vereiste van onafhankelijkheid [arresten van 11 juli 2024, Hann-Invest e.a., C‑554/21, C‑622/21 en C‑727/21, EU:C:2024:594, punt 47 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 4 september 2025, AW „T”, C‑225/22, EU:C:2025:649, punt 47, en 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 107].

45      In casu is de verwijzende rechter belast met het onderzoek van het verzoek om een rechter te wraken omdat hij niet rechtsgeldig zou zijn benoemd. In het Poolse recht, zoals uitgelegd door de Trybunał Konstytucyjny, is evenwel bepaald dat de toetsing van de rechtmatigheid van de benoeming van de betrokkene tot rechter onder de exclusieve bevoegdheid van de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken valt, zodat het krachtens dat recht en de rechtspraak van die Poolse constitutionele rechter niet aan de verwijzende rechter staat om zelf een dergelijk onderzoek uit te voeren en hij die beoordeling moet doorverwijzen naar die kamer. Daarenboven blijft die exclusieve bevoegdheid beperkt, aangezien die kamer overeenkomstig artikel 26, lid 3, USN een verzoek dat is ingediend op grond van artikel 26, lid 2, niet onderzoekt indien dat verzoek betrekking heeft op het vaststellen en beoordelen van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter.

46      In dit verband heeft het Hof, na de indiening van het verzoek om een prejudiciële beslissing, in de punten 201 en 386 van het arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters) (C‑204/21, EU:C:2023:442), in wezen geoordeeld dat de Republiek Polen, door nationale regels vast te stellen en te handhaven die de nationale rechterlijke instanties, op straffe van tuchtrechtelijke sancties, verbieden na te gaan of de rechters die deel uitmaken van de betrokken rechterlijke instantie dan wel andere rechters of rechterlijke instanties voldoen aan de uit het Unierecht voortvloeiende vereisten inzake onafhankelijkheid, onpartijdigheid en voorafgaande instelling bij wet van de betrokken rechterlijke instanties en rechters, tekort is geschoten in de verplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest, en krachtens het beginsel van voorrang van het Unierecht.

47      In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dit arrest heeft het Hof namelijk de eerste en de tweede grief van de Europese Commissie aanvaard, die met name betrekking hadden op de verenigbaarheid met artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest, van artikel 42a, leden 1 en 2, van de ustawa – Prawo o ustroju sądów powszechnych (wet van 27 juli 2001 betreffende de organisatie van de gewone rechterlijke instanties) (Dz.U. nr. 98, volgnr. 1070), waarbij het elke nationale rechter wordt verboden na te gaan of er is voldaan aan de vereisten die voortvloeien uit het Unierecht met betrekking tot de „waarborg van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” en uit artikel 107, lid 1, punten 2 en 3, van deze wet, op grond waarvan een dergelijk onderzoek als tuchtrechtelijk vergrijp kan worden aangemerkt (zie in die zin arrest van 4 september 2025, AW „T”, C‑225/22, EU:C:2025:649, punt 60).

48      In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof tot deze slotsom is gekomen na met name te hebben benadrukt dat artikel 26, lid 3, USN uitsluit dat de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, wanneer zij van een andere rechterlijke instantie een verzoek heeft ontvangen tot wraking van een rechter, dit verzoek kan onderzoeken indien het betrekking heeft op het vaststellen en beoordelen van de rechtmatigheid van de benoeming van een rechter of van diens legitimiteit om rechterlijke taken te vervullen [arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 198].

49      Deze conclusie was deels ook ingegeven door de omstandigheid dat het als gevolg van de in punt 46 van het onderhavige arrest bedoelde nationale regels, wegens de daarin neergelegde verboden en de daarin omschreven tuchtrechtelijke overtredingen ten aanzien van de rechters van de Sąd Najwyższy en van alle gewone en administratieve rechterlijke instanties, deze rechters en instanties in essentie kon worden belet om bepaalde vaststellingen te doen en beoordelingen te verrichten waartoe zij krachtens het Unierecht in bepaalde omstandigheden nochtans verplicht zijn, gelet op de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest in verband met de garantie van een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” [zie in die zin arrest van 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 285].

50      Uit artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU volgt namelijk dat de lidstaten verplicht zijn om een doeltreffend rechterlijke toetsing te waarborgen waardoor in voorkomend geval de rechtmatigheid van de procedure voor de benoeming van rechters kan worden nagegaan. Deze verplichting vloeit voort uit het vereiste van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht”, dat veronderstelt dat de procedure voor de benoeming van rechters onderworpen is aan waarborgen die geschikt zijn om te voorkomen dat hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid worden aangetast. Zo vereist artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU dat een nationale rechterlijke instantie in bepaalde omstandigheden kan nagaan of een onregelmatigheid in de procedure voor de benoeming van een rechter heeft kunnen leiden tot schending van het grondrecht op een doeltreffende voorziening in rechte voor een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld in de zin van die bepaling en van artikel 47 van het Handvest [arresten van 6 oktober 2021 W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punten 130, 131, 152‑154 en 159, en 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 131].

51      Bovendien legt artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU de lidstaten een duidelijke en nauwkeurige resultaatsverplichting op waaraan geen enkele voorwaarde is verbonden met betrekking tot de onafhankelijkheid die de rechterlijke instanties moet kenmerken die het Unierecht moeten uitleggen en toepassen. Hieruit volgt dat de nationale rechterlijke instanties die in het kader van hun bevoegdheden belast zijn met de toepassing van het Unierecht, de volle werking van de vereisten van dat recht, en dus van artikel 19, lid 1, tweede alinea, moeten waarborgen, waarbij zij zo nodig elke daarmee strijdige nationale bepaling buiten toepassing moeten laten [zie in die zin arresten van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 146, en 21 december 2021, Euro Box Promotion e.a., C‑357/19, C‑379/19, C‑547/19, C‑811/19 en C‑840/19, EU:C:2021:1034, punt 253 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

52      Het is namelijk vaste rechtspraak dat iedere nationale rechter die in het kader van zijn bevoegdheid is aangezocht, als orgaan van een lidstaat verplicht is iedere nationale bepaling die in strijd is met een Unierechtelijke bepaling die rechtstreekse werking heeft in het aan hem voorgelegde geschil, buiten toepassing te laten [arresten van 24 juni 2019, Popławski, C‑573/17, EU:C:2019:530, punt 61, en 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 158 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

53      In het geval van een bewezen schending van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, eist het beginsel van de voorrang van het Unierecht dan ook dat de nationale rechterlijke instanties die in het kader van hun bevoegdheden belast zijn met de toepassing van het Unierecht op eigen gezag de bepalingen van nationaal recht die de vereisten van artikel 19, lid 1, tweede alinea, schenden – of deze nu van wettelijke of constitutionele aard zijn – buiten toepassing laten, zonder dat zij daarvoor een verzoek hoeven in te dienen of hoeven te wachten tot deze bepalingen via de wetgeving of een andere constitutionele procedure zijn opgeheven [zie in die zin arresten van 18 mei 2021, Asocia „Forumul Judecătorilor din România” e.a., C‑83/19, C‑127/19, C‑195/19, C‑291/19, C‑355/19 en C‑397/19, EU:C:2021:393, punt 251, en 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punt 53 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

54      Bovendien is het vaste rechtspraak dat een nationale rechter die gebruik heeft gemaakt van de hem door artikel 267, tweede alinea, VWEU geboden mogelijkheid, in voorkomend geval het oordeel van een hogere rechter – ook wanneer het om een grondwettelijke rechter gaat – naast zich moet neerleggen indien hij, gelet op de door het Hof gegeven uitlegging, meent dat dit oordeel in strijd is met het Unierecht, en dat hij daarbij zo nodig een nationale bepaling die hem verplicht zich te conformeren aan de beslissingen van die hogere rechter, buiten toepassing moet laten. Deze oplossing geldt ook wanneer een gewone rechter op grond van een nationale procedureregel gebonden is aan een beslissing van een nationaal grondwettelijk hof die hij in strijd acht met het Unierecht [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, RS (Gevolgen van de uitspraken van een grondwettelijk hof), C‑430/21, EU:C:2022:99, punten 75 en 76].

55      In dit verband heeft het Hof in het arrest van 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht) (C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 196), geoordeeld dat de Republiek Polen, gelet op de uitlegging die de Trybunał Konstytucyjny van de grondwet heeft gegeven in zijn arrest van 14 juli 2021, waarnaar wordt verwezen in punt 22 van het onderhavige arrest, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de algemene beginselen van autonomie, voorrang, doeltreffendheid en uniforme uitlegging van het Unierecht.

56      Hieruit volgt dat een Poolse rechter de beoordelingen die volgen uit het arrest van de Trybunał Konstytucyjny van 14 juli 2021 buiten toepassing moet laten, voor zover in dat arrest het voor elke nationale rechterlijke instantie geldende verbod wordt bevestigd om na te gaan of een andere instantie voldoet aan de vereisten die het Unierecht stelt met betrekking tot de garantie van een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

57      In casu moet de verwijzende rechter, gelet op de in de punten 41 tot en met 56 van het onderhavige arrest uiteengezette overwegingen, in een situatie als in het hoofdgeding, waarbij die rechter zich moet uitspreken over een verzoek om een rechter te wraken wegens de omstandigheden waarin hij is benoemd, de Poolse regeling zoals uitgelegd door de Trybunał Konstytucyjny, op basis waarvan het hem verboden is om de rechtmatigheid van deze benoeming te onderzoeken en hij verplicht is om dat onderzoek over te dragen aan de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, buiten toepassing laten teneinde dat onderzoek zelf uit te voeren en daaruit, indien nodig, de consequenties te trekken door de betrokken rechter te wraken.

58      Evenwel dient te worden opgemerkt dat uit het dossier waarover het Hof beschikt, en meer bepaald uit de ter terechtzitting geformuleerde overwegingen, blijkt dat onregelmatige benoemingen van rechters in Polen een structureel probleem zijn. Meer dan 3 000 rechters, ofwel ongeveer 30 % van de rechters in deze lidstaat, zouden namelijk zijn benoemd op voordracht van de KRS in zijn nieuwe samenstelling, zonder dat de kandidaten die uit de benoemingsprocedures waren geweerd een doeltreffende voorziening in rechte konden instellen tegen de voordrachten van de KRS. Bovendien werd ten aanzien van talrijke aspecten van deze hervorming reeds in verschillende arresten van het EHRM en het Hof zelf geoordeeld dat zij niet voldeden aan de vereisten die voortvloeien uit respectievelijk artikel 6, lid 1, EVRM en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest.

59      Zoals reeds in essentie is opgemerkt in punt 44 van het onderhavige arrest, legt artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU elke lidstaat de verplichting op om een gerechtelijk systeem in te voeren en te handhaven waarmee is gewaarborgd dat de instanties die onder dat systeem vallen en bevoegd zijn om uitspraak te doen op beroepen in de onder het Unierecht vallende gebieden, voldoen aan de vereisten van daadwerkelijke rechtsbescherming, waaronder het vereiste van onafhankelijkheid.

60      Aangezien onregelmatige benoemingen een structureel probleem vormen, kan een beoordeling per geval of het vereiste van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht” is nageleefd in het kader van wrakingsprocedures wegens de omstandigheden van de benoeming van de betrokken rechters, in beginsel niet volstaan om te waarborgen dat volledig wordt voldaan aan het vereiste van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU dat zaken die onder het Unierecht vallen worden behandeld door onafhankelijke rechterlijke instanties.

61      Dit geldt temeer omdat dergelijke structurele of algemene schendingen van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van een land ten gevolge van dergelijke onrechtmatige benoemingen eveneens de goede werking van de prejudiciële verwijzingsprocedure kunnen bedreigen, wat een wezenlijk bestanddeel vormt van het bij de Verdragen ingestelde systeem om de nationale rechterlijke instanties in staat te stellen de daadwerkelijke rechtsbescherming van de door particulieren aan het Unierecht ontleende rechten te verzekeren (arrest van 1 augustus 2025, Royal Football Club Seraing, C‑600/23, EU:C:2025:617, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak), waardoor die schendingen de uniformiteit, de samenhang en de volledige werking van dit recht dan ook ernstig bedreigen.

62      Daarenboven dient eveneens te worden opgemerkt dat het EHRM, recht doende volgens de procedure van het pilootarrest, in zijn arrest van 23 november 2023, Wałęsa tegen Polen (CE:ECHR:2023:1123JUD005084921), in essentie heeft geoordeeld dat de vastgestelde onderling verbonden structurele problemen vereisen dat de Poolse Staat passende wetgevende en andere maatregelen neemt om de problemen op het gebied van de rechterlijke onafhankelijkheid aan te pakken die met de hervormingen in dat land samenhangen.

63      Bijgevolg staat het krachtens artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aan de nationale rechterlijke macht om – teneinde om te beginnen het vertrouwen van het publiek in het gerechtelijke stelsel te herstellen en te waarborgen dat het beginsel van de scheiding der machten wordt geëerbiedigd, en voorts de continuïteit en de efficiënte werking van de rechterlijke organisatie te verzekeren, met inbegrip van de doeltreffendheid van het in artikel 267 VWEU neergelegde mechanisme van de prejudiciële verwijzing– een wettelijk kader vast te stellen aan de hand waarvan, rekening houdend met de aard en de ernst van de gepleegde onregelmatigheden tijdens de procedure voor de benoeming van rechters, kan worden beoordeeld wat de mogelijkheden zijn voor onregelmatig tot rechter benoemde personen om hun ambt te blijven uitoefenen.

64      Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU legt de lidstaten evenwel geen uniek model op om de daadwerkelijke rechtsbescherming te verzekeren of om het vertrouwen in het gerechtelijk stelsel te herstellen dat de burgers hebben verloren wegens structurele onregelmatigheden bij benoemingen tot rechter.

65      De lidstaten beschikken dus over een ruime beoordelingsmarge wat betreft de concrete inhoud van het wettelijke kader dat daarvoor wordt vastgesteld, op voorwaarde evenwel dat dit kader aan de hand van objectieve criteria waarborgt dat alleen personen die onregelmatig tot rechter zijn benoemd maar voldoende waarborgen voor onafhankelijkheid en onpartijdigheid bieden, hun ambt kunnen blijven uitoefenen.

66      Gelet op een en ander dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 47 van het Handvest en het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat en de rechtspraak van het grondwettelijk hof van die lidstaat die deze regeling uitlegt, op grond waarvan aan een orgaan de exclusieve bevoegdheid wordt toegekend om uitspraak te doen op een verzoek om een rechter te wraken wegens de omstandigheden waarin hij is benoemd, terwijl dit orgaan niet bevoegd is om een dergelijk verzoek te behandelen indien het de rechtmatigheid van de benoemingsprocedure van de betrokken rechter in twijfel trekt. Het is aan de nationale rechter bij wie een dergelijk verzoek tot wraking is ingediend om deze regeling, zoals uitgelegd in deze rechtspraak, buiten toepassing te laten en zelf de rechtmatigheid van de benoeming van die rechter te onderzoeken, met name door na te gaan of deze voldoet aan het vereiste van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht”, en, in voorkomend geval, de betrokken rechter te wraken indien de eventuele onregelmatigheden waarmee deze benoeming is aangetast een schending van dat vereiste inhouden.

 Eerste vraag

67      Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich ertegen verzetten dat een rechtsprekende formatie waarin een alleensprekende rechter zitting heeft wordt aangemerkt als een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht” wanneer die rechter is benoemd na een benoemingsprocedure waarbij, in de eerste plaats, zijn kandidatuur is aanbevolen door een orgaan dat niet onafhankelijk is en, in de tweede plaats, de andere deelnemers aan die benoemingsprocedure geen recht op een doeltreffende voorziening in rechte hadden om de rechtmatigheid van de benoeming van die rechter te betwisten.

68      Zoals in punt 42 van het onderhavige arrest in herinnering is gebracht, vormt het beginsel van daadwerkelijke rechtsbescherming waarnaar in artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU wordt verwezen, een algemeen beginsel van Unierecht dat uit de gemeenschappelijke constitutionele tradities van de lidstaten voortvloeit en met name is verankerd in artikel 6, lid 1, EVRM en artikel 47, tweede alinea, van het Handvest.

69      De waarborgen voor toegang tot een onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht – met name de waarborgen die zowel voor dat begrip als voor de samenstelling van een dergelijk gerecht bepalend zijn – vormen de hoeksteen van het recht op een eerlijk proces. De verificatie of een instantie, gelet op haar samenstelling, een dergelijk gerecht is, is – wanneer er op dit punt ernstige twijfel rijst – in een democratische samenleving noodzakelijk voor het vertrouwen van de justitiabelen in de rechterlijke instanties [zie in die zin arresten van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 113, en 8 mei 2024, Asociaţia „Forumul Judecătorilor din România” (Vereniging van magistraten), C‑53/23, EU:C:2024:388, punt 55].

70      Het is vaste rechtspraak dat voor deze aldus op grond van het Unierecht vereiste waarborgen voor onafhankelijkheid en onpartijdigheid regels nodig zijn, onder andere met betrekking tot de samenstelling van de betrokken rechterlijke instantie en de benoeming, de ambtstermijn en de gronden voor verschoning, wraking en afzetting van de leden en dat die regels geschikt moeten zijn om bij de justitiabelen elke legitieme twijfel erover weg te nemen dat deze instanties zich niet laten beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen [arresten van 6 oktober 2021 W.Z. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 109; 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 93 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 263].

71      In dit verband is het van belang dat rechters worden behoed voor druk van buitenaf die hun onafhankelijkheid in gevaar zou kunnen brengen. De regels inzake het statuut van rechters en de uitoefening van hun taken moeten het in het bijzonder mogelijk maken om niet alleen elke rechtstreekse beïnvloeding – in de vorm van instructies – maar ook meer indirecte vormen van beïnvloeding die de beslissingen van de betrokken rechters zouden kunnen sturen, uit te sluiten en aldus te voorkomen dat deze rechters niet de indruk wekken onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen zou kunnen ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij de justitiabelen moet wekken [arresten van 6 oktober 2021 W.Z. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 110; 5 juni 2023, Commissie/Polen (Onafhankelijkheid en privéleven van rechters), C‑204/21, EU:C:2023:442, punt 94 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 264].

72      In deze context heeft het Hof onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat het recht op een „vooraf bij wet ingesteld gerecht” weliswaar een autonoom recht is, maar dat dit recht niettemin zeer nauw verbonden is met de waarborgen van „onafhankelijkheid” en „onpartijdigheid”. Overeenkomstig het beginsel van de scheiding der machten, dat kenmerkend is voor de werking van een rechtsstaat, moet in het bijzonder de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties ten opzichte van de wetgevende en de uitvoerende macht worden gewaarborgd [zie in die zin arresten van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punten 124 en 127 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punten 117 en 118 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van rechters), C‑718/21, EU:C:2023:1015, punt 47].

73      Wat dat betreft heeft het vereiste betreffende een „vooraf bij wet ingesteld gerecht” in de zin van het Unierecht tot doel om te voorkomen dat de rechterlijke organisatie wordt overgelaten aan de uitvoerende macht, alsmede ervoor te zorgen dat deze aangelegenheid wordt geregeld bij een wet die door de wetgevende macht is vastgesteld in overeenstemming met de regels voor de uitoefening van haar bevoegdheid. Die uitdrukking weerspiegelt met name het beginsel van de rechtsstaat en heeft niet alleen betrekking op de rechtsgrondslag voor het bestaan zelf van het betreffende gerecht, maar ook op de samenstelling van de rechtsprekende formatie in elke zaak en op alle overige nationaalrechtelijke bepalingen waarvan de niet-inachtneming met zich meebrengt dat de deelname van een of meerdere rechters aan het onderzoek van de zaak onregelmatig is. Tot deze bepalingen behoren met name bepalingen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de leden van de rechterlijke instantie in kwestie [arresten van 26 maart 2020, Heroverweging Simpson/Raad en HG/Commissie, C‑542/18 RX‑II en C‑543/18 RX-II, EU:C:2020:232, punt 73 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 129, en 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 265].

74      Derhalve moeten de materiële voorwaarden en de gedetailleerde procedureregels voor de vaststelling van benoemingsbesluiten van rechters van dien aard zijn dat daardoor bij justitiabelen geen legitieme twijfels kunnen rijzen over de vraag of de betrokken rechters, wanneer zij eenmaal zijn benoemd, zich niet laten beïnvloeden door externe factoren en onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen. Daartoe is het met name van belang dat deze voorwaarden en regels zo worden opgesteld dat zij voldoen aan de in het voorgaande punt van het onderhavige arrest gestelde eisen (zie in die zin arrest van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

75      Met betrekking tot meer bepaald de procedure voor de benoeming van rechters, heeft het Hof, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, eveneens geoordeeld dat die procedure, gelet op de fundamentele gevolgen ervan voor de goede werking en de legitimiteit van de rechterlijke macht in een democratische rechtsstaat, noodzakelijkerwijs inherent is aan het begrip „gerecht dat vooraf bij de wet is ingesteld” in de zin van artikel 47, lid 1, van het Handvest. De onafhankelijkheid van een gerecht in de zin van deze bepaling wordt dus met name afgemeten aan de wijze waarop de leden van dat gerecht zijn benoemd [zie in die zin arresten van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 57 en aldaar aangehaalde rechtspraak; 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 120 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van rechters), C‑718/21, EU:C:2023:1015, punt 60].

76      Evenwel kan niet elke fout die zich tijdens de procedure voor de benoeming van een rechter kan voordoen twijfel doen rijzen over de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van die rechter en dus over de hoedanigheid van „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld”, in de zin van het Unierecht, van een rechtsprekende formatie waarin hij zetelt [arresten van 29 maart 2022, Getin Noble Bank, C‑132/20, EU:C:2022:235, punt 123, en 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 267].

77      Het is vaste rechtspraak dat een onregelmatigheid die binnen het gerechtelijk systeem in kwestie is begaan bij de benoeming van een of meer rechters, een schending oplevert van het vereiste van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht”, met name wanneer die onregelmatigheid door haar aard en ernst het reële risico doet ontstaan dat andere onderdelen van de overheid, in het bijzonder de uitvoerende macht, een onbehoorlijke discretionaire bevoegdheid kunnen uitoefenen waardoor het benoemingsproces tot oneerlijke resultaten zou kunnen leiden en aldus bij de justitiabelen legitieme twijfel zou kunnen ontstaan over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de betrokken rechter of rechters. Dat is het geval wanneer er fundamentele regels in het geding zijn die een integrerend deel vormen van de instelling en werking van dat gerechtelijke systeem [zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 130, en 29 juli 2024, Valančius, C‑119/23, EU:C:2024:653, punt 52 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

78      Om een schending van het vereiste van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht” en de gevolgen van die schending te kunnen vaststellen is een algehele beoordeling nodig van een aantal elementen die, in hun totaliteit beschouwd, bij de justitiabelen legitieme twijfel doen ontstaan over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechters [arresten van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 74 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 18 december 2025, Commissie/Polen (Ultra-virestoetsing van de rechtspraak van het Hof – Voorrang van het Unierecht), C‑448/23, EU:C:2025:975, punt 269].

79      In casu staat het in het kader van de vaststelling die is gedaan in punt 57 van het onderhavige arrest dan ook uiteindelijk aan de verwijzende rechter om, in het licht van alle in de punten 68 tot en met 75 van dit arrest in herinnering gebrachte beginselen, na de daartoe vereiste beoordelingen te hebben verricht, uitspraak te doen over de vraag of de omstandigheden waaronder rechter S.C. is benoemd en met name de mogelijke onregelmatigheden die tijdens de procedure voor haar benoeming zijn begaan, kunnen leiden tot de conclusie dat die rechter niet kan worden aangemerkt als een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld” in de zin van het Unierecht.

80      Artikel 267 VWEU verleent het Hof namelijk niet de bevoegdheid om de bepalingen van het Unierecht op een concreet geval toe te passen, maar enkel om uitspraak te doen over de uitlegging van de Verdragen en de handelingen van de instellingen van de Unie. Volgens vaste rechtspraak kan het Hof echter in het kader van de gerechtelijke samenwerking waarin artikel 267 VWEU voorziet, op grond van de gegevens van het dossier waarover het beschikt de verwijzende rechter de elementen met betrekking tot de uitlegging van het Unierecht verschaffen die voor deze rechter van waarde kunnen zijn bij de beoordeling van het effect van deze of gene bepaling van dat recht [zie in die zin arrest van 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 132 en 133 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

81      Wat betreft de gegevens van het hoofdgeding en in het bijzonder, in de eerste plaats, de omstandigheid dat de kandidatuur van rechter S.C. is aanbevolen door de KRS in zijn nieuwe samenstelling, blijkt uit punt 23 van het onderhavige arrest dat de KRS volgens de grondwet een essentieel orgaan is voor de autonomie van de rechterlijke macht en tot taak heeft de onafhankelijkheid van rechters en rechtbanken te waarborgen.

82      Wat betreft de KRS in zijn nieuwe samenstelling heeft het Hof evenwel geoordeeld dat het feit dat de lopende in artikel 187, lid 3, van de grondwet neergelegde vierjarige ambtstermijn van een aantal leden uit wie de KRS tot dan toe was samengesteld, was verkort, en het feit dat de vijftien leden van de KRS die rechters waren en voorheen door hun collega-rechters werden gekozen, als gevolg van de wijzigingen in de wet inzake de nationale raad voor de rechtspraak die hebben geleid tot de wet inzake de KRS zijn aangewezen door een onderdeel van de Poolse wetgevende macht, zodat 23 van de 25 leden van de KRS in deze nieuwe samenstelling zijn aangewezen door de Poolse uitvoerende of wetgevende macht of daarvan lid zijn, legitieme twijfels kunnen doen rijzen over de onafhankelijkheid van en de rol die de KRS speelde bij de benoemingsprocedure die moest leiden tot benoemingen in functies van rechter in de Sąd Najwyższy [zie in die zin arresten van 15 juli 2021, Commissie/Polen (Tuchtregeling voor rechters), C‑791/19, EU:C:2021:596, punten 104, 105 en 108, en 6 oktober 2021, W.Ż. (Kamer voor bijzondere controle en publieke zaken van de Sąd Najwyższy – Benoeming), C‑487/19, EU:C:2021:798, punt 146 en 150].

83      Uit de rechtspraak van het Hof blijkt echter ook dat het feit dat de KRS in zijn nieuwe samenstelling onvoldoende waarborgen voor onafhankelijkheid biedt om elke legitieme twijfel weg te nemen over de regelmatigheid van de procedures voor de benoeming van rechters waarin hij optreedt, op zich niet volstaat om vast te stellen dat de vereisten die inherent zijn aan artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest niet in acht zijn genomen [zie in die zin arrest van 22 februari 2022, Openbaar Ministerie (Bij wet ingesteld gerecht in de uitvaardigende lidstaat), C‑562/21 PPU en C‑563/21 PPU, EU:C:2022:100, punt 75 en aldaar aangehaalde rechtspraak].

84      Wat in de tweede plaats het feit betreft dat voor de deelnemers aan de benoemingsprocedure in kwestie een recht op een doeltreffende voorziening in rechte ontbreekt, aangezien het voor hen uitsluitend mogelijk is beroep in te stellen bij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, die zelf bestaat uit rechters die zijn benoemd op voordracht van de KRS in zijn nieuwe samenstelling, zij eraan herinnerd dat het Hof, in het kader van de beoordeling of de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken de hoedanigheid had van een „rechterlijke instantie” in de zin van artikel 267 VWEU, in punt 77 van het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Aanblijven van een rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015), heeft geoordeeld dat alle systemische en met de omstandigheden verband houdende elementen die kenmerkend waren voor de benoeming binnen dit orgaan van de oorspronkelijk in deze kamer benoemde rechters, samen bezien, tot gevolg hadden dat deze instantie niet de hoedanigheid had van een „onafhankelijk, onpartijdig en vooraf bij wet ingesteld gerecht” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest (zie in die zin arrest van 4 september 2025, AW „T”, C‑225/22, EU:C:2025:649, punten 49 en 50).

85      Daarenboven heeft het Hof in lijn met dit arrest in meerdere beschikkingen, op basis van dezelfde gronden, verzoeken om een prejudiciële beslissing die waren ingediend door de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, die geheel of gedeeltelijk bestond uit leden die onder dezelfde omstandigheden waren benoemd als die in voornoemd arrest aan de orde waren, niet-ontvankelijk verklaard [beschikkingen van 9 april 2024, T. (Audiovisuele programma’s voor kinderen), C‑22/22, EU:C:2024:313; 15 mei 2024, Rzecznik Finansowy, C‑390/23, EU:C:2024:419; 29 mei 2024, Prokurator Generalny (Pools buitengewoon beroep II), C‑43/22, EU:C:2024:459, Rzecznik Praw Obywatelskich (Pools buitengewoon beroep), C‑720/21, EU:C:2024:489, en 21 juni 2024, Kancelaria B., C‑810/23, EU:C:2024:543].

86      Zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, waren in casu ten tijde van de benoeming van rechter S.C., toen er beroep bij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken kon worden ingesteld, alle rechters in die kamer benoemd in de omstandigheden die het Hof heeft onderzocht in het arrest van 21 december 2023, Krajowa Rada Sądownictwa (Behoud van het ambt van rechter) (C‑718/21, EU:C:2023:1015), en die hebben geleid tot de in punt 84 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte vaststelling dat die kamer niet de hoedanigheid heeft van „onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld”.

87      Onder voorbehoud van de beoordeling die de verwijzende rechter moet verrichten, kan het beroep dat kan worden ingesteld bij de kamer voor bijzondere controle en publieke zaken, niet worden aangemerkt als een doeltreffend beroep, omdat een dergelijk beroep zou worden ingesteld bij een rechterlijke instantie waarvan de leden niet voldoen aan het vereiste van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest.

88      Wat betreft de vraag of het ontbreken van een recht op een doeltreffende voorziening in rechte voor de kandidaten aan de betrokken benoemingsprocedure op zich voldoende is om te oordelen dat de betrokken rechter niet „vooraf bij wet is ingesteld” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest, is het juist dat het Hof heeft geoordeeld dat het eventuele ontbreken van de mogelijkheid om een beroep in rechte in te stellen in het kader van een benoemingsprocedure voor rechterlijke ambten bij een hoogste nationale rechterlijke instantie, in bepaalde gevallen geen problemen blijkt op te leveren voor de toepassing van de vereisten die voortvloeien uit het Unierecht, in het bijzonder artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU. De situatie is evenwel anders in omstandigheden waarin alle relevante elementen die deze procedure in een bepaalde juridische en feitelijke context kenmerken – en met name de omstandigheden waaronder de tot dan toe bestaande beroepsmogelijkheden plotseling worden afgeschaft – bij de justitiabelen structurele twijfel kunnen doen rijzen over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de na afloop van die procedure benoemde rechters [zie in die zin arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 129].

89      In casu kan dus niet worden geoordeeld dat het ontbreken van een dergelijk beroep tegen de benoeming van S.C. tot rechter op zichzelf beschouwd, volstaat om die rechter te wraken.

90      In deze omstandigheden moet worden beoordeeld of de twee omstandigheden die worden genoemd in de eerste vraag, samengenomen, de conclusie toelaten dat die rechter niet voldoet aan het vereiste van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht” in de zin van artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, gelezen in samenhang met artikel 47, tweede alinea, van het Handvest.

91      In dit verband moeten, zoals de advocaat-generaal in punt 63 van zijn conclusie heeft opgemerkt en zoals uit de rechtspraak van het Hof blijkt, om te beoordelen of rechters voldoen aan de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid en een „vooraf bij wet ingesteld gerecht” in de zin van deze bepalingen vormen, niet alleen de elementen worden onderzocht die verband houden met hun benoemingsprocedure, maar moeten ook andere relevante contextuele elementen in aanmerking worden genomen door een algemene beoordeling te maken van alle elementen die verband houden met hun benoeming [zie in die zin arrest van 2 maart 2021, A.B. e.a. (Benoeming van de rechters bij de Sąd Najwyższy – Beroep), C‑824/18, EU:C:2021:153, punt 132].

92      Zoals blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt, vervulde rechter S.C. in de eerste plaats aanvankelijk de functie van eerste assistent van een rechter in de Sąd Okręgowy w Poznaniu. In de tweede plaats hebben het college van deze regionale rechtbank en de vergadering van vertegenwoordigers van de rechters van de arrondissementsrechtbanken die onder die rechtbank ressorteerden een gunstig advies uitgebracht over haar kandidatuur. In de derde plaats hebben de andere kandidaten in de benoemingsprocedure de benoeming van deze rechter niet betwist. In de vierde plaats heeft de verwijzende rechter geen enkele andere relevante aanwijzing vermeld over de omstandigheden van die benoeming die, met het oog op het in punt 91 van het onderhavige arrest bedoelde onderzoek, bij de justitiabelen legitieme twijfels hadden kunnen doen rijzen dat de betrokken rechter zich niet zou laten beïnvloeden door externe factoren.

93      Onder voorbehoud van de door de verwijzende rechter te verrichten verificaties lijkt er in casu dus geen andere feitelijke en juridische omstandigheid te kunnen worden vastgesteld die afbreuk kan doen aan de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van die rechter.

94      Gelet op een en ander moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest aldus moeten worden uitgelegd dat zij zich niet ertegen verzetten dat een rechtsprekende formatie waarin een alleensprekende rechter zitting heeft wordt aangemerkt als een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht” wanneer die rechter is benoemd na een benoemingsprocedure waarbij, in de eerste plaats, de kandidatuur van deze rechter is aanbevolen door een orgaan dat onvoldoende waarborgen voor onafhankelijkheid biedt om elke legitieme twijfel weg te nemen bij de justitiabelen over de regelmatigheid van de procedures voor de benoeming van rechters waarin dat orgaan optreedt en, in de tweede plaats, de deelnemers aan deze benoemingsprocedure geen recht op een doeltreffende voorziening in rechte hadden, indien er geen andere relevante elementen met betrekking tot de context van de procedure voorhanden zijn die van dien aard en ernst zijn dat daarmee, alles bij elkaar genomen, de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van die rechter in twijfel kan worden getrokken.

 Kosten

95      Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Het Hof (Grote kamer) verklaart voor recht:

1)      Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU, artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het beginsel van voorrang van het Unierecht

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich verzetten tegen de regeling van een lidstaat en de rechtspraak van het grondwettelijk hof van die lidstaat die deze regeling uitlegt, op grond waarvan aan een orgaan de exclusieve bevoegdheid wordt toegekend om uitspraak te doen op een verzoek om een rechter te wraken wegens de omstandigheden waarin hij is benoemd, terwijl dit orgaan niet bevoegd is om een dergelijk verzoek te behandelen indien het de rechtmatigheid van de benoemingsprocedure van de betrokken rechter in twijfel trekt. Het is aan de nationale rechter bij wie een dergelijk verzoek tot wraking is ingediend om deze regeling, zoals uitgelegd in deze rechtspraak, buiten toepassing te laten en zelf de rechtmatigheid van de benoeming van die rechter te onderzoeken, met name door na te gaan of deze voldoet aan het vereiste van een „vooraf bij wet ingesteld gerecht”, en, in voorkomend geval, de betrokken rechter te wraken indien de eventuele onregelmatigheden waarmee deze benoeming is aangetast een schending van dat vereiste inhouden.

2)      Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

moeten aldus worden uitgelegd dat

zij zich niet ertegen verzetten dat een rechtsprekende formatie waarin een alleensprekende rechter zitting heeft wordt aangemerkt als een „onafhankelijk en onpartijdig gerecht” wanneer die rechter is benoemd na een benoemingsprocedure waarbij, in de eerste plaats, de kandidatuur van deze rechter is aanbevolen door een orgaan dat onvoldoende waarborgen voor onafhankelijkheid biedt om elke legitieme twijfel weg te nemen bij de justitiabelen over de regelmatigheid van de procedures voor de benoeming van rechters waarin dat orgaan optreedt en, in de tweede plaats, de deelnemers aan deze benoemingsprocedure geen recht op een doeltreffende voorziening in rechte hadden, indien er geen andere relevante elementen met betrekking tot de context van de procedure voorhanden zijn die van dien aard en ernst zijn dat daarmee, alles bij elkaar genomen, de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van die rechter in twijfel kan worden getrokken.

ondertekeningen


*      Procestaal: Pools.