ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
4 mei 2023 ( *1 )
„Hogere voorziening – Economisch en monetair beleid – Prudentieel toezicht op kredietinstellingen – Verordening (EU) nr. 575/2013 – Berekening van de hefboomratio – Blootstellingsmaatstaf – Artikel 429, lid 14 – Uitsluiting van blootstellingen die aan bepaalde voorwaarden voldoen – Gedeeltelijke weigering om deze uitsluitingen toe te staan – Discretionaire bevoegdheid van de Europese Centrale Bank (ECB) – Beroep tot nietigverklaring – Kennelijk onjuiste beoordeling – Rechterlijke toetsing”
In zaak C‑389/21 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 24 juni 2021,
Europese Centrale Bank (ECB), vertegenwoordigd door F. Bonnard, M. Ioannidis, R. Ugena en C. Zilioli als gemachtigden,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Crédit Lyonnais, gevestigd te Lyon (Frankrijk), vertegenwoordigd door A. Champsaur en A. Delors, advocaten,
verzoekster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev, kamerpresident, K. Lenaerts, president van het Hof, waarnemend rechter van de Eerste kamer, L. Bay Larsen (rapporteur), vicepresident van het Hof, P. G. Xuereb en A. Kumin, rechters,
advocaat-generaal: N. Emiliou,
griffier: M. Siekierzyńska, administrateur,
gezien de stukken en na de terechtzitting op 15 juni 2022,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 oktober 2022,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Met haar hogere voorziening verzoekt de Europese Centrale Bank (ECB) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 14 april 2021, Crédit Lyonnais/ECB (T‑504/19, EU:T:2021:185; hierna: „bestreden arrest”), houdende toewijzing van het beroep van Crédit Lyonnais strekkende tot nietigverklaring van besluit ECB-SSM-2019-FRCAG-39 van de Europese Centrale Bank (ECB) van 3 mei 2019 (hierna: „litigieus besluit”), dat is vastgesteld op grond van artikel 4, lid 1, onder d), en artikel 10 van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB 2013, L 287, blz. 63) en op grond van artikel 429, lid 14, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2015/62 van de Commissie van 10 oktober 2014 (PB 2015, L 11, blz. 37) (hierna: „verordening nr. 575/2013”), voor zover Crédit Lyonnais bij dat besluit geen toestemming is verleend om bepaalde blootstellingen buiten de berekening van haar hefboomratio te houden. |
Toepasselijke bepalingen
Verordening nr. 575/2013
|
2 |
In de overwegingen 90, 91 en 94 van verordening nr. 575/2013 staat te lezen:
[…]
|
|
3 |
Artikel 4, lid 1, punten 93 en 94, van deze verordening bepaalt: „Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: […]
|
|
4 |
Artikel 116, lid 4, van voornoemde verordening bepaalt: „In uitzonderlijke omstandigheden kunnen blootstellingen met betrekking tot publiekrechtelijke lichamen worden behandeld als blootstellingen met betrekking tot de centrale overheid, de regionale overheid of de lokale overheid in het rechtsgebied waarvan zij gevestigd zijn, indien er, naar de mening van de bevoegde autoriteiten van dat rechtsgebied, tussen die blootstellingen geen verschil in risico bestaat wegens het bestaan van een passende garantie van de centrale overheid, de regionale overheid of de lokale overheid.” |
|
5 |
Artikel 412, lid 1, van diezelfde verordening luidt als volgt: „De instellingen houden liquide activa aan waarvan de som van de waarden de liquiditeitsuitstromen minus de liquiditeitsinstromen onder stressomstandigheden dekt, teneinde te waarborgen dat de instellingen liquiditeitsbuffers aanhouden die voldoende groot zijn om een eventueel onevenwicht tussen de liquiditeitsinstromen en -uitstromen onder ernstige stressomstandigheden over een periode van dertig dagen het hoofd te kunnen bieden. […]” |
|
6 |
Artikel 429, leden 2 en 14, van verordening nr. 575/2013 bepaalt: „2. De hefboomratio wordt berekend als het quotiënt van de kapitaalmaatstaf van een instelling en de maatstaf van totale blootstelling van een instelling, uitgedrukt als een percentage. […] 14. De bevoegde autoriteiten kunnen een instelling toestaan blootstellingen die aan alle volgende voorwaarden voldoen, van de blootstellingsmaatstaf uit te sluiten:
|
|
7 |
Artikel 429 bis, lid 1, onder j), van verordening nr. 575/2013, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2019/876 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 (PB 2019, L 150, blz. 1) (hierna: „gewijzigde verordening nr. 575/2013”), die volgens artikel 3, lid 2, van verordening 2019/876 van toepassing is met ingang van 28 juni 2021, bepaalt: „1. In afwijking van artikel 429, lid 4, kan een instelling elk van de volgende blootstellingen van haar maatstaf van totale blootstelling uitsluiten: […]
|
Verordening nr. 1024/2013
|
8 |
In overweging 55 van verordening nr. 1024/2013 staat te lezen: „Doordat aan de ECB toezichttaken worden opgedragen, wordt zij in belangrijke mate verantwoordelijk voor het waarborgen van de financiële stabiliteit in de Unie en voor een zo doeltreffend en evenredig mogelijk gebruik van haar toezichtbevoegdheden. […]” |
|
9 |
Artikel 4, lid 1, onder d), en lid 3, van deze verordening bepaalt: „1. „Binnen het kader van artikel 6 heeft de ECB overeenkomstig lid 3 van dit artikel de exclusieve bevoegdheid om met het oog op het prudentieel toezicht ten aanzien van alle in de deelnemende lidstaten gevestigde kredietinstellingen de volgende taken uit te voeren: […]
[…] 3. Voor het vervullen van de haar bij deze verordening opgedragen taken en het waarborgen van hoogwaardige toezichtsnormen past de ECB alle toepasselijke Uniewetgeving toe, en wanneer het daarbij gaat om richtlijnen, de nationale wetgeving waarbij die richtlijnen zijn omgezet. […]” |
|
10 |
Artikel 6, lid 1, van voornoemde verordening luidt als volgt: „De ECB vervult haar taken binnen één gemeenschappelijk toezichtsmechanisme dat bestaat uit de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten. De ECB is verantwoordelijk voor het doeltreffend en samenhangend functioneren van het [gemeenschappelijk toezichtmechanisme].” |
Voorgeschiedenis van het geding
|
11 |
Crédit Lyonnais is een naamloze vennootschap naar Frans recht die is erkend als kredietinstelling. Deze kredietinstelling is een dochteronderneming van Crédit Agricole SA en staat als zodanig onder rechtstreeks prudentieel toezicht van de ECB. |
|
12 |
Op 5 mei 2015 heeft Crédit Agricole namens haarzelf en namens de entiteiten van de groep Crédit Agricole, waarvan Crédit Lyonnais deel uitmaakt, aan de ECB toestemming gevraagd om de blootstellingen met betrekking tot de Caisse des dépôts et consignations (Frankrijk; hierna: „CDC”) in verband met de op spaarboekjes A, volksspaarboekjes, en spaarboekjes duurzame en solidaire ontwikkeling (hierna samen: „gereglementeerde spaarproducten”) gestorte deposito’s die zij krachtens de toepasselijke Franse regelgeving verplicht moest overdragen aan de CDC, voor de berekening van de hefboomratio buiten de blootstellingsmaatstaf te houden. |
|
13 |
Bij besluit van 24 augustus 2016 heeft de ECB geweigerd Crédit Agricole de door haar gevraagde toestemming te verlenen. Dit besluit is nietig verklaard bij het arrest van 13 juli 2018, Crédit agricole/ECB (T‑758/16, EU:T:2018:472). |
|
14 |
Op 26 juli 2018 heeft Crédit Agricole namens haarzelf en namens de verschillende entiteiten van de groep Crédit Agricole, waarvan Crédit Lyonnais deel uitmaakt, de ECB opnieuw toestemming gevraagd om de blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met de op de gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s voor de berekening van de hefboomratio buiten de blootstellingsmaatstaf te houden. |
|
15 |
Nadat zij aan Crédit Agricole een ontwerpbesluit had medegedeeld en van deze instelling haar opmerkingen daarover had ontvangen, heeft de ECB op 3 mei 2019 het litigieuze besluit vastgesteld. |
|
16 |
Bij dat besluit is aan Crédit Agricole en de entiteiten van de groep Crédit Agricole, met uitzondering van Crédit Lyonnais, toestemming verleend om al hun blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met de op de gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s, voor de berekening van de hefboomratio buiten de blootstellingsmaatstaf te houden. Crédit Lyonnais mocht daarentegen slechts 66 % van haar blootstellingen buiten deze blootstellingsmaatstaf houden. |
|
17 |
De ECB heeft dit besluit gesteund op de overweging dat in casu was voldaan aan de voorwaarden van artikel 429, lid 14, onder a) tot en met c), van verordening nr. 575/2013. De ECB was van mening dat zij over een discretionaire bevoegdheid beschikte om een uitzondering krachtens deze bepaling toe te staan, en heeft een methode toegepast waarbij drie aspecten in aanmerking werden genomen, namelijk de kredietwaardigheid van de Franse centrale overheid, het risico dat noodverkopen plaatsvinden, en de concentratie van de blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met de op de gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s. |
|
18 |
Uiteindelijk heeft de ECB geoordeeld dat de blootstellingen met betrekking tot de CDC van de instellingen die onder haar prudentieel toezicht stonden een laag risico vormden. Wat Crédit Lyonnais betreft was zij op grond van de beoordeling van de drie aspecten die in haar methode werden bekeken, en meer in het bijzonder de termijn van tien dagen tussen de aanpassingen van de posities van deze kredietinstelling en die van de CDC, de hoge en stijgende concentratie van de blootstellingen van voornoemde kredietinstelling met betrekking tot de CDC in verband met gereglementeerde spaargelden, alsook het feit dat diezelfde kredietinstelling niet gedekt is door het bestaande solidariteitsmechanisme van de groep Crédit Agricole, evenwel van oordeel dat de afweging tussen het belang van een risiconeutrale hefboomratio en dat van het vrijstellen van bepaalde blootstellingen met een laag risico rechtvaardigde dat aan deze kredietinstelling slechts werd toegestaan 66 % van haar blootstellingen met betrekking tot de CDC buiten de berekening van de hefboomratio te houden. |
Beroep voor het Gerecht en bestreden arrest
|
19 |
Bij een op 12 juli 2019 ter griffie van het Gerecht neergelegd verzoekschrift heeft Crédit Lyonnais beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit voor zover daarbij aan Crédit Lyonnais geen toestemming is verleend om al haar blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s voor de berekening van de hefboomratio buiten de blootstellingsmaatstaf te houden. |
|
20 |
Ter ondersteuning van haar beroep heeft Crédit Lyonnais drie middelen aangevoerd: ten eerste schending van artikel 266 VWEU doordat de ECB het arrest van 13 juli 2018, Crédit agricole/ECB (T‑758/16, EU:T:2018:472) niet correct heeft uitgevoerd, ten tweede schending van artikel 429, lid 14, en artikel 400, lid 1, onder a), van verordening nr. 575/2013, en ten een derde kennelijke beoordelingsfouten van de ECB. |
|
21 |
Het Gerecht heeft het eerste en het tweede middel afgewezen maar heeft in punt 69 van het bestreden arrest met betrekking tot het argument in het derde onderdeel van het eerste middel, betreffende de vraag of de beoordeling van de ECB in overeenstemming was met punt 81 van het arrest van 13 juli 2018, Crédit agricole/ECB (T‑758/16, EU:T:2018:472), geoordeeld dat dit samen met het derde middel moest worden onderzocht. |
|
22 |
In de punten 101 tot en met 123 van het bestreden arrest heeft het Gerecht het eerste onderdeel van het derde middel onderzocht, betreffende de kennelijke fout die de ECB in het litigieuze besluit zou hebben gemaakt bij de beoordeling van het gevaar voor noodverkopen. |
|
23 |
Daarbij heeft het Gerecht in de punten 107 tot en met 114 van het bestreden arrest in de eerste plaats gewezen op bepaalde wezenlijke kenmerken van gereglementeerde spaarproducten, namelijk, ten eerste, de hoedanigheid van „veilige belegging” van deze spaarproducten in geval van een bankencrisis, die niet was vermeld in het litigieuze besluit, ten tweede de dubbele garantie van de Franse Republiek voor gereglementeerde spaarproducten, en ten derde het feit dat er weinig kans is dat voornoemde spaarproducten bijdragen aan de totstandkoming van een buitensporige hefboomwerking aangezien zij, anders dan andere soorten bankdeposito’s, moeten worden overgedragen aan de CDC en dus niet kunnen worden belegd in risicovolle of niet-liquide activa. |
|
24 |
In de tweede plaats heeft het Gerecht in de punten 105 en 115 tot en met 117 geoordeeld dat de onderbouwing van het litigieuze besluit aan de hand van het bijzonder liquide karakter van de gereglementeerde spaargelden, in het licht van de in de punten 107 tot en met 114 van voornoemd arrest vermelde aspecten op zich niet volstond ter staving van de juistheid van de door de ECB met betrekking tot Crédit Lyonnais getrokken conclusie dat er in casu een risico van noodverkopen bestond. Bijgevolg hing de gegrondheid van deze conclusie af van het andere aspect waar de ECB zich voornamelijk op heeft gebaseerd, namelijk de ervaring met recente bankcrisissen. |
|
25 |
In de derde plaats heeft het Gerecht in dit verband in de punten 118 tot en met 122 van dat arrest geoordeeld dat het voorbeeld waarop de ECB zich heeft gebaseerd om te concluderen dat de ervaring van de recente bankencrisissen leerde dat er massale opnamen hadden plaatsgevonden, geen deposito’s betrof waarvan de kenmerken, gelet op de in punt 23 van het onderhavige arrest aangehaalde aspecten, voldoende vergelijkbaar waren met die van de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s. |
|
26 |
Het Gerecht heeft in punt 123 van het bestreden arrest geconcludeerd dat het eerste onderdeel van derde middel diende te worden toegewezen omdat de ECB bij de beoordeling van het risico van noodverkopen niet alle wezenlijke kenmerken van gereglementeerde spaarproducten in aanmerking had genomen, en in punt 124 van dat arrest heeft het daaruit afgeleid dat de ECB punt 81 van het arrest van 13 juli 2018, Crédit agricole/ECB (T‑758/16, EU:T:2018:472), „niet correct [had] toegepast”, zodat het dienaangaande in het derde onderdeel van het eerste middel aangevoerde argument diende te worden aanvaard. |
|
27 |
In punt 125 van het bestreden arrest heeft het Gerecht geoordeeld dat de grond van het litigieuze besluit aangaande het risico van noodverkopen dan ook onrechtmatig was. |
|
28 |
In punt 126 van dat arrest heeft het, gelet op de door de ECB in het litigieuze besluit toegepaste methode, geoordeeld dat de overige gronden inzake respectievelijk de kredietwaardigheid van de Franse centrale overheid en het concentratieniveau van de blootstellingen met betrekking tot de CDC – ervan uitgaande dat zij rechtmatig waren – de weigering van de ECB jegens Crédit Lyonnais niet konden rechtvaardigen. Op basis van die methode zou het in aanmerking nemen van alleen die gronden volgens het Gerecht immers niet hebben geleid tot een weigering om Crédit Lyonnais het volledige voordeel van de in artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013 bedoelde afwijking toe te kennen. |
|
29 |
Bijgevolg heeft het Gerecht, zonder de overige gronden van het litigieuze besluit te onderzoeken, dit besluit nietig verklaard voor zover de ECB aan Crédit Lyonnais had geweigerd om 34 % van haar blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s voor de berekening van de hefboomratio buiten de blootstellingsmaatstaf te houden. |
Conclusies van partijen
|
30 |
Met haar hogere voorziening verzoekt de ECB het Hof:
|
|
31 |
Crédit Lyonnais verzoekt het Hof:
|
Hogere voorziening
|
32 |
De ECB voert in hogere voorziening vier middelen aan. In het eerste middel wordt aangevoerd dat het Gerecht de grenzen aan de uitoefening van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden. In het tweede tot en met het vierde middel worden respectievelijk schending van de motiveringsplicht, onjuiste opvatting van de voor het Gerecht aangevoerde argumenten, schending van artikel 4, lid 1, punt 94, en schending van artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013 aangevoerd. |
Argumenten van partijen
|
33 |
Met haar eerste middel betoogt de ECB dat het Gerecht de grenzen aan de uitoefening van zijn rechterlijke toetsing heeft overschreden. |
|
34 |
De ECB merkt om te beginnen op dat wanneer de instellingen of organen van de Unie over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken, met name wegens de complexe economische beoordelingen die zij moeten maken, de rechterlijke toetsingsbevoegdheid van de rechterlijke instanties van de Unie beperkt is. Behalve een ontbrekende of ontoereikende motivering, een onjuiste opvatting van de feiten, een onjuiste rechtsopvatting en misbruik van bevoegdheid kunnen deze rechterlijke instanties enkel kennelijke beoordelingsfouten bestraffen die de betrokken instelling of het betrokken orgaan heeft begaan bij de vaststelling van het besluit waartegen bij hen beroep is ingesteld, zonder evenwel hun beoordeling in te plaats te stellen van deze van die instelling of dat orgaan. |
|
35 |
Volgens de ECB volgt uit artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013 dat de daarin genoemde bevoegde autoriteiten over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikken, met name gelet op hun technische competentie op vlak van bankentoezicht en de vertrouwelijke informatie waartoe ze in het kader daarvan toegang kunnen krijgen. Voornoemde bepaling voorziet namelijk dat zelfs wanneer de betrokken blootstellingen aan de daarin genoemde voorwaarden voldoen, de bevoegde autoriteiten de door een instelling gevraagde uitsluiting uit de blootstellingsmaatstaf kunnen toestaan of weigeren. |
|
36 |
Het Gerecht heeft dienaangaande niet aangetoond dat de conclusies van de ECB, gelet op de door haar vastgestelde feiten, kennelijk ongegrond waren. Het heeft zich in feite gebaseerd op andere gronden dan die welke de ECB ter ondersteuning van het litigieuze besluit heeft aangevoerd. De motivering van het Gerecht is niet alleen onjuist maar door de toetsing die het in het onderhavige geval heeft verricht, heeft het in de plaats van de ECB zelf complexe economische beoordelingen verricht. |
|
37 |
Zo heeft het Gerecht op basis van zijn eigen beoordeling van bepaalde kenmerken van de gereglementeerde spaarboekjes geoordeeld dat er in het geval Crédit Lyonnais geen risico van noodverkopen was aangetoond, terwijl de ECB in het litigieuze besluit had geoordeeld dat dit risico misschien gering was maar niet onbestaande, en dat het, indien het zich in het in het geval van Crédit Lyonnais zou verwezenlijken, tot grote verliezen zou kunnen leiden gelet op het blootstellingsniveau van deze kredietinstelling met betrekking tot de CDC. Aldus heeft het Gerecht zijn eigen beoordeling in de plaats gesteld van die van de ECB. |
|
38 |
Dat heeft het gedaan met betrekking tot verschillende gronden van het litigieuze besluit. |
|
39 |
Ten eerste verwijt de ECB het Gerecht dat het in de punten 107 tot en met 110 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat aangezien de gereglementeerde spaarproducten een „veilige belegging” zijn, er weinig of geen gevaar is dat de deposanten in korte tijd massaal de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s opnemen. Zelf heeft zij dit kenmerk van „veilige belegging”, in het geval van een bankencrisis, niet buiten beschouwing gelaten, maar geoordeeld dat dit, bij gebreke van een wettelijke regeling die de mogelijkheid voor deposanten om hun spaargeld op te nemen beperkt, het risico van massale opnamen niet volledig kan uitschakelen. |
|
40 |
De ECB meent dat waar het litigieuze besluit gesteund was op een samenhangende redenering, de bewijzen waarop het Gerecht zich in het bestreden arrest heeft gebaseerd gedateerd, van algemene aard en dus niet relevant zijn, dat het Gerecht deze verkeerd heeft opgevat, en dat ze de conclusies die in dat arrest daaruit worden getrokken niet kunnen schragen. |
|
41 |
Ten tweede betoogt de ECB dat het Gerecht in punt 113 van het bestreden arrest ten onrechte heeft geoordeeld dat de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s die Crédit Lyonnais moest overdragen aan de CDC niet konden leiden tot een risico van buitensporige hefboomwerking, terwijl zij in het litigieuze besluit had geoordeeld dat dit risico weliswaar gering was maar niet kon worden genegeerd. |
|
42 |
Dienaangaande merkt de ECB op dat de verplichting om een deel van de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s over te dragen aan de CDC een van de voorwaarden is waaraan blootstellingen volgens artikel 429, lid 14, onder c), van verordening nr. 575/2013 moeten voldoen om voor de berekening van de hefboomratio buiten de blootstellingsmaatstaf te kunnen worden gehouden. Door te oordelen dat die voorwaarde voldoende was om elk risico van buitensporige hefboomwerking uit te schakelen heeft het Gerecht zijn eigen beoordeling in de plaats gesteld van die van de ECB en is het voorbijgegaan aan de definitie van dit risico in artikel 4, lid 1, punt 94, van deze verordening, die niet verwijst naar de mogelijkheid van vrijelijk gebruik van de deposito’s. De ECB meent dat, om te bepalen of er een risico van buitensporige hefboomwerking in zin van deze bepaling bestaat, moet worden nagegaan of de instelling in staat is om een verbintenis na te komen op de datum waarop deze moet worden voldaan en, als dat niet het geval is, of ze verplicht is om noodverkopen te verrichten teneinde deze verbintenis te kunnen nakomen. In casu kon niet worden uitgesloten dat er een risico van buitensporige hefboomwerking bestond omdat er ten eerste geen zekerheid was dat de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s die door de deposanten werden opgenomen, meteen door de CDC werden terugbetaald, en er ten tweede geen wettelijke regeling was die de mogelijkheid om deze sommen op te nemen, beperkte. |
|
43 |
Ten derde merkt de ECB op dat het Gerecht in punt 122 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat, aangezien de gereglementeerde spaarboekjes worden beschermd door een dubbele garantie van de Franse Republiek, bij de deposanten de perceptie bestaat dat die spaarboekjes veiliger zijn dan deposito’s die alleen de bescherming genieten van het garantiemechanisme dat voortvloeit uit de omzetting van richtlijn 2014/49 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels (PB 2014, L 173, blz. 149). Het Gerecht heeft geoordeeld dat deze dubbele garantie massale opnamen in korte tijd van deze spaargelden helpt te verhinderen. De ECB had in het litigieuze besluit echter geoordeeld dat die dubbele garantie niet elk risico van massale opnamen in een dergelijke korte tijd kon uitschakelen en dat dit risico dan ook in aanmerking diende te worden genomen bij de beoordeling van het risico van buitensporige hefboomwerking. |
|
44 |
Ten vierde betoogt de ECB dat het Gerecht in punt 116 van het bestreden arrest zijn eigen beoordeling in de plaats van de hare heeft gesteld waar het heeft geoordeeld dat het liquide karakter van de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s bijdroeg aan de hoedanigheid van „veilige belegging” van deze spaarboekjes in crisissituaties. De ECB had immers geoordeeld dat rekening moest worden gehouden met het feit dat het liquide karakter van de gereglementeerde spaargelden het onmogelijk maakte het risico van massale opnamen in korte tijd volledig uit te schakelen. |
|
45 |
Bovendien baseert het Gerecht zich op een uittreksel uit het jaarverslag van het Observatoire de l’épargne réglementée (waarnemingspost voor gereglementeerde spaarproducten, Frankrijk) waarvan de inhoud de conclusies die het daaruit trekt, niet kan schragen. |
|
46 |
Crédit Lyonnais stelt dat de argumenten van de ECB ongegrond zijn. |
|
47 |
Zij betoogt dat het Gerecht de in de rechtspraak van het Hof vastgestelde maatstaf voor rechterlijke toetsing op gebieden waar de auteur van het besluit waarvan de nietigverklaring wordt gevraagd over een discretionaire bevoegdheid beschikt, juist heeft toegepast. Volgens die rechtspraak houdt deze toetsing ook op het gebied van monetair beleid in dat wordt toegezien op de inachtneming van bepaalde procedurele waarborgen, waaronder de verplichting om alle relevante gegevens van het geval zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken. |
|
48 |
Het Gerecht heeft in het bestreden arrest geoordeeld dat de ECB zich bij de analyse van de kenmerken van de gereglementeerde spaarboekjes die zij heeft verricht om het prudentiële risico te kunnen beoordelen dat verbonden is aan de blootstellingen van Crédit Lyonnais met betrekking tot de CDC, kennelijk heeft gebaseerd op gegevens die ter zake niet relevant waren, en relevante elementen, zoals de hoedanigheid van „veilige belegging” van deze spaarboekjes in crisistijd, het feit dat de instelling waarbij de deposito’s op voornoemde spaarboekjes zijn gestort deze niet vrijelijk mag gebruiken en de dubbele garantie van de Franse Republiek, niet in aanmerking heeft genomen of bewust daaraan voorbij is gegaan. |
|
49 |
Crédit Lyonnais bestrijdt de door de ECB tegen de redenering van het Gerecht aangevoerde argumenten. |
|
50 |
Ten eerste voert Crédit Lyonnais aan dat het Gerecht een leemte in de redenering van de ECB heeft opgemerkt, die erin bestaat dat zij zich uitsluitend heeft gebaseerd op de liquiditeit van de op de gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s, zonder rekening ermee te houden dat deze spaarboekjes in crisistijd een „veilige belegging” zijn. Deze hoedanigheid, die de ECB niet betwist, brengt met zich mee dat voornoemde spaarboekjes de instelling die deze spaargelden heeft opgehaald slechts in geringe mate kunnen blootstellen aan een risico van massale opnamen in geval van crisis. |
|
51 |
Daarnaast betoogt Crédit Lyonnais dat de ECB voor het Gerecht het bewijsmateriaal dat zij in haar beroep in eerste aanleg had aangedragen en dat in de motivering van het bestreden arrest in aanmerking is genomen, niet heeft betwist. |
|
52 |
Ten tweede heeft het Gerecht bij de beoordeling van het hefboomrisico terecht rekening gehouden met de bedoeling van de wetgever, zoals uiteengezet in de punten 48 tot en met 51 van het arrest van 13 juli 2018, Crédit agricole/ECB (T‑758/16, EU:T:2018:472), en met de analyses van de Europese Bankautoriteit (hierna: „EBA”). Bovendien heeft het enkel vastgesteld dat de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s door de instellingen die deze ophalen niet vrijelijk mogen worden gebruikt. |
|
53 |
Ten derde heeft het Gerecht van de Europese Unie, wat de dubbele garantie van de Franse Republiek betreft, in de punten 114 en 122 van het bestreden arrest gewoon vastgesteld dat het bij richtlijn 2014/49 ingestelde garantiestelsel, met name met betrekking tot de perceptie die deposanten hebben van de veiligheid van hun deposito’s, niet dezelfde kenmerken heeft als deze dubbelegarantieregeling. Aldus heeft het Gerecht geoordeeld dat de redenering van de ECB, voor zover ze uitsluitend is gebaseerd op het bij die richtlijn ingestelde stelsel en geen rekening houdt met de dubbele garantie van de Franse Republiek, niet ter zake dienend was voor de beoordeling van het hefboomrisico waaraan Crédit Lyonnais door de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s was blootgesteld. |
|
54 |
Ten vierde heeft het Gerecht in punt 115 van het bestreden arrest alle bewijzen die in het kader van het aanhangig gemaakte geding zijn overgelegd, in aanmerking genomen, en heeft het bij de interpretatie daarvan geen blijk gegeven van enige onjuiste rechtsopvatting. De ECB heeft van haar kant geen bewijzen overgelegd ter ondersteuning van haar argument dat het liquide karakter van de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s op zich een risico van noodverkopen creëert. Zo heeft het Gerecht in punt 116 van het bestreden arrest het feit dat dit liquide karakter spaarders er daadwerkelijk toe kan aanzetten geld van die spaarboekjes op te nemen, in aanmerking genomen maar heeft het een leemte vastgesteld in de motivering van het litigieuze besluit aangezien dit besluit dienaangaande uitsluitend op dat liquide karakter is gebaseerd en het voorbijgaat aan de overgelegde bewijzen waaruit het tegendeel blijkt. |
Beoordeling door het Hof
|
55 |
Zoals het Gerecht in punt 98 van het bestreden arrest in essentie in herinnering heeft gebracht, mag – aangezien de ECB een ruime beoordelingsbevoegdheid heeft bij de keuze om het voordeel van artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013 al dan niet toe te kennen – het rechterlijk toezicht dat het Gerecht op de gegrondheid van de motivering van het litigieuze besluit moet uitoefenen er niet toe leiden dat het zijn beoordeling in de plaats stelt van die van de ECB, maar dient het na te gaan of het litigieuze besluit niet op feitelijk onjuiste gegevens berust en geen blijk geeft van kennelijk onjuiste beoordelingen of misbruik van bevoegdheid (zie in die zin arresten van 25 januari 1979, Racke, 98/78, EU:C:1979:14, punt 5; 18 juli 2007, Industrias Químicas del Vallés/Commissie, C‑326/05 P, EU:C:2007:443, punt 76; 11 september 2014, CB/Commissie, C‑67/13 P, EU:C:2014:2204, punt 46, en 11 december 2018, Weiss e.a., C‑493/17, EU:C:2018:1000, punt 24). |
|
56 |
In dit verband dient de Unierechter volgens vaste rechtspraak niet enkel de materiële juistheid van de aangevoerde bewijselementen en de betrouwbaarheid en de samenhang daarvan te controleren, maar moet hij ook nagaan of die elementen het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (arresten van 26 maart 2019, Commissie/Italië, C‑621/16 P, EU:C:2019:251, punt 104, en 11 november 2021, Autostrada Wielkopolska/Commissie en Polen, C‑933/19 P, EU:C:2021:905, punt 117). |
|
57 |
Wanneer een instelling over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt, is de inachtneming van de procedurele waarborgen, waaronder de verplichting van deze instelling om alle relevante elementen van de betrokken situatie zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, immers van fundamenteel belang (zie in die zin arresten van 21 november 1991, Technische Universität München, C‑269/90, EU:C:1991:438, punt 14, en 11 december 2018, Weiss e.a., C‑493/17, EU:C:2018:1000, punt 30). |
|
58 |
In het onderhavige geval heeft het Gerecht allereerst, teneinde zich te kunnen uitspreken over de juistheid van de beoordeling door de ECB van het bestaan van een risico van noodverkopen, in de punten 107 tot en met 114 van het bestreden arrest bepaalde door Crédit Lyonnais aangevoerde elementen betreffende de kenmerken van de gereglementeerde spaarboekjes onderzocht, namelijk hun hoedanigheid van „veilige belegging” in geval van een bankencrisis, het feit dat de instelling waarbij de deposito’s op deze spaarboekjes zijn gestort deze niet vrijelijk mag gebruiken, en de dubbele garantie van de Franse Republiek voor deze deposito’s. |
|
59 |
Bij dat onderzoek heeft het Gerecht meer bepaald de kenmerken van op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s vergeleken met die van gewone deposito’s. In de punten 111 tot en met 113 van zijn arrest heeft het geoordeeld dat deze laatste soort deposito’s kon worden belegd in activa die kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een buitensporige hefboomwerking, terwijl het weinig waarschijnlijk was dat de eerste soort zou bijdragen aan de totstandkoming van een dergelijke hefboomwerking. |
|
60 |
Vervolgens heeft het Gerecht in punt 115 van dat arrest, in het licht van zijn beoordeling van de in de punten 107 tot en met 114 ervan genoemde elementen, geoordeeld dat de gegeven onderbouwing aangaande het bijzonder liquide karakter van de op die spaarboekjes gestorte deposito’s op zichzelf niet voldoende was om de juistheid aan te tonen van de conclusie van de ECB dat aan de blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met deze deposito’s een risico van noodverkopen verbonden was. |
|
61 |
Het Gerecht heeft in punt 116 van het bestreden arrest daaraan toegevoegd dat uit het door Crédit Lyonnais overgelegde bewijsmateriaal bleek dat de ECB in haar beoordeling van de invloed van het bijzonder liquide karakter van die deposito’s op het risico dat noodverkopen moeten worden gedaan, niet in aanmerking had genomen dat die liquiditeit ook bijdraagt aan de hoedanigheid van „veilige belegging” van deze spaarboekjes in geval van een bankencrisis, net zoals het hoge zekerheidsniveau dat ze bieden. |
|
62 |
Ten slotte heeft het Gerecht in punt 120 van het bestreden arrest geoordeeld dat het voorbeeld waarop de ECB haar conclusie had gebaseerd dat de blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s een risico van noodverkopen inhielden, deposito’s betrof waarvan de kenmerken onvoldoende vergelijkbaar waren met die van die spaarboekjes om als relevant daarvoor te kunnen worden beschouwd. |
|
63 |
Dienaangaande heeft het Gerecht in punt 122, verwijzend naar zijn beoordelingen in de punten 107 tot en met 110 en 114 van voornoemd arrest, geoordeeld dat de mogelijkheid dat deze deposito’s massaal en plotseling worden opgenomen in geval van crisis, verschilde van die waarvan sprake is bij de deposito’s die de ECB in het litigieuze besluit als voorbeeld in aanmerking had genomen. |
|
64 |
Het Gerecht heeft in de punten 125 en 126 van het bestreden arrest daaruit afgeleid dat de grond van het litigieuze besluit omtrent het risico van noodverkopen „onrechtmatig” was en dat de twee andere – ook in punt 17 van het onderhavige arrest vermelde – aspecten van de gehanteerde methodologie, namelijk de kredietwaardigheid van de Franse centrale overheid en het concentratieniveau van de blootstellingen van Crédit Lyonnais met betrekking tot de CDC, er dan ook niet toe konden leiden dat de ECB in het litigieuze besluit weigerde Crédit Lyonnais het voordeel van de in artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013 bedoelde uitsluiting toe te kennen voor al haar blootstellingen met betrekking tot de CDC. Bijgevolg heeft het Gerecht in punt 127 van het bestreden arrest dit besluit nietig verklaard voor zover daarbij is geweigerd 34 % van deze blootstellingen buiten de berekening van de hefboomratio van Crédit Lyonnais te houden. |
|
65 |
Uit de in de punten 58 tot en met 64 van het onderhavige arrest genoemde punten van het bestreden arrest blijkt dat het Gerecht ter motivering van de gedeeltelijke nietigverklaring van het litigieuze besluit ten eerste zijn eigen beoordeling van de kenmerken van de gereglementeerde spaarproducten heeft verricht, en meer bepaald heeft geoordeeld dat de hoedanigheid van „veilige belegging” van deze gereglementeerde spaarproducten opwoog tegen het liquide karakter ervan, en ten tweede heeft geoordeeld dat de ECB haar motivering op grond van de ervaring met de recente bankencrisissen had gebaseerd op een voorbeeld waarin deposito’s werden opgenomen die onvoldoende vergelijkbaar waren met de gereglementeerde spaargelden, aangezien de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s, anders dan de in dat voorbeeld aangehaalde deposito’s, door de instelling die deze had opgehaald niet vrijelijk mochten worden gebruikt, en deze dankzij de dubbele garantie van de Franse Republiek een „veilige belegging” waren in geval van een bankencrisis. |
|
66 |
Aldus heeft het Gerecht geoordeeld dat het risico van noodverkopen, zoals dit bleek uit zijn eigen beoordeling van de kenmerken van de gereglementeerde spaarproducten en het cumulatieve effect daarvan, onvoldoende hoog was ter rechtvaardiging van de weigering om de blootstellingen van Crédit Lyonnais met betrekking tot de CDC in hun geheel buiten de blootstellingsmaatstaf te houden voor de berekening van de hefboomratio. |
|
67 |
In de eerste plaats moet echter worden vastgesteld dat het Gerecht de vaststellingen van de ECB met betrekking tot de kenmerken van gereglementeerde spaarproducten – op basis waarvan deze laatste tot de slotsom was gekomen dat deze kenmerken niet toelieten het risico van massale opnamen waardoor Crédit mogelijk verplicht zou zijn om tijdens de termijn van tien dagen tussen de aanpassingen van haar posities en die van de CDC noodverkopen te verrichten, volledig uit te schakelen – niet in twijfel heeft getrokken. |
|
68 |
Zo blijkt uit punt 116 van het bestreden arrest dat het Gerecht bij de beoordeling van de kenmerken van gereglementeerde spaarproducten heeft aangenomen dat de hoge liquiditeit van deze spaargelden en de door de Franse Republiek geboden dubbele garantie waarop voor op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s aanspraak kon worden gemaakt, bijdroegen aan de hoedanigheid van „veilige belegging” daarvan in geval van een bankencrisis. Zoals de ECB voor het Hof betoogt, had deze, bij haar beoordeling van het risico van noodverkopen, in het litigieuze besluit evenwel rekening gehouden met de kenmerken die volgens het Gerecht maken dat deze spaarproducten een „veilige belegging” zijn. |
|
69 |
In dit verband moet worden benadrukt dat het Gerecht de door de ECB in het litigieuze besluit verrichte vaststellingen betreffende de hoge liquiditeit van gereglementeerde spaargelden, bij gebreke van een wettelijke regeling die de mogelijkheid om deze op te nemen beperkt, alsmede betreffende de verplichting van Crédit Lyonnais om de deposanten terug te betalen tijdens de termijn van tien dagen tussen de aanpassingen van haar posities en die van de CDC, niet in twijfel heeft getrokken. |
|
70 |
Bijgevolg kan niet worden gesteld dat de redenering op grond waarvan het Gerecht het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig heeft verklaard, afdoet aan de materiële juistheid, de betrouwbaarheid en de samenhang van de in dat besluit in aanmerking genomen elementen of dat daaruit blijkt dat die elementen in dit geval niet het volledige relevante feitenkader voor de beoordeling door de ECB vormden. |
|
71 |
In de tweede plaats moet worden vastgesteld dat, voor zover het Gerecht desalniettemin oordeelt dat de door de ECB in aanmerking genomen elementen de conclusies die in het litigieuze besluit daaruit worden getrokken niet kunnen schragen, deze conclusie van het Gerecht voortvloeit uit een eigen beoordeling van het risico van noodverkopen die, hoewel ze is gebaseerd is op dezelfde elementen als die welke de ECB in aanmerking had genomen, van de beoordeling van deze instelling afwijkt zonder dat wordt aangetoond dat deze kennelijk onjuist was. |
|
72 |
Door aldus te redeneren heeft het Gerecht niet getoetst – zoals het volgens de in de punten 55 tot en met 57 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak behoorde te doen – of de ECB een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan, maar heeft het in een situatie waarin de ECB nochtans over een ruime beoordelingsmarge beschikt, zijn eigen beoordeling in de plaats van die van deze instelling gesteld. |
|
73 |
Bovendien heeft het Gerecht, wat betreft zijn in de punten 117 tot en met 122 van het bestreden arrest verrichte beoordeling van de argumenten die de ECB ontleent aan de ervaring met de recente bankencrisissen, niet aangegeven hoe uit de in punt 121 van dat arrest geformuleerde overwegingen – volgens welke gereglementeerde spaargelden anders dan de in punt 118 ervan genoemde girale deposito’s niet mogen worden belegd in risicovolle of niet-liquide activa – kan blijken dat de ECB het scenario van massale opnamen dat in aanmerking moest worden genomen bij de analyse van het risico van noodverkopen waaraan Crédit Lyonnais blootstond, kennelijk onjuist heeft beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de in punt 122 van dat arrest geformuleerde overwegingen die zijn gebaseerd op het verschil tussen de dubbele garantie van de Franse Republiek voor gereglementeerde spaarboekjes en het garantiemechanisme dat voortvloeit uit richtlijn 2014/49. |
|
74 |
Hieruit volgt dat het Gerecht het litigieuze besluit, voor zover dit Crédit Lyonnais betreft, nietig heeft verklaard op grond van zijn eigen beoordeling van het risico van noodverkopen waaraan Crédit Lyonnais blootstond, die het in de plaats heeft gesteld van deze van de ECB zonder aan te geven hoe de door de ECB in haar besluit dienaangaande verrichte beoordeling mank ging door een kennelijke beoordelingsfout. Aldus heeft het de in punt 55 van het onderhavige arrest in herinnering gebrachte grenzen van zijn rechterlijke toetsing overschreden. Tevens heeft het ten onrechte geoordeeld dat de ECB haar – uit de in punt 57 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak voortvloeiende – verplichting om alle relevante elementen van de betrokken situatie zorgvuldig en onpartijdig te onderzoeken, niet was nagekomen. |
|
75 |
Uit het voorgaande volgt dat het eerste middel van de hogere voorziening dient te worden aanvaard, zonder dat de andere middelen ervan hoeven te worden onderzocht, en dat het bestreden arrest bijgevolg dient te worden vernietigd voor zover daarbij het eerste onderdeel van het derde middel van het beroep in eerste aanleg is aanvaard, het derde onderdeel van het eerste middel van dat beroep gedeeltelijk is toegewezen en het litigieuze besluit gedeeltelijk nietig is verklaard. |
Beroep in eerste aanleg
|
76 |
Krachtens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is. |
|
77 |
Dat is in de onderhavige zaak het geval, aangezien het Hof beschikt over alle gegevens die noodzakelijk zijn om uitspraak te doen op het beroep in eerste aanleg van Crédit Lyonnais. |
|
78 |
Dit beroep is gebaseerd op drie middelen, die zijn genoemd in punt 20 van het onderhavige arrest. |
|
79 |
Zoals blijkt uit punt 21 van het onderhavige arrest heeft het Gerecht het eerste middel, met uitzondering van het argument in het derde onderdeel ervan volgens hetwelk de ECB artikel 266 VWEU had geschonden door punt 81 van het arrest van 13 juli 2018, Crédit agricole/ECB (T‑758/16, EU:T:2018:472), niet correct toe te passen, en het tweede middel afgewezen, en heeft Crédit Lyonnais de beoordelingen van het Gerecht betreffende de gegrondheid van deze middelen niet betwist bij wege van een incidentele hogere voorziening. Bijgevolg heeft het bestreden arrest, ondanks de gedeeltelijke vernietiging ervan ingevolge de toewijzing van het eerste middel van de hogere voorziening van de ECB, wat deze beoordelingen betreft gezag van gewijsde (zie in die zin arrest van 4 maart 2021, Commissie/Fútbol Club Barcelona, C‑362/19 P, EU:C:2021:169, punten 109-111). |
|
80 |
Hieruit volgt dat het Hof enkel het derde middel van het beroep in eerste aanleg en het in het vorige punt genoemde argument in het derde onderdeel van het eerste middel dient te onderzoeken. |
Derde onderdeel van het eerste middel en eerste onderdeel van het derde middel
Argumenten van partijen
|
81 |
Met het derde onderdeel van het eerste middel en het eerste onderdeel van het derde middel, die samen moeten worden onderzocht, voert Crédit Lyonnais aan dat de ECB bij de beoordeling van het risico van noodverkopen de kenmerken van gereglementeerde spaarboekjes niet grondig heeft geanalyseerd, hoewel zij dat had moeten doen volgens de rechtspraak waarnaar reeds is verwezen in punt 57 van het onderhavige arrest. |
|
82 |
Crédit Lyonnais betoogt ten eerste dat verschillende economische studies en rapporten aantonen dat deze spaarboekjes een „veilige belegging” zijn in geval van een bankencrisis. Dankzij de garantie van de Franse Republiek voor de op die spaarboekjes gestorte deposito’s zijn deze immers een bijzonder veilig spaarproduct, zodat de hypothese van massale opnamen van die deposito’s in crisistijd niet geloofwaardig is. |
|
83 |
Crédit Lyonnais betwist in dit verband de verwijzing door de ECB naar een hypothese waarin 10 à 30 % van de gegarandeerde deposito’s wordt opgenomen in minder dan vijf dagen tijd, en stelt dat deze aanname niet verifieerbaar en irrelevant is. |
|
84 |
Voorts stelt zij dat de ECB niet bewijst hoe de termijn van tien dagen tussen de opnamen door de deposanten met een gereglementeerd spaarboekje en de terugbetaling door de CDC aan Crédit Lyonnais van de bedragen van deze opnamen een liquiditeitsrisico kan opleveren bij de beoordeling van de hefboomratio, terwijl diezelfde termijn, zoals de ECB heeft erkend, geen risico vormt in het kader van de beoordeling van de liquiditeitsratio. |
|
85 |
Ten tweede is Crédit Lyonnais van mening dat de gereglementeerde spaarboekjes passen in een mechanisme waarbij er een structureel evenwicht is op de balans. De op die spaarboekjes gestorte en bij de CDC gecentraliseerde deposito’s komen immers overeen met de schuldvorderingen die Crédit Lyonnais ten belope van hetzelfde bedrag heeft jegens de CDC. De op die spaarboekjes geplaatste sommen mogen niet worden belegd in risicovolle activa en zijn volledig gedekt door de verplichting van de CDC om deze bedragen terug te betalen wanneer ze door de spaarders worden teruggetrokken. Een instelling die – zoals Crédit Lyonnais – dergelijke deposito’s ophaalt, zal dus nooit inderhaast activa moeten verkopen om de noodzakelijke liquide middelen te verkrijgen teneinde te kunnen voldoen aan opnameverzoeken. |
|
86 |
Crédit Lyonnais voert ten derde aan dat het volume van de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s niet afhangt van de strategie van de instelling die deze ophaalt maar wel van factoren waarover zij geen controle heeft, aangezien zij slechts als doorgeefluik tussen de deposant en de CDC fungeert. |
|
87 |
Uit deze kenmerken van de gereglementeerde spaarboekjes blijkt dat deze spaarproducten de instellingen die spaargelden ophalen niet blootstellen aan een risico van buitensporige hefboomwerking, wat wordt bevestigd door een verslag van de EBA van 3 augustus 2016 over blootstellingen waar specifieke wettelijke garantiestelsels voor bestaan, alsook door artikel 429 bis, lid 1, onder j), van verordening nr. 575/2013, zoals gewijzigd. |
|
88 |
De ECB stelt dat dit betoog moet worden afgewezen. |
Beoordeling door het Hof
|
89 |
Zoals reeds is opgemerkt in de punten 55 tot en met 57 van het onderhavige arrest beschikt de ECB over een ruime beoordelingsbevoegdheid wanneer zij beslist om al dan niet het voordeel van artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013 toe te kennen en mag het rechterlijk toezicht dat het Gerecht moet uitoefenen op de gegrondheid van de motivering van het litigieuze besluit er dan ook niet toe leiden dat het zijn beoordeling in de plaats stelt van die van de ECB, maar dient het na te gaan of dit besluit niet op feitelijk onjuiste gegevens berust en geen blijk geeft van kennelijke beoordelingsfouten of misbruik van bevoegdheid. |
|
90 |
In het onderhavige geval heeft de ECB geoordeeld dat de blootstellingen met betrekking tot de CDC als gevolg van op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s voor de onder haar toezicht staande instellingen een laag prudentieel risico vormden, maar dat er in het geval van Crédit Lyonnais een prudentieel risico bleef bestaan dat in aanmerking diende te worden genomen, waardoor voor de berekening van de hefboomratio van deze instelling de uitsluiting van die blootstellingen uit de blootstellingsmaatstaf diende te worden beperkt tot 66 %. |
|
91 |
In het kader van de analyse op grond waarvan zij tot deze conclusie is gekomen heeft de ECB beoordeeld – rekening houdend met de kenmerken van de gereglementeerde spaarboekjes, waaronder, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de opmerkingen 2 en 4 van Crédit Agricole in de bijlage bij het litigieuze besluit, die welke verband houden met de dubbele garantie van de Franse Republiek – of de onder haar toezicht staande instellingen in geval van een bankcrisis bloot konden staan aan massale opnamen in korte tijd die corrigerende maatregelen konden vereisen waarin niet was voorzien in het bedrijfsplan, met inbegrip van noodverkopen van activa teneinde over de nodige fondsen te beschikken om te kunnen voldoen aan de opnameverzoeken, in de zin van artikel 4, lid 1, punt 94, van verordening nr. 575/2013. |
|
92 |
Hieruit blijkt dat de ECB een prudentiële prognose heeft gemaakt waarbij werd geanalyseerd welke gevolgen gebeurtenissen waarvan het niet zeker is dat ze zich zullen voordoen kunnen hebben voor het vermogen van een instelling om het hoofd daaraan te bieden. |
|
93 |
Om deze analyse naar behoren te kunnen verrichten moet de ECB zich in het kader van haar ruime beoordelingsvrijheid baseren op scenario’s die gelet op de beschikbare gegevens niet onwaarschijnlijk zijn, maar aangezien het een prognoseanalyse betreft kan niet ervan worden uitgegaan dat zij moet bewijzen dat zich in het verleden reeds gebeurtenissen hebben voorgedaan die dezelfde kenmerken vertoonden als het thans gehanteerde scenario. |
|
94 |
Welnu, het door de ECB in het litigieuze besluit gehanteerde scenario waarin 10 à 30 % van de gegarandeerde deposito’s wordt opgenomen in minder dan vijf dagen tijd, dat gebaseerd is op een voorbeeld dat zich werkelijk heeft voorgedaan in een situatie die vergelijkbaar was met die van de blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s, lijkt niet kennelijk onwaarschijnlijk te zijn. |
|
95 |
In dat verband klopt het dat uit de door Crédit Lyonnais aangevoerde argumenten en gegevens betreffende de hoedanigheid van „veilige belegging” van die spaarboekjes, die met name verband houdt met de dubbele garantie van de Franse Republiek die deze spaarboekjes genieten, kan worden afgeleid dat er tijdens voorbije bankencrisissen voor bepaalde gereglementeerde spaarboekjes een tendens van toenemende deposito’s is geweest. |
|
96 |
Deze algemene vaststelling maakt evenwel het door de ECB bij haar prognoseanalyse van het risico van noodverkopen gehanteerde scenario van een – zij het geringe – kans dat de bij Crédit Lyonnais geplaatste gereglementeerde spaargelden massaal worden opgenomen, niet geheel onwaarschijnlijk. |
|
97 |
Zoals de ECB heeft erkend kunnen de door Crédit Lyonnais aangevoerde argumenten en gegevens die tot die vaststelling leiden, weliswaar als verklaring dienen waarom spaarders in geval van spanning of crisis op de financiële markten over het algemeen geneigd zullen zijn hun toevlucht te nemen tot dat soort van veilige en liquide beleggingen ten nadele van andere soorten van meer risicovolle en minder liquide beleggingen, maar uit die argumenten en gegevens blijkt niet dat elk risico voor het plotseling en massaal opnemen van deze spaargelden door de deposanten, bijvoorbeeld om ze opnieuw te beleggen bij gezondere instellingen, duidelijk zou zijn afgewend. Derhalve moeten die argumenten worden afgewezen. |
|
98 |
Wat de dubbele garantie van de Franse Republiek in verband met gereglementeerde spaarproducten betreft, toont Crédit Lyonnais niet aan dat de ECB in het litigieuze besluit een kennelijke beoordelingsfout zou hebben gemaakt door niet in aanmerking te nemen dat dit gegeven er gelet op de ervaring met de recente bankencrisissen op wees dat deze instelling beschermd was tegen een eventueel risico van massale opnamen, en dus ook tegen een eventueel risico van noodverkopen. |
|
99 |
Wat voorts het argument Crédit Lyonnais betreft dat er bij gereglementeerde spaarboekjes sprake is van een structureel evenwicht op de balans van de instelling waarbij deposito’s op die boekjes worden gestort, moet erop worden gewezen dat de ECB heeft geoordeeld dat er bij een overdrachtsregeling zoals bedoeld in de voorwaarde die artikel 429, lid 14, onder c), van verordening nr. 575/2013 stelt, die wordt vervuld door de blootstellingen met betrekking tot de CDC die uit dergelijke deposito’s voortvloeien, massale opnamen voor de instelling die aan de opnameverzoeken moet voldoen op zichzelf niet zouden leiden tot een tekort aan activa indien die instelling, bij gebreke van een regeling die de mogelijkheid van opname beperkt, onmiddellijk de met de aldus terug opgenomen sommen overeenstemmende bedragen kon terugvragen en verkrijgen van de openbare instantie waaraan die deposito’s zijn overgedragen. De ECB heeft in het litigieuze besluit echter vastgesteld dat dit in het onderhavige geval niet het geval is. |
|
100 |
Zij heeft immers rekening ermee gehouden dat de op gereglementeerde spaarboekjes geplaatste sommen aan de CDC werden overgedragen voor de financiering van investeringen van algemeen belang, en dat de CDC een door de Franse Republiek gegarandeerde verplichting had om de door deposanten opgenomen bedragen terug te betalen aan de instellingen die de deposito’s hadden ontvangen. Zij heeft evenwel geoordeeld dat de termijn van tien dagen tussen de opname van de gestorte deposito’s en de terugbetaling van die sommen door de CDC maakte dat er een risico van noodverkopen bleef bestaan. |
|
101 |
Uit de keuze die de ECB heeft gemaakt, op basis van een scenario van opnamen van bedragen dat niet kennelijk onwaarschijnlijk is en waarbij zij namelijk rekening ermee heeft gehouden dat die aanpassingstermijn van tien dagen ertoe kon leiden dat de betrokken instelling zich verplicht zag corrigerende maatregelen te nemen waarin niet was voorzien in haar bedrijfsplan, waaronder noodverkopen van activa, blijkt echter niet dat de ECB de grenzen zou hebben overschreden van de ruime beoordelingsmarge waarover zij beschikte om te beoordelen welk niveau van prudentieel risico als relevant kon worden beschouwd voor de toepassing van artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013. |
|
102 |
Aan deze overweging wordt niet afgedaan door het argument van Crédit Lyonnais dat de ECB niet aangeeft hoe deze aanpassingstermijn van tien dagen een liquiditeitsrisico kan opleveren bij het onderzoek dat moet worden verricht om de hefboomratio vast te stellen, terwijl dat niet het geval is bij het onderzoek dat wordt verricht om de liquiditeitsdekkingsvereisten te bepalen. |
|
103 |
Opgemerkt zij immers dat de ECB in het litigieuze besluit het in de beschouwing betrekken van die termijn van tien dagen heeft gemotiveerd door te benadrukken dat er bij de berekening van de hefboomratio, in tegenstelling tot hetgeen het geval is bij de berekening van de liquiditeitsratio, geen passende specifieke tijdshorizon wordt vastgesteld. |
|
104 |
In dat verband dient erop te worden gewezen, zoals de ECB voor het Gerecht heeft onderstreept, dat met het liquiditeitsdekkingsvereiste, dat met name wordt geregeld in artikel 412, lid 1, van verordening nr. 575/2013, wordt beoogd dat de som van de waarden van de liquide activa „de liquiditeitsuitstromen minus de liquiditeitsinstromen onder stressomstandigheden dekt” teneinde te waarborgen dat de instellingen „liquiditeitsbuffers aanhouden die voldoende groot zijn om een eventueel onevenwicht tussen de liquiditeitsinstromen en -uitstromen onder ernstige stressomstandigheden over een periode van dertig dagen het hoofd te kunnen bieden”. De hefboomwerkingsratio wordt harerzijds met name geregeld door artikel 429 van deze verordening en heeft tot doel de instelling te beschermen tegen het risico van een buitensporige hefboomwerking, dit wil zeggen het risico dat voortvloeit uit een hefboomwerking of mogelijke hefboomwerking die kan nopen tot corrigerende maatregelen waarin het bedrijfsplan niet voorziet, met inbegrip van een noodverkoop van activa die kan resulteren in verliezen of in waarderingsaanpassingen van haar overige activa. Terwijl het liquiditeitsvereiste dus beoogt in een situatie van ernstige stressomstandigheden een voldoende dekking van de liquiditeitsuitstromen te waarborgen over een periode van dertig dagen, strekt de hefboomratio er harerzijds toe te vermijden dat een instelling met liquiditeitstekorten verplicht is corrigerende maatregelen te nemen, zoals „noodgedwongen” verkopen van activa aan ongunstige voorwaarden. |
|
105 |
De ECB heeft erop gewezen dat een opname van 30 % van de spaargelden in minder dan vijf dagen voor Crédit Lyonnais een volume van 5,4 miljard EUR zou vertegenwoordigen. Zij heeft geoordeeld dat de mogelijkheid van een zo snelle opname, van een dergelijk volume, niet kon worden uitgesloten voor die kredietinstelling en dat deze in dat geval wellicht maatregelen zou moeten nemen waarin niet was voorzien in het bedrijfsplan, waaronder een noodverkoop van activa teneinde over de nodige middelen te beschikken om de opnameverzoeken te kunnen honoreren. |
|
106 |
Hieruit volgt dat de ECB, gelet op deze uit verordening nr. 575/2013 voortvloeiende verschillen qua tijdshorizon, geen kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door in het kader van de toepassing van artikel 429, lid 14, van deze verordening rekening te houden met de termijn van tien dagen tussen de opnamen door de deposanten en de terugbetaling door de CDC. |
|
107 |
Wat daarnaast het argument van Crédit Lyonnais betreft dat het volume van de gereglementeerde spaargelden niet afhangt van de strategie van de instelling die deze ophaalt maar wel van factoren waarover zij geen controle heeft, dient te worden vastgesteld dat Crédit Lyonnais louter elementen heeft aangevoerd waaruit mogelijkerwijs blijkt dat factoren die losstonden van haar handelen eveneens invloed hadden op dat volume. Zij heeft niet beweerd noch aangetoond dat ze geen enkele invloed had op het volume van de op de gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s. |
|
108 |
Bijgevolg dient dit argument van Crédit Lyonnais te worden afgewezen. |
|
109 |
Evenzo dienen de argumenten die Crédit Lyonnais aan artikel 429 bis, lid 1, onder j), van gewijzigde verordening nr. 575/2013 en aan het in punt 87 van het onderhavige arrest genoemde verslag van de EBA ontleent, te worden afgewezen. |
|
110 |
Ten eerste is die bepaling immers in werking getreden nadat het litigieuze besluit is vastgesteld en is zij dus ratione temporis niet van toepassing in de onderhavige zaak. Voorts blijkt uit de bewoordingen van deze bepaling dat zij niet tot doel heeft bepaalde blootstellingen, zoals die welke verband houden met gereglementeerde spaarproducten, van rechtswege buiten de blootstellingsmaatstaf te houden voor de berekening van de hefboomratio, maar wel om de verplichting af te schaffen die op de betrokken instellingen rustte om voor een dergelijke uitsluiting de toestemming van de bevoegde autoriteiten te vragen, en aan hen de verantwoordelijkheid over te dragen om te beoordelen of deze uitsluiting gerechtvaardigd is voor blootstellingen die voldoen aan de voorwaarden van verordening nr. 575/2013. |
|
111 |
Voor zover die wetswijziging zou kunnen betekenen dat de wetgever heeft geoordeeld dat blootstellingen in verband met gereglementeerde spaarproducten niet tot een hefboomrisico leiden, kan daaruit bovendien niet worden afgeleid dat de ECB de situatie van Crédit Lyonnais had moeten bekijken in het licht van de aanwijzingen die artikel 429 bis, lid 1, onder j), van gewijzigde verordening nr. 575/2013 mogelijk bevat over de bedoeling van de wetgever ten aanzien van de toekomstige regeling van die blootstellingen. |
|
112 |
Wat ten tweede het in punt 87 van het onderhavige arrest vermelde verslag van de EBA betreft, moet worden opgemerkt dat daarin wordt aanbevolen om voor andere blootstellingen dan die welke voortvloeien uit op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s, een uitsluiting toe te passen die aan analoog is aan die welke voortvloeit uit artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013. |
|
113 |
Hoe dan ook wijst dit verslag, dat voor de ECB niet bindend is wanneer zij een besluit vaststelt op grond van dit artikel, er hoogstens op dat de EBA van mening was dat die andere blootstellingen ook een laag risicoprofiel opleverden, wat, zoals in punt 90 van het onderhavige arrest is uiteengezet, overeenstemt met de algemene benadering die door de ECB in het litigieuze besluit is gevolgd voor wat gereglementeerde spaarboekjes betreft. |
|
114 |
Uit het voorgaande volgt dat Crédit Lyonnais met haar argumenten niet aantoont dat de ECB bij de beoordeling van het risico van noodverkopen dat voortvloeit uit de blootstellingen met betrekking tot de CDC in verband met op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s, die mede ten grondslag lag aan de beslissing om slechts 66 % van deze blootstellingen voor de berekening van de hefboomratio buiten de blootstellingsmaatstaf te houden, een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. |
|
115 |
Hieruit volgt dat het eerste onderdeel van het derde middel en het derde onderdeel van het eerste middel moeten worden afgewezen. |
Tweede onderdeel van het derde middel
Argumenten van partijen
|
116 |
Crédit Lyonnais meent dat de ECB geen enkel bewijs aanvoert dat zou kunnen wijzen op de plausibiliteit van een mogelijke wanbetaling van de Franse Republiek, als eventuele grond voor het – geheel of gedeeltelijk – weigeren van de toestemming voor de uitsluiting waarin artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013 voorziet. |
|
117 |
De ECB stelt dat deze argumentatie moet worden afgewezen. |
Beoordeling door het Hof
|
118 |
De ECB heeft in punt 2.2.1 van het litigieuze besluit de kredietwaardigheid van de Franse centrale overheid in aanmerking genomen bij de beoordeling van de vraag of er ingeval de CDC in gebreke zou blijven, een risico bestaat dat deze overheid niet in staat is tot terugbetaling aan de aan prudentieel toezicht onderworpen instellingen van de aan de CDC overgedragen sommen die overeenkomen met de op gereglementeerde spaarboekjes gestorte deposito’s die worden opgenomen door de spaarders. |
|
119 |
Verder volgt uit dat punt van het litigieuze besluit dat de ECB heeft geoordeeld dat dit risico op zichzelf geen „prudentiële problemen” stelde die zouden rechtvaardigen dat de uitsluiting waarom krachtens artikel 429, lid 14, van verordening nr. 575/2013 was verzocht, niet werd toegestaan. |
|
120 |
Gelet op het feit dat de externe kredietbeoordelingsinstellingen, waaronder Standard & Poor’s, de Franse Republiek niet „de hoogst mogelijke rating” hadden gegeven en dat de notering van de kredietverzuimswaps met een looptijd van vijf jaar „[voor dit land] gepaard ging met een wanbetalingsrisico dat niet nihil was”, heeft de ECB evenwel geoordeeld dat de omvang van blootstelling met betrekking tot de CDC van de aan haar prudentiële toezicht onderworpen instellingen een relevant gegeven was dat in aanmerking moest worden genomen bij de beoordeling van het globale prudentiële risico dat aan de situatie van deze instellingen verbonden was. |
|
121 |
Hieruit volgt dat de ECB het risico van een wanbetaling door de Franse Republiek heeft beoordeeld op basis van gegevens op grond waarvan zij redelijkerwijs tot de bevinding kon komen dat het met de kredietwaardigheid van de Franse centrale overheid verband houdende risico niet nihil was, en dat Crédit Lyonnais er niet in slaagt het bewijs te leveren dat de ECB met die vaststelling een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt. |
|
122 |
In dit verband dient erop te worden gewezen dat het ter zake aan de ECB toekwam om in het kader van de ruime beoordelingsmarge waarover zij beschikte te bepalen of het lage risico van een wanbetaling door de Franse Republiek, dat zij heeft vastgesteld zonder daarbij een kennelijke beoordelingsfout te maken, in aanmerking moest worden genomen bij de door haar te verrichten beoordeling. |
|
123 |
Gelet op deze ruime beoordelingsmarge kan dan ook niet worden geoordeeld dat uit het in aanmerking genomen risiconiveau en de impact daarvan op de situatie van de instellingen die onder prudentieel toezicht staan, een kennelijke beoordelingsfout blijkt. |
|
124 |
Bijgevolg dient het tweede onderdeel van het derde middel, en dus dit middel in zijn geheel, te worden afgewezen. |
|
125 |
Gelet op alle voorgaande overwegingen dient het beroep in eerste aanleg te worden afgewezen. |
Kosten
|
126 |
Volgens artikel 184, lid 2, van zijn Reglement voor de procesvoering beslist het Hof over de proceskosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het Hof de zaak zelf afdoet. |
|
127 |
Volgens artikel 138, lid 1, van dat Reglement, dat krachtens artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. |
|
128 |
Aangezien Crédit Lyonnais in casu in het ongelijk is gesteld en de ECB zowel voor het Hof als voor het Gerecht heeft gevorderd dat Crédit Lyonnais wordt verwezen in de kosten, dient deze laatste te worden verwezen in haar eigen kosten en in de kosten die de ECB heeft gemaakt in het kader van het beroep in eerste aanleg en de onderhavige hogere voorziening. |
|
Het Hof (Eerste kamer) verklaart: |
|
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Frans.