CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. RICHARD DE LA TOUR

van 20 april 2023 ( 1 )

Zaak C‑770/21

„OGL-Food Trade Lebensmittelvertrieb” GmbH

tegen

Direktor na Teritorialna direktsia „Mitnitsa Plovdiv” pri Agentsia „Mitnitsi”

[verzoek van de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Douanewetboek van de Unie – Bepaling van de douanewaarde van groenten en fruit waarop een invoerprijs van toepassing is – Aangegeven transactiewaarde die hoger is dan de standaardinvoerwaarde – Afzet van de producten tegen condities waaruit blijkt dat de transactiewaarde juist is – Verkoop met verlies – Rechterlijke toetsing van de beschikking tot vaststelling van de douaneschuld – Ontbreken van een handelsovereenkomst betreffende de invoer – Begrip ,door de wettelijke bepalingen erkend als in zaken verbonden personen’”

I. Inleiding

1.

Het onderhavige verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de uitlegging van:

de artikelen 22, 44, 70 en 74 van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie ( 2 ), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2016/2339 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016 ( 3 );

de artikelen 127 en 142 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie ( 4 ), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/604 van de Commissie van 18 april 2018 ( 5 ), alsmede

artikel 75 van gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie ( 6 ), zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2018/1145 van de Commissie van 7 juni 2018 ( 7 ).

2.

Dit verzoek is ingediend in het kader van een geding tussen de vennootschap OGL-Food Trade Lebensmittelvertrieb GmbH (hierna: „OGL-Food”) en de Direktor na Teritorialna direktsia „Mitnitsa Plovdiv” pri Agentsia „Mitnitsi” (directeur van de regionale directie „douane Plovdiv” bij de centrale douaneautoriteit, Bulgarije; hierna: „directeur van de douane”) met betrekking tot de aangegeven transactiewaarde van uit Turkije ingevoerde verse courgettes.

3.

Deze zaak biedt het Hof de gelegenheid te verduidelijken onder welke voorwaarden een beschikking van de douaneautoriteiten tot niet-aanvaarding van een transactiewaarde kan worden aangevochten voor de rechter, en met name of de motivering van die beschikking kan worden gewijzigd in de gerechtelijke fase van het daartegen ingestelde beroep.

4.

In deze conclusie, waarin op verzoek van het Hof enkel de eerste en de tweede prejudiciële vraag worden onderzocht, zal ik in overweging geven te antwoorden dat, ten eerste, de motivering van de douanebeschikking niet kan worden gewijzigd in de gerechtelijke fase van het daartegen ingestelde beroep en, ten tweede en subsidiair, de beoordeling van de juridische hoedanigheid van in zaken verbonden personen een aangelegenheid van nationaal recht is, zodat de door de verwijzende rechter aangereikte beoordelingselementen slechts relevant zijn indien zij het mogelijk maken om die juridische hoedanigheid van in zaken verbonden personen naar nationaal recht vast te stellen.

II. Toepasselijke bepalingen

A.   Douanewetgeving

1. Douanewetboek van de Unie

5.

Artikel 1, lid 1, van het douanewetboek van de Unie luidt als volgt:

„Bij deze verordening wordt het douanewetboek van de Unie […] vastgesteld, houdende de algemene voorschriften en procedures betreffende goederen die het douanegebied van de [Europese] Unie binnenkomen of verlaten.

Onverminderd het internationaal recht, internationale overeenkomsten en Uniewetgeving op andere gebieden, is het wetboek op eenvormige wijze van toepassing in het gehele douanegebied van de Unie.”

6.

Artikel 5, punten 1 en 3, van het douanewetboek van de Unie bepaalt:

„In dit [douanewetboek van de Unie] wordt verstaan onder:

1)

,douaneautoriteiten’: de douanediensten van de lidstaten die bevoegd zijn voor de toepassing van de douanewetgeving, en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving;

[…]

3)

,douanecontroles’: door de douaneautoriteiten verrichte specifieke handelingen voor het waarborgen van de naleving van de douanewetgeving en andere wetgeving betreffende het binnenbrengen, het uitgaan, de doorvoer, het overbrengen, de opslag en de bijzondere bestemming van goederen die tussen het douanegebied van de Unie en landen of gebieden daarbuiten worden vervoerd, en betreffende de aanwezigheid en het verkeer binnen het douanegebied van de Unie van niet-Uniegoederen en goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst”.

7.

Artikel 22 van dit douanewetboek, met als opschrift „Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen”, bepaalt in de leden 6 en 7:

„6.   Voordat een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt verleend, delen de douaneautoriteiten hem mee op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld zijn standpunt kenbaar te maken binnen een specifieke termijn, die aanvangt op de datum waarop hij die mededeling ontvangt of wordt geacht die te hebben ontvangen. Na het verstrijken van deze termijn wordt aan de aanvrager in de passende vorm mededeling gedaan van de beschikking.

[…]

7.   Een voor de aanvrager ongunstige beschikking wordt met redenen omkleed en maakt melding van de mogelijkheid tot beroep als bepaald in artikel 44.”

8.

Artikel 29 van dit douanewetboek, met als opschrift „Beschikkingen zonder voorafgaande aanvraag”, luidt:

„Tenzij een douaneautoriteit als gerechtelijke autoriteit optreedt, gelden de leden 4, 5, 6 en 7 van artikel 22, […] ook voor beschikkingen van de douaneautoriteiten zonder voorafgaande aanvraag van de belanghebbende.”

9.

Artikel 44 van datzelfde douanewetboek, met als opschrift „Recht op beroep”, bepaalt:

„1.   Eenieder heeft het recht beroep in te stellen tegen beschikkingen van de douaneautoriteiten die betrekking hebben op de toepassing van de douanewetgeving en die hem rechtstreeks en individueel raken.

[…]

2.   Het recht op beroep kan in ten minste twee fasen worden uitgeoefend:

a)

eerst bij de douaneautoriteiten of een rechterlijke instantie dan wel een andere instantie die daartoe door de lidstaten is aangewezen;

b)

vervolgens bij een hogere onafhankelijke instantie die overeenkomstig de in de lidstaten geldende bepalingen een rechterlijke instantie dan wel een gelijkwaardige gespecialiseerde instantie kan zijn.

[…]

4.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de beroepsprocedure een snelle bevestiging of correctie van door de douaneautoriteiten gegeven beschikkingen mogelijk maakt.”

10.

Artikel 70 van het douanewetboek van de Unie, met als opschrift „Op de transactiewaarde gebaseerde methode voor de vaststelling van de douanewaarde”, luidt als volgt:

„1.   De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast.

2.   De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht.

3.   De transactiewaarde is van toepassing mits aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan:

[…]

d)

koper en verkoper zijn niet verbonden, of hun verbondenheid is niet van dien aard dat de prijs erdoor wordt beïnvloed.”

11.

Artikel 74 van dit douanewetboek, met als opschrift „Bijkomende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.   Indien de douanewaarde van de goederen niet met toepassing van artikel 70 kan worden vastgesteld, dient achtereenvolgens te worden nagegaan welk van de punten a) tot en met d) van lid 2 van toepassing is en dient de douanewaarde van de goederen te worden vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt.

[…]

2.   De douanewaarde overeenkomstig lid 1 is:

[…]

c)

de waarde gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in het douanegebied van de Unie in de grootste samengevoegde hoeveelheid zijn verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de verkopers; […]

[…]”

2. Uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie

12.

Artikel 127 van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie, dat deel uitmaakt van titel II („Factoren die ten grondslag liggen aan de toepassing van invoer- of uitvoerrechten en andere maatregelen waaraan het goederenverkeer is onderworpen”), hoofdstuk 3 („Douanewaarde van goederen”), luidt als volgt:

„(Artikel 70, lid 3, onder d), van het [douanewetboek van de Unie])

1.   Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden twee personen geacht te zijn verbonden indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

[…]

b)

zij worden door de wettelijke bepalingen erkend als in zaken verbonden;

[…]

e)

één van hen heeft direct of indirect zeggenschap over de ander;

f)

een derde persoon heeft direct of indirect zeggenschap over beiden;

g)

beiden hebben direct of indirect zeggenschap over een derde persoon;

[…]”

13.

Artikel 134 van deze uitvoeringsverordening, met als opschrift „Transacties tussen verbonden personen”, bepaalt:

„(Artikel 70, lid 3, onder d), van het [douanewetboek van de Unie])

1.   Wanneer de koper en de verkoper verbonden zijn, en om vast te stellen of de verbondenheid niet van dien aard is dat de prijs erdoor is beïnvloed, worden de omstandigheden van de verkoop zo nodig onderzocht en wordt de aangever in de gelegenheid gesteld om verdere gedetailleerde informatie over deze omstandigheden te verstrekken die nodig zou kunnen zijn.

2.   De goederen worden echter in overeenstemming met artikel 70, lid 1, van het [douanewetboek van de Unie] gewaardeerd wanneer de aangever aantoont dat de aangegeven transactiewaarde een van de volgende testwaarden, die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn bepaald, zeer dicht benadert:

[…]

b)

de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, zoals bepaald overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van het [douanewetboek];

[…]”

14.

Artikel 142 van die uitvoeringsverordening, met als opschrift „Aftrekmethode”, luidt:

„(Artikel 74, lid 2, onder c), van het [douanewetboek van de Unie])

1.   De eenheidsprijs die is gebruikt om op grond van artikel 74, lid 2, onder c), van het [douanewetboek van de Unie] de douanewaarde vast te stellen, is de prijs waartegen de ingevoerde goederen of de in dezelfde staat verkerende ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de Unie worden verkocht op of omstreeks het tijdstip van de invoer van de te waarderen goederen.

[…]

4.   De volgende verkopen komen niet in aanmerking voor het vaststellen van de douanewaarde overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van het [douanewetboek van de Unie]:

[…]

b)

de verkoop aan verbonden personen;

[…]

5.   Bij het vaststellen van de douanewaarde wordt het volgende afgetrokken van de in overeenstemming met de leden 1 tot en met 4 bedoelde eenheidsprijs:

[…]

c)

rechten bij invoer en andere belastingen die in het douanegebied van de Unie moeten worden voldaan vanwege de invoer of de verkoop van de goederen.

[…]”

B.   Wetgeving inzake de invoer van groenten en fruit waarop een invoerprijs van toepassing is

1. Verordening nr. 1308/2013

15.

Overweging 147 van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad ( 8 ), zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 ( 9 ), luidt:

„Het invoerprijssysteem moet voor bepaalde producten worden behouden. Om te zorgen voor de doeltreffende werking van dat systeem, moet aan de [Europese] Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om bepaalde handelingen vast te stellen met betrekking tot de controle op de juistheid van de opgegeven prijs van een zending aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer, en ter bepaling van de voorwaarden waaronder het stellen van een zekerheid vereist is.”

16.

Artikel 181 van verordening nr. 1308/2013, met als opschrift „Invoerprijssysteem voor bepaalde producten van de sectoren groenten en fruit, verwerkte groenten en fruit en wijn”, bepaalt:

„1.   Met het oog op de toepassing van het in het kader van het gemeenschappelijk douanetarief geldende douanerecht voor producten van de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en voor druivensap en most, is de invoerprijs van een zending gelijk aan de douanewaarde van die zending, berekend overeenkomstig verordening (EEG) nr. 2913/92[ ( 10 )] en verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie[ ( 11 )].

2.   Om de doeltreffendheid van het systeem te garanderen, is de Commissie bevoegd overeenkomstig artikel 227 gedelegeerde handelingen vast te stellen om te bepalen dat de gedeclareerde invoerprijs van een zending moet worden gecontroleerd aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer, en om de voorwaarden te bepalen waaronder het stellen van een zekerheid is vereist.

3.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast waarin voorschriften worden vastgelegd voor de berekening van de in lid 2 bedoelde forfaitaire waarde bij invoer. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 229, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”

2. Gedelegeerde verordening 2017/891

17.

Titel III van gedelegeerde verordening 2017/891, met als opschrift „Handel met derde landen – Invoerprijssysteem”, bevat de artikelen 73 tot en met 75.

18.

Artikel 74, met als opschrift „Melding van prijzen en van hoeveelheden ingevoerde producten”, bepaalt in lid 1:

„Voor elk van de in bijlage VII, deel A, vermelde producten en perioden melden de lidstaten voor elke marktdag en oorsprong uiterlijk de eerstvolgende werkdag om 12.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) de volgende gegevens aan de Commissie:

a)

de gemiddelde representatieve prijzen van de uit derde landen ingevoerde producten die op de invoermarkten van de lidstaten zijn verkocht, en

b)

de totale hoeveelheden waarop de onder a) bedoelde prijzen betrekking hebben.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de door hen representatief geachte invoermarkten, die ook Londen, Milaan, Perpignan en Rungis omvatten.

Wanneer de in de eerste alinea, onder b), bedoelde totale hoeveelheden kleiner zijn dan tien ton, worden de betrokken prijzen niet aan de Commissie gemeld.”

19.

Artikel 75, met als opschrift „Als basis te nemen invoerprijs”, luidt:

„1.   Voor de toepassing van artikel 181, lid 1, van verordening [nr. 1308/2013] zijn de in dat artikel bedoelde producten van de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit die welke in bijlage VII bij de onderhavige verordening zijn vermeld.

2.   Wanneer de douanewaarde van de in bijlage VII, deel A, vermelde producten wordt bepaald aan de hand van de transactiewaarde als bedoeld in artikel 70 van [het douanewetboek van de Unie] en die douanewaarde meer dan 8 % hoger is dan het door de Commissie als standaardinvoerwaarde berekende forfaitaire tarief op het ogenblik waarop de aangifte voor het vrije verkeer voor die producten wordt ingediend, moet de importeur een in artikel 148 van [de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie] bedoelde zekerheid stellen. Daartoe is het op de in bijlage VII, deel A, van de onderhavige verordening vermelde producten toe te passen invoerrecht gelijk aan het bedrag van de rechten die de importeur zou hebben betaald wanneer de betrokken producten op basis van de standaardinvoerwaarde waren ingedeeld.

[…]

3.   Wanneer de douanewaarde van de in bijlage VII, deel A, vermelde producten wordt berekend overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van [het douanewetboek van de Unie], worden de rechten in mindering gebracht overeenkomstig artikel 38, lid 1, van uitvoeringsverordening (EU) 2017/892[ ( 12 )]. In dat geval stelt de importeur een zekerheid die gelijk is aan het bedrag van de rechten die hij zou hebben betaald indien de producten waren ingedeeld op basis van de geldende standaardinvoerwaarde.

4.   De douanewaarde van in consignatie ingevoerde goederen wordt rechtstreeks bepaald overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van [het douanewetboek van de Unie] en daartoe is de overeenkomstig artikel 38 van uitvoeringsverordening [2017/892] berekende standaardinvoerwaarde van toepassing gedurende de desbetreffende periode.

5.   Binnen één maand vanaf de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht, en uiterlijk binnen vier maanden, te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is geaccepteerd, bewijst de importeur dat de partij is afgezet tegen zodanige condities dat de prijzen als bedoeld in artikel 70 van [het douanewetboek van de Unie] juist zijn, dan wel bepaalt hij de douanewaarde als bedoeld in artikel 74, lid 2, onder c), van [dat wetboek].

Onverminderd lid 6 wordt bij niet-inachtneming van een van bovengenoemde termijnen de gestelde zekerheid verbeurd.

De gestelde zekerheid wordt vrijgegeven voor zover de bewijzen met betrekking tot de afzetvoorwaarden ten genoegen van de douaneautoriteiten zijn geleverd. Is dat niet het geval, dan wordt de zekerheid verbeurd bij wijze van betaling van de invoerrechten.

Om te bewijzen dat de partij is afgezet tegen de in de eerste alinea vastgestelde condities, stelt de importeur naast de factuur alle documenten ter beschikking die nodig zijn voor de uitvoering van de relevante douanecontroles met betrekking tot de verkoop en de afzet van alle producten van de partij in kwestie, met inbegrip van documenten die verband houden met vervoer, verzekering, handling en opslag van de partij.

[…]

6.   Op een naar behoren gemotiveerd verzoek van de importeur kan de in lid 5, eerste alinea, bedoelde termijn van vier maanden door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat met ten hoogste drie maanden worden verlengd.

[…]”

20.

Deel A van bijlage VII bij gedelegeerde verordening 2017/891 bevat onder meer de volgende vermelding:

GN-code

Omschrijving

Toepassingsperiode

0709 90 70

Courgettes

1 januari t/m 31 december

3. Uitvoeringsverordening 2017/892

21.

Artikel 38 van uitvoeringsverordening 2017/892, met als opschrift „Standaardinvoerwaarden”, bepaalt in de leden 1 en 2:

„1.   Voor elk van de in deel A van bijlage VII bij gedelegeerde verordening [2017/891] vermelde producten en toepassingsperioden stelt de Commissie elke werkdag voor elke oorsprong een standaardinvoerwaarde vast die gelijk is aan het gewogen gemiddelde van de in artikel 74 van die verordening bedoelde representatieve prijzen, verminderd met een standaardbedrag van 5 EUR/100 kg en met de ad-valoremdouanerechten.

2.   Wanneer voor de in deel A van bijlage VII bij gedelegeerde verordening [2017/891] vermelde producten en toepassingsperioden een standaardinvoerwaarde wordt vastgesteld overeenkomstig de artikelen 74 en 75 van die verordening en dit artikel, is de in artikel 142 van [de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie] bedoelde prijs per eenheid niet van toepassing. De prijs per eenheid wordt dan vervangen door de in lid 1 bedoelde standaardinvoerwaarde.”

4. Verordening nr. 2658/87

22.

Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief ( 13 ), zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/1602 van de Commissie van 11 oktober 2018 ( 14 ), bevat in bijlage I, derde deel, afdeling I, bijlage 2 („Producten waarop een invoerprijs van toepassing is”), onder meer de volgende vermelding:

GN-code

Omschrijving

Conventioneel douanerecht (%)

0709 93 10

kleine pompoenen (zogenaamde courgettes):

 

[…]

[…]

[…]

 

van 1 april tot en met 31 mei:

 

 

met een invoerprijs per 100 kg nettogewicht:

 

 

van 69,2 € of meer

12,8

 

van 67,8 € of meer doch minder dan 69,2 €

12,8 + 1,4 €/100 kg/net

 

van 66,4 € of meer doch minder dan 67,8 €

12,8 + 2,8 €/100 kg/net

 

van 65 € of meer doch minder dan 66,4 €

12,8 + 4,2 €/100 kg/net

 

van 63,7 € of meer doch minder dan 65 €

12,8 + 5,5 €/100 kg/net

 

van minder dan 63,7 €

12,8 + 15,2 €/100 kg/net

[…]

[…]

[…]

III. Feiten van het hoofdgeding en prejudiciële vragen

23.

Op 23 april 2019 heeft OGL-Food bij het douanekantoor te Svilengrad (Bulgarije) aangifte gedaan van de invoer van „verse courgettes”, ingedeeld onder postonderverdeling 07099310 van de goederennomenclatuur en bestemd om in het vrije verkeer te worden gebracht voor eindverbruik, met een nettogewicht van 4800 kg en van oorsprong uit Turkije (hierna: „litigieuze partij”). De aangegeven douanewaarde per 100 kg bedroeg omgerekend 90,81 EUR. De exporteur was een in Antalya (Turkije) gevestigde vennootschap.

24.

Voor die dag (23 april 2019) had de Commissie de standaardinvoerwaarde voor courgettes, ongeacht de oorsprong ervan, vastgesteld op 53,80 EUR per 100 kg. Aangezien de voor de litigieuze partij aangegeven transactiewaarde meer dan 8 % hoger lag dan die standaardinvoerwaarde, heeft OGL-Food een zekerheid van 982,17 lev (BGN) (ongeveer 502 EUR) gesteld overeenkomstig artikel 75, lid 2, van gedelegeerde verordening 2017/891.

25.

Bij brief van 24 april 2019 hebben de douaneautoriteiten, nadat zij de totale voor de aankoop van de litigieuze partij betaalde prijs hadden vastgesteld op 109,6 EUR per 100 kg, daarbij rekening houdend met de verschillende kosten die door OGL-Food waren gemaakt, laatstgenoemde meegedeeld dat zij overeenkomstig artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 diende aan te tonen dat de litigieuze partij was afgezet tegen condities waaruit bleek dat de aangegeven douanewaarde juist was.

26.

Op 23 mei 2019 heeft OGL-Food aan de douaneautoriteiten een aantal documenten overgelegd met betrekking tot onder meer de aan- en verkoop van de litigieuze partij en op basis van die bewijzen verzocht om vrijgave van de gestelde zekerheid.

27.

Volgens de berekening van de verkoopprijs heeft OGL-Food de litigieuze partij verkocht tegen de prijs van 106 EUR per 100 kg. Aangezien die prijs lager was dan de totale prijs van 109,6 EUR per 100 kg die OGL-Food voor de aankoop van de litigieuze partij had betaald, hebben de douaneautoriteiten vastgesteld dat zij niet had aangetoond dat deze partij was afgezet tegen condities waaruit bleek dat de aangegeven transactiewaarde juist was. In die omstandigheden diende de zekerheid overeenkomstig artikel 75, lid 5, derde alinea, van gedelegeerde verordening 2017/891 te worden verbeurd bij wijze van betaling van de invoerrechten.

28.

Overeenkomstig artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie is OGL-Food in kennis gesteld van de gronden waarop de directeur van de douane voornemens was zijn beschikking te baseren en is haar verzocht binnen een termijn van 30 dagen haar standpunt kenbaar te maken.

29.

In haar opmerkingen heeft OGL-Food ten eerste aangevoerd dat artikel 75 van gedelegeerde verordening 2017/891 geen winstgevende doorverkoop vereist ten bewijze van de juistheid van de als douanewaarde aangegeven transactiewaarde. Voorts heeft zij erop gewezen dat deze verkoop had plaatsgevonden in het kader van een langdurige zakelijke relatie met de internationale supermarktketen Lidl en dat uit onderzoek over een langere periode wel degelijk zou zijn gebleken dat er winst was gemaakt. Tot slot heeft OGL-Food opgemerkt dat de prijs waarvoor zij de litigieuze partij heeft verkocht, aanzienlijk hoger was dan de standaardinvoerwaarde die de Commissie op 23 april 2019 voor deze producten had berekend.

30.

Bij beschikking van 30 oktober 2020 ( 15 ) heeft de directeur van de douane beslist dat de gestelde zekerheid verbeurd diende te blijven als betaling van de invoerrechten, die waren vastgesteld op 982,17 BGN. Deze beschikking is ten eerste gestoeld op het feit dat OGL-Food niets heeft aangedragen dat het aanzienlijke verschil tussen de aangegeven transactiewaarde van 90,81 EUR per 100 kg en de standaardinvoerwaarde van 53,80 EUR per 100 kg kan verklaren, zoals de bijzondere kwaliteit of de biologische oorsprong van de litigieuze partij, die eenvoudigweg werd omschreven als behorend tot „klasse 1”. Ten tweede heeft de directeur van de douane op basis van de verlieslatende verkoop van de litigieuze partij het standpunt ingenomen dat OGL-Food niet overeenkomstig artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 had bewezen dat deze partij was afgezet tegen condities waaruit bleek dat de aangegeven transactiewaarde juist was.

31.

Ter ondersteuning van het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van 30 oktober 2020 dat OGL-Food bij de Administrativen sad Sofia-grad (bestuursrechter in eerste aanleg Sofia, Bulgarije) heeft ingesteld, voert zij aan dat het aan de douaneautoriteiten overgelegde bewijsmateriaal, dat niet is betwist, bevestigt dat de aangegeven transactiewaarde voldoet aan de voorwaarden van artikel 70 van het douanewetboek van de Unie. In dit verband wijst OGL-Food er eerst op dat winst uit de verkoop van vergelijkbare producten aan een specifieke klant moet worden berekend op maandbasis, en niet op basis van elke afzonderlijke transactie. Voorts bevestigt de verkoopprijs van de litigieuze partij op de markt van de Unie, zoals berekend overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie, dat de aangegeven transactiewaarde juist is. OGL-Food voegt daar overigens aan toe dat zij en Lidl geen in zaken verbonden personen zijn in de zin van artikel 127, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie.

32.

De directeur van de douane van zijn kant benadrukt ten eerste dat OGL-Food niets heeft aangedragen dat de hoogte van de aangegeven transactiewaarde ten opzichte van de standaardinvoerwaarde kan rechtvaardigen, zoals de bijzondere kwaliteit van de betrokken producten of de oorsprong ervan uit de biologische landbouw. Ten tweede strookt het feit dat OGL-Food de litigieuze partij met verlies verkoopt niet met de marktlogica, die op het behalen van commerciële winst is gericht. Ten derde is het douanewetboek van de Unie van toepassing onverminderd gedelegeerde verordening 2017/891. Die verordening staat er echter aan in de weg dat rekening wordt gehouden met andere invoertransacties teneinde de juistheid te beoordelen van de transactiewaarde die voor de invoer van de litigieuze partij is aangegeven. Bovendien is, ten vierde, de in artikel 74, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie bedoelde bijkomende methode voor de vaststelling van de douanewaarde in dit geval niet van toepassing.

33.

De verwijzende rechter lijkt van oordeel te zijn dat de analyse ten nadele van OGL-Food in de beschikking van 30 oktober 2020 niet strookt met de rechtspraak van de nationale rechters over de uitlegging van artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891. Deze rechter is echter ook van oordeel dat de door OGL-Food aangevoerde argumenten ongegrond zijn. Volgens hem moet met name worden onderzocht of OGL-Food met de exporteur en met Lidl, haar afnemer in de Unie, relaties onderhoudt op basis waarvan zij kunnen worden aangemerkt als verbonden personen in de zin van artikel 70, lid 3, onder d), en artikel 74, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie.

34.

Ten eerste moet namelijk worden nagegaan of, bij gebreke van een handelsovereenkomst of een andere rechtsbetrekking tussen de partijen, de in het hoofdgeding aan de orde zijnde duurzame, regelmatige en terugkerende leveringsbetrekkingen, zoals die blijken uit de facturen en de desbetreffende boekingen, volstaan om de exporteur en OGL-Food aan te merken als personen die „door de wettelijke bepalingen [worden] erkend als in zaken verbonden” personen in de zin van artikel 127, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie, en dus als verbonden personen in de zin van artikel 70, lid 3, onder d), van het douanewetboek van de Unie, wat betekent dat moet worden nagegaan of die verbondenheid de aangegeven transactiewaarde van de partij heeft beïnvloed.

35.

Ten tweede heeft OGL-Food voor de verwijzende rechter aangevoerd dat de aangegeven transactiewaarde door de douaneautoriteiten had moeten worden aanvaard, aangezien deze de overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie bepaalde douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen zeer dicht benaderde, zoals blijkt uit de berekeningen die op haar verzoek door de gerechtsdeskundige zijn gemaakt. Volgens de verwijzende rechter moet de relevantie van dit argument, dat op artikel 134, lid 2, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie is gebaseerd, worden beoordeeld in het kader van het onderzoek of OGL-Food en Lidl, haar afnemer op het eerste handelsniveau, verbonden personen zijn in de zin van artikel 74, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie en van artikel 142, lid 4, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie, waarin de uitvoeringsbepalingen daarvan zijn vastgesteld. In dit verband is de verwijzende rechter van oordeel dat het begrip „verbonden personen” in artikel 70, lid 3, onder d), en artikel 74, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie dezelfde betekenis heeft als in artikel 127, lid 1, en artikel 142, lid 4, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie.

36.

De verwijzende rechter vraagt zich echter af of een importeur zich voor het eerst kan beroepen op de aftrekmethode van artikel 74, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie ( 16 ) wanneer hij beroep instelt tegen de beschikking tot vaststelling van de douaneschuld, dat wil zeggen na het verstrijken van de in artikel 75, leden 5 en 6, van gedelegeerde verordening 2017/891 vastgestelde termijnen en de daaruit voortvloeiende verbeuring van de zekerheid. Bij een ontkennend antwoord op deze vraag betwijfelt deze rechter of de rechten van verdediging van de importeur worden geëerbiedigd en of hij kan vaststellen dat de importeur een met de exporteur of met zijn afnemer in de Unie verbonden persoon is in de zin van laatstgenoemde bepalingen, ook al is in de beschikking tot vaststelling van de douaneschuld de transactiewaarde niet op die grond verworpen.

37.

De verwijzende rechter vraagt zich ook af of artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 aldus moet worden uitgelegd dat de importeur een koopovereenkomst of een ander gelijkwaardig document moet overleggen, of de douaneautoriteiten rekening mogen houden met het feit dat de litigieuze partij op de markt van de Unie met verlies is verkocht en of de omstandigheden rond die verkoop met verlies relevant zijn voor de toepassing van die bepaling.

38.

Tot slot vraagt de verwijzende rechter zich af of artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 aldus moet worden uitgelegd dat de douaneautoriteiten de douanewaarde mogen vaststellen op het niveau van de standaardinvoerwaarde wanneer de aangegeven transactiewaarde abnormaal hoog is, zonder de authenticiteit van de door de exporteur uitgereikte factuur en van het bewijs van betaling aan laatstgenoemde ter discussie te stellen, en zonder dat de importeur aanvullende bewijzen ter staving van de juistheid van de aangegeven transactiewaarde heeft overgelegd.

39.

In die omstandigheden heeft de Administrativen sad Sofia-grad besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Moet – in het licht van artikel 70, lid 1, van [het douanewetboek van de Unie], gelezen in samenhang met artikel 75, lid 5, eerste alinea, en lid 6, van gedelegeerde verordening [2017/891] – ervan worden uitgegaan dat de volgende elementen van belang zijn voor de beoordeling van de in artikel 70, lid 3, onder d), van het douanewetboek [van de Unie] geformuleerde voorwaarde dat ,de koper en de verkoper […] niet verbonden [zijn]’, met het oog op de toepassing van de transactiewaarde van goederen voor douanedoeleinden in het kader van een specifieke douaneaangifte inzake de invoer van groenten:

de gegevens over de rechtsbetrekkingen tussen de partijen die betrokken zijn bij de invoer van de goederen en de verkoop van dezelfde goederen op het eerste handelsniveau in de Unie, en met name de gegevens over reeds lang bestaande en doorlopende leveringen van goederen van dezelfde soort, in significante hoeveelheden en voor een significante waarde, waardoor niet kan worden geconcludeerd dat de relatie toevallig tot stand is gekomen in het kader van de te beoordelen betrokken invoer;

de gegevens over de voor de leveringen uitgereikte facturen, de betaling van de prijs, de opneming van de facturen in de boekhouding en in de [boekhouding betreffende de belasting over de toegevoegde waarde (btw)] van de importeur en het voor de betrokken invoer toegepaste recht op aftrek;

de omstandigheid dat de aangegeven transactiewaarde van de te beoordelen betrokken invoer aanzienlijk hoger is dan de standaardinvoerwaarde voor dezelfde goederen die door de Commissie is vastgesteld voor de toepassing van invoerrechten in de groentesector, terwijl dezelfde goederen in de Unie met verlies worden verkocht;

de omstandigheid dat de importeur noch een handelscontract in verband met de betrokken invoer, zoals vereist door de douaneautoriteiten, noch een document betreffende enige andere rechtsbetrekking tussen de contractpartijen heeft overgelegd?

Indien de genoemde omstandigheden relevant zijn, kunnen de importerende handelaar en de exporterende handelaar of de importeur en de afnemer op het eerste handelsniveau in de Unie op grond van die omstandigheden dan worden aangemerkt als ,in zaken verbonden’ personen respectievelijk als verbonden personen in de zin van artikel 127, lid 1, onder b), en artikel 142, lid 4, onder b), van [de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie]?

Indien de genoemde omstandigheden weliswaar relevant zijn, maar ontoereikend zijn om de handelaren als verbonden personen te beschouwen, moet dan voor de verificatie krachtens artikel 75, lid 6, van gedelegeerde verordening [2017/891] worden beoordeeld of de relatie tussen de handelaren van invloed is geweest op de vaststelling van de hogere prijs voor de desbetreffende invoergoederen, teneinde de ontwijking van douanerechten en de derving van belastinginkomsten voor de begroting van de Unie tegen te gaan, mede rekening houdend met de daaropvolgende verkoop met verlies op het eerste handelsniveau in de Unie?

2)

Kan uit artikel 47, lid 1, en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie [hierna: „Handvest”], gelezen in samenhang met het recht van de importeur om beroep in te stellen krachtens artikel 44, lid 1, van [het douanewetboek van de Unie], de verplichting van de douaneautoriteiten uit hoofde van artikel 29 juncto artikel 22, lid 7, van [dat wetboek] om hun beschikking te motiveren, de omstandigheden van het geval en rekening houdend met het feit dat de rechter in eerste aanleg in het kader van het beroep tegen de beschikking de rechtmatigheid van die beschikking ambtshalve moet onderzoeken, ook in het licht van aspecten die in het beroep niet aan de orde zijn gesteld, en ambtshalve nieuwe bewijzen moet verzamelen en deskundigen moet aanwijzen, worden afgeleid dat:

de voorwaarde van artikel 70, lid 3, onder d), van [het douanewetboek van de Unie], dat ,koper en verkoper […] niet verbonden [zijn], of hun verbondenheid […] niet van dien aard [is] dat de prijs erdoor wordt beïnvloed’, voor het eerst kan worden vastgesteld in de gerechtelijke procedure, of moet de douaneautoriteit deze vraag reeds beoordelen in het kader van de motivering van de bestreden beschikking?

ingeval de importeur, hoewel hij de procedurele mogelijkheid had, niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij de waarde van de ingevoerde goederen zal vaststellen volgens de aftrekmethode van artikel 74, lid 2, onder c), van [het douanewetboek van de Unie], het wegens de expliciete vervaltermijn voor de genoemde vaststelling in strijd zou zijn met artikel 75, leden 5 en 6, van gedelegeerde verordening [2017/891], indien deze waarde voor het eerst zou worden vastgesteld in het kader van het beroep tegen de beschikking, mede gelet op de bezwaren van de importeur die zijn gebaseerd op het feit dat de verkoopprijs voor de goederen in de Unie dicht bij de aangegeven transactiewaarde ligt?

3)

Volgt uit artikel 75, lid 5, vierde alinea, van gedelegeerde verordening [2017/891], waarin is bepaald dat ,de importeur […] alle documenten ter beschikking [stelt] die nodig zijn voor de uitvoering van de relevante douanecontroles met betrekking tot de verkoop en de afzet van alle producten van de partij in kwestie’, in het licht van de uitlegging in punt 1 van het dictum van het arrest van het Hof van Justitie van 11 maart 2020, X BV (Navordering van aanvullende invoerrechten) (С-160/18, EU:C:2020:190), voor het bewijs van de aangegeven transactiewaarde overeenkomstig artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie in de omstandigheden van de onderhavige zaak dat:

de douaneautoriteiten en, in het kader van het beroep, de rechter verplicht zijn om de omstandigheid dat de ingevoerde goederen – groenten – in de Unie met verlies worden verkocht, in aanmerking te nemen als een ernstige aanwijzing dat de aangegeven invoerprijs kunstmatig was opgedreven, mede ten behoeve van de beoordeling van de verbondenheid van de personen, waardoor de aangegeven transactiewaarde werd beïnvloed, met name, onder meer, om ontwijking van douanerechten en derving van belastinginkomsten tegen te gaan?

de importeur verplicht is een contract of een ander gelijkwaardig document over te leggen ten bewijze van de prijs die voor de goederen moet worden betaald wanneer zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, of volstaat het bewijs dat de aangegeven waarde van de goederen werd betaald bij de invoer? of

dat de importeur enkel de uitdrukkelijk in artikel 75, lid 5, vierde alinea, van gedelegeerde verordening [2017/891] genoemde documenten moet overleggen ten bewijze van de aangegeven transactiewaarde bij de invoer van groenten, zodat de omstandigheden met betrekking tot de verkoop van dezelfde goederen in de Unie met verlies irrelevant zijn voor de beoordeling overeenkomstig artikel 75, lid 6, van deze verordening met betrekking tot de niet-aanvaarding van de transactiewaarde en de vaststelling van het invoerrecht?

4)

Volgt uit artikel 75, leden 5 en 6, van gedelegeerde verordening [2017/891] en uit de uitlegging in het arrest van 16 juni 2016, EURO 2004. Hungary Kft. (С-291/15, EU:C:2016:455), dat in de omstandigheden van het hoofdgeding de douanewaarde bij invoer van groenten uit derde landen niet hoeft te worden vastgesteld aan de hand van de aangegeven transactiewaarde, indien:

de aangegeven transactiewaarde aanzienlijk hoger is dan de standaardinvoerwaarde die door de Commissie voor dezelfde goederen is vastgesteld voor de toepassing van invoerrechten in de groentesector;

de douaneautoriteit de echtheid van de factuur en het bewijs van betaling van de prijs van de goederen, die zijn overgelegd om aan te tonen dat de invoerprijs daadwerkelijk werd betaald, niet betwist of anderszins in twijfel trekt;

de importeur, ondanks een verzoek daartoe van de douaneautoriteit, geen contract of enig ander gelijkwaardig document heeft verstrekt waaruit de prijs blijkt die voor de goederen moet worden betaald wanneer zij voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht, met inbegrip van aanvullend bewijs van de aspecten van de goederen die een economische waarde vertegenwoordigen, welke de hogere waarde bij de aankoop van de exporteur rechtvaardigen, [zoals] voor een biologisch product of een bijzondere kwaliteit van de betrokken partij groenten?”

40.

OGL-Food, de directeur van de douane, de Bulgaarse regering en de Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. Deze partijen waren ook aanwezig ter terechtzitting van 25 januari 2023, tijdens welke zij hebben gereageerd op de mondeling te beantwoorden vragen van het Hof.

IV. Analyse

A.   Inleidende beschouwingen over de toepasselijke bepalingen

41.

Er zij aan herinnerd dat het douanewetboek van de Unie volgens artikel 1, lid 1, ervan de algemene voorschriften en procedures vaststelt betreffende goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten. Daaraan wordt toegevoegd dat dit wetboek op eenvormige wijze van toepassing is in het gehele douanegebied van de Unie, „[o]nverminderd het internationaal recht, internationale overeenkomsten en Uniewetgeving op andere gebieden”. De douaneregeling voor groenten en fruit die voortvloeit uit verordening nr. 1308/2013 en gedelegeerde verordening 2017/891 vormt dus een bijzondere regeling ten opzichte van het douanewetboek van de Unie.

42.

Artikel 181 van verordening nr. 1308/2013 voorziet in de vaststelling van een invoerprijs voor bepaalde producten van de sectoren groenten en fruit die gelijk is aan de douanewaarde van de zending, berekend overeenkomstig het douanewetboek van de Unie en de uitvoeringsverordening ervan. Verder verleent dat artikel de Commissie de bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde te bepalen dat de gedeclareerde invoerprijs van een zending moet worden gecontroleerd aan de hand van een forfaitaire waarde bij invoer, en de voorwaarden te bepalen waaronder het stellen van een zekerheid is vereist.

43.

Op basis daarvan heeft de Commissie in artikel 74, lid 1, van gedelegeerde verordening 2017/891 bepaald dat de lidstaten voor bepaalde groenten en fruit, waaronder courgettes, dagelijks melding maken van zowel de gemiddelde representatieve prijzen van de uit derde landen ingevoerde producten die op de invoermarkten van de lidstaten zijn verkocht als de totale hoeveelheden van die producten waarop die gemiddelde prijzen betrekking hebben, wanneer die hoeveelheden groter zijn dan tien ton.

44.

Met betrekking tot de als basis te nemen invoerprijs voor diezelfde groenten en fruit, waaronder courgettes, voorziet artikel 75 van die gedelegeerde verordening in drie methoden om de douanewaarde te berekenen.

45.

Bij de eerste methode van berekening wordt de douanewaarde bepaald aan de hand van de transactiewaarde als bedoeld in artikel 70 van het douanewetboek van de Unie. ( 17 ) Ter herinnering: dit artikel bepaalt dat de primaire basis voor de douanewaarde van goederen de transactiewaarde is, dat wil zeggen de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie. ( 18 ) Artikel 70 bepaalt eveneens dat die transactiewaarde van toepassing is wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan, waaronder de voorwaarde dat koper en verkoper niet zijn verbonden of dat hun verbondenheid niet van dien aard is dat de prijs erdoor wordt beïnvloed. ( 19 ) Volgens artikel 127, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie worden twee personen geacht te zijn verbonden indien zij door de wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden.

46.

In dit eerste geval moet de importeur, wanneer de door hem aangegeven transactiewaarde van de ingevoerde courgettes meer dan 8 % hoger is dan de standaardinvoerwaarde die door de Commissie is berekend op het tijdstip waarop die producten in het vrije verkeer worden gebracht, een zekerheid stellen die gelijk is aan het bedrag van de rechten die hij zou hebben betaald wanneer de betrokken producten op basis van die standaardinvoerwaarde waren ingedeeld. ( 20 ) Het bedrag aan verschuldigde variabele invoerrechten is gelijk aan nul wanneer de invoerprijs van de courgettes gelijk is aan of hoger is dan 69,2 EUR per 100 kg nettogewicht, terwijl het onder die drempel trapsgewijze toeneemt naarmate de invoerprijs afneemt. ( 21 )

47.

Bij de tweede methode van berekening kan de aftrekmethode worden gehanteerd. ( 22 ) Pro memorie: artikel 74, lid 2, onder c), van het douanewetboek van de Unie bepaalt dat wanneer de transactiewaarde niet kan worden vastgesteld, de douanewaarde wordt gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in het douanegebied van de Unie in de grootste samengevoegde hoeveelheid zijn verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de verkopers. In artikel 142 van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie wordt nader uiteengezet dat de referentieverkoop moet plaatsvinden op of omstreeks het tijdstip van de invoer van de te waarderen goederen ( 23 ), dat de verkoop aan verbonden personen niet in aanmerking komt ( 24 ) en dat, tot slot, onder meer de rechten bij invoer van de eenheidsprijs worden afgetrokken ( 25 ).

48.

Wanneer de aftrekmethode wordt gehanteerd voor een partij courgettes, bepaalt artikel 75, lid 3, van gedelegeerde verordening 2017/891 dat de rechten in mindering worden gebracht overeenkomstig artikel 38, lid 1, van uitvoeringsverordening 2017/892 en dat de importeur in dat geval een zekerheid stelt die gelijk is aan het bedrag van de rechten die hij zou hebben betaald indien de producten waren ingedeeld op basis van de geldende standaardinvoerwaarde. In dat artikel 38, lid 1, is bepaald dat de Commissie voor onder meer courgettes elke werkdag voor elke oorsprong een standaardinvoerwaarde vaststelt die gelijk is aan het gewogen gemiddelde van de in artikel 74 van gedelegeerde verordening 2017/891 bedoelde representatieve prijzen, verminderd met een standaardbedrag van 5 EUR/100 kg en met de ad-valoremdouanerechten.

49.

Aldus wordt het bedrag aan rechten dat voor een partij courgettes van de eenheidsprijs wordt afgetrokken teneinde de douanewaarde vast te stellen, berekend op basis van de standaardinvoerwaarde die voor de betrokken dag is vastgesteld, in afwachting dat het bewijs wordt geleverd dat de eenheidsprijs juist is.

50.

Bij de derde methode van berekening wordt een vereenvoudigde methode gehanteerd voor in consignatie ingevoerde goederen. Voor die goederen voorziet artikel 75, lid 4, van gedelegeerde verordening 2017/891 in de rechtstreekse toepassing van de aftrekmethode, zij het met de volgende bijzonderheid: de overeenkomstig artikel 38 van uitvoeringsverordening 2017/892 berekende standaardinvoerwaarde is van toepassing. Zoals reeds aangegeven in punt 48 van deze conclusie, bepaalt lid 1 van dat artikel dat de Commissie dagelijks een standaardinvoerwaarde berekent. In lid 2 van datzelfde artikel is bepaald dat wanneer er een standaardinvoerwaarde wordt vastgesteld, de in artikel 142 van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie bedoelde prijs per eenheid niet van toepassing is en dat die prijs wordt vervangen door de in lid 1 bedoelde standaardinvoerwaarde.

51.

Hieruit volgt dat de douanewaarde van een in consignatie ingevoerde partij courgettes wordt vastgesteld aan de hand van de standaardinvoerwaarde voor de betrokken dag. Aangezien die waarde onmiddellijk bekend is, hoeft er geen zekerheid te worden gesteld voor het geval van een latere vaststelling van de douanewaarde, zoals bij de eerste twee methoden van berekening.

52.

De definitieve vaststelling van de douanewaarde is geregeld in artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891. Daarin heet het namelijk dat de importeur binnen één maand vanaf de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht, en uiterlijk binnen vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is geaccepteerd, bewijst dat de partij is afgezet tegen zodanige condities dat de prijzen als bedoeld in artikel 70 van het douanewetboek van de Unie juist zijn, dan wel de douanewaarde bepaalt volgens de aftrekmethode. Die bepaling preciseert voorts dat de gestelde zekerheid wordt verbeurd bij niet-inachtneming van een van bovengenoemde termijnen en dat zij wordt vrijgegeven voor zover de bewijzen met betrekking tot de afzetvoorwaarden ten genoegen van de douaneautoriteiten zijn geleverd. Is dat niet het geval, dan wordt de zekerheid verbeurd bij wijze van betaling van de invoerrechten. Om te bewijzen dat de partij is afgezet tegen de hierboven genoemde voorwaarden, moet de importeur, naast de factuur, alle documenten ter beschikking stellen die nodig zijn voor de uitvoering van de relevante douanecontroles met betrekking tot de verkoop en de afzet van alle producten van de partij in kwestie, met inbegrip van documenten die verband houden met vervoer, verzekering, handling en opslag van de partij.

53.

De uitlegging van artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 staat centraal in de aan het Hof voorgelegde prejudiciële vragen. Ik zal eerst ingaan op de tweede prejudiciële vraag, die betrekking heeft op de mogelijkheid om de motivering van de douanebeschikking te wijzigen tijdens de gerechtelijke fase. Vervolgens zal ik me verdiepen in de eerste prejudiciële vraag, die het begrip „in zaken verbonden” of „verbonden” personen betreft.

B.   Tweede prejudiciële vraag

54.

De verwijzende rechter wenst in wezen te vernemen of de methode voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen op initiatief van de rechter dan wel van de importeur kan worden gewijzigd tijdens de gerechtelijke fase, dat wil zeggen na het verstrijken van de termijnen waarover de importeur overeenkomstig artikel 75, leden 5 en 6, van gedelegeerde verordening 2017/891 beschikt om de aangegeven douanewaarde te rechtvaardigen, gelet op het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de motiveringsplicht, die respectievelijk zijn neergelegd in artikel 47 en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest en in artikel 44, lid 1, en artikel 29 van het douanewetboek van de Unie, gelezen in samenhang met artikel 22, lid 7, van dit wetboek. Deze rechter wenst tevens te vernemen of de voorwaarde van artikel 70, lid 3, onder d), van het douanewetboek van de Unie betreffende verbonden personen voor het eerst kan worden onderzocht tijdens de gerechtelijke procedure, en of de aftrekmethode voor het eerst tijdens diezelfde procedure primair of bij wijze van bezwaar kan worden ingeroepen op grond dat de aangegeven transactiewaarde zeer dicht bij de volgens die aftrekmethode berekende waarde lag.

55.

Mijns inziens valt de vraag dan ook uiteen in twee onderdelen. Ten eerste, kan de motivering van de douanebeschikking in de fase van de gerechtelijke procedure worden gewijzigd, hetzij door vervanging van de motivering door de rechter, hetzij op bezwaar van de verzoekende partij? En, ten tweede, kan die nieuwe motivering van de douanebeschikking betrekking hebben op de verbondenheid tussen partijen en de invloed daarvan op de prijs in een situatie als die in het hoofdgeding?

56.

In de eerste plaats moet de wijziging van de motivering van de douanebeschikking worden onderzocht in het licht van de termijnen en de sanctie bij niet-inachtneming van die termijnen waarin artikel 75 van gedelegeerde verordening 2017/891 voorziet, waarbij eraan zij herinnerd dat de verwijzende rechter aangeeft dat hij krachtens zijn nationale recht de rechtmatigheid van de bestreden beschikking en van de niet in het verzoekschrift vermelde rechtsmiddelen ambtshalve moet toetsen, nieuwe bewijzen moet verzamelen en ambtshalve een deskundige moet aanstellen.

57.

Bij gebreke van een Unieregeling ter zake is het krachtens het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor de administratieve en de gerechtelijke procedure die moeten zorgen voor een hoog niveau van bescherming van de rechten die de justitiabelen ontlenen aan het Unierecht. De wijze van uitwerking van de door het Unierecht geboden beroepsmogelijkheden mag niet ongunstiger zijn dan de wijze waarop soortgelijke beroepsmogelijkheden voor de bescherming van aan de nationale rechtsorde ontleende rechten zijn uitgewerkt (gelijkwaardigheidsbeginsel), en mag de uitoefening van de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken (doeltreffendheidsbeginsel). ( 26 )

58.

In het onderhavige geval bestaat er echter een Unieregeling ter zake van douaneaangelegenheden die in specifieke procedureregels voorziet.

59.

Ten eerste bepaalt het douanewetboek van de Unie dat de douanecontroles voorbehouden zijn aan de douaneautoriteiten ( 27 ), dat wil zeggen de douanediensten en alle overige autoriteiten die krachtens het nationale recht belast zijn met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving. ( 28 ) Volgens dit wetboek moeten de douaneautoriteiten, voordat zij een voor de aanvrager ongunstige beschikking geven, hem meedelen op welke gronden zij voornemens zijn hun beschikking te baseren en dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om zijn standpunt binnen een bepaalde termijn kenbaar te maken. ( 29 ) Dat wetboek schrijft eveneens voor dat een voor de aanvrager ongunstige beschikking met redenen wordt omkleed en melding maakt van de mogelijkheid tot beroep als bepaald in artikel 44 ervan. ( 30 ) Daarnaast bepaalt het douanewetboek van de Unie dat het recht op beroep in twee opeenvolgende fasen kan worden uitgeoefend: eerst bij de douaneautoriteiten en vervolgens bij een hogere onafhankelijke instantie die een rechterlijke instantie kan zijn. ( 31 ) Voorts heet het in dit wetboek dat de douaneautoriteit als gerechtelijke autoriteit kan optreden ( 32 ), maar voorziet het niet in het omgekeerde.

60.

Op grond van het douanewetboek van de Unie beschikt de importeur reeds in de douanefase van het beroep over twee rechten: het recht op motivering van de ongunstige beschikking, voorafgegaan door het recht op informatie over de voorgenomen gronden. Bijgevolg kan een vervanging van de motivering – ambtshalve door de rechter dan wel op verzoek van de importeur tijdens de gerechtelijke fase en op grond van de nationale procedureregels – worden beschouwd als een douanecontrole die als zodanig moet worden voorbehouden aan de douaneautoriteiten van de lidstaat krachtens het douanewetboek van de Unie dat, als bijzondere regeling ten opzichte van die procedureregels, voorrang moet hebben. In dit verband geeft de verwijzende rechter niet aan of hij krachtens wet- of regelgeving belast is met de toepassing van bepaalde onderdelen van de douanewetgeving.

61.

Bijgevolg zijn deze uitwerking van de geboden beroepsmogelijkheden in twee fasen (douanefase en gerechtelijke fase) en de aanscherping van de verplichting tot voorafgaande informatieverstrekking en van de motiveringsplicht van dien aard dat zij het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en het recht op motivering, zoals respectievelijk neergelegd in artikel 47 en artikel 41, lid 2, onder c), van het Handvest, waarborgen.

62.

Ten tweede voorziet artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 in een dubbele termijn waarbinnen de importeur moet bewijzen dat de partij is afgezet tegen zodanige condities dat de prijzen als bedoeld in artikel 70 van het douanewetboek van de Unie juist zijn, dan wel de douanewaarde moet bepalen volgens de aftrekmethode. Het verstrijken van die termijnen (één maand vanaf de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht, en uiterlijk binnen vier maanden vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is geaccepteerd), alsook het ontbreken van bewijs dat de goederen onder de gestelde voorwaarden zijn afgezet, leiden tot verbeuring van de zekerheid. ( 33 ) De niet-inachtneming van de voorwaarden van artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 leidt dus tot één enkele sanctie: de verbeuring van de op basis van de standaardinvoerwaarde berekende zekerheid.

63.

Die bijzonderheid van de douaneregeling voor bepaalde soorten fruit en groenten, waaronder courgettes, toont perfect aan dat de methode van berekening van de douanewaarde tijdens de douanefase van de beroepsprocedure moet worden gekozen. Het is dus aan de importeur om de douanewaarde aan te tonen aan de hand van de gekozen berekeningsgrondslag, anders wordt de zekerheid verbeurd.

64.

Uit dit alles volgt dan ook dat de grondslag van de in aanmerking genomen douanewaarde niet kan worden gewijzigd tijdens de gerechtelijke fase van het beroep tegen een douanebeschikking, aangezien dit erop zou neerkomen dat de importeur wordt beroofd van zijn recht op voorafgaande informatie over de gronden voor een eventueel ongunstige douanebeschikking en van zijn recht op motivering van die ongunstige douanebeschikking.

65.

In de tweede plaats rijst de vraag of de nieuwe voor de rechter aangevoerde motivering naar haar aard betrekking kan hebben op de verbondenheid tussen de betrokkenen en de invloed daarvan op de prijs in een situatie als die in het hoofdgeding.

66.

Ter terechtzitting heeft OGL-Food immers aangegeven dat zij tijdens de gerechtelijke procedure niet had verzocht om wijziging van de methode van berekening van de douanewaarde naar de aftrekmethode ( 34 ), maar ter rechtvaardiging van de afzetvoorwaarden voor de op basis van hun transactiewaarde aangegeven producten, gebruik had willen maken van de mogelijkheid die artikel 134, lid 2, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie biedt om aan te tonen dat de transactiewaarde de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, zoals bepaald overeenkomstig de aftrekmethode, zeer dicht benaderde.

67.

Er zij echter op gewezen dat dit artikel 134 van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie een uitvoeringsbepaling is van artikel 70, lid 3, onder d), van het douanewetboek van de Unie en van toepassing is op transacties tussen verbonden personen.

68.

Tijdens de douanefase heeft de importeur zich echter niet beroepen op zijn verbondenheid met de afnemer op het eerste handelsniveau. Hij heeft evenmin de eventuele overeenkomst met die laatste overgelegd, waarom de douanedienst had verzocht, en heeft a fortiori ook niet getracht aan te tonen dat die verbondenheid de prijs niet had beïnvloed. In die fase had hij immers onder verwijzing naar artikel 134, lid 2, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie kunnen bewijzen dat de afzetvoorwaarden voor de ingevoerde producten in acht waren genomen, hetgeen tevens het bewijs had ingehouden van verbondenheid tussen hem en de afnemer op het eerste handelsniveau overeenkomstig de nadere bepalingen van artikel 127 van die uitvoeringsverordening ( 35 ), alsook van het ontbreken van enige invloed daarvan op de prijs.

69.

Bovendien hebben de gronden die door de directeur van de douane zijn aangevoerd geen betrekking op de hoedanigheid van verbonden personen, maar zijn zij gebaseerd op twee andere elementen: de hoge aankoopprijs bij invoer (40,75 % hoger dan de standaardinvoerwaarde) en de doorverkoop met verlies.

70.

Bijgevolg is het argument dat de transactiewaarde de douanewaarde zeer dicht benaderde, volstrekt nieuw ten opzichte van de door de directeur van de douane in aanmerking genomen gronden en komt het aanvoeren daarvan in de gerechtelijke fase erop neer dat de rechter wordt verzocht om zelf de douanecontrole uit te voeren, hetgeen verder gaat dan het louter formuleren van bezwaren tegen de aangevoerde gronden zelf.

71.

Ik geef dan ook in overweging om de tweede prejudiciële vraag aldus te beantwoorden dat artikel 75, leden 2, 5 en 6, van gedelegeerde verordening 2017/891, gelezen in het licht van artikel 5, punten 1 en 3, artikel 22, lid 6, artikel 29 en artikel 44, lid 2, van het douanewetboek van de Unie, aldus moet worden uitgelegd dat de termijnen en de sanctie bij niet-inachtneming van die termijnen die daarin zijn vastgelegd, zich ertegen verzetten dat de motivering van de douanebeschikking tijdens de gerechtelijke fase van het beroep tegen die beschikking wordt gewijzigd, ook met betrekking tot de gekozen methode van berekening van de douanewaarde of het begrip „verbonden personen” in de zin van artikel 70, lid 3, onder d), van het douanewetboek van de Unie.

C.   Eerste prejudiciële vraag

72.

Met zijn eerste prejudiciële vraag vraagt de verwijzende rechter het Hof welke gegevens relevant zijn om te bewijzen dat personen de hoedanigheid hebben van in zaken verbonden personen dan wel van verbonden personen in de zin van artikel 127, lid 1, onder b), en artikel 142, lid 4, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie. Verder vraagt hij zich af of bij de verificatie krachtens artikel 75 van gedelegeerde verordening 2017/891, teneinde fraude op het gebied van douanerechten tegen te gaan, moet worden beoordeeld of de relatie tussen de handelaren van invloed is geweest op de vaststelling van een hogere prijs voor goederen die vervolgens met verlies zijn doorverkocht.

73.

Gezien het antwoord op de tweede prejudiciële vraag, stel ik voor om deze vraag subsidiair te behandelen.

74.

In het recente arrest van 9 juni 2022, Baltic Master ( 36 ), heeft het Hof geoordeeld dat artikel 181 bis van de uitvoeringsverordening – dat is ingevoegd bij de wijziging van de uitvoeringsverordening door verordening (EG) nr. 3254/94 van de Commissie van 19 december 1994 ( 37 ) – de douaneautoriteiten toestaat om de transactiewaarde voor de vaststelling van de douanewaarde terzijde te schuiven wanneer zij van mening zijn dat de aangegeven waarde van de ingevoerde goederen niet de werkelijke waarde is, ongeacht of de importeur en de exporteur verbonden zijn. ( 38 ) Gelet op de algemeenheid van die formulering, kan zij naar analogie worden uitgebreid tot artikel 140 van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie, waarin de bepalingen van dat artikel 181 bis over de niet-aanvaarding van de aangegeven transactiewaarde in wezen zijn overgenomen. Genoemd artikel 140 bepaalt namelijk ten eerste dat „[w]anneer de douaneautoriteiten gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag zoals bedoeld in artikel 70, lid 1, van het [douanewetwetboek van de Unie], […] zij de aangever om aanvullende informatie [kunnen] vragen”, en ten tweede dat „[w]anneer hun twijfels niet worden weggenomen, […] de douaneautoriteiten [kunnen] besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 70, lid 1, van [dat] wetboek”.

75.

In datzelfde arrest heeft het Hof tevens geoordeeld dat „met betrekking tot de verbondenheid van personen vanwege hun zakelijke verbondenheid zoals bedoeld in artikel 143, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening[ ( 39 )], [moet] worden benadrukt dat de bewoordingen van die bepaling iedere feitelijke zakelijke verbondenheid uitsluiten”. ( 40 ) Het heeft daaraan toegevoegd dat „deze bepaling, die ziet op personen die ,door de wettelijke bepalingen worden erkend als in zaken verbonden’, voor de vaststelling van verbondenheid [vereist] dat wordt aangetoond dat is voldaan aan de nationaalrechtelijke voorwaarden betreffende zakelijke verbondenheid, zodat zakelijke verbondenheid zonder juridisch karakter uitgesloten is”. ( 41 )

76.

Hieruit volgt dat de beoordeling van de juridische hoedanigheid van in zaken verbonden personen een aangelegenheid van nationaal recht is en dat de door de verwijzende rechter genoemde omstandigheden (niet-toevallige aard van de handelsrelatie, gegevens over de voor de leveringen uitgereikte facturen, betaling van de prijs, opneming van die facturen in de boekhouding en in de btw-boekhouding van de importeur, het toegepaste recht op aftrek, een aangegeven transactiewaarde die aanzienlijk hoger is dan de standaardinvoerwaarde in combinatie met een doorverkoop met verlies, ontbreken van een handelsovereenkomst) alleen relevant kunnen zijn wanneer op basis daarvan de juridische hoedanigheid van in zaken verbonden personen naar nationaal recht komt vast te staan.

77.

Voor een antwoord op deze vraag moet echter worden nagegaan hoe de bijzondere bepalingen voor bepaalde groenten en fruit, waaronder courgettes, zich verhouden tot de algemene bepalingen van het douanewetboek van de Unie en van de uitvoeringsverordening daarvan.

78.

Voor het geval dat de importeur een transactiewaarde heeft aangegeven, bepaalt artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 immers dat hij binnen één maand vanaf de datum waarop de betrokken producten zijn verkocht, en uiterlijk binnen vier maanden te rekenen vanaf de datum waarop de aangifte voor het vrije verkeer is geaccepteerd, moet bewijzen dat de partij is afgezet tegen zodanige condities dat de prijzen als bedoeld in artikel 70 van het douanewetboek van de Unie juist zijn.

79.

Derhalve rijst de vraag of het volstaat dat de importeur bewijst dat bij de doorverkoop van de ingevoerde goederen is voldaan aan de voorwaarden van artikel 70 van het douanewetboek van de Unie, en met name aan de voorwaarde betreffende verbonden personen, dan wel of hij alleen moet aantonen dat de afzetvoorwaarden de aangegeven transactiewaarde rechtvaardigen.

80.

Het antwoord hierop is doorslaggevend voor de ontvankelijkheid van de prejudiciële vraag, want indien het enkele bewijs van het bestaan van verbondenheid tussen de importeur en de afnemer op het eerste handelsniveau en van de invloed daarvan op de prijs zou volstaan, zou de vraag naar de afzetvoorwaarden van de producten overbodig zijn.

81.

Een letterlijke lezing zou kunnen suggereren dat het bewijs van doorverkoop tegen een prijs die de aangegeven transactiewaarde rechtvaardigt, op zich volstaat. De bewoordingen van de Uniewetgever vereisen echter niet alleen dat de juistheid van de transactiewaarde wordt bewezen, maar verwijzen ook naar de afzetvoorwaarden voor de doorverkochte goederen. In artikel 75, lid 5, derde alinea, van gedelegeerde verordening 2017/891 is immers bepaald dat de gestelde zekerheid alleen wordt vrijgegeven voor zover de bewijzen met betrekking tot de afzetvoorwaarden ten genoegen van de douaneautoriteiten zijn geleverd.

82.

Gelet op de doelstelling van die bepaling, namelijk het voorkomen van frauduleuze overfacturering bij invoer ter ontwijking van douanerechten, is het echter kennelijk noodzakelijk om de voorwaarden van artikel 70 van het douanewetboek van de Unie volledig te vermelden. Wanneer er bij de facturering van het uitgevoerde product sprake kan zijn van collusie tussen verbonden partijen, kan dat immers ook het geval zijn bij de doorverkoop ervan op het grondgebied van de Unie, waardoor het ter rechtvaardiging van de transactiewaarde van belang is dat producten niet kunnen worden doorverkocht aan verbonden personen of dat wordt vastgesteld dat die verbondenheid de prijs niet heeft beïnvloed. Het Unierecht betreffende de vaststelling van de douanewaarde beoogt een billijk, uniform en neutraal systeem in te voeren dat het gebruik van willekeurige of fictieve douanewaarden uitsluit. De douanewaarde moet bijgevolg de werkelijke economische waarde van een ingevoerd goed weergeven. ( 42 )

83.

Bijgevolg kan de transactiewaarde niet worden gebruikt wanneer het bestaan van verbondenheid tussen personen bij de aankoop van producten voor uitvoer en doorverkoop ervan in het douanegebied van de Unie de prijs heeft beïnvloed. In dat geval bepaalt de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie dat de transactiewaarde alsnog kan worden gebruikt, zelfs in het geval van verbonden partijen, wanneer zij de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, zoals bepaald overeenkomstig de aftrekmethode ( 43 ), zeer dicht benadert, met uitsluiting van elke vergelijking met de douanewaarde van ingevoerde goederen.

84.

Die doelstelling om recht te doen aan de economische realiteit van de aankoop en doorverkoop door het juiste bedrag aan douanerechten te bepalen, kan echter eveneens worden bereikt via de bewijsplicht met betrekking tot de afzetvoorwaarden, aangezien abnormale afzetvoorwaarden kunnen duiden op collusie tussen verbonden personen met het oog op prijsbeïnvloeding. Die bewijsplicht met betrekking tot de afzetvoorwaarden kan dan ook worden gezien als een vereenvoudigde bewijsvoering voor het ontbreken van enige invloed van eventuele verbondenheid tussen de partijen op de prijs. Die uitlegging strookt met de doelstelling van de specifieke verordening voor bederfelijke soorten groenten en fruit, namelijk het vergemakkelijken van de waardebepaling ervan met het oog op de berekening van de invoerprijs, aangezien het feit dat bederfelijke soorten groenten en fruit grotendeels in consignatie worden geleverd, het bijzonder moeilijk maakt de waarde ervan te bepalen. ( 44 ) Voornoemde uitlegging vindt ook steun in het feit dat bij niet-overlegging van de in artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 vereiste bewijselementen binnen de aangegeven termijn, de op basis van de standaardinvoerwaarde berekende zekerheid aan de douanedienst wordt verbeurd.

85.

Uit het voorgaande volgt dat, zelfs indien de verwijzende rechter tot de bevinding zou komen dat de marktdeelnemers verbonden zijn – hetgeen niet het geval is –, die bevinding niet zou volstaan om aan te tonen dat de voorwaarden van artikel 75, lid 5, van gedelegeerde verordening 2017/891 zijn vervuld, en met name dat de producten zijn afgezet tegen zodanige condities dat de prijzen juist zijn. Het antwoord op deze vraag lijkt dan ook niet relevant voor de beslechting van het geding, en de vraag lijkt derhalve niet-ontvankelijk te zijn.

86.

Subsidiair geef ik in overweging om de vraag te beantwoorden als volgt: artikel 70, lid 3, onder d), van het douanewetboek van de Unie en artikel 127, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie moeten aldus worden uitgelegd dat de koper en de verkoper niet kunnen worden geacht door de wettelijke bepalingen te zijn erkend als in zaken verbonden indien zij niet aantonen dat is voldaan aan de voorwaarden van de nationaalrechtelijke bepalingen met betrekking tot in zaken verbonden personen, hetgeen zakelijke verbondenheid zonder juridisch karakter uitsluit.

V. Conclusie

87.

Gelet op een en ander geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vragen van de Administrativen sad Sofia-grad te beantwoorden als volgt:

„1)

Artikel 75, leden 2, 5 en 6, van gedelegeerde verordening (EU) 2017/891 van de Commissie van 13 maart 2017 tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit en tot aanvulling van verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de in deze sectoren toe te passen sancties en tot wijziging van uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie, zoals gewijzigd bij gedelegeerde verordening (EU) 2018/1145 van de Commissie van 7 juni 2018, gelezen in het licht van artikel 5, punten 1 en 3, artikel 22, lid 6, artikel 29 en artikel 44, lid 2, van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, zoals gewijzigd bij verordening (EU) 2016/2339 van het Europees Parlement en de Raad van 14 december 2016,

moet aldus worden uitgelegd dat

de termijnen en de sanctie bij niet-inachtneming van die termijnen die daarin zijn vastgelegd, zich ertegen verzetten dat de motivering van de douanebeschikking tijdens de gerechtelijke fase van het beroep tegen die beschikking wordt gewijzigd, ook met betrekking tot de gekozen methode van berekening van de douanewaarde of het begrip ,verbonden personen’ in de zin van artikel 70, lid 3, onder d), van verordening nr. 952/2013, zoals gewijzigd bij verordening 2016/2339.

2)

De eerste prejudiciële vraag is niet-ontvankelijk, maar dient subsidiair te worden beantwoord als volgt:

Artikel 70, lid 3, onder d), van verordening nr. 952/2013, zoals gewijzigd bij verordening 2016/2339, en artikel 127, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie, zoals gewijzigd bij uitvoeringsverordening (EU) 2018/604 van de Commissie van 18 april 2018,

moeten aldus worden uitgelegd dat

de koper en de verkoper niet kunnen worden geacht door de wettelijke bepalingen te zijn erkend als in zaken verbonden indien zij niet aantonen dat is voldaan aan de voorwaarden van de nationaalrechtelijke bepalingen met betrekking tot in zaken verbonden personen, hetgeen zakelijke verbondenheid zonder juridisch karakter uitsluit.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.

( 2 ) PB 2013, L 269, blz. 1.

( 3 ) PB 2016, L 354, blz. 32; hierna: „douanewetboek van de Unie”.

( 4 ) PB 2015, L 343, blz. 558.

( 5 ) PB 2018, L 101, blz. 22; hierna: „uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie”.

( 6 ) PB 2017, L 138, blz. 4.

( 7 ) PB 2018, L 208, blz. 1; hierna: „gedelegeerde verordening 2017/891”.

( 8 ) PB 2013, L 347, blz. 671.

( 9 ) PB 2017, L 350, blz. 15; hierna: „verordening nr. 1308/2013”.

( 10 ) Verordening van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1992, L 302, blz. 1). Deze verordening is ingetrokken bij verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB 2008, L 145, blz. 1), die op haar beurt is ingetrokken bij het douanewetboek van de Unie.

( 11 ) Verordening van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 46/1999 van de Commissie van 8 januari 1999 (PB 1999, L 10, blz. 1) (hierna: „uitvoeringsverordening”), ingetrokken bij uitvoeringsverordening (EU) 2016/481 van de Commissie van 1 april 2016 (PB 2016, L 87, blz. 24) na de inwerkingtreding van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie.

( 12 ) Uitvoeringsverordening van de Commissie van 13 maart 2017 tot vaststelling van voorschriften voor de toepassing van verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit (PB 2017, L 138, blz. 57).

( 13 ) PB 1987, L 256, blz. 1.

( 14 ) PB 2018, L 273, blz. 1; hierna: „verordening nr. 2658/87”.

( 15 ) Hierna: „beschikking van 30 oktober 2020”.

( 16 ) Hierna: „aftrekmethode”.

( 17 ) Artikel 75, lid 2, van gedelegeerde verordening 2017/891.

( 18 ) Artikel 70, lid 1, van het douanewetboek van de Unie.

( 19 ) Artikel 70, lid 3, onder d), van het douanewetboek van de Unie.

( 20 ) Artikel 75, lid 2, van gedelegeerde verordening 2017/891.

( 21 ) Zie punt 22 van deze conclusie.

( 22 ) Artikel 75, lid 3, van gedelegeerde verordening 2017/891.

( 23 ) Artikel 142, lid 1, van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie.

( 24 ) Artikel 142, lid 4, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie.

( 25 ) Artikel 142, lid 5, onder c), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie.

( 26 ) Zie arrest van 12 januari 2023, Nemzeti Adatvédelmi és Információszabadság Hatóság (C‑132/21, EU:C:2023:2, punten 45 en 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 27 ) Artikel 5, punt 3, van het douanewetboek van de Unie.

( 28 ) Artikel 5, punt 1, van het douanewetboek van de Unie.

( 29 ) Artikel 22, lid 6, van het douanewetboek van de Unie.

( 30 ) Artikel 22, lid 7, van het douanewetboek van de Unie.

( 31 ) Artikel 44, lid 2, van het douanewetboek van de Unie.

( 32 ) Artikel 29 van het douanewetboek van de Unie.

( 33 ) Zie punt 52 van deze conclusie.

( 34 ) Tweede methode van berekening, zie punt 47 van deze conclusie.

( 35 ) Hoedanigheid van functionaris of directeur in de onderneming van de andere persoon; zij worden wettelijk erkend als in zaken verbonden; dezelfde derde partij bezit, heeft zeggenschap over of houdt direct of indirect 5 % of meer van het stemgerechtigde kapitaal of de aandelen van beiden; arbeidsverhouding; directe of indirecte zeggenschap over de ander; dezelfde derde partij heeft direct of indirect zeggenschap over beiden; verwantschapsband.

( 36 ) C‑599/20, EU:C:2022:457.

( 37 ) PB 1994, L 346, blz. 1.

( 38 ) Zie arrest van 9 juni 2022, Baltic Master (C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 39 ) Identiek aan artikel 127, lid 1, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie.

( 40 ) Arrest van 9 juni 2022, Baltic Master (C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 35).

( 41 ) Arrest van 9 juni 2022, Baltic Master (C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 36).

( 42 ) Zie arrest van 9 juni 2022, Baltic Master (C‑599/20, EU:C:2022:457, punt 24).

( 43 ) Artikel 134, lid 2, onder b), van de uitvoeringsverordening douanewetboek van de Unie.

( 44 ) Overweging 31 van gedelegeerde verordening 2017/891.