Voorlopige editie

CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

P. PIKAMÄE

van 3 februari 2022 (1)

Zaak C121/21

Tsjechische Republiek

tegen

Republiek Polen

„Niet-nakoming – artikel 259 VWEU – Verlenging van een vergunning voor de exploitatie van de mijn in Turów in Polen nabij de Tsjechische grens – Geschil tussen de Tsjechische Republiek en de Republiek Polen over de milieueffecten in Tsjechië – Richtlijn 2011/92/EU – Milieueffectbeoordeling (MEB) van bepaalde projecten – Strijdigheid van de nationale wetgeving, het MEB-besluit en de exploitatievergunning met het Unierecht”






I.      Inleiding

1.        Met haar krachtens artikel 259 VWEU ingediende verzoekschrift verzoekt de Tsjechische Republiek, ondersteund door de Europese Commissie, het Hof om vast te stellen dat de Republiek Polen verscheidene Unieregels inzake milieubescherming heeft geschonden door maatregelen vast te stellen in het kader van de administratieve procedure die strekt tot verlenging van de mijnbouwconcessie voor de bruinkoolmijn in Turów (Polen) tot 2026.

2.        Het geschil in de onderhavige zaak betreft de grensoverschrijdende effecten van de mijnbouwactiviteiten van de Poolse exploitant van bovengenoemde mijn en is een twistappel tussen de twee lidstaten. Enerzijds stelt de Tsjechische Republiek dat haar burgers die dicht bij de grens wonen, onrechtmatig worden getroffen door de milieueffecten van de mijnbouwactiviteiten, namelijk een aanzienlijke daling van het grondwaterpeil en grondverzakkingen. Anderzijds betoogt de Republiek Polen dat de sluiting van de mijn zou leiden tot zware economische verliezen, zowel wat de energievoorziening als de werkgelegenheid betreft.

3.        Aangezien dit het eerste uitsluitend op het gebied van het milieurecht van de Unie betrekking hebbende geschil tussen staten betreft dat aan het Hof wordt voorgelegd, kan het arrest van het Hof in deze zaak een belangrijke bijdrage leveren aan de rechtspraak van de internationale rechterlijke instanties.(2) In dit verband valt te hopen dat de bevindingen van het Hof in zijn arrest een basis zullen vormen waarop de twee lidstaten tot een overeenkomst in der minne kunnen komen waarbij zij, in een geest van goed nabuurschap en met volledige inachtneming van het Unierecht, hun respectieve belangen met elkaar kunnen verzoenen.

II.    Toepasselijke bepalingen

A.      Unierecht

1.      Richtlijn 2000/60

4.        Artikel 4, leden 1, 4 en 5, van richtlijn 2000/60/EG(3) bepaalt:

„1.      Bij de tenuitvoerlegging van het in het stroomgebiedsbeheersplan omschreven maatregelenprogramma:

a)      voor oppervlaktewateren

[...]

ii)      beschermen, verbeteren en herstellen de lidstaten alle oppervlaktewateren, onder voorbehoud van punt iii) voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen, met de bedoeling uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een goede toestand van het oppervlaktewater overeenkomstig bijlage V te bereiken, onder voorbehoud van verlengingen in overeenstemming met lid 4 en toepassing van de leden 5, 6 en 7 en onverminderd lid 8;

[...]

b)      voor grondwater

[...]

ii)      beschermen, verbeteren en herstellen de lidstaten alle grondwaterlichamen en zorgen voor een evenwicht tussen onttrekking en aanvulling van grondwater, met de bedoeling uiterlijk 15 jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn een goede grondwatertoestand overeenkomstig de bepalingen van bijlage V te bereiken, onder voorbehoud van verlengingen overeenkomstig lid 4 en toepassing van de leden 5, 6 en 7 en onverminderd lid 8 van dit artikel en onder voorbehoud van toepassing van artikel 11, lid 3, onder j);

[...]

4.      De in lid 1 gestelde termijnen kunnen met het oog op het gefaseerde bereiken van de doelstellingen voor waterlichamen worden verlengd, mits de toestand van het aangetaste waterlichaam niet verder verslechtert, wanneer aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan:

a)      De lidstaten stellen vast dat alle noodzakelijke verbeteringen in de toestand van de waterlichamen redelijkerwijs niet binnen de in lid 1 bepaalde termijnen kunnen worden bereikt om ten minste een van de volgende redenen:

i)      de vereiste verbeteringen zijn technisch slechts haalbaar in perioden die de gestelde termijn overschrijden;

ii)      de verwezenlijking van de verbeteringen binnen de termijn zou onevenredig kostbaar zijn;

iii)      de natuurlijke omstandigheden beletten een tijdige verbetering van de toestand van het waterlichaam;

b)      de verlenging van de termijn en de redenen daarvoor worden in het krachtens artikel 13 verplichte stroomgebiedsbeheersplan specifiek vermeld en toegelicht;

c)      verlengingen worden beperkt tot maximaal twee bijwerkingen van het stroomgebiedsbeheersplan, behalve wanneer de natuurlijke omstandigheden van dien aard zijn dat de doelstellingen niet binnen die termijn kunnen worden bereikt;

d)      in het stroomgebiedsbeheersplan wordt een overzicht gegeven van de ingevolge artikel 11 vereiste maatregelen die noodzakelijk worden geacht om de waterlichamen vóór het verstrijken van de verlengde termijn geleidelijk in de vereiste toestand te brengen, de redenen voor significante vertraging bij de operationalisering van deze maatregelen, alsmede het vermoedelijke tijdschema voor de uitvoering ervan. In de bijwerkingen van het stroomgebiedsbeheersplan wordt een evaluatie van de uitvoering van die maatregelen opgenomen, alsmede een overzicht van eventuele extra maatregelen.

5.      De lidstaten mogen voor specifieke waterlichamen minder strenge milieudoelstellingen vaststellen dan in lid 1 worden voorgeschreven, wanneer die lichamen in een zodanige mate door menselijke activiteiten zijn aangetast zoals bepaald overeenkomstig artikel 5, lid 1, of hun natuurlijke gesteldheid van dien aard is dat het bereiken van die doelstellingen niet haalbaar of onevenredig kostbaar zou zijn, en aan alle navolgende voorwaarden wordt voldaan:

a)      Aan de ecologische en sociaal-economische behoeften die door zulke menselijke activiteiten worden gediend, kan niet worden voldaan met andere, voor het milieu aanmerkelijk gunstigere middelen die geen onevenredig hoge kosten met zich brengen;

b)      de lidstaten dragen er zorg voor dat

–        voor oppervlaktewateren de best mogelijke ecologische en chemische toestand wordt bereikt die haalbaar is, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;

–        voor grondwateren zo gering mogelijke veranderingen in de goede grondwatertoestand optreden, gezien de redelijkerwijs niet te vermijden effecten vanwege de aard van de menselijke activiteiten of verontreiniging;

c)      er treedt geen verdere achteruitgang op in de toestand van het aangetaste waterlichaam;

d)      de vaststelling van minder strenge milieudoelstellingen en de redenen daarvoor worden in het krachtens artikel 13 verplichte stroomgebiedsbeheersplan specifiek vermeld, en die doelstellingen worden om de zes jaar getoetst.”

2.      Richtlijn 2003/4

5.        Artikel 7, leden 1 en 2, van richtlijn 2003/4/EG(4) luidt als volgt:

„1.      De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de overheidsinstanties de milieu-informatie die relevant is voor hun taak en waarover zij beschikken of die voor hen wordt beheerd, ordenen met het oog op een actieve en systematische verspreiding onder het publiek, met name door middel van computertelecommunicatie en/of elektronische technologie wanneer deze voorhanden is.

[...]

2.      Ten minste de volgende informatie wordt op passende wijze bijgewerkt, beschikbaar gesteld en verspreid:

[...]

f)      vergunningen die belangrijke gevolgen hebben voor het milieu, alsmede milieuakkoorden of een verwijzing naar de plaats waar de informatie kan worden opgevraagd of gevonden in het kader van artikel 3;

[...]”

3.      MEB-richtlijn

6.        Artikel 1 van richtlijn 2011/92/EU(5) bepaalt:

„1.      Deze richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

2.      In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)      ‚project’:

–        de uitvoering van bouwwerken of de totstandbrenging van andere installaties of werken,

–        andere ingrepen in natuurlijk milieu of landschap, inclusief de ingrepen voor de ontginning van bodemschatten;

[...]

c)      ‚vergunning’: het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren;

[...]”

7.        Artikel 2, leden 1 en 2, van deze richtlijn luidt:

„1.      De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten op het milieu plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend. Deze projecten worden omschreven in artikel 4.

2.      De milieueffectbeoordeling kan worden geïntegreerd in de bestaande procedures van de lidstaten voor het verlenen van vergunningen voor projecten of, bij gebreke hiervan, in andere procedures of in de procedures die moeten worden ingesteld om aan de doelstellingen van deze richtlijn te voldoen.”

8.        Krachtens artikel 3, lid 1, onder c), van deze richtlijn worden bij de milieueffectbeoordeling de directe en indirecte aanzienlijke effecten van een project per geval op passende wijze geïdentificeerd, beschreven en beoordeeld, met name wat het water betreft.

9.        Artikel 4 van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.      Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, worden de in bijlage I genoemde projecten onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10.

2.      Onder voorbehoud van artikel 2, lid 4, bepalen de lidstaten voor de in bijlage II genoemde projecten of het project al dan niet moet worden onderworpen aan een beoordeling overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 10, zulks:

a)      door middel van een onderzoek per geval,

of

b)      aan de hand van door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden of criteria.

De lidstaten kunnen besluiten om beide onder a) en b) genoemde procedures toe te passen.

[...]

4.      Wanneer de lidstaten beslissen een besluit te vereisen voor in bijlage II genoemde projecten, verstrekt de opdrachtgever informatie over de kenmerken van het project en over de waarschijnlijk aanzienlijke effecten daarvan op het milieu. De gedetailleerde lijst van de te verstrekken informatie is vastgesteld in bijlage IIA. De opdrachtgever houdt, voor zover relevant, rekening met de beschikbare resultaten van andere relevante beoordelingen van de milieueffecten, die zijn gedaan op grond van andere wetgeving van de Unie dan deze richtlijn. De opdrachtgever kan tevens een beschrijving verstrekken van kenmerken van het project en/of van de geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

5.      De bevoegde instantie neemt haar besluit op basis van de door de opdrachtgever overeenkomstig lid 4 verstrekte informatie waarbij zij, voor zover relevant, rekening houdt met de resultaten van voorafgaande controles of op grond van andere milieuwetgeving van de Unie dan deze richtlijn uitgevoerde beoordelingen van de effecten op het milieu. Het besluit wordt openbaar gemaakt en:

a)      bevat, indien besloten wordt dat het project aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen, de belangrijkste redenen waarom het project aan een dergelijke beoordeling moet worden onderworpen, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van bijlage III, of

b)      bevat, indien besloten wordt dat het project niet aan een milieueffectbeoordeling hoeft te worden onderworpen, de belangrijkste redenen waarom het project niet aan een dergelijke beoordeling hoeft te worden onderworpen, waarbij verwezen wordt naar de relevante criteria van de lijst van bijlage III, en, indien de opdrachtgever deze heeft voorgesteld, kenmerken van het project en/of geplande maatregelen om te vermijden of te voorkomen wat anders wellicht aanzienlijke nadelige milieueffecten zouden zijn geweest.

6.      De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde instantie haar besluit zo snel mogelijk neemt, en uiterlijk binnen een termijn van 90 dagen na de datum waarop de opdrachtgever alle op grond van lid 4 vereiste informatie heeft ingediend. In uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld afhankelijk van de aard, de complexiteit, de locatie of de omvang van het project, kan de bevoegde instantie die termijn verlengen; in dat geval deelt zij de opdrachtgever schriftelijk mee welke redenen aan de basis liggen van de termijnverlenging en op welke datum een besluit wordt verwacht.”

10.      Artikel 5, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn luidt:

„1.      Wanneer een milieueffectbeoordeling is vereist, dient de opdrachtgever een milieueffectbeoordelingsrapport op te stellen en in te dienen. [...]

[...]

2.      Op verzoek van de opdrachtgever brengt de bevoegde instantie, met inachtneming van de door de opdrachtgever verstrekte informatie, met name over de specifieke kenmerken van het project (inclusief de locatie en de technische capaciteit ervan) en over de te verwachten milieueffecten ervan, een advies uit over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de door de opdrachtgever in het milieueffectbeoordelingsrapport op te nemen informatie overeenkomstig lid 1 van dit artikel. De bevoegde instantie raadpleegt de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties voordat zij haar advies uitbrengt.

De lidstaten kunnen de bevoegde instanties er tevens toe verplichten een advies als bedoeld in de eerste alinea, te verstrekken, ongeacht of de opdrachtgever daarom verzoekt.”

11.      Artikel 6 van die richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de instanties die op grond van hun specifieke verantwoordelijkheden op milieugebied of op grond van hun lokale of regionale bevoegdheden met het project te maken kunnen krijgen, de gelegenheid krijgen om advies uit te brengen over de door de opdrachtgever verstrekte informatie en over de aanvraag om een vergunning, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de in artikel 8 bis, lid 3, genoemde gevallen. Daartoe wijzen de lidstaten in het algemeen of per geval de te raadplegen instanties aan. Deze instanties worden in kennis gesteld van de krachtens artikel 5 verzamelde informatie. Nadere regelingen betreffende deze raadplegingen worden door de lidstaten vastgesteld.

2.      Om te zorgen dat het betrokken publiek daadwerkelijk inspraak krijgt in de besluitvormingsprocedure, wordt het publiek in een vroegtijdig stadium van de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures en ten laatste zodra er redelijkerwijs informatie kan worden verstrekt, langs elektronische weg en via openbare bekendmakingen of andere passende middelen op de hoogte gebracht [...]:

[...]

3.      De lidstaten zorgen ervoor dat het volgende binnen een redelijke termijn aan het betrokken publiek ter beschikking wordt gesteld:

[...]

c)      overeenkomstig de bepalingen van [richtlijn 2003/4], andere informatie dan de in lid 2 bedoelde die relevant is voor het besluit overeenkomstig artikel 8 van deze richtlijn en die pas beschikbaar wordt nadat het betrokken publiek overeenkomstig lid 2 van dit artikel is geïnformeerd.

4.      Het betrokken publiek dient in een vroeg stadium reële mogelijkheden tot inspraak in de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures te krijgen en heeft daartoe het recht, wanneer alle opties open zijn, opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s) voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen.

5.      De nadere regelingen voor het informeren van het publiek, bijvoorbeeld met aanplakbiljetten binnen een bepaalde omtrek of publicatie in lokale kranten, en voor de raadpleging van het betrokken publiek, bijvoorbeeld schriftelijk of met een openbare enquête, worden vastgesteld door de lidstaten. De lidstaten treffen de nodige maatregelen om te waarborgen dat de relevante informatie langs elektronische weg beschikbaar wordt gesteld aan het publiek, ten minste via een centraal portaal of gemakkelijk toegankelijke toegangspunten, op het geschikte bestuursniveau.

6.      Er wordt voor de verschillende fasen in redelijke termijnen voorzien met voldoende tijd om:

a)      de in lid 1 bedoelde instanties en het publiek te informeren, en

b)      het betrokken publiek en de in lid 1 bedoelde instanties de gelegenheid te bieden zich voor te bereiden en daadwerkelijk deel te nemen aan de milieubesluitvorming als bedoeld in dit artikel.

7.      De termijn waarbinnen het betrokken publiek wordt geraadpleegd over het in artikel 5, lid 1, bedoelde milieueffectbeoordelingsrapport bedraagt ten minste 30 dagen.”

12.      Artikel 7 van die richtlijn luidt:

„1.      Wanneer een lidstaat constateert dat een project vermoedelijk aanzienlijke milieueffecten zal hebben in een andere lidstaat of wanneer een lidstaat waarvan het milieu vermoedelijk aanzienlijke effecten zal ondervinden, hierom verzoekt, doet de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, de andere lidstaat zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk wanneer hij zijn eigen publiek informeert, onder meer toekomen:

a)      een beschrijving van het project, met alle beschikbare informatie over het mogelijke grensoverschrijdende effect ervan;

b)      informatie over de aard van de beslissing die kan worden genomen.

De lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren geeft de andere lidstaat een redelijke termijn om kenbaar te maken of hij wenst deel te nemen aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures; tevens kan hij de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie verstrekken.

2.      Wanneer een lidstaat die krachtens lid 1 informatie ontvangt, aangeeft dat hij voornemens is aan de in artikel 2, lid 2, bedoelde milieubesluitvormingsprocedures deel te nemen, zendt de lidstaat op het grondgebied waarvan men het project wil uitvoeren, voor zover hij dit nog niet heeft gedaan, de betrokken lidstaat de informatie toe die krachtens artikel 6, lid 2, moet worden verstrekt en die krachtens artikel 6, lid 3, onder a) en b), ter beschikking moet worden gesteld.

[...]

5.      De nadere regelingen voor de toepassing van de leden 1 tot en met 4 van dit artikel, met inbegrip van de vaststelling van de raadplegingstermijnen, worden bepaald door de betrokken lidstaten op basis van de in artikel 6, leden 5 tot [en met] 7, bedoelde regelingen en termijnen en moeten het betrokken publiek op het grondgebied van de getroffen lidstaat reële inspraakmogelijkheden verschaffen in de milieubesluitvormingsprocedures als bedoeld in artikel 2, lid 2, voor het project.”

13.      Artikel 8 van die richtlijn bepaalt:

„De resultaten van de raadplegingen en de krachtens de artikelen 5 tot [en met] 7 verzamelde informatie worden in het kader van de vergunningsprocedure terdege in aanmerking genomen.”

14.      Artikel 8 bis van de MEB-richtlijn bepaalt:

„1.      Het besluit om een vergunning te verlenen bevat ten minste de volgende informatie:

[...]

b)      alle aan het besluit gekoppelde milieuvoorwaarden, alsmede een beschrijving van alle kenmerken van het project en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren en, in voorkomend geval, monitoringmaatregelen.

[...]

3.      Wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de in artikel 2, lid 2, bedoelde procedures andere dan de vergunningsprocedures, worden de vereisten van de leden 1 en 2 van dit artikel, in voorkomend geval, geacht te zijn vervuld wanneer een in deze procedures genomen besluit de in die leden bedoelde informatie bevat en er mechanismen zijn vastgesteld die de vervulling van de vereisten van lid 6 van dit artikel mogelijk maken.

[...]”

15.      Artikel 9 van deze richtlijn luidt als volgt:

„1.      Wanneer een beslissing over het verlenen of weigeren van een vergunning is genomen, brengen de bevoegde [instanties] het betrokken publiek en de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties, overeenkomstig de nationale procedures daarvan onverwijld op de hoogte en zorgen zij ervoor dat de volgende informatie ter beschikking van het publiek en de in artikel 6, lid 1, bedoelde instanties wordt gesteld, waarbij in voorkomend geval rekening wordt gehouden met de in artikel 8 bis, lid 3, bedoelde gevallen:

a)      de inhoud van de beslissing en de eventuele voorwaarden die daaraan zijn gekoppeld zoals bedoeld in artikel 8 bis, leden 1 en 2;

b)      de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van informatie over de inspraakprocedure. Dit omvat tevens de samenvatting van de resultaten van de raadplegingen en krachtens de artikelen 5 tot [en met] 7 ingewonnen informatie en de wijze waarop deze zijn meegenomen of op een of andere manier behandeld, met name de van de in artikel 7 bedoelde getroffen lidstaat ontvangen opmerkingen.

2.      De bevoegde instantie of instanties brengen elke lidstaat die overeenkomstig artikel 7 is geraadpleegd, op de hoogte en doen hem de in lid 1 van dit artikel vermelde informatie toekomen.

De geraadpleegde lidstaten zorgen ervoor dat die informatie op een geschikte wijze ter beschikking wordt gesteld van het betrokken publiek op hun grondgebied.”

16.      Artikel 11, leden 1 en 2, van die richtlijn bepaalt:

„1.      De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek die:

a)      een voldoende belang hebben, dan wel

b)      stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, wanneer het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt,

in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten.

2.      De lidstaten bepalen in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten.”

17.      Bijlage I bij de MEB-richtlijn, met als opschrift „In artikel 4, lid 1, bedoelde projecten”, vermeldt in punt 19 „[s]teengroeven en dagbouwmijnen met een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare, of turfwinning met een terreinoppervlakte van meer dan 150 hectare”, en in punt 24 „[w]ijziging of uitbreiding van in deze bijlage opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding voldoet aan de in deze bijlage genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan”.

18.      Bijlage II bij deze richtlijn, met als opschrift „In artikel 4, lid 2, bedoelde projecten”, vermeldt in punt 2, onder a), „[s]teengroeven, dagbouwmijnen en turfwinning (niet onder bijlage I vallende projecten)”, in punt 2, onder e), „[o]ppervlakte-installaties van bedrijven voor de winning van steenkool, aardolie, aardgas, ertsen en bitumineuze schisten”, en in punt 13, onder a), „[w]ijziging of uitbreiding van projecten opgesomd in bijlage I of in deze bijlage waarvoor reeds een vergunning is afgegeven, die zijn of worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (niet in bijlage I opgenomen wijziging of uitbreiding)”.

B.      Pools recht

1.      Milieu-informatiewet

19.      Artikel 72, leden 1 en 2 van de ustawa o udostępnianiu informacji o środowisku i jego ochronie, udziale społeczeństwa w ochronie środowiska oraz o ocenach oddziaływania na środowisko (wet betreffende de verstrekking van informatie over het milieu en de bescherming ervan, over de inspraak van het publiek bij de bescherming van het milieu en over milieueffectbeoordelingen) van 3 oktober 2008 (Dz. U. nr. 199, volgnr. 1227; hierna: „milieu-informatiewet”), bepaalt:

„1.      Het besluit over de milieuvoorwaarden wordt vastgesteld voorafgaand aan het verkrijgen van:

[...]

4)      een concessie [...] voor de winning van mineralen uit afzettingen [...];

[...]

2.      Het vereiste om een besluit over de milieuvoorwaarden te verkrijgen, is niet van toepassing op wijzigingen:

[...]

2)      van een concessie of een besluit als bedoeld in lid 1, punten 4 en 5, waaronder:

[...]

k)      de eenmalige verlenging van de geldigheid van een concessie voor de winning van bruinkool met ten hoogste zes jaar, indien deze verlenging wordt gemotiveerd door het rationele beheer van de afzetting, zonder dat de reikwijdte van de concessie wordt uitgebreid;

[...]”

2.      Mijnbouwwetboek

20.      Artikel 33 van de ustawa Prawo geologiczne i górnicze (wet tot vaststelling van het geologisch en mijnbouwwetboek) van 9 juni 2011 (Dz. U. nr. 163, volgnr. 981; hierna: „mijnbouwwetboek”), bepaalt:

„[...] Indien voorafgaand aan de toekenning van een concessie, op basis van een procedure met inspraak van het publiek, een besluit is vastgesteld waarin de voorwaarden inzake de bescherming van het milieu zijn vastgelegd, zijn de bepalingen inzake de inspraak van maatschappelijke organisaties niet van toepassing op de procedure voor de toekenning van een concessie.”

3.      Wet betreffende procedures voor administratieve rechtbanken

21.      Artikel 50, lid 1, van de ustawa Prawo o postępowaniu przed sądami administracyjnymi (wet betreffende procedures voor administratieve rechtbanken) van 30 augustus 2002 (Dz. U. nr. 153, volgnr. 1270) bepaalt het volgende

„Beroep kan worden ingesteld door iedere persoon die een rechtsbelang heeft, het openbaar ministerie, de ombudsman, de ombudsman voor kinderen en iedere maatschappelijke organisatie in het kader van haar statutaire activiteiten in zaken betreffende de belangen van derden, indien zij aan de administratieve procedure hebben deelgenomen”.

22.      In haar verweerschrift verwijst de Republiek Polen naar bepaalde wijzigingen in de hierboven vermelde Poolse wetgeving, die zijn ingevoerd bij de wet van 30 maart 2021 tot wijziging van de milieu-informatiewet. Deze wijzigingen moeten het voor het betrokken publiek gemakkelijker maken om de in artikel 11 van de MEB-richtlijn vastgelegde rechten uit te oefenen. Dit publiek kan voortaan informatie over de vaststelling van bepaalde besluiten verkrijgen zonder zich tot de vaststellende instantie te moeten wenden. Het publiek heeft nieuwe rechten verkregen om beroep in te stellen tegen vergunningen die zijn verleend nadat een procedure is gevolgd en een besluit is vastgesteld met betrekking tot de milieuvoorwaarden, waarbij het inspraak heeft gehad. Artikel 33 van het mijnbouwwetboek is zodanig gewijzigd dat de nieuwe rechten die voortvloeien uit de milieu-informatiewet ook van toepassing zijn op een op grond van dit wetboek uitgevoerde procedure voor de toekenning van een vergunning, die werd voorafgegaan door een besluit over de milieuvoorwaarden.

III. Voorgeschiedenis van het geding en precontentieuze procedure

23.      De dagbouwbruinkoolmijn in Turów bevindt zich op Pools grondgebied, vlak bij de grens met Tsjechië en Duitsland.

24.      Op 27 april 1994 hebben de bevoegde Poolse instanties bij vergunning nr. 65/94, aan PGE Elektrownia Bełchatów S.A., thans PGE Górnictwo i Energetyka Konwencjonalna S.A. (hierna: „exploitant”), een concessie toegekend om deze mijn te exploiteren voor een termijn van 26 jaar, dat wil zeggen tot 30 april 2020.

25.      Op 2 maart 2015 heeft de exploitant de regionale directeur Milieubescherming van Wrocław (Polen) verzocht om een besluit over de milieuvoorwaarden voor de uitvoering van het project inzake de verlenging van de exploitatie van de bruinkoollaag in Turów tot 2044. Zowel de Tsjechische Republiek als de Bondsrepubliek Duitsland hebben deelgenomen aan de raadplegingsprocedure die naar aanleiding van dit verzoek is opgestart.

26.      Op 24 oktober 2019 heeft de exploitant krachtens artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet een aanvraag ingediend tot verlenging van deze concessie met een termijn van zes jaar.

27.      Op 21 januari 2020 heeft de regionale directeur Milieubescherming van Wrocław het besluit betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde projecten (hierna: „MEB-besluit”) vastgesteld en op 23 januari 2020 heeft hij dit besluit onmiddellijk uitvoerbaar verklaard. Op 24 januari 2020 heeft de exploitant het MEB-besluit gevoegd bij de op 24 oktober 2019 ingediende aanvraag tot verlenging van de mijnbouwconcessie.

28.      Bij besluit van 20 maart 2020 heeft de minister van Klimaat van de Republiek Polen een vergunning afgegeven voor de winning van bruinkool tot 2026 (hierna: „besluit 2026”).

29.      Verscheidene Tsjechische personen, waaronder niet-gouvernementele organisaties, hebben bezwaren ingediend of beroepen ingesteld tegen de in de twee voorgaande punten genoemde besluiten.

30.      Op 30 september 2020 heeft de Tsjechische Republiek, die van mening was dat de Republiek Polen door het afgeven van deze vergunning het Unierecht in verschillende opzichten had geschonden, zich krachtens artikel 259 VWEU tot de Commissie gewend.

31.      Op 30 oktober 2020 heeft de Republiek Polen haar opmerkingen meegedeeld. Op 13 november 2020 hebben deze twee lidstaten hun standpunt mondeling toegelicht tijdens een door de Commissie georganiseerde hoorzitting.

32.      Op 17 december 2020 heeft de Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht, waarin zij de Republiek Polen verschillende inbreuken op het Unierecht verweet. De Commissie was met name van mening dat deze lidstaat, door de vaststelling van artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet, op grond waarvan een vergunning voor bruinkoolwinning met maximaal zes jaar kan worden verlengd zonder dat een milieueffectbeoordeling is vereist, artikel 4, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn had geschonden.

33.      Op 28 april 2021 is het besluit tot verlenging van de geldigheid van vergunning nr. 65/94 tot 2044 (hierna: „besluit 2044”) vastgesteld.

IV.    Procedure bij het Hof en conclusies van partijen

34.      Op 26 februari 2021 heeft de Tsjechische Republiek het onderhavige beroep wegens niet-nakoming ingesteld. De Republiek Polen concludeert tot verwerping van het beroep en tot verwijzing van de Tsjechische Republiek in de kosten.

35.      Na van de Tsjechische Republiek een verzoek om voorlopige maatregelen te hebben ontvangen, heeft de vicepresident van het Hof bij beschikking van 21 mei 2021(6) de Republiek Polen gelast om onmiddellijk de bruinkoolwinning in de mijn van Turów te staken totdat het arrest in zaak C‑121/21 is gewezen.

36.      Bij beslissing van 1 juli 2021 heeft de president van het Hof de Commissie toegelaten tot interventie aan de zijde van de Tsjechische Republiek.

37.      Op verzoek van de Republiek Polen heeft de president van het Hof bij beslissing van 14 juli 2021 besloten het onderhavige beroep te behandelen volgens de versnelde procedure overeenkomstig artikel 133 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof.

38.      Bij brieven van de griffie van het Hof van 20 juli 2021 is de Republiek Polen, in het kader van de maatregelen tot organisatie van de procesgang overeenkomstig artikel 62, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, verzocht haar standpunt over het met redenen omkleed advies van de Commissie kenbaar te maken, en is de Commissie verzocht dit advies in de procestaal, namelijk het Pools, over te leggen, en eveneens haar standpunt over bepaalde in het verzoekschrift opgenomen eisen kenbaar te maken. De geadresseerden van deze verzoeken hebben er naar behoren op geantwoord.

39.      Na van de Tsjechische Republiek een verzoek om voorlopige maatregelen te hebben ontvangen, heeft de vicepresident van het Hof bij beschikking van 20 september 2021(7) de Republiek Polen veroordeeld tot betaling aan de Commissie van een dwangsom van 500 000 EUR per dag vanaf het tijdstip waarop deze beschikking aan deze lidstaat zou worden betekend, zolang niet aan de beschikking van de vicepresident van het Hof van 21 mei 2021 zou zijn voldaan. Bij diezelfde beslissing heeft de vicepresident het krachtens artikel 163 van het Reglement voor de procesvoering door de Republiek Polen ingediende verzoek tot intrekking van de genoemde beschikking afgewezen.

40.      Op 9 november 2021 heeft een pleitzitting plaatsgevonden in aanwezigheid van de Tsjechische Republiek, de Republiek Polen en de Commissie, alle naar behoren vertegenwoordigd.

41.      Ter terechtzitting heeft de Tsjechische Republiek, toen haar hiernaar werd gevraagd, verklaard dat zij haar verzoek tot beëindiging van de gestelde niet-nakomingen wenste te handhaven.

V.      Juridische analyse

A.      Voorafgaande opmerkingen

42.      Alvorens het individuele onderzoek van de door de Tsjechische Republiek aangevoerde middelen aan te vatten, wil ik herinneren aan de gemeenschappelijke regels die gelden voor de in de artikelen 258 en 259 VWEU neergelegde procedure van het beroep wegens niet-nakoming, die beoogt met het Unierecht strijdig gedrag van een lidstaat te doen vaststellen en te doen ophouden.(8) In dit verband zij erop gewezen dat er, ondanks het feit dat er specifieke verschillen in de procedure bestaan naargelang van de verzoekende partij – de Commissie dan wel een lidstaat – die het beroep wegens niet-nakoming heeft ingesteld, gemeenschappelijke regels zijn, waaronder die betreffende de bewijslast en die betreffende de referentiedatum om te beoordelen of er in een specifiek geval sprake is van niet-nakoming, waaraan de partijen zich zonder uitzondering moeten houden.

43.      De verwijzing naar die regels lijkt mij in het kader van deze analyse bijzonder relevant, gelet op de feitelijke complexiteit van de onderhavige zaak en het feit dat de door de Tsjechische Republiek aangevoerde tekortkomingen betrekking hebben op tal van aspecten van de Poolse rechtsorde, namelijk de vaststelling van wetgevingshandelingen alsook van administratieve besluiten, die in de loop der tijd zijn gewijzigd. De toepassing van deze gemeenschappelijke regels moet zorgen voor een nauwkeurige en coherente toetsing van de conformiteit van deze nationale handelingen met het Unierecht, waarvan alle lidstaten de voorrang moeten eerbiedigen.(9)

1.      Regels inzake de bewijslast in een beroep wegens niet-nakoming

44.      Aangezien de procedure voor het Hof in het kader van een krachtens de artikelen 258 en 259 VWEU ingesteld beroep wegens niet-nakoming wordt gekenmerkt door het beginsel van hoor en wederhoor, staat het aan de verzoeker om het bestaan van de gestelde niet-nakoming aan te tonen door het Hof de gegevens te verstrekken die het nodig heeft om na te gaan of er inderdaad sprake is van deze niet-nakoming. Er mag dus geen procedureel onderscheid worden gemaakt met betrekking tot de behandeling van de twee regelingen waarin de Verdragen voorzien.(10)

45.      Bovendien volgt uit artikel 120, onder c), van het Reglement voor de procesvoering en de desbetreffende rechtspraak dat elk inleidend verzoekschrift het voorwerp van het geschil en een summiere uiteenzetting van de aangevoerde middelen moet bevatten. Deze informatie moet voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn opdat de verweerder zijn verweer kan voorbereiden en het Hof zijn taak van toezicht kan uitoefenen. Derhalve moeten de wezenlijke elementen, feitelijk en rechtens, waarop het beroep is gebaseerd, coherent en begrijpelijk worden vermeld in de tekst van het verzoekschrift zelf, en moeten de conclusies van dit verzoekschrift op ondubbelzinnige wijze zijn geformuleerd teneinde te vermijden dat het Hof ultra petita recht doet of nalaat uitspraak te doen over een van de middelen.(11) Het staat daarentegen aan de verwerende lidstaat om de aldus overgelegde gegevens en de daaruit voortvloeiende gevolgen inhoudelijk en gedetailleerd te betwisten.(12)

46.      De argumenten die door partijen in de onderhavige zaak zijn aangevoerd, zullen dus, in het licht van de in het vorige punt uiteengezette regels inzake de bewijslast, aan een nauwgezet onderzoek worden onderworpen.

2.      Referentiedatum om te beoordelen of er sprake is van niet-nakoming

47.      Een ander essentieel element waarmee in het kader van het onderzoek rekening moet worden gehouden, betreft de referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming. Volgens vaste rechtspraak van het Hof is de referentiedatum voor de procedure van artikel 258 VWEU de datum waarop de termijn verstrijkt die is vastgesteld in het met redenen omkleed advies dat de Commissie op grond van deze bepaling heeft uitgebracht. De noodzaak om zich op die referentiedatum te baseren om te beoordelen of er sprake is van een niet-nakoming, is bijzonder duidelijk in gevallen waarin de omstandigheden van de zaak in de loop van de procedure zijn gewijzigd, dikwijls als gevolg van het optreden van de inbreukmakende lidstaat zelf, bijvoorbeeld na een wijziging van de nationale wetgeving die als strijdig met het Unierecht wordt aangemerkt.

48.      De vaststelling van een referentiedatum op een bepaald punt in de procedure is noodzakelijk om te voorkomen dat het beroep wegens niet-nakoming door een dergelijke wijziging van de omstandigheden zonder voorwerp geraakt. De noodzaak om het voorwerp van het geding duidelijk vast te stellen, is vanzelfsprekend in het licht van de doelstelling van het beroep wegens niet-nakoming, namelijk het Hof de gelegenheid te bieden een schending van het Unierecht door een lidstaat vast te stellen. Bovendien heeft deze benadering het voordeel dat de procedurele rechten van de lidstaten worden geëerbiedigd wanneer de Commissie optreedt om een einde te maken aan een dergelijke schending van het Unierecht, hetgeen moeilijk zou zijn indien de lidstaten verplicht zouden zijn om bij hun verdediging een standpunt in te nemen over elke wijziging van het voorwerp van het geding die het gevolg is van een wijziging van de omstandigheden.

49.      Het is duidelijk dat een rechtstreekse toepassing van deze rechtspraak op de procedure van artikel 259 VWEU niet mogelijk is, aangezien deze procedure niet door de Commissie, maar door de lidstaat zelf wordt ingeleid. De vraag rijst dus wat de referentiedatum is voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming in het kader van een dergelijke procedure. In dit verband zij opgemerkt dat de in de tweede alinea van dit artikel bedoelde voorafgaande voorlegging aan de Commissie een procedureel vereiste is om nadien beroep bij het Hof te kunnen instellen. Het belang van deze fase van de procedure mag immers niet uit het oog worden verloren, gelet op de juridische gevolgen ervan, namelijk de verplichting voor de Commissie om de twee partijen te horen, die hun schriftelijke en mondelinge opmerkingen moeten indienen, en het feit dat de termijn van drie maanden ingaat waarna de lidstaat zich tot het Hof kan wenden, indien de Commissie binnen die termijn geen met redenen omkleed advies heeft uitgebracht.

50.      De eerbiediging van het beginsel van hoor en wederhoor, dat – zoals uitdrukkelijk in de derde alinea van artikel 259 VWEU is vermeld – deze fase van de procedure kenmerkt, lijkt mij te vereisen dat alle op een vermeende schending van het Unierecht gebaseerde grieven en al het desbetreffende bewijsmateriaal door de verzoekende lidstaat reeds in zijn bij de Commissie ingediende klacht zijn vermeld. Bovendien moet uit deze klacht duidelijk blijken dat de verzoekende lidstaat voornemens is een beroep krachtens artikel 259 VWEU in te stellen, en niet slechts de Commissie wil verzoeken de procedure van artikel 258 VWEU in te leiden. Uit het voorgaande volgt dat het voorwerp van het geding in deze fase van de procedure wordt bepaald.(13)

51.      Aangezien de verzoekende lidstaat niet gebonden is door de vaststellingen die de Commissie in haar met redenen omkleed advies heeft gedaan, en deze lidstaat, in tegenstelling tot de Commissie in het kader van een krachtens artikel 258 VWEU ingesteld beroep wegens niet-nakoming, ook niet verplicht is om andere fasen van de procedure te doorlopen, lijkt het mij logisch om de datum waarop de verzoekende lidstaat zijn klacht aan de Commissie heeft voorgelegd, als referentiedatum te beschouwen voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming in de zin van het procesrecht.(14) Het komt mij voor dat een analoge toepassing van de rechtspraak van het Hof, met inachtneming van de specifieke kenmerken van de procedure van artikel 259 VWEU, des te meer aangewezen is daar een dergelijke benadering wordt vereist door de in de vorige punten vermelde overwegingen betreffende de procedure van artikel 258 VWEU, namelijk de noodzaak om het voorwerp van het geding voldoende nauwkeurig vast te stellen, los van een mogelijke wijziging van de omstandigheden, en de verplichting om de procedurele rechten van de lidstaten te eerbiedigen.

52.      Om de hierboven uiteengezette redenen lijkt het mij dat het voorwerp van het onderhavige geding in beginsel moet worden beperkt tot de wettelijke en bestuursrechtelijke situatie zoals die bestond op het ogenblik dat de klacht aan de Commissie is voorgelegd door de Tsjechische Republiek. Dit sluit niet uit dat bepaalde feiten die zich na deze datum hebben voorgedaan, ook relevant kunnen worden geacht. Ik wil er echter aan herinneren dat, volgens de rechtspraak van het Hof, deze inaanmerkingneming van latere feiten slechts in uitzonderlijke gevallen mogelijk is, namelijk wanneer deze feiten van dezelfde aard zijn als de verweten gedragingen of wanneer zij het verweten element niet wezenlijk veranderen.(15) Deze rechtspraak is gebaseerd op het logische argument dat een lidstaat een beroep wegens schending van het Unierecht niet mag kunnen ontlopen via een formele truc, namelijk door de wetgeving te wijzigen of door een nieuw besluit vast te stellen dat evenwel dezelfde met het Unierecht strijdige elementen bevat.

B.      Eerste middel: schending van artikel 4, leden 1, 2, 4 en 6, artikel 5, leden 1 en 2, en de artikelen 6 tot en met 9 van de MEB-richtlijn (verlenging van de vergunning voor bruinkoolwinning met een termijn van zes jaar, zonder dat een milieueffectbeoordeling wordt uitgevoerd)

1.      Argumenten van partijen

53.      Met haar eerste middel stelt de Tsjechische Republiek dat artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet, door elke milieueffectbeoordeling uit te sluiten in het geval van een eenmalige verlenging met zes jaar van een vergunning voor de exploitatie van een mijn, in strijd is met artikel 4, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn, daar eerstgenoemd artikel het mogelijk maakt dat een dergelijke verlenging wordt toegekend zonder dat een volledige milieueffectbeoordeling of een „voorafgaande controle”-procedure wordt verricht als bedoeld in laatstgenoemde bepalingen. Bovendien zou dit ontbreken van een beoordeling tot gevolg hebben dat het betrokken publiek en, in voorkomend geval, de aangrenzende lidstaten, waarvoor het project gevolgen kan hebben, worden uitgesloten van inspraak in de procedures waarin artikel 4, leden 4 tot en met 6, en de artikelen 5 tot en met 9 van deze richtlijn voorzien.

54.      Volgens deze lidstaat is die bepaling van Pools recht kennelijk gebruikt om de concessies voor de winning van bruinkool in twee andere mijnen in Polen te verlengen. Zij zou in werkelijkheid als basis hebben gediend om bruinkoolwinning in Turów tot 2026 toe te staan.

55.      De Republiek Polen is van mening dat dit middel zonder voorwerp is geraakt doordat op 28 april 2021 besluit 2044 is vastgesteld. Dit besluit kon, wegens de duur ervan, niet worden vastgesteld op grond van artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet. Bovendien zou besluit 2044 zijn vastgesteld op basis van het MEB-besluit, dat door de exploitant bij zijn aanvraag was gevoegd.

56.      Bovendien is dit middel volgens de verwerende lidstaat kennelijk ongegrond. Om te beginnen stelt deze lidstaat dat uit de conclusies van het verzoekschrift blijkt dat de draagwijdte van het beroep beperkt is tot de vraag naar de geldigheid van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 en dat dit beroep derhalve slechts betrekking heeft op de onverenigbaarheid van het Poolse recht met de MEB-richtlijn voor zover dit recht concreet is toegepast in het kader van deze vergunning.

57.      Deze lidstaat bevestigt dat artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet bij het verlenen van die vergunning niet is toegepast, daar de vergunningverlenende instantie in dit kader verplicht was het MEB-besluit in aanmerking te nemen wegens het feit dat het betrokken project aanzienlijke gevolgen voor het milieu kon hebben, zoals deze instantie in de motivering van de vergunning heeft uiteengezet.

58.      In dit verband merkt de Republiek Polen op dat het verlenen van een „vergunning” in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn naar Pools recht een procedure is die verschillende fasen omvat, waaronder de vaststelling van een besluit over de milieuvoorwaarden. Dit laatste besluit is bindend voor de instanties die latere investeringsbesluiten vaststellen. Het is eveneens, net als de vergunning zelf, rechtstreeks bindend voor de exploitant, zodat het, anders dan de Tsjechische Republiek stelt, niet in deze vergunning hoeft te worden opgenomen.

59.      De Republiek Polen verklaart dat het MEB-besluit, dat de exploitant had aangevraagd voor de uitvoering van het project dat is omschreven als de voortzetting van de exploitatie van de bruinkoollaag in de mijn in Turów tot 2044, in het onderhavige geval is vastgesteld op 21 januari 2020, na raadplegingen en met inspraak van het publiek, zoals vastgesteld in de MEB-richtlijn. Op 24 januari 2020 is het gevoegd bij de aanvraag voor verlenging van de mijnbouwconcessie met een termijn van zes jaar. Het verlenen van een vergunning voor een kortere termijn dan de in het MEB-besluit vastgestelde termijn is naar Pools recht toegestaan en is bovendien in overeenstemming met het beginsel a maiori ad minus. Aan het verlenen van de vergunning voor bruinkoolwinning tot 2026 is dus een milieueffectbeoordeling voorafgegaan, zodat er geen sprake is van schending van de in het eerste middel aangevoerde bepalingen van de MEB-richtlijn.

2.      Beoordeling

a)      Schending van artikel 4, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn

60.      Met haar eerste middel voert de Tsjechische Republiek met name schending aan van artikel 4, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn, doordat artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet een milieueffectbeoordeling uitsluit in het geval van de eenmalige verlenging met zes jaar van een mijnbouwvergunning.

61.      Meteen moet worden opgemerkt dat dit middel betrekking heeft op de vaststelling van een wetgevingshandeling en niet op een administratieve praktijk. Anders dan de Republiek Polen suggereert, is de toepassing van de in het vorige punt genoemde rechtsgrondslag op een specifiek geval dus niet aan de orde. Bijgevolg lijkt het door Polen aangevoerde argument dat het middel kennelijk ongegrond is omdat de genoemde nationale bepaling bij de vaststelling van de vergunning voor de winning van bruinkool in Turów tot 2026 niet is toegepast, mij niet ter zake dienend.

62.      De rechtsvraag die bij het onderzoek van dit middel centraal staat, is veeleer of een lidstaat de bevoegde instanties bij wet kan machtigen om af te zien van het nemen van een reeks administratieve maatregelen in verband met het verstrekken van een vergunning voor mijnbouwprojecten. Om deze vraag te beantwoorden, moet allereerst worden vastgesteld of het Unierecht, in casu de MEB-richtlijn, de betrokken lidstaat verplicht dergelijke administratieve maatregelen vast te stellen. Zo ja, dan is in het onderhavige geval de lidstaat ongetwijfeld zijn verplichtingen niet nagekomen.

63.      In dit verband zij eraan herinnerd dat „projecten” in de zin van artikel 1, lid 2, onder a), van de MEB-richtlijn krachtens artikel 2, lid 1, van deze richtlijn aan een milieueffectbeoordeling moeten worden onderworpen voordat een vergunning wordt verleend, wanneer zij onder meer gezien hun aard, omvang of ligging een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben. Artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn vereist immers niet dat elk project dat een aanzienlijk milieueffect kan hebben, wordt onderworpen aan de beoordelingsprocedure waarin deze richtlijn voorziet, doch slechts dat hieraan de projecten worden onderworpen die zijn vermeld in artikel 4 van deze richtlijn, waarin wordt verwezen naar de in de bijlagen I en II bij de richtlijn vermelde projecten.

64.      Uit artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van deze richtlijn, volgt dat de onder bijlage I bij de richtlijn vallende projecten naar hun aard een aanzienlijk milieueffect dreigen te hebben en absoluut aan een milieu-effectbeoordeling moeten worden onderworpen. In dit verband moet, ten eerste, worden opgemerkt dat artikel 1, lid 2, onder c), van deze richtlijn verwijst naar het begrip „vergunning” en het definieert als: „het besluit van de bevoegde instantie of instanties waardoor de opdrachtgever het recht verkrijgt om het project uit te voeren”. Ten tweede moet de aandacht worden gevestigd op het feit dat in punt 19 van bijlage I „[s]teengroeven en dagbouwmijnen met een terreinoppervlakte van meer dan 25 hectare” worden genoemd, dat wil zeggen mijnen met een oppervlakte die vergelijkbaar is met die van de mijn in Turów. Punt 24 van deze bijlage is van belang voor de analyse aangezien daarin is bepaald dat elke „[w]ijziging of uitbreiding van in deze bijlage opgenomen projecten, wanneer die wijziging of uitbreiding voldoet aan de in deze bijlage genoemde drempelwaarden, voor zover deze bestaan” (cursivering van mij), aan de bovengenoemde beoordelingsprocedure moet worden onderworpen. Met andere woorden, de MEB-richtlijn voorziet dus niet enkel in de verplichting om een milieu-effectbeoordeling uit te voeren wanneer de beslissing over de initiële vergunning voor een project moet worden genomen, maar vindt eveneens toepassing op bepaalde gerelateerde besluiten.

65.      Artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet, waarop het eerste middel betrekking heeft, kan binnen de werkingssfeer van punt 24 van bijlage I van de MEB-richtlijn vallen, aangezien deze nationale bepaling betrekking heeft op de verlenging van een mijnbouwvergunning. Derhalve rijst de vraag of een dergelijke „verlenging van een vergunning” kan worden opgevat als een „uitbreiding van een project” in de zin van de MEB-richtlijn. In beginsel zou de term „uitbreiding”, op basis van een eenvoudige letterlijke uitlegging, evengoed kunnen worden opgevat als een „vergroting van de territoriale omvang” dan als een „verlenging in de tijd” van een bepaald project.

66.      Naar mijn mening moet deze vraag duidelijk bevestigend worden beantwoord. Zoals het Hof in het arrest Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen(16) heeft geoordeeld, vallen maatregelen die strekken tot verlenging van de duur van de vergunning voor een project dat reeds in bijlage I van de MEB-richtlijn is opgenomen, onder punt 24 van deze bijlage. Uit dit arrest volgt dat de in artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn neergelegde regel van toepassing is zelfs indien de duur van de betrokken vergunning met niet meer dan tien jaar wordt verlengd(17), hetgeen precies de situatie is waarop de betrokken Poolse wetgeving ziet. Hieruit volgt dat de eenmalige verlenging van een mijnbouwvergunning met zes jaar een project is waarvoor, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn, een milieu-effectbeoordeling is vereist.

67.      Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet niet in overeenstemming is met het Unierecht aangezien deze nationale bepaling precies in het tegenovergestelde voorziet van wat door artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn wordt vereist.

68.      Vervolgens moet worden onderzocht of er ook sprake is van schending van artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn.

69.      In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat deze bepaling een verwijzing bevat naar bijlage II, waarin in punt 2, onder a), „steengroeven” en „dagbouwmijnen” worden genoemd als projecten die aan een milieueffectbeoordeling kunnen worden onderworpen, mits het gaat om „niet onder bijlage I vallende projecten”. Zoals ik zojuist heb uiteengezet, zijn mijnen met een oppervlakte die vergelijkbaar is met die van de mijn in Turów al vermeld in bijlage I. Bijgevolg vallen dergelijke mijnen reeds binnen de werkingssfeer van artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn, zodat, althans wat deze categorie van mijnen betreft, geen beroep kan worden gedaan op artikel 4, lid 2, van deze richtlijn.

70.      Dit gezegd zijnde, lijkt artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn mij niettemin relevant voor mijnen die onder de in punt 19 van bijlage I vastgestelde drempel blijven, namelijk mijnen met een oppervlakte van minder dan 25 hectare. Het komt mij immers voor dat de betrokken Poolse wetgeving eveneens beoogt het beheer van projecten met een kleinere oppervlakte te reglementeren. In dit verband zij erop gewezen dat artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet in vrij algemene bewoordingen is geformuleerd wat betreft het soort projecten dat is vrijgesteld van de verplichting om een milieueffectbeoordeling te ondergaan, en dat deze bepaling in het geheel niet hetzelfde onderscheid maakt als de MEB-richtlijn tussen projecten die aan een dergelijke beoordeling moeten worden onderworpen en projecten die eventueel aan een dergelijke beoordeling kunnen worden onderworpen. In deze fase van het onderzoek moet derhalve worden vastgesteld dat de werkingssfeer van deze nationale bepaling zeer ruim is.

71.      In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn de lidstaten uitdrukkelijk machtigt om zelf te bepalen of het betrokken project al dan niet aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen.(18) Volgens overweging 9 van deze richtlijn hebben „[p]rojecten van andere categorieën”, dat wil zeggen de in bijlage II genoemde projecten, „niet noodzakelijkerwijs in alle gevallen aanzienlijke gevolgen voor het milieu”, hetgeen inhoudt dat deze projecten slechts aan een beoordeling worden onderworpen „wanneer de lidstaten menen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben” (cursivering van mij). Zoals blijkt uit artikel 4, lid 2, van deze richtlijn, komen de lidstaten tot deze vaststelling op basis van een onderzoek per geval of op basis van door de betrokken lidstaat vastgestelde drempelwaarden of criteria. De lidstaten kunnen besluiten om beide genoemde procedures toe te passen. Artikel 4, lid 3, schrijft voor dat bij het onderzoek per geval of bij de vaststelling van drempelwaarden of criteria rekening moet worden gehouden met de in bijlage III vermelde relevante selectiecriteria. Uit deze opmerkingen blijkt duidelijk dat de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij de omzetting van deze bepaling in nationaal recht.

72.      In dit verband mag echter niet uit het oog worden verloren dat artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn de bevoegde instantie weliswaar een zekere vrijheid laat om uit te maken of een bepaald project al dan niet aan een beoordeling moet worden onderworpen, maar dat volgens vaste rechtspraak van het Hof(19) deze beoordelingsmarge wordt begrensd door de verplichting van artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn om projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, te onderwerpen aan een „beoordeling van hun effecten” alvorens een vergunning wordt verleend. Zo overschrijdt een lidstaat die criteria of drempelwaarden vaststelt zonder de ligging van de projecten in aanmerking te nemen, of die ze op een dergelijk niveau vaststelt dat in de praktijk een volledige categorie van projecten bij voorbaat aan de verplichting tot milieueffectbeoordeling wordt onttrokken, de grenzen van de beoordelingsmarge waarover hij beschikt.

73.      Volgens het Hof volstaat het feit dat de lidstaat over die beoordelingsmarge beschikt, op zich niet om een bepaald project van de beoordelingsprocedure in de zin van de MEB-richtlijn uit te sluiten. Anders zouden de lidstaten de hun bij artikel 4, lid 2, van deze richtlijn toegekende beoordelingsmarge kunnen gebruiken om een specifiek project aan de beoordelingsplicht te onttrekken, ook al zou het wegens zijn aard, omvang of ligging aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Dus welke methode een lidstaat ook kiest om te bepalen of voor een specifiek project al dan niet een beoordeling is vereist – namelijk de aanwijzing van een specifiek project door middel van een wetgevende handeling of na een individueel onderzoek van het project –, die methode mag geen afbreuk doen aan de doelstelling van de MEB-richtlijn, om geen enkel project dat aanzienlijke milieueffecten in de zin van deze richtlijn kan hebben, aan de beoordeling te onttrekken, tenzij het uitgesloten project in kwestie op grond van een algemene beoordeling kan worden geacht geen aanzienlijke milieueffecten te hebben.(20)

74.      Deze overwegingen gelden des te meer voor nationale maatregelen die betrekking hebben op hele categorieën van projecten. Meer in het bijzonder heeft het Hof geoordeeld dat artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn de lidstaten niet de bevoegdheid verleent om een of meer van de in deze bepaling bedoelde categorieën van projecten „in het algemeen en definitief van de mogelijkheid van beoordeling uit te sluiten”, daar de criteria en/of drempelwaarden niet tot doel hebben gehele categorieën van de in bijlage II vermelde projecten die op het grondgebied van een bepaalde lidstaat kunnen worden uitgevoerd, op voorhand aan de beoordelingsplicht te onttrekken, maar alleen beogen de beoordeling van de concrete kenmerken van een project te vergemakkelijken, teneinde na te gaan of dit project aan die plicht onderworpen is.(21)

75.      De vraag die in de onderhavige context rijst, is dus of de betrokken Poolse wetgeving vereist dat de in de rechtspraak van het Hof bedoelde „effectbeoordeling” wordt verricht wanneer een dergelijke aanpak gerechtvaardigd lijkt op grond van bepaalde kenmerken van het betrokken project, meer bepaald de aard, omvang of ligging ervan. Ik ben van mening dat deze vraag duidelijk ontkennend moet worden beantwoord, daar artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet zonder onderscheid van toepassing is op alle mijnbouwactiviteiten. Aangezien deze nationale bepaling tot gevolg heeft dat alle mijnen in het algemeen en definitief worden uitgesloten van de verplichting om aan een dergelijke „beoordeling van hun effecten” te worden onderworpen, zonder dat naar behoren rekening wordt gehouden met de inherente kenmerken van elk project die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, moet zij onverenigbaar worden geacht met de vereisten van artikel 4, lid 2, juncto artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn, zoals uitgelegd in de rechtspraak.

76.      Hetzelfde geldt voor de kennelijke onmogelijkheid om mijnen die tot „andere categorieën” van projecten in de zin van overweging 9 van de MEB-richtlijn behoren, te onderwerpen aan ofwel een onderzoek per geval, ofwel een beoordeling aan de hand van passende drempelwaarden of selectiecriteria, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, onder a) en b), van deze richtlijn, teneinde vast te stellen of voor de in bijlage II genoemde projecten een milieueffectbeoordeling moet worden uitgevoerd. Ik wens te benadrukken dat de bovengenoemde Poolse bepaling tot gevolg heeft dat de bevoegde instanties voor alle mijnen worden vrijgesteld van de verplichting om een dergelijke vaststelling te doen, zonder dat zij rekening kunnen houden met de specifieke kenmerken per geval. Het is dan ook duidelijk dat een dergelijke rigide aanpak, waarbij onvoldoende rekening wordt gehouden met de milieu-uitdagingen die elke mijn meebrengt, geen correcte wettelijke omzetting van artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn kan vormen.

77.      Derhalve moet worden geconcludeerd dat de Republiek Polen de beoordelingsmarge waarover zij krachtens artikel 4, lid 2, juncto artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn beschikt, heeft overschreden, aangezien haar nationale wetgeving niet in overeenstemming is met de procedures die zijn vastgesteld voor de beoordeling van de milieueffecten van een mijn die onder bijlage II bij deze richtlijn valt.

78.      Om de in de voorgaande punten uiteengezette redenen ben ik van mening dat de Republiek Polen ook artikel 4, lid 2, van de MEB-richtlijn heeft geschonden door artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet vast te stellen.

b)      Schending van de procedurele vereisten inzake de milieueffectbeoordeling

79.      Het feit dat in het kader van deze analyse een schending van artikel 4, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn is vastgesteld, roept onvermijdelijk de vraag op hoe het middel vanuit juridisch oogpunt moet worden behandeld, aangezien het ook is ontleend aan schending van artikel 5, leden 1 en 2, en de artikelen 6 tot en met 9 van deze richtlijn. In dit verband zij eraan herinnerd dat in deze bepalingen de procedureregels worden vastgesteld die de lidstaten moeten naleven wanneer zij de in bijlage I genoemde projecten aan een milieueffectbeoordeling onderwerpen. Meer concreet gaat het onder meer over de verplichting voor de opdrachtgever om een beoordelingsverslag op te stellen en voor te leggen, om de instanties te raadplegen die met het project te maken kunnen hebben en om ervoor te zorgen dat het publiek toegang krijgt tot informatie over het project, waaronder informatie over het besluitvormingsproces.

80.      Net als de Commissie ben ik van mening dat de vaststelling dat niet is voldaan aan de in artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn vastgelegde verplichting om een project aan een milieueffectbeoordeling te onderwerpen, logischerwijs de niet-naleving omvat van de specifieke procedurele vereisten waaraan een dergelijke beoordeling moet voldoen. Dit blijkt mijns inziens ook uit een zorgvuldige lezing van het verzoekschrift van de Tsjechische Republiek, waarin kennelijk slechts volledigheidshalve wordt verwezen naar de bepalingen waarin de procedurele vereisten van een dergelijke beoordeling zijn vastgelegd.

81.      Voorts wijs ik erop dat artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet zich ertoe beperkt bepaalde mijnbouwactiviteiten in het algemeen vrij te stellen van de Unierechtelijke verplichting om een milieu-effectbeoordeling uit te voeren, zonder te verwijzen naar de specifieke verplichtingen in verband met de beoordelingsprocedure die zijn vastgelegd in artikel 5, leden 1 en 2, en de artikelen 6 tot en met 9 van de MEB-richtlijn, hetgeen mogelijk een afzonderlijk conformiteitsonderzoek in het licht van elk van de genoemde bepalingen had kunnen rechtvaardigen. Een dergelijke benadering lijkt mij in het onderhavige geval echter niet nodig, aangezien aan de voorwaarden voor een dergelijk individueel conformiteitsonderzoek duidelijk niet is voldaan.

82.      Aangezien de door de Tsjechische Republiek aangevoerde bepalingen in wezen procedurele vereisten bevatten waaraan in het kader van een milieu-effectbeoordeling moet worden voldaan, moet in deze omstandigheden worden geconcludeerd dat een schending van artikel 4, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn noodzakelijkerwijs een schending van deze procedurele vereisten inhoudt.

c)      Wijzigingen in de wetgeving na instelling van het beroep

83.      Volledigheidshalve zij gewezen op de recente wijzigingen in de Poolse wetgeving, met name de schrapping van artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet. Zoals de Commissie in haar opmerkingen van 13 augustus 2021 stelt, zal in de toekomst een eenmalige verlenging met zes jaar van de geldigheid van een concessie voor de winning van bruinkool, krachtens de Poolse wetgeving niet mogelijk zijn indien er geen voorafgaande beoordeling van de milieueffecten is uitgevoerd. Volgens de door de Commissie verstrekte informatie onderzoekt zij momenteel of deze wetswijziging een einde kan maken aan de gevallen van onjuiste toepassing van de MEB-richtlijn die voortvloeien uit de toepassing van artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van bovengenoemde wet.

84.      In dit verband hoeft slechts te worden opgemerkt dat de betrokken wetswijzigingen, doordat zij zijn vastgesteld in juli 2021, dat wil zeggen na de datum waarop de Tsjechische Republiek zich tot de Commissie heeft gewend, in het kader van de onderhavige procedure niet in aanmerking kunnen worden genomen zonder het voorwerp van het geding onrechtmatig te wijzigen.(22) Ik ben derhalve van mening dat het Hof deze latere wetswijzigingen niet in aanmerking kan nemen bij de beoordeling van de door de Republiek Polen begane inbreuk.

C.      Tweede middel: schending van artikel 6, leden 2 tot en met 7, artikel 7, lid 5, de artikelen 8 en 9 en artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn (uitsluiting van het betrokken publiek van de procedure voor het verlenen van een exploitatievergunning)

1.      Argumenten van partijen

85.      De Tsjechische Republiek voert aan dat de in deze bepalingen van de MEB-richtlijn vastgelegde verplichtingen, die betrekking hebben op de inspraak van het publiek in de procedures waarin deze richtlijn voorziet, en op de toetsing van de daaruit voortvloeiende besluiten, gelden in alle fasen van deze procedures, met inbegrip van de laatste fase, namelijk de procedure voor het verlenen van de vergunning voor het project en het resultaat daarvan.

86.      Dit volgt, ten eerste, uit het feit dat sommige bepalingen, met name artikel 6, lid 2, onder a), c) en d), van de MEB-richtlijn, verwijzen naar hetzij de „vergunning” in de zin van artikel 1, lid 2, onder c), van deze richtlijn, hetzij alle in het kader van de vergunningsprocedure vastgestelde besluiten. Ten tweede voorziet deze richtlijn niet in uitzonderingen op de verplichtingen die zij oplegt, op grond dat deze in een eerdere fase van de procedure zouden zijn nageleefd. Ten derde verschilt het doel van de inspraak van het publiek in de procedure voor het verlenen van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 van het doel van deze inspraak in de MEB-procedure, aangezien met de inspraak in de eerstgenoemde procedure wordt beoogd vast te stellen of de resultaten van de MEB-beoordeling naar behoren in de definitieve vergunning zijn geïntegreerd. Voorts zou de beroepsmogelijkheid waarin artikel 11 van de MEB-richtlijn voorziet, haar nuttig effect verliezen indien deze integratie niet zou kunnen worden gecontroleerd.

87.      De Tsjechische Republiek is derhalve van mening dat artikel 33 van het mijnbouwwetboek, krachtens hetwelk het betrokken publiek wordt uitgesloten van de procedure voor de toekenning van de vergunning voor een project en van de rechterlijke toetsing van deze procedure, wanneer voor dit project een MEB-besluit is vastgesteld na afloop van een milieueffectbeoordelingsprocedure met inspraak van het publiek, in strijd is met bovengenoemde bepalingen van de MEB-richtlijn.

88.      De Republiek Polen antwoordt dat, in het licht van artikel 2, lid 2, van de MEB-richtlijn, dat voorziet in de mogelijkheid om een geïntegreerde procedure voor de toekenning van een projectvergunning toe te passen, de lidstaten gerechtigd zijn om procedures vast te stellen waarin de inspraak van het publiek moet worden gewaarborgd in de fase van de vaststelling van die vergunning, in het kader waarvan vragen betreffende de milieueffecten van het voorgenomen project worden onderzocht. Deze inspraak hoeft echter niet te worden gewaarborgd in de opeenvolgende fasen van de toekenningsprocedure waarin andere aspecten van de werking van het voorgenomen project worden onderzocht.

89.      In Polen omvat de procedure voor het verlenen van een projectvergunning echter verschillende fasen, en pas nadat een besluit over de milieuvoorwaarden is verkregen, kan de exploitant een dergelijke vergunning verkrijgen, waarvoor dit besluit dan bindend is. Volgens de rechtspraak van het Hof moet, wanneer het nationale recht voorziet in een vergunningsprocedure in verschillende fasen, waarbij een van die fasen bestaat in de vaststelling van een basisbesluit en de andere in de vaststelling van een uitvoeringsbesluit, dat niet mag afwijken van de in het basisbesluit vastgelegde parameters, het potentiële milieueffect van het project worden bepaald en beoordeeld in de procedure betreffende het basisbesluit.

90.      Bijgevolg was het in het kader van de procedure voor de toekenning van een vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 niet vereist dat opnieuw inspraak van het publiek werd gewaarborgd of dat opnieuw grensoverschrijdend overleg werd gepleegd, daar de verplichtingen dienaangaande waren nagekomen in het kader van de door het MEB-besluit afgesloten procedure. De Commissie had deze benadering in haar met redenen omkleed advies bekrachtigd, door tot de conclusie te komen dat de betrokken bepalingen van de MEB-richtlijn niet waren geschonden.

91.      Wat betreft de stelling van de verzoekende lidstaat dat artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn vereist dat rechterlijke toetsing van de inaanmerkingneming van de resultaten van de milieueffectbeoordeling in de procedure voor het verlenen van een vergunning mogelijk moet zijn, betoogt de Republiek Polen, ten eerste, dat het Poolse recht in beginsel de mogelijkheid waarborgt dat het betrokken publiek een dergelijk beroep kan instellen. Zo hebben organisaties zoals Greenpeace ČR beroepen ingesteld tegen de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026, in het kader waarvan de kwestie van de schorsing van deze vergunning ten gronde is onderzocht.

92.      Ten tweede volgt uit lid 2 van dit artikel, volgens hetwelk de lidstaten bepalen in welk stadium de besluiten kunnen worden aangevochten, dat het hun vrijstaat om de mogelijkheid om beroep in te stellen uitsluitend in de fase van het besluit over de milieuvoorwaarden te waarborgen, voor zover is uitgesloten dat in het vergunningsbesluit geen rekening wordt gehouden met het eerste besluit. Dit is het geval in Polen, aangezien artikel 86 van de milieu-informatiewet bepaalt dat dit besluit bindend is voor de instanties die een besluit in de zin van artikel 72, lid 1, van deze wet vaststellen. Aangezien het MEB-besluit rechtstreeks toepasselijk is, zou het ongerechtvaardigd en zinloos zijn om voor niet-gouvernementele organisaties de mogelijkheid te waarborgen om het vergunningsbesluit voor de winning van bruinkool tot 2026 aan te vechten.

93.      De Republiek Polen voegt hieraan toe dat de bewering dat artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn is geschonden, hoe dan ook zonder voorwerp is geraakt, daar artikel 33 van het mijnbouwwetboek is gewijzigd en belanghebbenden thans beroep kunnen instellen tegen een investeringsbesluit teneinde de verenigbaarheid ervan met het besluit over de milieuvoorwaarden te toetsen.

2.      Beoordeling

94.      Met haar tweede middel stelt de Tsjechische Republiek dat artikel 33 van het mijnbouwwetboek, dat in wezen bepaalt dat maatschappelijke organisaties geen inspraak krijgen in de procedure voor de toekenning van een vergunning wanneer deze organisaties aan de milieueffectbeoordelingsprocedure hebben deelgenomen, verscheidene bepalingen van de MEB-richtlijn schendt. Ook dit middel heeft betrekking op een wetgevingshandeling en niet op een bepaalde administratieve praktijk.

95.      De verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 6, leden 2 tot en met 7, artikel 7, lid 5, de artikelen 8 en 9 en artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn hebben betrekking op de inspraak van het betrokken publiek en van andere lidstaten op het grondgebied waarvan het project aanzienlijke gevolgen kan hebben, in de procedures waarin de MEB-richtlijn voorziet, met inbegrip van de toetsing van de eruit voortvloeiende besluiten. Deze verplichtingen hebben betrekking op het verloop en de uitkomst van de „besluitvormingsprocedure” in de zin van artikel 2, lid 2, van de MEB-richtlijn, die tot doel heeft een „vergunning” te verlenen, waarbij dit begrip volgens artikel 1, lid 2, onder c), van de MEB-richtlijn het besluit omvat dat het recht verschaft om het project uit te voeren.

a)      Schending van het recht van toegang van het publiek en van andere lidstaten tot de procedure voor de vaststelling van een vergunning

96.      Allereerst wil ik benadrukken dat ik niet overtuigd ben van de door de Tsjechische Republiek voorgestane uitlegging, volgens welke de artikelen 6 tot en met 9 van de MEB-richtlijn beogen het publiek en andere lidstaten een absoluut en onbeperkt recht van toegang tot alle fasen van de procedure voor de vaststelling van een vergunning te waarborgen. Naar mijn mening moet dit standpunt worden genuanceerd door te herinneren aan de procedurele autonomie die de MEB-richtlijn aan de lidstaten toekent. Zoals de Republiek Polen terecht opmerkt, voorziet artikel 2, lid 2, van de MEB-richtlijn in de mogelijkheid voor een lidstaat om de milieueffectbeoordeling te integreren in de bestaande projectvergunningsprocedures of, bij gebreke daarvan, in andere procedures of in de procedures die moeten worden vastgesteld om de doelstellingen van deze richtlijn te verwezenlijken.

97.      Met andere woorden, de bepalingen van het Unierecht zorgen niet voor een uniformering van de procedures die voorafgaan aan het verlenen van projectvergunningen. De lidstaten beschikken veeleer over keuzevrijheid wat betreft de vorm en de middelen die moeten bijdragen aan de doelstellingen van de MEB-richtlijn. Bijgevolg kunnen de nationale voorschriften van de verschillende lidstaten aanzienlijk verschillen wat betreft de wijze waarop de administratieve procedures worden georganiseerd voor de vaststelling van vergunningsbesluiten voor de uitvoering van projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.

98.      Volgens de door de Republiek Polen verstrekte informatie voorziet haar nationale rechtsorde in een vergunningsprocedure in verscheidene fasen, die begint met de beoordeling van de milieueffecten van een project. De Republiek Polen zet uiteen dat, in het geval van projecten die bestaan in de winning van delfstoffen uit een laag, de onderneming die dit soort activiteiten wenst uit te voeren, een besluit dient te verkrijgen over de milieuvoorwaarden die van toepassing zijn op de verwezenlijking van dit project en pas daarna een vergunning voor de winning van delfstoffen uit de betrokken laag. De Republiek Polen wijst erop dat het besluit over de milieuvoorwaarden bindend is voor de administratieve instantie die de vergunning verleent voor de winning van delfstoffen uit een laag.

99.      In dit verband zij eraan herinnerd dat het Hof uitdrukkelijk de vrijheid van een lidstaat erkent om in een dergelijke vergunningsprocedure in verschillende fasen te voorzien. Volgens de rechtspraak van het Hof moet – wanneer het nationale recht voorziet in een vergunningsprocedure in verschillende fasen, waarbij een van die fasen bestaat in de vaststelling van een basisbesluit en de andere in de vaststelling van een uitvoeringsbesluit, dat niet mag afwijken van de in het basisbesluit vastgelegde parameters – het milieueffect dat een project kan hebben, worden vastgesteld en beoordeeld in de procedure betreffende het basisbesluit.(23) Alleen indien dit effect pas in de procedure betreffende het uitvoeringsbesluit kan worden vastgesteld, moet de beoordeling in het kader van deze laatste procedure plaatsvinden.(24) Het Hof heeft verduidelijkt dat de milieueffectbeoordeling van een project in beginsel moet worden verricht zodra het mogelijk is alle milieueffecten die het project kan hebben, te onderscheiden en te beoordelen.(25) De omstandigheid dat een dergelijke beoordeling vooraf dient te worden verricht, vindt haar rechtvaardiging in de noodzaak dat de bevoegde instantie in het besluitvormingsproces zo vroeg mogelijk rekening houdt met de milieueffecten van alle technische plannings- en beslissingsprocessen, teneinde het ontstaan van vervuiling of hinder van meet af aan te vermijden in plaats van later de gevolgen ervan te bestrijden.(26)

100. De vergunningsprocedure waarin het nationale recht voorziet, zoals beschreven door de Republiek Polen, lijkt mij in overeenstemming met de vereisten van de in het vorige punt van deze conclusie aangehaalde rechtspraak van het Hof. In het bijzonder kan de Republiek Polen niet worden verweten dat zij heeft voorzien in een vergunningsprocedure in meerdere fasen, met name gelet op de procedurele autonomie die door de MEB-richtlijn aan de lidstaten wordt verleend. Vanuit dit oogpunt komt het mij voor dat de Republiek Polen, overeenkomstig de haar door artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn opgelegde verplichting, de nodige maatregelen heeft genomen om te verzekeren dat een vergunning vereist is voor projecten die een aanzienlijk milieueffect kunnen hebben, onder meer gezien hun aard, omvang of ligging, en dat een beoordeling van hun effecten op het milieu plaatsvindt alvorens een vergunning wordt verleend.

101. Op basis van deze vaststelling lijkt het mij logisch dat, wanneer reeds in een fase van de administratieve procedure voorafgaand aan de toekenning van de vergunning een milieueffectbeoordeling van een project heeft plaatsgevonden, waarbij aan de procedurele vereisten van de MEB-richtlijn is voldaan, er geen objectieve rechtvaardiging is om te eisen dat de betrokken lidstaat deze fase in het vergunningsstadium herhaalt. Een dergelijk vereiste zou neerkomen op een schending van de autonomie van de lidstaten bij de vaststelling van administratieve procedures en zou een onnodig formalisme vormen dat onevenredige belemmeringen voor de uitvoering van een project zou kunnen opwerpen. Ik deel derhalve het standpunt van de Commissie dat, wanneer het publiek en, in voorkomend geval, andere lidstaten inspraak hebben gehad in de milieueffectbeoordelingsprocedure, het niet nodig lijkt deze inspraak te herhalen in de vergunningsfase. Bijgevolg was het in het kader van de procedure tot verlenging van de vergunning voor de exploitatie van de mijn in Turów tot 2026 niet vereist dat opnieuw inspraak van het publiek werd gewaarborgd of dat opnieuw grensoverschrijdend overleg werd gepleegd, daar de desbetreffende verplichtingen reeds waren nagekomen in het kader van de door het MEB-besluit afgesloten procedure.

102. De door de Tsjechische Republiek aangevoerde argumenten dat artikel 33 van het mijnbouwwetboek onverenigbaar is met de MEB-richtlijn, lijken mij niet overtuigend, daar zij gebaseerd zijn op een eenvoudige letterlijke uitlegging van artikel 6, lid 2, van de MEB-richtlijn, dat wordt geacht naar de definitieve „vergunning” te verwijzen, zonder dat evenwel nauwkeurig en gedetailleerd wordt uitgelegd waarom de in de Poolse rechtsorde vastgelegde, uit meerdere fasen bestaande, administratieve procedure niet aan de vereisten van de MEB-richtlijn zou voldoen. Het aanvaarden van dit betoog zou erop neerkomen dat het volstrekt onmogelijk is te voorzien in een uit meerdere fasen bestaande administratieve procedure om de milieueffecten van een project te beoordelen, hetgeen duidelijk in tegenspraak is met de rechtspraak van het Hof. Bijgevolg moeten deze argumenten worden afgewezen.

b)      Schending van het recht om een beroep in rechte in te stellen

103. Wat betreft de gestelde schending van artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn, dat ziet op het recht om een beroep in rechte in te stellen, moet allereerst worden opgemerkt dat blijkbaar niet artikel 33 van het mijnbouwwetboek zelf uitsluit dat een dergelijk beroep tegen een vergunningsbesluit wordt ingesteld wanneer de betrokkene niet heeft deelgenomen aan de procedure die tot de toekenning van de vergunning heeft geleid, maar wel artikel 50, lid 1, van de wet betreffende procedures voor administratieve rechtbanken, zoals de Tsjechische Republiek zelf aangeeft in haar zevende middel.

104. Voorts zij eraan herinnerd dat volgens het arrest Flausch(27) beroepen die alleen tegen vergunningsbesluiten worden ingesteld, in beginsel geen betrekking hebben op kwesties inzake de inspraak van het publiek in het besluitvormingsproces, maar dat dit anders ligt wanneer met name eventuele gebreken in de inspraak van het publiek moeten worden opgeworpen in het kader van het beroep tegen het definitieve vergunningsbesluit.

105. Hieruit volgt logischerwijs dat, wanneer het nationale recht voorziet in een procedure in verschillende fasen, namelijk een milieueffectbeoordelingsfase en een projectvergunningsfase, zoals het geval is in de Poolse rechtsorde, de betrokken lidstaat mag bepalen dat gebreken inzake de inspraak van het publiek in de eerste fase moeten worden opgeworpen.

106. Zoals duidelijk blijkt uit artikel 11, lid 2, van de MEB-richtlijn, bepalen de lidstaten in welk stadium een besluit, handelen of nalaten kan worden aangevochten. Met andere woorden, anders dan de Tsjechische Republiek stelt, zijn lidstaten niet verplicht te waarborgen dat eventuele gebreken inzake de inspraak van het publiek nog eens kunnen worden aangevochten in de vergunningsfase.

107. Wat ten slotte het door de Tsjechische Republiek aangevoerde risico betreft dat de resultaten van de milieueffectbeoordelingsprocedure later niet in aanmerking worden genomen, ben ik van mening dat noch artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn, noch enige andere bepaling van het Unierecht die een gelijkwaardig recht toekent, zich verzet tegen de vaststelling van een procedure en van nationale bepalingen die ertoe strekken dat de mogelijkheid om beroep in te stellen slechts wordt gewaarborgd in de fase van het besluit over de milieuvoorwaarden, voor zover is uitgesloten dat in het kader van het vergunningsbesluit de resultaten van de milieueffectbeoordelingsprocedure niet in aanmerking worden genomen.

108. In dit verband moet worden opgemerkt dat, volgens de door de Republiek Polen verstrekte informatie(28), haar nationale recht het betrokken publiek in beginsel de mogelijkheid biedt om beroep in te stellen in het kader van een administratieve procedure, alsook om beroep in te stellen bij de administratieve rechtbanken tegen vergunningsbesluiten, met name om na te gaan of deze besluiten in overeenstemming zijn met de in eerdere besluiten over milieuvoorwaarden gestelde eisen.

109. Bij gebreke van concrete aanwijzingen dat het naar Pools recht niet mogelijk is te verzoeken om rechterlijke toetsing van een vergunningsbesluit voor een project op grond dat bij de vaststelling van dit besluit geen rekening is gehouden met de resultaten van de milieueffectbeoordelingsprocedure, moet dit argument worden afgewezen.

110. Gelet op het voorgaande stel ik voor om het tweede middel ongegrond te verklaren.

D.      Derde middel, ontleend aan schending van artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn (verklaring van onmiddellijke uitvoerbaarheid van het MEB-besluit)

1.      Argumenten van partijen

111. Met haar derde middel betoogt de Tsjechische Republiek dat de verklaring van de onmiddellijke uitvoerbaarheid van het MEB-besluit in strijd is met artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn, aangezien die verklaring deze laatste bepaling haar nuttig effect ontneemt. In dit verband stelt deze lidstaat dat dit besluit naar Pools recht weliswaar vatbaar is voor rechterlijke toetsing, maar dat de onmiddellijke uitvoerbaarheid ervan tot gevolg heeft dat het betrokken project vergund en vervolgens uitgevoerd kan worden voordat een rechterlijke beslissing over de rechtmatigheid van het MEB-besluit kan worden gegeven. Dit probleem wordt nog verergerd door het feit dat het publiek niet de mogelijkheid heeft om bij de rechter voorlopige maatregelen te verkrijgen tegen die onmiddellijke uitvoerbaarheid, en door de onherroepelijkheid van de vergunning voor het project na het verstrijken van een periode van één jaar vanaf het begin van de activiteiten.

112. In dit verband verklaart de Tsjechische Republiek dat beroepen die zijn ingesteld tegen het MEB-besluit en de onmiddellijke uitvoerbaarheid ervan zich nog in de administratieve fase bevinden, terwijl de winningsactiviteiten in de mijn van Turów worden voortgezet. Zij voert verder aan dat het grondwaterpeil aanzienlijk sneller daalt dan was aangegeven in de prognoses waarop dit besluit is gebaseerd en dat zich, anders dan in het besluit was vermeld, in bewoonde gebieden in Tsjechië aanzienlijke grondverzakkingen hebben voorgedaan.

113. De Republiek Polen wijst erop dat naar Pools recht een niet-definitieve beslissing onmiddellijk uitvoerbaar kan worden verklaard in gevallen waarin dit noodzakelijk blijkt voor de bescherming van de gezondheid of het leven van mensen, ter voorkoming van aanzienlijke verliezen voor de nationale economie, voor een ander publiek belang, of een voor enige partij bijzonder gewichtig belang. Wanneer een beslissing echter door middel van een afzonderlijke handeling onmiddellijk uitvoerbaar wordt verklaard, kan daartegen bezwaar worden gemaakt, waarna een beroep in rechte kan worden ingesteld. Bovendien kan de instantie van tweede aanleg krachtens artikel 135 van het wetboek van administratieve rechtsvordering de rechtstreekse uitvoerbaarheid van een beslissing hetzij ambtshalve hetzij op verzoek van de partijen bij de procedure opschorten.

114. Deze lidstaat stelt dat in het onderhavige geval, ten eerste, geen verzoek krachtens dit artikel 135 is ingediend. Ten tweede heeft de procedure betreffende het MEB-besluit, die is afgesloten op 21 januari 2020, bijna vijf jaar geduurd, waarvan het grootste deel, als gevolg van de tussenkomst van de Tsjechische instanties en het Tsjechische publiek, aan de grensoverschrijdende gevolgen is besteed, zodat de tijd die de exploitant ter beschikking stond om de vergunning te verkrijgen, aanzienlijk was verkort, hetgeen van invloed was geweest op de beslissing om het MEB-besluit onmiddellijk uitvoerbaar te verklaren. Ten derde zijn tegen dit MEB-besluit bezwaren ingediend en vervolgens bij de administratieve rechter beroepen ingesteld die momenteel aanhangig zijn.

115. De Republiek Polen stelt voorts dat het derde middel zonder voorwerp is, aangezien door de wijziging van het regelgevingskader op 30 maart 2021 aan het publiek rechten zijn verleend die een einde maken aan het gebrek aan doeltreffendheid van de rechterlijke toetsing dat het gevolg zou zijn van de erkenning van de onmiddellijke uitvoerbaarheid van het MEB-besluit. Een instantie in tweede aanleg kan sindsdien, op verzoek en in gerechtvaardigde gevallen de onmiddellijke uitvoerbaarheid opschorten in het kader van het tegen dit besluit ingestelde beroep.

2.      Beoordeling

116. Met haar derde middel, dat is gericht tegen de verklaring van de onmiddellijke uitvoerbaarheid van het MEB-besluit, voert de Tsjechische Republiek schending aan van artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn, wegens de vermeende ondoeltreffendheid van de in de Poolse rechtsorde vastgelegde gerechtelijke procedures om tegen een dergelijke verklaring op te komen, aangezien door deze verklaring snel met de uitvoering van het project kan worden begonnen, ook als er tegen het MEB-besluit beroep is ingesteld. Dit probleem wordt nog verergerd door het feit dat het niet mogelijk is om tegen deze uitvoering voorlopige maatregelen te vragen. Het komt mij voor dat dit middel, net als de eerste twee middelen, eerder tegen het nationale recht is gericht dan tegen de verklaring als zodanig.

117. In dit verband moet allereerst worden herinnerd aan de rechtspraak van het Hof, waaruit blijkt dat de lidstaten de doeltreffendheid moeten waarborgen van de rechtsmiddelen die kunnen worden aangewend tegen nationale administratieve besluiten die schadelijke en onomkeerbare gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Het Hof heeft geoordeeld dat de doeltreffendheid van de rechtsmiddelen met name afhangt van de mogelijkheid voor de leden van het betrokken publiek om bij de nationale rechterlijke instantie waarbij een door het Unierecht beheerste zaak aanhangig is gemaakt, te verzoeken dat voorlopige maatregelen worden gelast die de toepassing van een vergunning tijdelijk kunnen opschorten in afwachting van het definitieve besluit.(29) Het waarborgen van een doeltreffende rechtsbescherming is met name van belang wanneer een besluit, zoals het MEB-besluit, onmiddellijk uitvoerbaar wordt verklaard. Om dit middel inzake de gestelde ondoeltreffendheid van de gerechtelijke procedures waarin de Poolse rechtsorde voorziet, te kunnen onderzoeken, moeten naar mijn mening het nationale rechtskader en de huidige stand van de lopende procedures worden onderzocht.

a)      Toepasselijke nationale bepalingen

118. Wat het nationale rechtskader betreft, zet de Republiek Polen uiteen dat naar Pools recht een niet-definitief besluit in bijzondere gevallen onmiddellijk uitvoerbaar kan worden gemaakt, namelijk wanneer dit is vereist voor de bescherming van de gezondheid of het leven van mensen, ter voorkoming van aanzienlijke verliezen voor de nationale economie, voor een ander publiek belang, of een voor enige partij bijzonder gewichtig belang. Een instantie van eerste aanleg kan aan haar besluit reeds in de tekst of na de vaststelling ervan onmiddellijke uitvoerbaarheid verlenen. In dit tweede geval wordt de onmiddellijke uitvoerbaarheid erkend door middel van een beschikking, waartegen de partijen bezwaar kunnen maken en vervolgens beroep kunnen instellen bij een administratieve rechter. De Republiek Polen verklaart dat het Poolse recht voorziet in een ander middel om de rechtstreekse uitvoerbaarheid aan te vechten. Krachtens artikel 135 van het wetboek van administratieve rechtsvordering kan de instantie van tweede aanleg namelijk de rechtstreekse uitvoerbaarheid van een besluit ambtshalve opschorten. Deze instantie kan hier ook toe overgaan nadat zij het verzoek van de partijen in de procedure heeft onderzocht.

b)      Huidige stand van de lopende procedures

119. Wat de huidige stand van de procedures betreft, verklaart de Tsjechische Republiek dat verscheidene Tsjechische personen beroep hebben ingesteld tegen het MEB-besluit en administratief beroep hebben ingesteld tegen het besluit van 23 januari 2020 over de onmiddellijke uitvoerbaarheid van het MEB-besluit. Deze informatie wordt bevestigd door de Republiek Polen, die verklaart dat verscheidene milieubeschermingsorganisaties bij de directeur-generaal Milieubescherming administratief beroep hebben ingesteld tegen het op 21 januari 2020 door de regionale directeur Milieubescherming van Wrocław vastgestelde MEB-besluit. Volgens de toelichting van de Republiek Polen hebben de betrokken organisaties het recht om, zodra eerstgenoemde autoriteit zijn besluit in tweede aanleg heeft vastgesteld, beroep in te stellen bij de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie (bestuursrechter in eerste aanleg Warschau, Polen).

120. Wat meer bepaald het besluit over de onmiddellijke uitvoerbaarheid van het MEB-besluit betreft, stelt de Republiek Polen dat de regionale directeur Milieubescherming de door de Tsjechische partij in het kader van de bezwaarprocedure aangevoerde argumenten heeft onderzocht en vervolgens op 14 april 2021 heeft besloten om dit besluit te handhaven. De Republiek Polen wijst erop dat tot op heden verscheidene milieubeschermingsorganisaties tegen dit besluit beroep hebben ingesteld bij de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie. In dit verband merk ik op dat de Tsjechische Republiek het Hof ter terechtzitting heeft meegedeeld dat deze procedure op dat ogenblik hangende was en dat de terechtzitting in dat kader naar verwachting tegen eind 2021 zou plaatsvinden.

121. Op basis van een beoordeling van de argumenten van beide partijen concludeer ik dat de Poolse rechtsorde wel degelijk voorziet in rechtsmiddelen om de rechtmatigheid van administratieve besluiten, waaronder het MEB-besluit, door de overheid en de gerechtelijke instanties te laten toetsen. In het bijzonder beschikken belanghebbenden over de mogelijkheid om de rechtstreekse uitvoerbaarheid van een besluit te laten opschorten. Bij gebreke van solide bewijs kan ik de twijfels van de Tsjechische Republiek over de doeltreffendheid van de bestaande rechtsmiddelen niet delen. Het feit dat bovengenoemde milieubeschermingsorganisaties bij hun beroep niet in het gelijk zijn gesteld, vormt als zodanig geen afdoende bewijs om vast te stellen dat de rechtsmiddelen ondoeltreffend zijn, temeer daar ze nog niet zijn uitgeput.

122. Gelet op het voorgaande ben ik geneigd om het derde middel ongegrond te verklaren.

E.      Vierde middel: schending van artikel 4, lid 1, onder a), ii), en onder b), ii), van richtlijn 2000/60 (ontbreken in het MEB-besluit van een mogelijke procedure voor het geval dat voor de betrokken waterlichamen geen afwijkingen worden toegestaan)

1.      Argumenten van partijen

123. Volgens de Tsjechische Republiek waarborgt het MEB-besluit niet dat de verplichtingen worden nageleefd die uit artikel 4, lid 1, onder a), ii), en onder b), ii), van richtlijn 2000/60 voortvloeien met betrekking tot de oppervlaktewaterlichamen en de grondwaterlichamen die gevolgen ondervinden van de winningsactiviteiten in de mijn van Turów, voor de gehele geplande duur van deze activiteit, namelijk tot 2044, en schendt dit besluit derhalve deze bepalingen.

124. Dienaangaande merkt deze lidstaat op dat artikel 4, leden 4 en 5, van richtlijn 2000/60 afwijkingen op de verwezenlijking van deze doelstellingen toestaat tot uiterlijk 2021 of 2027, en dat met name is voorzien in de verlenging krachtens lid 4 van de duur van de in lid 5 bedoelde afwijkingen zonder dat er rekening wordt gehouden met de mogelijkheid dat een dergelijke verlenging wordt geweigerd omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van de in dit lid 5 bedoelde afwijkingen.

125. Hoewel de Republiek Polen in de MEB-documentatie erkent dat het niet mogelijk zal zijn om tot een goede toestand van de betrokken waterlichamen te komen voordat de exploitatie van de afzetting in Turów eindigt in 2044, blijkt uit het MEB-besluit niet hoe deze lidstaat, ingeval deze afwijkingen worden geweigerd, de naleving van het Unierecht wil verzekeren. Met name zou dit besluit in een dergelijk geval geen verbod op voortzetting van de exploitatie inhouden.

126. De Republiek Polen betwist dat er sprake zou zijn van schending van artikel 4, lid 1, onder a), ii), en onder b), ii), van richtlijn 2000/60. Zij wijst erop dat de beoordeling en de toepassing van de in artikel 4, leden 4 en 5, van deze richtlijn bedoelde afwijkingen niet geschieden door middel van specifieke investeringsvergunningen, maar in het kader van de actualisering van concrete stroomgebiedsbeheersplannen overeenkomstig artikel 13 van de richtlijn. Dergelijke actualiseringen zijn verricht voor de stroomgebiedsdistricten, waaronder dit van de Oder, voor de jaren 2021 tot en met 2027. In het kader van deze actualisering van de plannen worden, naargelang de op dat ogenblik bestaande toestand, besluiten vastgesteld over de handhaving of de wijziging van die afwijkingen of het afzien ervan.

127. Deze lidstaat stelt, mede onder verwijzing naar het met redenen omklede advies van de Commissie, dat richtlijn 2000/60 niet vereist dat een projectvergunningsbesluit in de zin van de MEB-richtlijn de verplichtingen vastlegt die voortvloeien uit eventuele toekomstige besluiten over afwijkingen van de milieudoelstellingen voor specifieke waterlichamen. Aan dit standpunt wordt niet afgedaan door de door de Tsjechische Republiek aangehaalde rechtspraak, die enkel stelt dat de documentatie die vóór afgifte van een vergunning ter beschikking wordt gesteld van het publiek, de gegevens moet bevatten die, in het licht van artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/60, nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van dit project voor het water. Uit deze rechtspraak blijkt echter niet dat op dwingende wijze, in een projectvergunningsbesluit, moet worden beslist of dit project kan worden uitgevoerd in het licht van toekomstige besluiten over het al dan niet toestaan van de genoemde afwijkingen.

128. De Republiek Polen verwerpt ook de stelling van de Tsjechische Republiek dat de naleving van de in deze bepaling vastgelegde verplichtingen op geen enkele andere wijze wordt verzekerd. Zij verklaart dat het Poolse recht, met betrekking tot drie aspecten van activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor het grondwater of het oppervlaktewater, voorziet in mechanismen die garanderen dat artikel 4, lid 1, van richtlijn 2000/60 wordt nageleefd ingeval de betrokken afwijkingen worden geweigerd. Bij deze mechanismen gaat het ten eerste om de procedures in verband met het verkrijgen van een besluit waarmee toestemming wordt verleend om een dergelijke activiteit uit te oefenen, ten tweede om het onderzoek naar de gevolgen van de verrichte activiteit voor het water en ten derde om de sancties in geval van negatieve gevolgen voor het water van een activiteit die wordt verricht op basis van een voordien verkregen besluit. Bovendien kan, in geval van schending door de exploitant van de voorwaarden inzake milieubescherming, de vergunning zonder compensatie worden ingetrokken.

129. De Republiek Polen wijst er verder op dat het vierde middel betrekking heeft op de inhoud van het MEB-besluit. Aangezien tegen dit besluit een administratieve klacht is ingediend die kan worden gevolgd door een beroep bij een administratieve rechter, hetgeen tot nietigverklaring van het besluit kan leiden, zou een arrest van het Hof over de verenigbaarheid van het MEB-besluit met richtlijn 2000/60 in strijd zijn met de rolverdeling tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties.

130. Voorts volgt volgens de Republiek Polen uit de bewoordingen van artikel 259 VWEU dat een op grond van deze bepaling ingediende klacht moet aantonen dat de betrokken lidstaat een krachtens het Unierecht op hem rustende verplichting niet is nagekomen, en niet dat er sprake is van een hypothetische schending van een dergelijke verplichting, die zich in de toekomst zou kunnen voordoen. Derhalve is het vierde middel niet-ontvankelijk.

2.      Beoordeling

131. Met haar vierde middel stelt de Tsjechische Republiek in wezen dat het MEB-besluit in strijd is met artikel 4, lid 1, onder a), ii), en onder b), ii), van richtlijn 2000/60 – waarin het gaat over de milieudoelstellingen die voor het oppervlaktewater en het grondwater moeten worden bereikt –, voor zover dit besluit niet voorziet in maatregelen die moeten worden genomen indien de thans krachtens artikel 4, leden 4 en 5, van deze richtlijn geldende afwijkingen op deze bepalingen tijdens de duur van het project niet worden verlengd. Dit middel verschilt van de hierboven onderzochte middelen in die zin dat het geen betrekking heeft op een wetgevingshandeling, maar veeleer op een specifieke bestuurshandeling.

132. Ik volg de Republiek Polen niet in haar stelling dat dit middel niet-ontvankelijk is omdat het betrekking heeft op een hypothetische toekomstige inbreuk. De door de Tsjechische Republiek aangevoerde inbreuk lijkt mij wel degelijk actueel en voldoende concreet, daar deze lidstaat de Poolse instanties in wezen verwijt dat zij niet voldoen aan de krachtens richtlijn 2000/60 op hen rustende verplichtingen, namelijk om alles in het werk te stellen om de in deze richtlijn vastgelegde milieudoelstellingen binnen de voorgeschreven termijnen te bereiken, maar zich in plaats daarvan verlaten op afwijkingen, waarvan het niet zeker is dat ze zullen worden toegekend.

133. Wat de grond van het door de Tsjechische Republiek aangevoerde middel betreft, moet er allereerst op worden gewezen dat richtlijn 2000/60 een kaderrichtlijn is met als rechtsgrondslag artikel 175, lid 1, EG (thans artikel 192, lid 1, VWEU). Deze richtlijn stelt gemeenschappelijke beginselen en een algemeen actiekader voor waterbescherming vast en zorgt voor de coördinatie, de integratie en – op langere termijn – de ontwikkeling van algemene beginselen en structuren voor de bescherming en het duurzame gebruik van water in de Europese Unie. De gemeenschappelijke beginselen en het algemene actiekader die in de richtlijn worden vastgesteld, moeten daarna door de lidstaten verder worden ontwikkeld door het nemen van specifieke maatregelen binnen de in de richtlijn gestelde termijnen. Deze richtlijn beoogt evenwel geen volledige harmonisatie van de regelgeving van de lidstaten op het gebied van water.(30)

134. Krachtens artikel 4, lid 1, onder a), ii), en onder b), ii), van richtlijn 2000/60 dienen de lidstaten alle oppervlaktewateren en grondwaterlichamen te beschermen, te verbeteren en te herstellen, onder voorbehoud van punt iii) voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen, met de bedoeling een goede toestand van de oppervlaktewateren en het grondwater te bereiken. Krachtens artikel 3, lid 1, onder c), van de MEB-richtlijn maakt de beoordeling van de effecten van een project op het water eveneens deel uit van de milieueffectbeoordeling. In dit verband is het noodzakelijk dat de conclusies van de MEB-procedure – in casu in de vorm van het MEB-besluit – ook betrekking hebben op de verplichtingen die voortvloeien uit de richtlijn 2000/60, die speciale regelgeving op het gebied van water vormt ten opzichte van de MEB-richtlijn.(31)

135. Dit gezegd zijnde, wil ik erop wijzen dat de lidstaten, overeenkomstig artikel 4, lid 7, van richtlijn 2000/60 geen inbreuk maken op deze richtlijn wanneer aan alle onder a) tot en met d) van deze bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. Zoals het Hof onlangs in het arrest Land Nordrhein-Westfalen heeft geoordeeld, kan een project dat schadelijke gevolgen voor het water kan hebben, alleen worden goedgekeurd indien deze voorwaarden zijn vervuld. Het staat aan de voor het vergunnen van een project bevoegde nationale instanties om, alvorens zij een dergelijke vergunning verlenen, te onderzoeken of deze voorwaarden zijn vervuld, onverminderd de mogelijkheid van een rechterlijke toetsing.(32) Bij het onderzoek van een middel inzake de schending van de bepalingen van richtlijn 2000/60 door een lidstaat, dient derhalve in beginsel te worden nagegaan of deze voorwaarden in aanmerking zijn genomen.

136. Het door de Tsjechische Republiek aangevoerde middel heeft echter betrekking op een ander aspect dat moet worden verduidelijkt. De verzoekende lidstaat stelt immers niet dat er niet is voldaan aan de verplichting om rekening te houden met de voorwaarden van artikel 4, lid 7, van richtlijn 2000/60. Wat de Tsjechische Republiek de Poolse instanties verwijt, is dat zij ervan uitgaan dat de afwijkingen die de Republiek Polen krachtens artikel 4, leden 4 en 5, van richtlijn 2000/60 geniet, zullen worden gehandhaafd.

137. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat dit argument voorbijgaat aan het feit dat de toepassing van de in artikel 4, leden 4 en 5, van richtlijn 2000/60 bedoelde afwijkingen niet geschiedt door middel van een milieueffectbeoordelingsbesluit, maar in het kader van de actualisering, overeenkomstig de artikelen 13 tot en met 15 van richtlijn 2000/60, van concrete stroomgebiedsbeheersplannen.(33) In deze beheersplannen worden de doelstellingen voor alle waterlichamen vastgesteld. Voor waterlichamen die de milieudoelstelling van een „goede toestand” of „potentieel goede toestand” nog niet hebben bereikt, moeten de beheersplannen, krachtens artikel 4, lid 4, van deze richtlijn, de termijn voor het bereiken ervan vaststellen. Wanneer deze doelstelling voor een bepaald waterlichaam niet kan worden bereikt, mag een minder strenge milieudoelstelling worden nagestreefd, mits aan de criteria van artikel 4, lid 5, van de richtlijn is voldaan.(34)

138. Volgens de door de Commissie en de Republiek Polen verstrekte informatie diende het volgende stroomgebiedsbeheersplan, overeenkomstig artikel 13, lid 7, van richtlijn 2000/60, te worden vastgesteld vóór 22 december 2021. Volgens de Republiek Polen werd aan de actualisering van dit plan gewerkt en waren alle nodige administratieve maatregelen genomen om de betrokken afwijkingen te handhaven. De Poolse instanties hebben overeenkomstig de eisen van richtlijn 2000/60 openbare raadplegingen over de ontwerpplannen gehouden.

139. Derhalve moet worden geconcludeerd dat de Poolse instanties, bij de vaststelling van het MEB-besluit, geen rekening hoefden te houden met de mogelijkheid dat de in artikel 4, leden 4 en 5, van richtlijn 2000/60 bedoelde afwijkingen niet zouden worden gehandhaafd. Daarentegen waren zij verplicht om te beoordelen of er sprake was van een risico op verslechtering van de toestand van de waterlichamen als gevolg van de mijnbouwactiviteiten, dat gelet op de in artikel 4, lid 7, van deze richtlijn vastgestelde voorwaarden mogelijk niet kan worden aanvaard.

140. Voorts acht ik het noodzakelijk de aandacht te vestigen op de verklaringen van de Republiek Polen, volgens welke het Poolse recht voorziet in doeltreffende mechanismen die de verenigbaarheid met artikel 4, lid 1, onder a), ii), en onder b), ii), van richtlijn 2000/60 waarborgen ingeval de betrokken afwijkingen niet worden toegestaan. Meer in het bijzonder bieden deze mechanismen de Poolse instanties de mogelijkheid om de verleende vergunningen te herzien of in te trekken. Anders dan de Tsjechische Republiek stelt, blijken de Poolse instanties dus over passende middelen te beschikken om de naleving van de uit het Unierecht voortvloeiende verplichtingen te waarborgen.

141. Om de hierboven uiteengezette redenen stel ik voor om dit middel ongegrond te verklaren.

F.      Vijfde middel: schending van artikel 6, leden 2 tot en met 7, artikel 7, leden 1, 2 en 5, en artikel 8 van de MEB-richtlijn (uitsluiting van het betrokken publiek en de Tsjechische Republiek uit de vergunningsprocedure voor de winning van bruinkool tot 2026)

1.      Argumenten van partijen

142. Met haar vijfde middel stelt de Tsjechische Republiek dat de Republiek Polen, door het betrokken publiek en eerstgenoemde lidstaat geen inspraak te geven in de vergunningsprocedure voor de winning van bruinkool tot 2026, artikel 6, leden 2 tot en met 7, artikel 7, leden 1, 2 en 5, en artikel 8 van de MEB-richtlijn heeft geschonden.

143. Zoals in het kader van haar tweede middel, dat is ontleend aan schending van deze bepalingen door artikel 33 van het mijnbouwwetboek, is de Tsjechische Republiek van mening dat deze vergunningsprocedure een „besluitvormingsprocedure” in de zin van artikel 2, lid 2, van de MEB-richtlijn is, zodat de in artikel 6, leden 2 tot en met 7, artikel 7, leden 1, 2 en 5, en artikel 8 van deze richtlijn bedoelde verplichtingen ook op deze procedure van toepassing zijn. De inspraak van het betrokken publiek en van deze lidstaat was namelijk noodzakelijk om na te gaan of de voorwaarden van het MEB-besluit in deze vergunning waren opgenomen. Aan geen van deze verplichtingen is echter voldaan in de vergunningsprocedure voor de winning van bruinkool tot 2026, waarin het publiek geen inspraak heeft gehad.

144. De Republiek Polen acht dit middel ongegrond en verwijst in dat verband naar haar argumenten met betrekking tot het tweede middel. Zij wijst erop dat aan de in de relevante bepalingen van de MEB-richtlijn bedoelde verplichtingen reeds was voldaan in de fase van de procedure die tot de vaststelling van het MEB-besluit heeft geleid.

145. Voorts vereisen deze bepalingen niet dat de mogelijkheid wordt geboden om na te gaan of in het investeringsbesluit (de vergunning) rekening is gehouden met de voorwaarden van het MEB-besluit, aangezien de inspraak van het publiek en de betrokken lidstaat in de procedures voor het vaststellen van besluiten die gevolgen hebben voor het milieu, volgens artikel 6, lid 4, van de MEB-richtlijn bestaat in het kenbaar maken van opmerkingen en meningen aan de instanties voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen. Gelet op deze doelstelling is dergelijke inspraak in de fase van de vergunningsprocedure overbodig, temeer daar de instantie die belast is met deze procedure, gebonden is door het MEB-besluit.

146. De Republiek Polen stelt voorts dat de vaststelling van besluit 2044 en de wijziging van de Poolse bepalingen die voorzien in de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen vergunningsbesluiten die worden voorafgegaan door MEB-besluiten, bij de vaststelling waarvan het publiek inspraak in de procedure heeft gehad, tot gevolg hebben dat het vijfde middel zonder voorwerp is geraakt.

2.      Beoordeling

147. Het vijfde middel betreft de niet-nakoming van de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, leden 2 tot en met 7, artikel 7, leden 1, 2 en 5, en artikel 8 van de MEB-richtlijn, doordat de Republiek Polen inspraak van het betrokken publiek en van de Tsjechische Republiek in de vergunningsprocedure voor de winning van bruinkool tot 2026 onmogelijk zou hebben gemaakt.

148. Om te beginnen moet, naar mijn mening, het argument van de Republiek Polen worden afgewezen dat dit middel zonder voorwerp is geraakt doordat de Poolse instanties een nieuw besluit hebben vastgesteld waardoor de vergunning is verlengd tot 2044. In dit verband volstaat het erop te wijzen dat dit besluit pas op 28 april 2021 is vastgesteld, dat wil zeggen na de referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming in het kader van de procedure krachtens artikel 259 VWEU.(35)

149. Voor zover er parallellen zijn met de juridische kwesties die de Tsjechische Republiek in haar tweede middel aan de orde heeft gesteld, verwijs ik naar mijn analyse in de punten 96 en volgende van deze conclusie, waarin ik heb uiteengezet dat de in bovengenoemde bepalingen neergelegde verplichtingen zijn nagekomen in de fase van de milieueffectbeoordeling van het project, op basis waarvan het MEB-besluit is vastgesteld, en dat de MEB-richtlijn niet in de weg staat aan een juridische constructie, zoals die waarin de Poolse rechtsorde voorziet, waarin aan deze verplichtingen wordt voldaan in een vroegere fase van de vergunningsprocedure voor een project, namelijk de fase van de milieueffectbeoordeling van het project, en waarin de laatste fase, namelijk de fase van de vaststelling van het projectbesluit, plaatsvindt zonder inspraak van het betrokken publiek of van de getroffen lidstaat.

150. Wat betreft het door de Tsjechische Republiek aangevoerde argument dat verdere inspraak in de vergunningsfase nodig zou zijn om later te „controleren” of bij het vergunnen van het project rekening is gehouden met de voorwaarden van het MEB-besluit, moet worden verduidelijkt dat artikel 11 van de MEB-richtlijn het recht van beroep uitsluitend verleent „om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten”.(36) Artikel 11 verleent daarentegen niet het recht om te eisen dat de rechter nagaat of de overwegingen die aan het MEB-besluit ten grondslag liggen in acht zijn genomen.

151. In dit verband wil ik ook benadrukken dat geen van de bepalingen die de Tsjechische Republiek ter ondersteuning van haar tweede middel aanvoert, een dergelijk recht verleent. Zoals blijkt uit artikel 6, lid 4, van de MEB-richtlijn, hebben deze bepalingen integendeel veeleer tot doel het betrokken publiek het recht te geven om „opmerkingen en meningen kenbaar te maken aan de bevoegde instantie(s)” voordat het besluit over de vergunningsaanvraag wordt genomen. Voorts blijkt uit artikel 8 van deze richtlijn dat „[d]e resultaten van de raadplegingen en de krachtens de artikelen 5 tot [en met] 7 verzamelde informatie [...] in het kader van de vergunningsprocedure terdege in aanmerking [worden] genomen” (cursivering van mij). Deze aan de nationale instanties opgelegde verplichting schept echter geen recht voor het betrokken publiek om een besluit te „controleren”, in tegenstelling tot hetgeen de Tsjechische Republiek meent. Het tweede middel lijkt mij derhalve te berusten op een onjuiste uitlegging van de bepalingen van de MEB-richtlijn.

152. Deze bevindingen inzake de toepasselijkheid van de MEB-richtlijn doen geen afbreuk aan de mogelijkheid die volgens de door de Republiek Polen verstrekte informatie door haar nationale recht aan het betrokken publiek wordt geboden om beroep in te stellen in het kader van een administratieve procedure, alsook om beroep in te stellen bij de administratieve rechtbanken tegen vergunningsbesluiten, met name om na te gaan of deze besluiten in overeenstemming zijn met de in eerdere besluiten over milieuvoorwaarden gestelde eisen.(37)

153. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het vijfde middel, waarmee wordt aangevoerd dat de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6, leden 2 tot en met 7, artikel 7, leden 1, 2 en 5, en artikel 8 van de MEB-richtlijn niet zijn nagekomen doordat de Republiek Polen het voor het betrokken publiek en de Tsjechische Republiek onmogelijk heeft gemaakt om inspraak te krijgen in de vergunningsprocedure voor de winning van bruinkool tot 2026, ongegrond is.

G.      Zesde middel: schending van artikel 9, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn (geen bekendmaking van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 en geen kennisgeving daarvan in een begrijpelijke vorm aan de Tsjechische Republiek)

1.      Argumenten van partijen

154. Volgens de Tsjechische Republiek heeft de Republiek Polen, wat de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 betreft, niet voldaan aan de informatieverplichtingen die op haar rusten krachtens artikel 9 van de MEB-richtlijn, dat onder meer beoogt te verzekeren dat het betrokken publiek de gelegenheid krijgt om te onderzoeken of de voorwaarden van het MEB-besluit naar behoren in deze vergunning zijn geïntegreerd.

155. Wat artikel 9, lid 1, onder a), van deze richtlijn betreft, zijn de inhoud van het vergunningsbesluit en de daaraan verbonden voorwaarden niet bekendgemaakt. Aangezien deze vergunning strekte tot wijziging van vergunning nr. 65/94, die reeds herhaaldelijk was gewijzigd, diende, om aan de verplichtingen van deze bepaling te voldoen, een geconsolideerde versie van de vergunning te worden gepubliceerd waarin alle in artikel 8 bis van deze richtlijn bedoelde informatie was vermeld. De aan het publiek bekendgemaakte vergunning zou in haar dispositief echter alleen informatie over de verlenging van de oorspronkelijke vergunning hebben bevat. Uit de daaropvolgende toezending aan de Tsjechische Republiek van alle besluiten waarbij deze vergunning was gewijzigd, kon niet eenduidig worden opgemaakt welke versie van de vergunning op dat ogenblik van kracht was. Dienaangaande geeft de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 niet de actuele omvang van het winningsgebied aan, noch bevat deze duidelijke en bindende verwijzingen naar de in het MEB-besluit vervatte voorwaarden.

156. Wat artikel 9, lid 1, onder b), van de MEB-richtlijn betreft, zou het MEB-besluit logischerwijs een belangrijk onderdeel moeten vormen van de „redenen en overwegingen waarop de [vergunningsbeslissing] is gebaseerd”, maar de vergunning omvat geen beoordeling van de conformiteit van de vergunde winningsactiviteiten met het MEB-besluit.

157. Wat artikel 9, lid 2, van de MEB-richtlijn betreft, dient de vereiste informatie, gelet op de doelstelling van deze richtlijn, zo spoedig mogelijk aan de betrokken lidstaat te worden verstrekt. De Republiek Polen heeft de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 echter pas vijf maanden na de afgifte ervan toegezonden aan de Tsjechische Republiek, en het overgemaakte document voldeed niet aan de vereisten van artikel 9, lid 1, van deze richtlijn.

158. De Republiek Polen antwoordt dat de openbare aankondigingen die gepubliceerd waren op de website van het openbare informatieblad van de diensten van de betrokken gemeente en op de website van de vergunningverlenende instantie betrekking hadden op alle fasen van de procedure tot verlenging van vergunning nr. 65/94, zodat zowel het publiek als de Tsjechische Republiek er kennis van had kunnen nemen.

159. Wat de stelling betreft dat een geconsolideerde versie van deze vergunning moest worden toegezonden, verklaart de Republiek Polen dat het in Polen vastgestelde mechanisme voor de actualisering van vergunningen een dergelijke toezending uitsluit, daar een dergelijke geconsolideerde versie een nieuw administratief besluit zou vormen waarvan de draagwijdte verder zou gaan dan het ingediende wijzigingsverzoek, hetgeen in strijd is met het Poolse administratieve recht. In dit verband is de Republiek Polen van mening dat artikel 9 van de MEB-richtlijn geen specifieke vorm voor vergunningsbesluiten voorschrijft.

160. Deze lidstaat is van mening dat aan de verplichting om het publiek de in artikel 8 bis en artikel 9, lid 1, onder b), tweede volzin van deze richtlijn bedoelde informatie te verstrekken, is voldaan door de bekendmaking, met name op de officiële website van het ministerie van Leefmilieu van de Tsjechische Republiek en in Duitsland, van het MEB-besluit en van de beschikking waarbij dit besluit onmiddellijk uitvoerbaar is verklaard.

161. Wat artikel 9, lid 2, van de MEB-richtlijn betreft, is de Republiek Polen van mening dat de vereiste informatie tijdig aan de Tsjechische Republiek is meegedeeld opdat het betrokken publiek zijn krachtens artikel 11, lid 1, van deze richtlijn toegekend recht op een beroep in rechte zou kunnen uitoefenen.

162. Ten slotte is de Republiek Polen van mening dat het zesde middel zonder voorwerp is, aangezien besluit 2044 is bekendgemaakt in overeenstemming met artikel 9, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn.

2.      Beoordeling

163. Met haar zesde middel verwijt de Tsjechische Republiek de Republiek Polen, ten eerste, dat zij in strijd met artikel 9, lid 1, van de MEB-richtlijn de inhoud van het besluit waarbij mijnbouwactiviteiten worden toegestaan tot 2026 en de aan dit besluit verbonden voorwaarden niet heeft bekendgemaakt, evenmin als de gronden en de overwegingen waarop deze vergunning was gebaseerd, en ten tweede, dat zij in strijd met artikel 9, lid 2, van de MEB-richtlijn de tekst van dit besluit te laat aan de Tsjechische Republiek heeft meegedeeld en dat het toegezonden document niet voldeed aan de vereisten van artikel 9, lid 1, onder a) en b), van de MEB-richtlijn. Dit middel heeft betrekking op concrete maatregelen van administratieve aard, namelijk maatregelen inzake bekendmaking en mededeling, die door de MEB-richtlijn aan de nationale instanties worden opgelegd.

164. Om te beginnen moet het argument van de Republiek Polen worden afgewezen dat dit middel zonder voorwerp is geraakt doordat de Poolse instanties een nieuw besluit hebben vastgesteld waarbij de vergunning is verlengd tot 2044. Zoals ik reeds bij het onderzoek van het vijfde middel heb uiteengezet, is dit besluit pas vastgesteld na de referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming.(38)

165. Artikel 9, lid 1, van de MEB-richtlijn bepaalt dat wanneer een beslissing over het verlenen of het weigeren van een vergunning is genomen, de bevoegde instanties het publiek en de instanties die op grond van hun verantwoordelijkheden met het project te maken kunnen krijgen, overeenkomstig de nationale procedures daarvan onverwijld op de hoogte brengen, en dat zij ervoor zorgen dat het publiek en de genoemde instanties de nodige informatie ter beschikking krijgen, namelijk de inhoud van de beslissing en de eventuele voorwaarden die aan die beslissing zijn gekoppeld, alsook de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd, met inbegrip van informatie over de procedure voor de inspraak van het publiek. Deze informatie omvat tevens de samenvatting van de resultaten van de raadplegingen en de krachtens de artikelen 5 tot en met 7 van de MEB-richtlijn ingewonnen informatie en de wijze waarop deze resultaten en informatie zijn meegenomen of waarop er gebruik van is gemaakt, met name de van de getroffen lidstaat ontvangen opmerkingen. Overeenkomstig artikel 9, lid 2, van deze richtlijn brengen de bevoegde instanties elke lidstaat die overeenkomstig artikel 7 is geraadpleegd, op de hoogte en doen hem de in lid 1 van dit artikel vermelde informatie toekomen.

166. De Republiek Polen stelt dat de krachtens bovengenoemde bepaling vereiste informatie is bekendgemaakt, met name op officiële websites. Het komt mij echter voor dat de kritiek van de Tsjechische Republiek in wezen is gericht op het onbegrijpelijke en onvolledige karakter van de gepubliceerde informatie. Deze lidstaat is van mening dat, aangezien bovengenoemde vergunning de laatste van verschillende wijzigingen van vergunning nr. 65/94 is, hij met name een geconsolideerde versie van deze vergunning had moeten verkrijgen, zodat hij kon nagaan welke bepalingen ervan van kracht waren. Voorts blijkt dat de wijzigingsbesluiten voorafgaand aan de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 niet beschikbaar zijn gesteld voor het publiek.

167. In dit verband zou ik willen opmerken dat de Republiek Polen de inhoud van de gepubliceerde en aan de Tsjechische Republiek toegezonden informatie niet betwist. Zij stelt alleen dat het ter beschikking stellen van een geconsolideerde versie niet noodzakelijk is om te voldoen aan de vereisten van artikel 9, lid 1, van de MEB-richtlijn. De Republiek Polen betoogt dat de wijze waarop de administratieve instanties van de lidstaten vormgeven aan administratieve besluiten niet onder de bevoegdheid van de Unie valt. Zij verklaart dat in haar nationale administratieve praktijk het toegepaste mechanisme voor de actualisering van vergunningen vergelijkbaar is met het mechanisme voor de wijziging van een rechtshandeling, volgens hetwelk de rechtshandeling in haar oorspronkelijke versie bindend is, maar waarbij rekening wordt gehouden met latere wijzigingen.

168. De Republiek Polen zet uiteen dat in het Poolse administratief recht het beginsel geldt dat, wanneer een administratief besluit wordt vastgesteld dat strekt tot wijziging van een eerder vastgesteld besluit, de administratieve instantie die bevoegd is om een wijzigingsbesluit vast te stellen, niet alleen niet verplicht is om het gehele gewijzigde besluit te herhalen in het nieuw vastgestelde besluit, maar dit zelfs niet mag. In het wijzigingsbesluit moet nauwkeurig worden aangegeven welke elementen van het gewijzigde besluit worden gewijzigd. Indien de rest van het gewijzigde besluit van kracht blijft, mag de instantie die het wijzigingsbesluit vaststelt, in haar besluit geen elementen herhalen die niet zijn gewijzigd, anders zou, ondanks de beperkte strekking van het verzoek tot wijziging van een eerder besluit, in feite een nieuw administratief besluit worden vastgesteld.

169. Een blik op het bestreden besluit, dat strekt tot verlenging van de duur van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 bevestigt de in het vorige punt van deze conclusie beschreven administratieve praktijk van de Republiek Polen. Alleen het punt waarin de duur van deze vergunning wordt vastgesteld, lijkt te zijn gewijzigd teneinde rekening te houden met de verlenging van de vergunning. Dit gezegd zijnde, komt het mij voor dat de opmerkingen van de Poolse Republiek in de onderhavige context irrelevant zijn, daar het niet zo is dat een bepaalde nationale administratieve praktijk aan de orde wordt gesteld. De kern van het onderzoek van het zesde middel betreft veeleer de precieze inhoud van de informatie die ter beschikking van het publiek moet worden gesteld en die moet worden toegezonden aan de lidstaten die hebben deelgenomen aan het in artikel 7 van de MEB-richtlijn bedoelde overleg.

170. Waar de Poolse instanties op de hoogte zijn van de specifieke kenmerken van hun administratief recht, is echter niet noodzakelijkerwijs het geval voor het algemene publiek en de instanties van andere lidstaten. Zoals in deze conclusie reeds is vermeld, kunnen de nationale voorschriften van de verschillende lidstaten onderling aanzienlijk verschillen wat betreft de organisatiewijze van de administratieve procedures voor de vaststelling van vergunningsbesluiten voor de uitvoering van projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.(39) Daarom lijkt het mij niet alleen ongepast, maar ook onverenigbaar met de geest van solidariteit, samenwerking en wederzijdse ondersteuning, die ten grondslag ligt aan artikel 9 van de MEB-richtlijn, om onvolledige informatie te verstrekken, waardoor het algemene publiek en de instanties van aangrenzende lidstaten die door de milieueffecten van een bepaald project worden getroffen, ertoe worden verplicht om zelf in een buitenlands nationaal rechtsstelsel onderzoek te verrichten teneinde de informatie te verkrijgen die zij nodig hebben om hun rechten uit hoofde van het Unierecht uit te oefenen.

171. Volgens mij lijdt het geen twijfel dat, aangezien de openbaarmakingsverplichtingen beogen dat doeltreffend beroep kan worden ingesteld tegen de betrokken besluiten, de informatie die ter beschikking moet worden gesteld van het publiek en van de instanties van aangrenzende lidstaten die door de milieueffecten van een bepaald project worden getroffen, volledig en begrijpelijk moet zijn. Met andere woorden, de informatie moet worden weergegeven op een wijze die voldoende nauwkeurig is en aangepast is aan de specifieke behoeften van de ontvangers, opdat het effect van openbaarmaking zou zijn verzekerd. Daarom ben ik van mening dat de „inhoud van de beslissing” waarbij een vergunning wordt verleend voor winningsactiviteiten in de mijn van Turów en die bedoeld is om, overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder a), van de MEB-richtlijn, aan het publiek en aan de genoemde nationale instanties te worden meegedeeld, niet enkel uit de verlengingsbeslissing mag bestaan, maar noodzakelijkerwijs alle documenten moet omvatten die de essentie van de vergunning uitmaken. Alleen een dergelijke maatregel kan het publiek en de instanties van de aangrenzende lidstaten in staat stellen om de draagwijdte van dit administratieve besluit te begrijpen en in voorkomend geval adequaat en tijdig te reageren.

172. Hieraan moet worden toegevoegd dat, zoals uitdrukkelijk is bepaald in artikel 9, lid 1, onder b), van de MEB-richtlijn, de betrokken informatie „de voornaamste redenen en overwegingen waarop de beslissing is gebaseerd” moet omvatten, hetgeen volgens mij eraan in de weg staat dat een lidstaat zoals de Republiek Polen ervan kan afzien om het publiek en de instanties van de aangrenzende lidstaten inzage te geven in de relevante vergunningsdocumenten waarin de redenen voor de toekenning en de verlenging van deze vergunning worden gespecificeerd, op grond dat zijn interne rechtsorde niet in een dergelijke administratieve praktijk voorziet. Aangezien artikel 9 van de MEB-richtlijn duidelijk beoogt hoge normen van transparantie en samenwerking tussen de lidstaten van de Unie tot stand te brengen op een bijzonder gevoelig gebied zoals milieubescherming, dat, zoals trouwens uit de omstandigheden van de onderhavige zaak blijkt(40), de nationale grenzen overschrijdt, ben ik van mening dat een lidstaat zich niet rechtsgeldig op zijn interne administratieve regels en praktijken kan beroepen als voorwendsel om zich te onttrekken aan zijn verplichtingen tot bekendmaking en mededeling aan het betrokken publiek.

173. Om de hierboven uiteengezette redenen ben ik van mening dat de Republiek Polen artikel 9, lid 1, van de MEB-richtlijn heeft geschonden.

174. Wat specifiek de gestelde schending van artikel 9, lid 2, van de MEB-richtlijn betreft, die erin bestaat dat de Republiek Polen de genoemde vergunning pas vijf maanden na de vaststelling ervan aan de Tsjechische Republiek heeft toegezonden, en dit op onvolledige wijze, zou ik willen herhalen wat ik in de vorige punten heb uiteengezet met betrekking tot het feit dat het voor een aangrenzende lidstaat die door de milieueffecten van een bepaald project wordt getroffen, belangrijk is om over alle nodige informatie met betrekking tot de vergunning voor het project te beschikken, zodat hij in voorkomend geval adequaat en tijdig kan reageren.

175. Dit houdt met name de mogelijkheid in om, krachtens artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte uit te oefenen, hetgeen, gelet op de tijd die is verstreken en het feit dat de in het nationale procesrecht vastgestelde termijnen in acht moeten worden genomen, bijzonder moeilijk of zelfs onmogelijk kan blijken.(41) Indien een belanghebbende de mogelijkheid zou worden ontnomen om zijn rechten voor de nationale rechters te doen gelden op grond dat een beroep, wegens de handelwijze van de nationale instanties, te laat is ingesteld, dan zou er naar mijn mening sprake zijn van schending van artikel 9, lid 2, van de MEB-richtlijn.

176. Dit blijkt precies het geval te zijn in de situatie die aanleiding heeft gegeven tot het onderhavige geschil. Een termijn van vijf maanden voor de loutere mededeling van de betrokken vergunning vormt immers een aanzienlijke vertraging, gelet op de grote belangen die op het spel staan en de zuiver administratieve aard van een dergelijke taak, waarvoor slechts een eenvoudige toezending van documenten is vereist. De situatie is des te ernstiger omdat de door de Tsjechische Republiek gevraagde informatie slechts op haar aandringen en gedeeltelijk ter beschikking is gesteld. Zoals de Tsjechische Republiek opmerkt, beschikt zij nog steeds niet over een geconsolideerd document waaruit duidelijk blijkt wat de precieze omvang en opzet van het project is. Ik stel vast dat de Republiek Polen geen overtuigende rechtvaardiging heeft gegeven voor deze vertraging bij het verstrekken van de gevraagde informatie.

177. In het licht van het voorgaande ben ik van mening dat er ook schending is van artikel 9, lid 2, van de MEB-richtlijn.

178. Om de hierboven uiteengezette redenen stel ik voor om het zesde middel gegrond te verklaren.

H.      Zevende middel: schending van artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn (uitsluiting van rechterlijke toetsing van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026)

1.      Argumenten van partijen

179. De Tsjechische Republiek stelt dat het betrokken publiek volgens artikel 11, lid 1 van de MEB-richtlijn beroep in rechte moet kunnen instellen tegen het besluit waarbij de vergunning voor de uitvoering van het project is verleend, ongeacht of het eerder betrokken is geweest bij de procedure die tot de toekenning van deze vergunning heeft geleid. Volgens deze lidstaat kan het betrokken publiek krachtens het Poolse recht evenwel geen toetsing van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 vorderen, omdat het niet heeft deelgenomen aan de procedure voor het verlenen van die vergunning.

180. Bovendien zijn, door het feit dat de vergunning niet officieel is bekendgemaakt, ook de mogelijkheden voor het betrokken publiek beperkt om deze te controleren. Voorts zijn de beroepen die Tsjechische niet-gouvernementele organisaties bij een Poolse rechterlijke instantie hebben ingesteld om toetsing van deze vergunning te vorderen, opgeschort in afwachting van de beslissing over de rechtmatigheid van de beslissing om deze organisaties geen inspraak te geven in de vergunningsprocedure zelf, zodat het niet zeker is dat er ten gronde zal worden beslist. Daarenboven zou het verbod om de vergunning na een termijn van een jaar in te trekken, artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn zijn nuttig effect ontnemen.

181. In haar antwoord verwijst de Republiek Polen naar haar betoog in het kader van het tweede middel, en verklaart zij dat artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn zich er niet tegen verzet dat de nationale procedure aldus wordt opgezet dat de mogelijkheid om beroep in te stellen uitsluitend in de fase van het besluit over de milieuvoorwaarden wordt gewaarborgd.

182. Volgens haar zijn de argumenten van de Tsjechische Republiek ook tegenstrijdig, aangezien deze lidstaat enerzijds stelt dat het betrokken publiek de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 niet kan aanvechten, maar anderzijds erkent dat niet-gouvernementele organisaties daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van hun rechten uit hoofde van voormelde bepaling.

183. In dit opzicht weerspiegelt de opschorting van de ingestelde beroepen de vrijheid van de betrokken Poolse rechter om de middelen voor de organisatie van de procedure te kiezen en beperkt zij de rechten van de verzoekende partijen niet.

184. Voorts heeft het ontbreken van de mogelijkheid om de vergunning na een termijn van één jaar in te trekken, overeenkomstig artikel 42 van het mijnbouwwetboek, slechts betrekking op de intrekking van de vergunning na een heropening van de vergunningsprocedure, wat een van de buitengewone middelen is om definitieve besluiten in te trekken. Het gaat daarbij dus niet om de intrekking van een vergunning na een gewone administratieve toetsing als gevolg van een tijdig ingesteld beroep.

185. De Republiek Polen stelt verder dat het zevende middel zonder voorwerp is geraakt wegens de vaststelling van het besluit 2044 en de wijzigingen in het Poolse recht die het betrokken publiek de mogelijkheid bieden om klachten in te dienen en beroepen in te stellen tegen investeringsbesluiten.

2.      Beoordeling

186. Met haar zevende middel stelt de Tsjechische Republiek dat de Republiek Polen artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn heeft geschonden door niet toe te staan dat beroep in rechte werd ingesteld tegen de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026. Dit middel heeft betrekking op de praktijk van de autoriteiten en op het rechtskader in de verwerende lidstaat.

187. Om te beginnen moet het argument van de Republiek Polen worden afgewezen dat dit middel zonder voorwerp is geraakt doordat de Poolse instanties een nieuw besluit hebben vastgesteld waarbij de vergunning is verlengd tot 2044. Zoals ik reeds heb uiteengezet, is dit besluit pas vastgesteld na de referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming. Hetzelfde geldt voor de wetswijzigingen die na deze referentiedatum zijn doorgevoerd en die volgens de Republiek Polen het betrokken publiek thans de mogelijkheid bieden om klachten in te dienen en beroepen in te stellen tegen investeringsbesluiten.(42)

188. Voorts zij eraan herinnerd dat, wat de doelstelling van artikel 11 van de MEB-richtlijn betreft, deze bepaling in de rechtspraak van het Hof aldus is uitgelegd dat de werkingssfeer ervan beperkt is tot de aspecten van een geding die betrekking hebben op het recht van het betrokken publiek op inspraak in de besluitvorming volgens de nauwkeurige regels daarover in de richtlijn. Beroepen die zijn gebaseerd op een ander voorschrift van deze richtlijn, en a fortiori op een andere wettelijke regeling, ongeacht of dit Uniewetgeving dan wel wetgeving van de lidstaten is, vallen daarentegen niet onder dit artikel.(43) Derhalve moet worden aangenomen dat de door de Tsjechische Republiek aangevoerde argumenten alleen betrekking hebben op de wettigheidstoetsing inzake de naleving van het recht op inspraak van het publiek.

189. Wat de organisatie van de rechtsmiddelen door de lidstaten betreft, is in het kader van het onderzoek van het tweede middel reeds uitvoerig uiteengezet dat noch artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn, noch enige andere bepaling van het Unierecht die een gelijkwaardig recht toekent, in de weg staat aan de vaststelling van een procedure en van nationale bepalingen die ertoe strekken dat de mogelijkheid om beroep in te stellen uitsluitend wordt gewaarborgd in de fase van het besluit betreffende de milieuvoorwaarden, mits wordt uitgesloten dat het vergunningsbesluit de resultaten van de milieueffectbeoordelingsprocedure niet in aanmerking neemt.

190. Indien het in de artikelen 6 tot en met 9 van de MEB-richtlijn vastgelegde recht op inspraak van het publiek is gewaarborgd tijdens de procedure voor de vaststelling van het MEB-besluit, is het dus voldoende dat er voor deze fase in een rechtsmiddel wordt voorzien. Met andere woorden, een lidstaat is niet verplicht om ervoor te zorgen dat eventuele gebreken inzake de inspraak van het publiek nogmaals – namelijk in de vergunningsfase – kunnen worden betwist.(44) De argumenten die ik zojuist heb aangevoerd, volstaan naar mijn mening om het zevende middel ongegrond te verklaren.

191. Volledigheidshalve wil ik wijzen op een zekere tegenstrijdigheid in het betoog van de Tsjechische Republiek. Enerzijds stelt zij dat het betrokken publiek niet de mogelijkheid heeft gehad om de vergunning in kwestie aan te vechten, en anderzijds erkent zij zelf dat drie niet-gouvernementele organisaties, namelijk Greenpeace ČR, Frank Bold en Eko-Unia, daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van de rechten die zij als betrokken publiek genieten krachtens artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn. De Tsjechische Republiek stelt weliswaar dat de procedures zijn opgeschort totdat definitief is beslist over de afwijzing van inspraak van die organisaties in de procedure voor de toekenning van de mijnbouwvergunning tot 2026, maar zij kan zelf de mogelijkheid van rechterlijke toetsing niet uitsluiten. Ter terechtzitting heeft de Tsjechische Republiek, in antwoord op vragen van het Hof over dit punt, namelijk toegegeven dat de beroepen van de Tsjechische milieuverenigingen nog niet definitief door de Poolse rechters waren verworpen.

192. In dit verband acht ik de verduidelijkingen die de Republiek Polen in haar verweerschrift heeft verstrekt met betrekking tot de mogelijke beslissingen van de Wojewódzki Sąd Administracyjny w Warszawie, ingeval deze rechter zou beslissen de door bovengenoemde organisaties ingestelde beroepen toe te staan of te verwerpen, bijzonder nuttig. Anders dan de Tsjechische Republiek in haar verzoekschrift stelt, lijkt artikel 42 van het mijnbouwwetboek geen belemmering te vormen voor de mogelijkheid dat deze administratieve rechter de betrokken vergunning intrekt. Volgens de informatie van de Republiek Polen lijkt deze bepaling niet te voorzien in enige beperking op het gebied van de intrekking, de wijziging of de bevestiging van de nietigheid van een beslissing die wordt gegeven in een andere procedure dan de herzieningsprocedure in het Poolse recht.

193. Bij gebreke van overtuigend bewijs ter ondersteuning van de stelling dat de rechtsorde van de Republiek Polen niet voorziet in een doeltreffende voorziening in rechte om het recht van het publiek op inspraak in besluitvormingsprocedures te waarborgen, met name in de omstandigheden van de onderhavige zaak, lijkt het mij moeilijk om de door de Tsjechische Republiek aangevoerde argumenten te volgen. Naar mijn mening vormt het feit dat bovengenoemde milieubeschermingsorganisaties bij hun beroep niet in het gelijk zijn gesteld, als zodanig geen afdoend bewijs van ondoeltreffendheid, temeer daar de rechtsmiddelen nog niet zijn uitgeput.

194. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het zevende middel ongegrond moet worden verklaard.

I.      Achtste middel: schending van artikel 7 van richtlijn 2003/4 (niet-bekendmaking van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026)

1.      Argumenten van partijen

195. De Tsjechische Republiek wijst erop dat een lidstaat krachtens artikel 7, lid 2, onder f), van richtlijn 2003/4 verplicht is om vergunningen die belangrijke gevolgen hebben voor het milieu, ter beschikking van het publiek te stellen. Aangezien de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 een dergelijke vergunning is, daar zij krachtens artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn aan een milieueffectbeoordelingsprocedure moet worden onderworpen, heeft de Republiek Polen artikel 7 van richtlijn 2003/4 geschonden door noch de vergunning zelf, noch de plaats waar deze kan worden opgevraagd, bekend te maken.

196. De Republiek Polen brengt hiertegen in dat de minister van Klimaat, via zijn mededeling van 20 maart 2020, die in de inlichtingen voor het publiek op zijn internetpagina is bekendgemaakt, op het mededelingenbord van het ministerie van Klimaat is geplaatst en op de gebruikelijke manier is bekendgemaakt in de diensten van de stad en de gemeente Bogatynia (Polen), het publiek heeft geïnformeerd over de vaststelling van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 en over de mogelijkheden om kennis te nemen van de inhoud ervan en van de bijbehorende documentatie.

197. Bijgevolg is er volgens deze lidstaat geen sprake van schending van artikel 7 van richtlijn 2003/4. Hij voegt hieraan toe dat dit middel zonder voorwerp is geraakt, aangezien besluit 2044 aan de nieuwe regels was onderworpen, met name wat de bekendmaking ervan betreft, aangezien de inhoud ervan op de portaalsite van de minister van Klimaat is bekendgemaakt.

2.      Beoordeling

198. Met haar achtste middel stelt de Tsjechische Republiek dat de niet-bekendmaking van de genoemde vergunning of van de plaats waar deze kan worden opgevraagd, in strijd is met artikel 7 van richtlijn 2003/4, terwijl de Republiek Polen er nadrukkelijk op wijst dat op de website van het ministerie van Klimaat de vaststelling van de vergunning is bekendgemaakt en de mogelijkheden zijn vermeld om er kennis van te nemen.

199. Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat, zoals is vastgesteld bij het onderzoek van het zesde middel, de Republiek Polen artikel 9, leden 1 en 2 van de MEB-richtlijn heeft geschonden door de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 niet bekend te maken en deze niet in een begrijpelijke vorm aan de Tsjechische Republiek mee te delen.(45) Deze schending bestond erin dat de Poolse instanties niet alle documenten hadden bijgevoegd die de essentie van de vergunning vormden, maar zich in plaats daarvan hadden beperkt tot het bekendmaken van een document waarin de verlenging van de duur van de vorige vergunning werd aangekondigd, zonder de details van de aan de exploitant van de mijn in Turów toegekende vergunning te expliciteren.

200. De concrete vraag die in de onderhavige context rijst, is of deze schending van het recht van de Unie ook een schending van de bepalingen van richtlijn 2003/4 vormt. Volgens artikel 2, lid 1, onder c), van deze richtlijn vallen activiteiten die een uitwerking kunnen hebben op elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en de componenten daarvan, binnen de werkingssfeer van deze richtlijn. In het kader van deze activiteiten is een lidstaat op grond van artikel 7 van richtlijn 2003/4 verplicht om vergunningen die belangrijke gevolgen hebben voor het milieu, ter beschikking te stellen van het publiek, hetzij rechtstreeks door ze bekend te maken, hetzij door te verwijzen naar de plaats waar het publiek ze kan opvragen.

201. Aangezien de winningsactiviteiten in de mijn van Turów behoren tot een categorie van activiteiten die krachtens artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn wegens hun aanzienlijke milieueffecten aan een verplichte milieueffectbeoordelingsprocedure zijn onderworpen(46), lijdt het geen twijfel dat het gaat om een activiteit die gevolgen kan hebben voor elementen van het milieu en die dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 2003/4 valt.

202. De vergunning voor de mijnbouw tot 2026 is de definitieve vergunning voor de uitoefening van deze activiteit, en als zodanig vormt zij een vergunning die „belangrijke gevolgen [heeft] voor het milieu” in de zin van artikel 7, lid 2, onder f), van richtlijn 2003/4. Derhalve gelden voor deze vergunning de bovengenoemde bepalingen, die de lidstaat verplichten een dergelijke vergunning ter beschikking te stellen van het publiek. Bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel is geen van de in artikel 4 van richtlijn 2003/4 bedoelde afwijkingen waarbij de lidstaten in bepaalde omstandigheden een verzoek om milieu-informatie kunnen weigeren, in de onderhavige zaak van toepassing.

203. In het belang van een coherente uitlegging van het Unierecht ben ik van mening dat artikel 9, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn en artikel 7, lid 2, onder f), van richtlijn 2003/4 aldus moeten worden uitgelegd dat zij hetzelfde doel nastreven, namelijk het waarborgen van het recht van het publiek om zo duidelijk en volledig mogelijk te worden geïnformeerd, met name wanneer een mijnbouwvergunning wordt verlengd.

204. Er moet immers worden opgemerkt dat artikel 7 van richtlijn 2003/4 het algemeen belang beschermt en voor elke burger, ongeacht enig individueel belang(47), de toegang verzekert tot milieu-informatie waarover de overheidsinstanties beschikken. Voorts houdt het recht op informatie in dat, overeenkomstig overweging 16 van deze richtlijn, bekendmaking van informatie de algemene regel moet zijn.(48) Het is duidelijk dat deze doelstellingen ernstig in het gedrang zouden komen indien de in artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/4 bedoelde informatie slechts op een onbegrijpelijke en onvolledige wijze ter beschikking van het publiek zou worden gesteld. Derhalve ben ik van mening dat ook deze elementen ervoor pleiten dat bij de verspreiding van milieu-informatie terdege rekening wordt gehouden met de hoge normen inzake transparantie en samenwerking die door de MEB-richtlijn worden opgelegd op een gebied zoals milieubescherming, dat de nationale grenzen overschrijdt.(49)

205. Vanuit dit oogpunt ben ik geneigd om, zoals de Commissie dit in haar met redenen omkleed advies heeft gedaan, te concluderen dat schending van artikel 9, leden 1 en 2, van de MEB-richtlijn schending van artikel 7, lid 2, onder f), van richtlijn 2003/4 inhoudt.

206. Om de hierboven uiteengezette redenen stel ik voor het achtste middel toe te wijzen.

J.      Negende middel: schending van artikel 4, lid 3, VEU (niet-verstrekking van volledige informatie in verband met de procedure voor toekenning van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026)

1.      Argumenten van partijen

207. De Tsjechische Republiek wijst erop dat, krachtens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, de lidstaten elkaar dienen te steunen om de in het Unierecht, met inbegrip van het afgeleide recht, vastgestelde doelstellingen te verwezenlijken. Aangezien de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 binnen de werkingssfeer van de MEB-richtlijn en die van richtlijn 2003/4 valt, en gelet op de ligging van de mijn in Turów, vloeien uit deze richtlijnen ook bepaalde verplichtingen voor de Tsjechische Republiek voort, bij de uitvoering waarvan de Republiek Polen deze lidstaat dient bij te staan.

208. De verzoekende lidstaat verwijt de Republiek Polen dat zij gedurende vele maanden en ondanks herhaalde verzoeken heeft geweigerd om hem nadere informatie te verstrekken over de procedure voor de toekenning van deze vergunning, waaronder de tekst ervan, waardoor hij niet heeft kunnen voldoen aan de krachtens voormelde richtlijnen op hem rustende informatieverplichtingen jegens het eigen betrokken publiek. Hij voegt daaraan toe dat ook de in zijn zesde middel aan de orde gestelde praktijken, met name de te late mededeling van deze vergunning en het ontbreken van een geconsolideerde versie van vergunning nr. 65/94, hem hebben belet zijn verplichtingen na te komen.

209. De Republiek Polen verklaart dat zij bij brieven van 13 januari 2020, 5 maart 2020 en 28 mei 2020 heeft geantwoord op de informatieverzoeken van de Tsjechische Republiek betreffende de vergunning voor bruinkoolwinning tot 2026. Op 28 augustus 2020 heeft zij deze lidstaat de op 17 april 2020 en nogmaals op 24 juli 2020 gevraagde documenten verstrekt, namelijk de vergunning tot 2026 en vergunning nr. 65/94. Gelet op de ontwikkeling van de COVID-19-pandemie vanaf maart 2020, die de briefwisseling tussen partijen heeft bemoeilijkt, heeft zij de Tsjechische Republiek de gevraagde informatie met bekwame spoed verstrekt.

210. De verwerende lidstaat wijst er voorts op dat de Tsjechische Republiek sinds 2009 inspraak heeft in de milieueffectbeoordelingsprocedures met betrekking tot de mijn van Turów en de bijbehorende elektriciteitscentrale.

211. Ten slotte is de Republiek Polen van mening dat het negende middel zonder voorwerp is, aangezien de Tsjechische Republiek naar behoren in kennis is gesteld van de vaststelling van besluit 2044 en van andere essentiële omstandigheden in verband met die vaststelling.

2.      Beoordeling

212. Met haar negende middel stelt de Tsjechische Republiek dat de Republiek Polen, door geen volledige informatie te verstrekken over de procedure tot vaststelling van het besluit waarbij mijnbouwactiviteiten worden toegestaan tot 2026, niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op haar rusten krachtens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking.

213. Om te beginnen moet echter het argument van de Republiek Polen worden afgewezen dat dit middel zonder voorwerp is geraakt omdat een nieuw besluit houdende verlenging van de vergunning tot 2044 is vastgesteld, waarvan de inhoud aan de Tsjechische Republiek is meegedeeld. Zoals ik in deze conclusie reeds heb uiteengezet, hebben deze gebeurtenissen pas plaatsgevonden na de referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming in het kader van een procedure op grond van artikel 259 VWEU. Zij zijn derhalve irrelevant voor het onderzoek van dit middel.

214. Krachtens het in artikel 4, lid 3, VEU, neergelegde beginsel van loyale samenwerking dienen de lidstaten elkaar te steunen om de doelstellingen van de Unie te verwezenlijken. Zoals blijkt uit artikel 4, lid 3, tweede en derde alinea, VEU, houdt dit met name de verplichting in om alle algemene en bijzondere maatregelen te nemen die geschikt zij om de nakoming van de uit het afgeleide recht voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, maar ook om zich te onthouden van alle maatregelen die de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie in gevaar kunnen brengen.

215. In het kader van het onderzoek van het zesde middel(50) heb ik uiteengezet dat de verplichting die artikel 9, lid 2, van de MEB-richtlijn oplegt aan elke lidstaat die voornemens is een project uit te voeren dat aanzienlijke milieueffecten kan hebben en dat gevolgen kan hebben voor andere lidstaten, om deze laatste op de hoogte te brengen van het besluit om een vergunning te verlenen of te weigeren, voortvloeit uit een ideaal van solidariteit, samenwerking en wederzijdse steun tussen de lidstaten. Overigens moet worden opgemerkt dat deze samenwerking reeds in een vroeg stadium begint met de in artikel 7 van de MEB-richtlijn neergelegde verplichting om de betrokken lidstaten in kennis te stellen van de planning van het project in kwestie, gevolgd door de verplichting om deze lidstaten uit te nodigen om deel te nemen aan de milieubesluitvormingsprocedures. Het is dan ook duidelijk dat de samenwerking tussen de lidstaten waarin het afgeleide recht voorziet, uiteindelijk gericht is op de bescherming van het milieu, met andere woorden, op de verwezenlijking van deze doelstelling van de Unie, die onder meer is neergelegd in artikel 3, lid 3, VEU, de artikelen 11 en 191 VWEU, en artikel 37 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

216. Dit ideaal van solidariteit, samenwerking en wederzijdse steun tussen de lidstaten in het belang van de verwezenlijking van deze belangrijke doelstelling van de Unie ligt ook ten grondslag aan de bepalingen van richtlijn 2003/4 die de toegang van het publiek tot milieu-informatie waarborgen. Zoals reeds in het kader van het onderzoek van het achtste middel is opgemerkt(51), zijn de lidstaten krachtens artikel 7, leden 1 en 2, van deze richtlijn verplicht de nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de relevante informatie, met inbegrip van vergunningen die belangrijke gevolgen hebben voor het milieu, onder het publiek worden verspreid. Verder vereist artikel 3 van richtlijn 2003/4 dat de lidstaten ervoor zorgen dat de overheidsinstanties ertoe gehouden zijn de milieu-informatie waarover zij beschikken, of die voor hen wordt beheerd, aan elke aanvrager op verzoek beschikbaar te stellen, zonder dat deze daarvoor een belang hoeft aan te voeren.

217. Aangezien de door een bepaald project getroffen lidstaten ook het recht hebben om over dit project alle relevante informatie in de zin van artikel 7, lid 2, van richtlijn 2003/4 op te vragen, moeten zij als „begunstigden” van de in de vorige punten genoemde bepalingen van afgeleid recht worden beschouwd. Het logische gevolg hiervan is dat de staat waartoe deze verplichtingen zijn gericht, gebonden is door het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking, wanneer een andere lidstaat om bijstand verzoekt in de vorm van een informatieaanvaag.

218. Wat de omstandigheden van de onderhavige zaak betreft, staat vast dat de Republiek Polen het besluit houdende toekenning van een vergunning voor bruinkoolwinning tot 2026 pas vijf maanden na de vaststelling ervan aan de Tsjechische Republiek heeft meegedeeld. Bovendien moet worden vastgesteld dat de verzoekende lidstaat verscheidene verzoeken om informatie aan de Republiek Polen heeft moeten sturen omdat de verkregen informatie onvolledig was. Op deze verzoeken heeft laatstgenoemde lidstaat niet altijd geantwoord. Pas nadat de procedure op grond van artikel 259 VWEU was ingeleid, heeft de Republiek Polen de gevraagde documenten aan de Tsjechische Republiek toegestuurd, namelijk de oorspronkelijke aanvraag voor een mijnbouwvergunning uit 1994. De Tsjechische Republiek beschikt echter nog steeds niet over een geconsolideerd document waaruit duidelijk blijkt wat de precieze omvang en opzet van het project is.

219. De te late en onvolledige toezending van de gevraagde informatie door de Republiek Polen en de weigering om op de verzoeken om bijstand van de Tsjechische Republiek te antwoorden, zijn niet in overeenstemming met de geest van solidariteit, samenwerking en wederzijdse steun tussen de lidstaten, die op grond van het Unierecht is vereist om de doelstelling van milieubescherming op doeltreffende wijze te bereiken.

220. Ik ben derhalve van mening dat een dergelijke houding ten opzichte van een naburige lidstaat die zich in dezelfde situatie bevindt wat milieurisico’s betreft, in strijd is met het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking.

221. Gelet op het voorgaande ben ik van mening dat het negende middel gegrond moet worden verklaard.

K.      Tiende middel: schending van artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, ervan (niet-inaanmerkingneming van het MEB-besluit bij het toekennen van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026)

1.      Argumenten van partijen

222. De Tsjechische Republiek voert schending aan van artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, ervan, op grond dat bij het toekennen van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 geen rekening is gehouden met het MEB-besluit.

223. Deze lidstaat wijst erop dat volgens artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn voor de in artikel 4 van deze richtlijn bedoelde projecten „een vergunning vereist is [...] en [...] een beoordeling van hun effecten op het milieu [plaats dient te vinden]”. Dit betekent dat vergunningen voor deze projecten een dergelijke beoordeling moeten omvatten of daar ten minste rekening mee moeten houden.

224. De Poolse instanties hebben echter van meet af aan niet overwogen om voor de betrokken vergunning een dergelijke beoordeling uit te voeren. Het MEB-besluit is weliswaar bij de aanvraag van de exploitant gevoegd, maar het vindt geen enkele weerslag in de vergunningsprocedure of in de vergunning zelf. Bovendien is deze aanvraag ingediend op grond van artikel 72, lid 2, punt 2, onder k), van de milieu-informatiewet. Hoewel die aanvraag niet vergezeld ging van een milieueffectbeoordeling, heeft de bevoegde instantie deze als volledig beschouwd. Nadat het MEB-besluit later bij de aanvraag is gevoegd, heeft deze instantie het niet nodig geacht de belanghebbenden uit te nodigen om hun opmerkingen aan te vullen. In de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 wordt geen melding gemaakt van enig onderzoek naar de overeenstemming van de aanvraag met het MEB-besluit. In deze vergunning worden de in het MEB-besluit vastgestelde voorwaarden niet herhaald of verder uitgewerkt en wordt geen enkele precisering gegeven van de grenzen van het winningsgebied, in tegenstelling tot wat dit besluit vereist.

225. De Tsjechische Republiek concludeert dat de inhoud van het MEB-besluit geen weerslag vond in de procedure voor de toekenning van deze vergunning. Het enkele feit dat de vergunning zowel wat de geldigheidsduur van de vergunning als wat de omvang van de mijn betreft, onder het MEB-besluit valt, betekent niet dat zij daadwerkelijk op dit besluit is gebaseerd. Volgens de Tsjechische Republiek vormen deze twee documenten onafhankelijke beslissingen.

226. Onder verwijzing naar haar antwoord op het eerste en het tweede middel benadrukt de Republiek Polen nogmaals het bindende karakter van het MEB-besluit voor de exploitant, die de daarin opgelegde verplichtingen moet nakomen ongeacht enige omzetting daarvan in de tekst van de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026, en die de informatie en de resultaten van de onderzoeken betreffende met name de concentratie van zwevende deeltjes, geluidshinder en de waterkwaliteit moet meedelen. Zij is van mening dat de Tsjechische Republiek voorbijgaat aan de uit het Poolse recht voortvloeiende verplichtingen en subjectieve conclusies trekt betreffende de houding en de opinies van de Poolse instanties.

227. Volgens de Republiek Polen betekent het feit dat de exploitant het MEB-besluit bij de aanvraag tot verlenging van de vergunning voor de mijn in Turów heeft gevoegd, dat hij verplicht is de winningsactiviteiten uit te voeren in overeenstemming met dit besluit. Uit de toenmalige omstandigheden blijkt duidelijk dat de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 betrekking heeft op hetzelfde project als het MEB-besluit dat eraan voorafging.

228. Met betrekking tot de kritiek dat in deze vergunning de oppervlakte van het project niet wordt vermeld, wijst de verwerende lidstaat erop dat de grenzen van het mijngebied zijn vastgesteld bij besluit van de minister van Klimaat van 16 maart 2020, voorafgaand aan de vaststelling van deze vergunning, en dus bindend zijn, zodat opneming ervan in de vergunning niet nodig was.

229. Volgens deze lidstaat is ook dit middel zonder voorwerp wegens de vaststelling van het besluit 2044, dat op het MEB-besluit is gebaseerd.

2.      Beoordeling

230. Met haar tiende middel voert de Tsjechische Republiek schending aan van artikel 2, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn. Meer in het bijzonder betwist de Tsjechische Republiek dat aan het project dat het voorwerp uitmaakte van het besluit tot toekenning van een vergunning voor mijnbouw tot 2026, een milieueffectbeoordeling is voorafgegaan, aangezien volgens haar noch in de procedure betreffende de aanvraag voor een verlenging van de geldigheidsduur van vergunning nr. 65/94 met zes jaar, noch in dit besluit 2026 zelf, rekening is gehouden met het MEB-besluit.

231. Ook al begrijp ik dat de Tsjechische Republiek er belang bij heeft dat het Hof dit middel onderzoekt, toch vraag ik mij af of dit onderzoek niet veeleer onder de bevoegdheid van de Poolse rechters valt, die, zodra leden van het betrokken publiek bij hen beroep hebben ingesteld, de gelegenheid zullen hebben om de formele aspecten te onderzoeken van de procedure die heeft geleid tot de vaststelling van het besluit waarbij mijnbouw wordt toegestaan tot 2026, en om de inhoud van dit besluit te onderzoeken in het licht van de uit het MEB-besluit voortvloeiende verplichtingen. De nationale rechter lijkt mij immers a priori, op grond van zijn kennis van de feitelijke context en het nationale rechtskader, het best in staat om te oordelen over de door de Tsjechische Republiek opgeworpen vragen. Niettemin zal ik deze vragen voor de volledigheid hieronder onderzoeken.

232. Om te beginnen moet het argument van de Republiek Polen worden afgewezen dat dit middel zonder voorwerp is geraakt doordat een nieuw besluit is vastgesteld waarbij de vergunning wordt verlengd tot 2044. Aangezien deze gebeurtenissen pas hebben plaatsgevonden na de referentiedatum voor de beoordeling van het bestaan van een niet-nakoming in het kader van een procedure op grond van artikel 259 VWEU, zijn zij irrelevant voor het onderzoek van dit middel.(52)

233. Wat de bepalingen betreft die de Republiek Polen zou hebben geschonden, moet worden opgemerkt dat volgens artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn voor de in artikel 4 van deze richtlijn bedoelde projecten „een vergunning vereist is [...] en [...] een beoordeling van hun effecten op het milieu [plaats dient te vinden]”. Zoals de Tsjechische Republiek terecht opmerkt, moeten deze bewoordingen aldus worden opgevat dat vergunningen voor deze projecten een milieueffectbeoordeling moeten omvatten of daar op zijn minst rekening mee moeten houden.

234. Een project zoals dat waarvoor een vergunning is verleend bij het besluit om de mijnbouw te verlengen tot 2026, voldoet aan de criteria van artikel 4, lid 1, van de MEB-richtlijn (mijnbouw op een oppervlakte van meer dan 25 ha) (punt 19 van bijlage I bij deze richtlijn), en hetzelfde geldt voor elke wijziging of uitbreiding van de betrokken projecten die op zichzelf voldoet aan de vastgestelde drempelwaarden (punt 24 van bijlage I bij de richtlijn).(53) Bijgevolg is artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn van toepassing op een vergunning als de onderhavige vergunning.

235. Wat de stelling van de Tsjechische Republiek betreft dat in het besluit waarbij mijnbouw tot 2026 wordt toegestaan geen rekening is gehouden met het MEB-besluit, zou ik de aandacht willen vestigen op de door de Republiek Polen in dit verband verstrekte informatie volgens welke een besluit betreffende milieuvoorwaarden, krachtens de geldende Poolse wetgeving, bindend is voor onder meer de autoriteiten die een besluit vaststellen waarbij mijnbouwactiviteiten worden toegestaan, alsmede voor de onderneming tot wie dit besluit is gericht.

236. Zoals de Republiek Polen uitlegt, betekent het feit dat de exploitant van de mijn in Turów het MEB-besluit bij de procedure tot verlenging van de vergunning heeft gevoegd, dat hij verplicht is om de winningsactiviteiten in de mijn uit te voeren in overeenstemming met de bepalingen van dit besluit. Hieruit volgt dat een MEB-besluit, zoals elk ander administratief besluit dat in de Poolse rechtsorde is vastgesteld, bindend is voor de adressaat ervan, die op basis van dit besluit rechten verwerft en door de in dit besluit vastgelegde verplichtingen gebonden is. Voorts verzekert de Republiek Polen dat de exploitant van de mijn in Turów de uit het MEB-besluit voortvloeiende verplichtingen daadwerkelijk nakomt.

237. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel heb ik geen objectieve redenen om aan te nemen dat een door de bevoegde autoriteiten vastgesteld administratief besluit, zoals het MEB-besluit, niet bindend is voor een exploitant die een vergunning heeft verkregen voor de voortzetting van winningsactiviteiten. Ik stel vast dat ook de Tsjechische Republiek de in de voorgaande punten van deze conclusie weergegeven uitleg van het Poolse rechtskader niet in twijfel trekt.

238. Voorts moet, wat de stelling van de Tsjechische Republiek betreft dat er geen verband bestaat tussen het MEB-besluit en het besluit waarbij mijnbouw wordt toegestaan tot 2026, omdat deze besluiten niet dezelfde projectoppervlakte aangeven, rekening worden gehouden met een aantal belangrijke feitelijke aspecten die ik hieronder zal uiteenzetten.

239. Ten eerste moet worden opgemerkt dat het MEB-besluit is vastgesteld voor een mijnbouwtermijn van 24 jaar, terwijl de vergunning slechts met zes jaar is verlengd. Het is dan ook logisch dat deze besluiten van elkaar worden onderscheiden, aangezien zij betrekking hebben op verschillende termijnen. Aangezien het MEB-besluit een langere termijn betreft, heeft het tot gevolg dat de vergunning voor mijnbouwactiviteiten binnen zijn temporele werkingssfeer komt.

240. Ten tweede wil ik erop wijzen dat, hoewel de betrokken besluiten enigszins verschillen wat de oppervlakte betreft waarop mijnbouwactiviteiten mogen worden verricht (31 014 698 vierkante meter in de vergunning, terwijl er in het besluit sprake is van een oppervlakte van ongeveer 30,9 vierkante kilometer), niet wordt betwist dat de Poolse instanties op 12 februari 2020 een rectificatie van het MEB-besluit hebben vastgesteld, waarin zij de coördinaten van het betrokken gebied uitdrukkelijk hebben bepaald. Uit deze documenten blijkt dat de locatie van het project waarvoor een vergunning voor winningsactiviteit wordt verleend, zich binnen de in het MEB-besluit vastgestelde geografische grenzen bevindt. Hieruit volgt dat de door de bevoegde instanties vergunde mijnbouwactiviteit binnen de werkingssfeer van het MEB-besluit valt.

241. Uit deze opmerkingen volgt dat de vergunning waarop dit middel betrekking heeft, niet afwijkt van hetgeen in het MEB-besluit is bepaald met betrekking tot de duur van de voorgenomen mijnbouwactiviteit en het betrokken geografische gebied. Bij gebreke van bewijs kan derhalve niet op goede gronden worden gesteld dat er geen verband bestaat tussen de twee administratieve besluiten. Ik ben derhalve van mening dat de argumenten van de Tsjechische Republiek moeten worden afgewezen.

242. In het licht van de voorgaande overwegingen concludeer ik dat de Republiek Polen artikel 2, lid 1, van de MEB-richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, ervan, niet heeft geschonden.

243. Bijgevolg moet het tiende middel ongegrond worden verklaard.

L.      Elfde middel: schending van artikel 8 bis, lid 1, onder b), van de MEB-richtlijn (niet-vaststelling van alle milieuvoorwaarden in de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026)

1.      Argumenten van partijen

244. De Tsjechische Republiek voert schending aan van artikel 8 bis, lid 1, onder b), van de MEB-richtlijn op grond dat bepaalde daarin genoemde milieuvoorwaarden niet in de vergunning voor de winning van bruinkool tot 2026 of in het MEB-besluit zijn opgenomen, anders dan die bepaling, gelezen in samenhang met lid 3 van hetzelfde artikel, vereist. Dit zou met name het geval zijn voor de oppervlakte van het winningsgebied, die als een milieuvoorwaarde moet worden beschouwd.

245. Voorts vermeldt deze vergunning niet de voorwaarden die in het MEB-besluit worden gesteld met betrekking tot het vergunde project. Bovendien blijkt uit dit besluit dat aan bepaalde voorwaarden moet worden voldaan binnen een tijdsbestek dat de geldigheid van de vergunning overschrijdt, zodat niet duidelijk is hoe binnen deze geldigheidsduur aan die voorwaarden zou worden voldaan.

246. De Republiek Polen stelt om te beginnen dat het MEB-besluit, samen met de rectificatie ervan van 12 februari 2020, de coördinaten bevat die het projectgebied nauwkeurig afbakenen en dat de oppervlakte van het beoogde mijnbouwgebied, zoals gespecificeerd in het besluit van de minister van Klimaat van 16 maart 2020, niet groter is dan de in het MEB-besluit vastgestelde oppervlakte.

247. Wat de tweede kritiek van de Tsjechische Republiek betreft, is de verwerende lidstaat van mening dat artikel 8 bis, lid 1, onder b), van het MEB-besluit, zoals uit de bewoordingen ervan blijkt, de minimumvereisten bepaalt met betrekking tot de inhoud van de projectvergunning. Gezien de algemene aard van de in deze bepaling vastgestelde verplichtingen is het moeilijk om vooraf uit te maken welke concrete informatie verplicht in deze vergunning moet worden opgenomen. Het is niet correct te stellen dat de betrokken vergunning in strijd is met deze bepaling omdat zij niet de mogelijkheid concretiseert om de bijzondere voorwaarden met betrekking tot een bepaald tijdsbestek toe te passen. In dit verband maakt de gedetailleerde informatie over de verschillende fasen van de werkzaamheden in samenhang met de voortgang van de winningsactiviteit het voorwerp uit van latere vaststellingen die strikt verband houden met de organisatie van de winningsactiviteiten en de middelen voor de uitvoering ervan. Deze informatie is te vinden in het exploitatieplan van de mijnbouwinstallatie, te weten een technisch document dat wordt beheerst door de artikelen 108 tot en met 111 van het mijnbouwwetboek.

248. Om de redenen die in het antwoord op andere middelen zijn uiteengezet, is de Republiek Polen van mening dat het elfde middel zonder voorwerp is.

2.      Beoordeling

249. Met haar elfde middel stelt de Tsjechische Republiek dat de Republiek Polen de krachtens artikel 8 bis, lid 1, van de MEB-richtlijn op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen, doordat zij in het besluit waarbij de mijnbouwactiviteiten worden toegestaan tot 2026, niet voldoende rekening heeft gehouden met alle milieuvoorschriften.

250. Dit middel is gebaseerd op twee beweringen. Ten eerste is de Tsjechische Republiek van mening dat een deel van de vereiste informatie met betrekking tot het project waarop besluit 2026 betrekking heeft, noch in dit besluit, noch in het MEB-besluit is onderzocht, waarbij zij de oppervlakte van het winningsgebied aanmerkt als een essentiële milieuvoorwaarde, die de milieueffecten van het project fundamenteel bepaalt. Ten tweede concretiseert het MEB-besluit volgens de Tsjechische Republiek niet de mogelijkheid om bijzondere voorwaarden betreffende een veel groter project toe te passen, gelet op de 18 jaar langere exploitatieperiode en de daarmee overeenstemmende waarde en exploitatieoppervlakte.

251. Artikel 8 bis, lid 1, van de MEB-richtlijn stelt de minimumvereisten voor de inhoud van vergunningen vast, met name wat betreft de conclusies van de milieueffectbeoordeling van een project en de milieuvoorwaarden voor de uitvoering ervan. Aan deze inhoudelijke vereisten kan, overeenkomstig artikel 8 bis, lid 3, van de MEB-richtlijn, onder meer ook worden voldaan bij de vaststelling van een ander besluit in het kader van een zogenoemde besluitvormingsprocedure in de zin van artikel 2, lid 2, van de MEB-richtlijn. Volgens artikel 8 bis, lid 1, onder b), van de MEB-richtlijn vallen onder deze vereisten ook alle aan het besluit gekoppelde milieuvoorwaarden, alsmede een beschrijving van alle kenmerken van het project en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, indien mogelijk, te compenseren, alsook, in voorkomend geval, monitoringmaatregelen.

252. Wat de eerste bewering betreft, volgens welke de Poolse instanties in de tekst van de vergunning voor mijnbouw tot 2026 de oppervlakte van het winningsgebied niet zouden hebben bepaald, komt het mij voor dat dit slechts een herhaling van het tiende middel is. Ik verwijs derhalve naar de opmerkingen die ik heb gemaakt in het kader van het onderzoek van dit middel in punt 240 van deze conclusie. Zoals ik reeds uitvoerig heb uiteengezet, wijkt de vergunning, als administratief besluit, niet af van het MEB-besluit wat de duur van de geplande mijnbouwactiviteiten en het betrokken geografische gebied betreft. Bijgevolg moet deze bewering worden verworpen.

253. Wat betreft de tweede bewering, die is ontleend aan de vermeende onjuiste toepassing van artikel 8 bis, lid 1, onder b), van de MEB-richtlijn, op grond dat de vergunning voor mijnbouw tot 2026 niet de voorwaarden specificeerde die in het MEB-besluit voor het vergunde project waren vastgesteld, moet worden opgemerkt dat deze bepaling weliswaar minimumvereisten vaststelt („ten minste”) voor de informatie die over het vergunde project moet worden verstrekt, maar de verplichting om deze informatie in de vergunning op te nemen slechts op vrij algemene wijze formuleert („Het besluit om een vergunning te verlenen bevat [...]”), zodat de bevoegde instanties enige speelruimte wordt gelaten. Zoals uit de bewoordingen zelf van deze bepaling („gekoppelde”) volgt, geldt de verplichting tot opneming ook voor eventuele milieuvoorwaarden die aan het besluit tot toekenning van de vergunning ten grondslag liggen.

254. Een dergelijke benadering lijkt mij passend gezien de verscheidenheid aan projecten die binnen de werkingssfeer van de MEB-richtlijn kunnen vallen. Het lijkt mij dan ook logisch om deze bepaling aldus uit te leggen dat de betrokken informatie niet in een specifiek document hoeft te worden vermeld, en al helemaal niet in het hoofddocument dat deel uitmaakt van de projectvergunning. Aangezien het meestal om zeer technische informatie gaat, kan het nodig blijken om deze te expliciteren in een speciaal daarvoor bestemd document dat bij de vergunning wordt gevoegd. Het geheel van documenten dat als basis heeft gediend voor het door de bevoegde instanties vastgestelde administratieve besluit en dat op de hierboven beschreven wijze is opgenomen, vormt derhalve de „vergunning” in de zin van artikel 8 bis, lid 1, van de MEB-richtlijn.

255. Het komt mij voor dat dit precies is wat de Republiek Polen in het onderhavige geval heeft gedaan. Ten eerste is er het MEB-besluit, dat bij de vergunningsaanvraag was gevoegd en dat de exploitant van de mijn in Turów naar Pools recht bij zijn mijnbouwactiviteiten in acht moet nemen. Het MEB-besluit bakent het projectgebied nauwkeurig af en stelt de uitvoeringsvoorwaarden voor het project vast. Ten tweede is er het exploitatieplan van de mijnbouwinstallatie, waarnaar de Republiek Polen verwijst, dat de organisatie en de middelen inzake de uitvoering van de winningsactiviteiten specificeert. Zoals de Republiek Polen heeft uiteengezet, is dit plan een technisch document dat op gedetailleerde wijze de modaliteiten vaststelt van de werking van de mijnbouwinstallatie, met inbegrip van de exploitatie van de laag, alsmede van het project, om onder meer de algemene veiligheid, de bescherming van het milieu en de rationele exploitatie van de laag te garanderen.

256. De Tsjechische Republiek stelt voorts dat de door de Poolse instanties gevolgde aanpak het niet mogelijk maakt om vast te stellen hoe de continue uitvoering van bovengenoemde voorwaarden zal plaatsvinden in het kader van een project waarvan de uitvoeringsduur 18 jaar korter is. Anders dan de Tsjechische Republiek zie ik niet in hoe het feit dat het MEB-besluit voorziet in een langere exploitatietermijn dan de projectvergunning zelf, in strijd zou zijn met de vereisten van artikel 8 bis, lid 1, onder b), van de MEB-richtlijn. Het komt mij niet voor dat deze bepaling, die overigens in vrij algemene bewoordingen is gesteld, noodzakelijkerwijs de verplichting oplegt om een plan over te leggen waarin de ontwikkeling van de mijnbouwactiviteiten, en met name de precieze wijze waarop de vastgestelde milieuvoorwaarden moeten worden gerealiseerd, tot in de kleinste bijzonderheden wordt gespecificeerd. Het MEB-besluit lijkt mij integendeel, in beginsel, de mogelijkheid te bieden om voor de geldigheidsduur ervan op deze ontwikkeling vooruit te lopen, aangezien de exploitant verplicht is om te voldoen aan de milieuvoorwaarden die hem krachtens het Poolse recht bij deze administratieve handeling worden opgelegd.

257. Verder ben ik geneigd om me aan te sluiten bij het standpunt van de Republiek Polen met betrekking tot de relatief vage beweringen van de Tsjechische Republiek in dit middel. Bij gebreke van een nauwkeuriger motivering van de gestelde schendingen, ben ik van mening dat het elfde middel ongegrond moet worden verklaard.

M.      Samenvatting van de analyse

258. De analyse van het beroep brengt mij tot de conclusie dat het eerste, het zesde, het achtste en het negende middel moeten worden geacht gegrond te zijn. Voor het overige dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

VI.    Kosten

259. Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 138, lid 3, van dit Reglement draagt elke partij haar eigen kosten, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk worden gesteld. Aangezien de Tsjechische Republiek en de Republiek Polen in casu elk met betrekking tot bepaalde middelen in het ongelijk zijn gesteld, zullen zij hun eigen kosten dragen.

260. Overeenkomstig artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat bepaalt dat de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten dragen, draagt de Commissie haar eigen kosten.

VII. Conclusie

261. In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging te beslissen als volgt:

„1)      Door een regeling vast te stellen op grond waarvan de bevoegde administratieve instanties de vergunning voor de winning van bruinkool met zes jaar kunnen verlengen zonder een milieueffectbeoordeling uit te voeren, heeft de Republiek Polen artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 4 tot en met 6, artikel 5, leden 1 en 2, en de artikelen 6 tot en met 9 van deze richtlijn geschonden.

2)      Door de inhoud van het besluit waarbij de mijnbouwactiviteiten worden toegestaan tot 2026 en de aan dit besluit verbonden voorwaarden, alsmede de gronden en de overwegingen waarop deze vergunning was gebaseerd, niet bekend te maken, en door deze inhoud pas meer dan vijf maanden later, en bovendien op onvolledige wijze, aan de Tsjechische Republiek mee te delen, heeft de Republiek Polen artikel 9, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/92, zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52, geschonden.

3)      Door de inhoud van het besluit waarbij de mijnbouwactiviteiten worden toegestaan tot 2026 of de plaats waar dit besluit kan worden opgevraagd, niet bekend te maken, heeft de Republiek Polen artikel 7 van richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad geschonden.

4)      Door geen volledige informatie te verstrekken over de procedure tot vaststelling van het besluit waarbij de mijnbouwactiviteiten worden toegestaan tot 2026, is de Republiek Polen de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking.

5)      Het beroep wordt verworpen voor het overige.

6)      De Tsjechische Republiek, de Republiek Polen en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten.”


1      Oorspronkelijke taal: Frans.


2      Internationale rechtspraak op het gebied van het milieu is lange tijd vrij zeldzaam geweest. De zaak van de Pelsrobben van de Pribilofeilanden uit 1893, gevolgd door de zaak van de Trail-smelterij uit 1941, of nog de zaak van het Lanouxmeer uit 1956, hebben de grondslag gelegd voor het internationale milieurecht, met name wat grensoverschrijdende vervuiling en gedeelde natuurlijke hulpbronnen betreft. Daarentegen is het aantal geschillen op dit gebied de laatste jaren aanzienlijk toegenomen. In de zaak betreffende de Gabčíkovo-Nagymaros-dammen op de Donau uit 1997 heeft het milieu voor het eerst een centrale rol gespeeld in een geschil dat voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag is gebracht. Deze zaak heeft zijn rechters de gelegenheid gegeven om bepaalde fundamentele beginselen van het internationale milieurecht uiteen te zetten, met name het beginsel om milieuschade in andere staten te voorkomen, het beginsel van samenwerking en de noodzaak om verdragsregels evolutief uit te leggen. Het milieu heeft ook een centrale rol gespeeld in de zaak Pulp Mills on the River Uruguay (Papierpulpfabrieken op de rivier de Uruguay) (Argentinië tegen Uruguay) uit 2010. De zaken Certain Activities Carried Out by Nicaragua in the Border Area (Bepaalde door Nicaragua in het grensgebied uitgeoefende activiteiten) (Costa Rica tegen Nicaragua) en Construction of a Road in Costa Rica along the San Juan River (Aanleg van een weg in Costa Rica langs de rivier de San Juan) (Nicaragua tegen Costa Rica) hadden ook een sterke milieudimensie. Deze kwantitatieve ontwikkeling van de rechtspraak is voornamelijk het gevolg van de toename van de verplichtingen van de staten op milieugebied.


3      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB 2000, L 327, blz. 1).


4      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB 2003, L 41, blz. 26).


5      Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB 2012, L 26, blz. 1), zoals gewijzigd bij richtlijn 2014/52/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 (PB 2014, L 124, blz. 1) (hierna: „MEB-richtlijn”).


6      Beschikking van de vicepresident van het Hof van 21 mei 2021, Tsjechië/Polen (C‑121/21 R, EU:C:2021:420).


7      Beschikking van de vicepresident van het Hof van 20 september 2021, Tsjechië/Polen (C‑121/21 R, EU:C:2021:752).


8      Zie arresten van 6 december 2007, Commissie/Duitsland (C‑456/05, EU:C:2007:755, punt 25), en 16 oktober 2012, Hongarije/Slowakije (C‑364/10, EU:C:2012:630, punt 67), wat betreft de twee procedurele regelingen waarin de artikelen 258 en 259 VWEU voorzien. Zie ook mijn conclusie in de zaak Slovenië/Kroatië (C‑457/18, EU:C:2019:1067, punt 99).


9      Het beginsel van voorrang van het Unierecht, dat de voorrang van het Unierecht op het recht van de lidstaten bevestigt, verplicht alle instanties van de lidstaten om volle werking te verlenen aan de verschillende normen van de Unie, aangezien het recht van de lidstaten niet kan afdoen aan de werking die op het grondgebied van die staten aan deze verschillende normen is verleend [zie in dit verband arresten van 4 december 2018, Minister for Justice and Equality en Commissioner of An Garda Síochána (C‑378/17, EU:C:2018:979, punten 35‑38), en 24 juni 2019, Popławski (C‑573/17, EU:C:2019:530, punten 53 en 54)].


10      Zie in die zin Butler, G., „The Court of Justice as an Inter-State Court”, Yearbook of European Law, deel 36, nr. 1, 2017, blz. 189.


11      Zie arresten van 11 juli 2013, Commissie/Tsjechië (C‑545/10, EU:C:2013:509, punt 108); 23 februari 2016, Commissie/Hongarije (C‑179/14, EU:C:2016:108, punt 141); 22 september 2016, Commissie/Tsjechië (C‑525/14, EU:C:2016:714, punt 16); 19 september 2017, Commissie/Ierland (Registratiebelasting) (C‑552/15, EU:C:2017:698, punt 38); 31 oktober 2019, Commissie/Nederland, C‑395/17, EU:C:2019:918, punt 52), en 28 mei 2020, Commissie/Bulgarije (Onderzoeksorgaan voor de spoorwegen) (C‑33/19, niet gepubliceerd, EU:C:2020:405, punt 82).


12      Zie arresten van 26 april 2005, Commissie/Ierland (C‑494/01, EU:C:2005:250, punt 44); 28 maart 2019, Commissie/Ierland (Systeem voor de opvang en behandeling van afvalwater) (C‑427/17, niet gepubliceerd, EU:C:2019:269, punt 39), en 17 december 2020, Commissie/Hongarije (Opvang van personen die om internationale bescherming verzoeken) (C‑808/18, EU:C:2020:1029, punt 112).


13      Zie in dit verband Burgi, M., in Rengeling, H.‑W., Middeke, A., en Gellermann, M. (red.), Handbuch des Rechtsschutzes in der Europäischen Union, München, 2014, punt 27; Frenz, W., Handbuch Europarecht, deel 5, Berlijn, 2010, punt 2685; Karpenstein, U., „Artikel 259 AEUV”, in: Grabitz, E., Hilf, M., en Nettesheim, M. (red.), Das Recht der Europäischen Union, München, 2021, punt 9; Pechstein, M., EU-Prozessrecht, Mohr Siebeck, Tübingen, 2011, punt 312; Schwarze, J., „Artikel 259 AEUV”, EU-Kommentar, Nomos, Baden-Baden, 2019, punt 4, en Thiele, A., Europäisches Prozessrecht, C. H. Beck, § 5, punt 29.


14      Zie in die zin Burgi, M., in Rengeling, H.‑W., Middeke, A., en Gellermann, M. (red.), Handbuch des Rechtsschutzes in der Europäischen Union, München, 2014, punten 27 en 28; Frenz, W., Handbuch Europarecht, deel 5, Berlijn, 2010, punt 2684; Kotzur, M., „Artikel 259 AEUV”, in: Geiger, R., Khan, D.‑E., en Kotzur, M. (red.), EUV/AEUV, München, punt 5; Pechstein, M., EU-Prozessrecht, punten 313 en 314, en Schwarze, J., „Artikel 259 AEUV”, EU-Kommentar, Nomos, Baden-Baden, 2019, punt 5.


15      Zie, wat de wijziging van wetgeving betreft, arrest van 4 maart 2010, Commissie/Frankrijk (C‑241/08, EU:C:2010:114, punten 12 en 13), en, wat de wijziging van een administratieve handeling betreft, arrest van 18 mei 2006, Commissie/Spanje (C‑221/04, EU:C:2006:329, punten 28 en 29).


16      Arrest van 29 juli 2019 (C‑411/17, EU:C:2019:622).


17      Arrest van 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C‑411/17, EU:C:2019:622, punt 79).


18      Zie in dit verband Messerschmidt, K., Europäisches Umweltrecht, C. H. Beck, München, 2011, blz. 535, punt 53, en Arabadjieva, K., „Vagueness and Discretion in the Scope of the EIA Directive”, Journal of Environmental Law, deel 29, nr. 3, 2017, blz. 417 en 425.


19      Zie arresten van 24 oktober 1996, Kraaijeveld e.a. (C‑72/95, EU:C:1996:404, punt 50); 4 mei 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑508/03, EU:C:2006:287, punt 88); 28 februari 2008, Abraham e.a. (C‑2/07, EU:C:2008:133, punt 37); 20 november 2008, Commissie/Ierland (C‑66/06, niet gepubliceerd, EU:C:2008:637, punt 61); 21 maart 2013, Salzburger Flughafen (C‑244/12, EU:C:2013:203, punten 29 en 30), en 11 februari 2015, Marktgemeinde Straßwalchen e.a. (C‑531/13, EU:C:2015:79, punten 40 en 41).


20      Zie arrest van 16 september 1999, WWF e.a. (C‑435/97, EU:C:1999:418, punten 44 en 45).


21      Zie arrest van 2 mei 1996, Commissie/België (C‑133/94, EU:C:1996:181, punten 42 en 43).


22      Zie punt 52 van deze conclusie.


23      Zie arrest van 4 mei 2006, Barker (C‑290/03, EU:C:2006:286, punt 47).


24      Zie arrest van 4 mei 2006, Commissie/Verenigd Koninkrijk (C‑508/03, EU:C:2006:287, punt 104).


25      Zie arrest van 28 februari 2008, Abraham e.a. (C‑2/07, EU:C:2008:133, punt 26).


26      Arrest van 29 juli 2019, Inter-Environnement Wallonie en Bond Beter Leefmilieu Vlaanderen (C‑411/17, EU:C:2019:622, punt 83).


27      Arrest van 7 november 2019 (C‑280/18, EU:C:2019:928, punten 46‑49). Ik zou willen opmerken dat het Hof voor een restrictievere benadering heeft gekozen dan advocaat-generaal Kokott, die in haar conclusie in diezelfde zaak had gesteld dat „[e]en beperking van de in artikel 11 van de MEB-richtlijn bedoelde beroepsmogelijkheid tot aspecten van de inspraak, die de rechtmatigheid van de vergunning onaangetast laten, [...] deze inspraak immers van haar betekenis en nuttige werking [zou] beroven” (EU:C:2019:449, punt 115; cursivering van mij). Er moet echter worden vastgesteld dat artikel 11, lid 1, van de MEB-richtlijn uitdrukkelijk verwijst naar de mogelijkheid voor leden van het betrokken publiek om „in beroep [te] gaan [...] om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder de bepalingen betreffende de inspraak van het publiek van deze richtlijn aan te vechten”, hetgeen in beginsel uitsluit dat artikel 11 van de MEB-richtlijn kan worden ingeroepen teneinde om rechterlijke toetsing van een vergunning te verzoeken op andere gronden dan schending van het recht op inspraak van het publiek (cursivering van mij).


28      De Republiek Polen verwijst naar artikel 31, leden 1 en 3, van de ustawa z dnia 14 czerwca 1960 r. – Kodeks postępowania administracyjnego (wet van 14 juni 1960 houdende het wetboek van administratieve rechtsvordering; hierna: „wetboek van administratieve rechtsvordering”) (Dz. U. van 2020, volgnr. 256), zoals gewijzigd, en artikel 50, lid 1, van de ustawa z dnia 30 sierpnia 2002 r. – Prawo o postępowaniu przed sądami administracyjnymi (wet van 30 augustus 2002 tot vaststelling van de procedure voor de administratieve rechtbanken; hierna: „ppsa-wet”) (Dz. U. van 2019, volgnr. 2325), zoals gewijzigd.


29      Arrest van 15 januari 2013, Križan e.a. (C‑416/10, EU:C:2013:8, punt 110).


30      Zie arresten van 1 juli 2015, Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland (C‑461/13, EU:C:2015:433, punt 34), en 24 juni 2021, Commissie/Spanje (Achteruitgang van het natuurgebied Doñana) (C‑559/19, EU:C:2021:512, punt 35).


31      Zie arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen (C‑535/18, EU:C:2020:391, punten 81, 84 en 85).


32      Arrest van 28 mei 2020, Land Nordrhein-Westfalen (C‑535/18, EU:C:2020:391, punt 75).


33      Zie in dit verband het verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2012 over de tenuitvoerlegging van de kaderrichtlijn water (2000/60/EG) – Stroomgebiedbeheersplannen, COM(2012) 670 final, blz. 7, waarin is vermeld dat in richtlijn 2000/60 „wordt erkend dat er meer tijd nodig kan zijn om in bepaalde waterlichamen een goede toestand te bereiken. Daarom mogen lidstaten gebruik maken van een uitzonderingsbepaling op basis van de natuurlijke omstandigheden van het waterlichaam, en de termijn verlengen tot 2027 of later”. Volgens dit verslag bepaalt richtlijn 2000/60 dat de lidstaten, wanneer van de uitzonderingsbepaling gebruik wordt gemaakt, „het besluit daartoe in de [stroomgebiedbeheersplannen moeten] motiveren en toelichten. Er moet dan worden uitgelegd op welke basis de beoordelingen van natuurlijke omstandigheden, onevenredige kosten en/of technische onhaalbaarheid zijn gemaakt en hoe wél wordt toegewerkt naar het bereiken van een goede toestand. Deze motivering is essentieel voor de transparantie en de verantwoording van de besluitvorming.” (Cursivering van mij).


34      Zie voor de verschillende soorten afwijkingen waarin richtlijn 2000/60 voorziet en die in het stroomgebiedsbeheersplan moeten worden vermeld en toegelicht, Quevauviller, P., Protection des eaux souterraines: législation européenne et avancées scientifiques, Lavoisier, Parijs, 2010, blz. 63.


35      Zie punt 52 van deze conclusie.


36      Zie arrest van 7 november 2019, Flausch e.a. (C‑280/18, EU:C:2019:928, punt 46), waarin het Hof artikel 11 van de MEB-richtlijn aldus heeft uitgelegd dat „de werkingssfeer ervan beperkt is tot de aspecten van een geding die betrekking hebben op het recht van het betrokken publiek op inspraak in de besluitvorming volgens de nauwkeurige regels daarover in de richtlijn. De beroepen die zijn gebaseerd op een ander voorschrift van deze richtlijn, en a fortiori op een andere wettelijke regeling, ongeacht of dit Uniewetgeving dan wel wetgeving van de lidstaten is, vallen daarentegen niet onder dit artikel” (cursivering van mij); zie tevens punt 104 van deze conclusie.


37      Zie punt 108 van deze conclusie.


38      Zie punt 148 van deze conclusie.


39      Zie punt 97 van deze conclusie.


40      Uit het MEB-besluit blijkt dat de mijnbouw in Turów milieueffecten heeft op het grondgebied van drie lidstaten, namelijk de Republiek Polen, de Tsjechische Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland.


41      Arrest van 7 november 2019, Flausch e.a. (C‑280/18, EU:C:2019:928, punten 50 en 51).


42      Zie punt 52 van deze conclusie.


43      Arresten van 15 maart 2018, North East Pylon Pressure Campaign en Sheehy (C‑470/16, EU:C:2018:185, punten 36 en 39), en 7 november 2019, Flausch e.a. (C‑280/18, EU:C:2019:928, punt 46). Zie ook de punten 104 en 150 van deze conclusie.


44      Zie punt 105 van deze conclusie.


45      Zie de punten 163‑178 van deze conclusie.


46      Zie punt 69 van deze conclusie.


47      Zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Sharpston in de zaak East Sussex County Council (C‑71/14, EU:C:2015:234, punt 52).


48      Arresten van 28 juli 2011, Office of Communications (C‑71/10, EU:C:2011:525, punt 22), en 20 januari 2021, Land Baden-Württemberg (Interne mededelingen) (C‑619/19, EU:C:2021:35, punt 33).


49      Zie punt 172 van deze conclusie.


50      Zie punt 170 van deze conclusie.


51      Zie de punten 200 e.v. van deze conclusie.


52      Zie punt 52 van deze conclusie.


53      Zie de punten 62‑67 van deze conclusie.