BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Achtste kamer)
6 september 2021 (*)
„Beroep tot nietigverklaring – Staatssteun – Private-equityfondsen – Klacht – Maatregelen die beweerdelijk staatssteun betreffende het Dutch Venture Initiative vormen – Besluit na afloop van het vooronderzoek – Besluit waarbij is vastgesteld dat er geen sprake is van staatssteun – Hoedanigheid van belanghebbende – Bescherming van procedurele rechten – Niet-ontvankelijkheid”
In zaak T‑277/20,
MKB Multifunds BV, gevestigd te Zierikzee (Nederland), vertegenwoordigd door J. van de Hel en R. Rampersad, advocaten,
verzoekster,
tegen
Europese Commissie, vertegenwoordigd door V. Bottka en S. Noë als gemachtigden,
verweerster,
ondersteund door
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door M. Bulterman en C. Schillemans als gemachtigden,
interveniërende partij,
betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU strekkende in wezen tot nietigverklaring van besluit C(2020) 1109 final van de Commissie van 27 februari 2020 betreffende steunmaatregel SA.55704 (2019/FC) – Nederland, inzake beweerde steun betreffende het Dutch Venture Initiative,
geeft
HET GERECHT (Achtste kamer),
samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, R. Barents en C. Mac Eochaidh (rapporteur), rechters,
griffier: E. Coulon,
de navolgende
Beschikking
Voorgeschiedenis van het geding
1 Het Dutch Venture Initiative (hierna doorgaans: „DVI”) is een dakfondsstructuur voor private equity die is opgezet door de Nederlandse overheid, meer bepaald het ministerie van Economische Zaken en Klimaat en de publieke ontwikkelingsmaatschappij PPM Oost, en het Europees Investeringsfonds (EIF). DVI, dat wordt beheerd door het EIF, richt zich op investeringen in private-equityfondsen die investeren in het midden- en kleinbedrijf (mkb). Er zijn twee DVI-fondsen opgericht als société d'investissement en capital à risque (beleggingsmaatschappij in risicokapitaal, SICAR) naar Luxemburgs recht, te weten DVI I in augustus 2013 en DVI II in april 2016. Het DVI I-fonds werd op 10 oktober 2016 afgesloten.
2 Op 24 september 2018 heeft verzoekster, MKB Multifunds, bij de Europese Commissie een klacht ingediend waarin zij betoogde dat het Koninkrijk der Nederlanden onrechtmatige staatssteun had verleend aan DVI, het EIF, PPM Oost, de private-equityfondsen waarin DVI investeert, en de mkb-bedrijven waarin de betreffende private-equityfondsen investeren.
3 In haar klacht stelde verzoekster dat zij door de beweerde steun moeilijkheden heeft ondervonden om particuliere investeerders aan te trekken en minder investeringskansen heeft gehad, aangezien er te veel inschrijvingen waren voor de private-equityfondsen waarin zij was geïnteresseerd.
4 Op 8 oktober 2018 heeft de Commissie een niet-vertrouwelijke versie van verzoeksters klacht doorgestuurd naar de Nederlandse autoriteiten, die vervolgens, op 17 december 2018, opmerkingen hebben ingediend.
5 Op 21 december 2018 heeft de Commissie verzoekster overeenkomstig artikel 24, lid 2, tweede alinea, van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2015, L 248, blz. 9) een brief met een eerste voorlopige beoordeling toegezonden. Daarin concludeerde de Commissie dat de betwiste maatregelen a priori geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormden.
6 Bij brief van 20 februari 2019 heeft verzoekster de Commissie aanvullende informatie verschaft.
7 Op 14 maart 2019 heeft de Commissie die brief van verzoekster doorgezonden aan de Nederlandse autoriteiten samen met een verzoek om aanvullende informatie.
8 Op 10 mei 2019 hebben de Nederlandse autoriteiten de Commissie geantwoord.
9 Na onderzoek van de haar overgelegde documenten en informatie heeft de Commissie verzoekster op 28 mei 2019 overeenkomstig artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 een tweede voorlopige beoordeling toegezonden. In die tweede voorlopige beoordeling heeft de Commissie verklaard dat zij nog steeds van mening was dat er a priori geen sprake was van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.
10 Op 27 juni 2019 heeft verzoekster de Commissie een brief toegezonden waarin zij aangeeft het niet eens te zijn met de conclusie van die tweede voorlopige beoordeling.
11 Op 31 juli 2019 heeft de Commissie verzoekster nadere toelichting verschaft bij haar brief van 28 mei 2019.
12 Op 30 augustus 2019 heeft verzoekster op de brief van 31 juli 2019 geantwoord met een nadere uiteenzetting van de redenen waarom zij het niet eens was met de conclusie van de Commissie dat de betwiste maatregelen geen staatssteun vormden. Voorts heeft zij de Commissie op 15 oktober en 2 december 2019 aanvullende informatie verschaft.
13 Op 3 december 2019, 10 januari 2020 en 14 februari 2020 heeft de Commissie een aantal vragen om verduidelijking gericht tot de Nederlandse autoriteiten, die daar op 10 december 2019, en 20 januari en 14 februari 2020 op hebben geantwoord.
14 Op 27 februari 2020 heeft de Commissie besluit C(2020) 1109 final vastgesteld betreffende steunmaatregel SA.55704 (2019/FC) – Nederland, beweerde staatssteun betreffende het Dutch Venture Initiative (PB 2020, C 168, blz. 3; hierna: „bestreden besluit”).
15 In punt 75 van het bestreden besluit is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de volgende vijf maatregelen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormen, aangezien daarmee geen economisch voordeel aan een onderneming wordt verleend:
a) de financiële overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en PPM Oost;
b) de investering van het Koninkrijk der Nederlanden via PPM Oost in DVI;
c) de beheersvergoeding die DVI aan het EIF betaalt;
d) de investeringen van DVI in private-equityfondsen, en
e) de investeringen van de door DVI gefinancierde private-equityfondsen in mkb-bedrijven.
16 Op 9 maart 2020 heeft de Commissie verzoekster bij aangetekend schrijven een kopie van het bestreden besluit toegezonden.
Conclusies van partijen
17 In de laatste stand van haar conclusies verzoekt verzoekster het Gerecht:
– het beroep ontvankelijk te verklaren;
– het bestreden besluit nietig te verklaren;
– de Commissie te gelasten om een formeel onderzoek in te leiden op grond van artikel 108, lid 2, VWEU, en
– de Commissie te verwijzen in de kosten.
18 de Commissie en het Koninkrijk der Nederlanden verzoeken het Gerecht:
– het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;
– subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;
– verzoekster te verwijzen in de kosten.
In rechte
19 Volgens artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk rechtens ongegrond is, te allen tijde, op voorstel van de rechter-rapporteur, beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten.
20 In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de stukken van het dossier en besluit het om uitspraak te doen op het beroep zonder de behandeling voort te zetten.
21 De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk der Nederlanden, is van mening dat het beroep niet-ontvankelijk is. In essentie is volgens haar in de onderhavige zaak aan geen van de drie in artikel 263, vierde alinea, VWEU bedoelde gevallen voldaan. Ten eerste meent zij dat het bestreden besluit niet tot verzoekster is gericht. Ten tweede vormt het bestreden besluit haars inziens geen regelgevingshandeling, aangezien het geen algemene strekking heeft. Ten derde wordt verzoekster volgens de Commissie door het bestreden besluit niet rechtstreeks en individueel geraakt. In dit verband stelt zij zich op het standpunt dat het beroep er niet toe strekt verzoeksters procedurele rechten uit hoofde van artikel 108, lid 2, VWEU te doen eerbiedigen. Voorts is de Commissie van mening dat verzoekster niet heeft aangetoond een „belanghebbende” te zijn in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU en artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589. Ten slotte heeft verzoekster volgens de Commissie niet aangetoond dat de beweerde steun verzoeksters positie op de relevante markt wezenlijk heeft aangetast.
22 Verzoekster betwist niet dat zij niet de adressaat van het bestreden besluit is, noch dat dit besluit geen regelgevingshandeling is. Zij betwist daarentegen wel het betoog van de Commissie dat zij niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt. Verzoekster stelt in essentie dat zij een „belanghebbende” is, hetgeen de Commissie volgens verzoekster overigens heeft erkend tijdens de administratieve fase. Verzoekster is ook van mening dat haar concurrentiepositie op de markt door de steun wezenlijk is aangetast. Ten slotte betoogt verzoekster dat zij ter ondersteuning van haar beroep wel degelijk een middel inzake schending van haar procedurele rechten aanvoert. Zij stelt dat zij in het verzoekschrift weliswaar niet „woordelijk” en „expliciet” de schending van haar procedurele rechten heeft genoemd, maar dat de drie middelen die zij ter ondersteuning van dat verzoekschrift heeft aangevoerd en punt 18 van het verzoekschrift dit „zeker” met zich meebrengen. Uit die middelen blijkt haars inziens immers dat haar procedurele rechten zijn geschonden door het matige onderzoek van de Commissie en bijgevolg door het feit dat zij geen formeel onderzoek heeft gestart. Volgens verzoekster is het onderhavige beroep er aldus op gericht om de Commissie een formeel onderzoek te laten starten naar de onrechtmatige steunverlening door de Nederlandse autoriteiten.
Procesbevoegdheid van verzoekster
23 Volgens vaste rechtspraak dient met betrekking tot een besluit van de Commissie inzake staatssteun, in het kader van de procedure van toezicht op steunmaatregelen, onderscheid te worden gemaakt tussen, enerzijds, het in artikel 108, lid 3, VWEU bedoelde vooronderzoek naar de steunmaatregelen, dat er slechts toe dient de Commissie in staat te stellen zich een eerste oordeel te vormen over de gedeeltelijke of volledige verenigbaarheid van de betrokken steun, en, anderzijds, de onderzoeksfase van artikel 108, lid 2, VWEU, die de Commissie in staat moet stellen zich volledig te informeren over alle gegevens van de zaak. Enkel in het kader van de in die laatste bepaling neergelegde procedure voorziet het VWEU in de procedurele waarborg die bestaat in de verplichting voor de Commissie om de belanghebbenden aan te manen hun opmerkingen te maken (arresten van 19 mei 1993, Cook/Commissie, C‑198/91, EU:C:1993:197, punt 22; 15 juni 1993, Matra/Commissie, C‑225/91, EU:C:1993:239, punt 16, en 17 juli 2008, Athinaïki Techniki/Commissie, C‑521/06 P, EU:C:2008:422, punt 35).
24 Wanneer de Commissie, zonder de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden, bij een op basis van lid 3 van datzelfde artikel vastgesteld besluit constateert dat een steunmaatregel geen met de interne markt onverenigbare steun vormt, kunnen degenen die door die procedurele waarborg worden beschermd, de eerbiediging daarvan slechts afdwingen indien zij de mogelijkheid hebben dat besluit voor de Unierechter te betwisten. Om deze redenen verklaart de Unierechter een door een belanghebbende in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU ingesteld beroep tot nietigverklaring van een dergelijk besluit ontvankelijk wanneer degene die het beroep instelt, met het beroep de procedurele rechten wil doen eerbiedigen die hij aan deze laatste bepaling ontleent (arrest van 17 juli 2008, Athinaïki Techniki/Commissie, C‑521/06 P, EU:C:2008:422, punt 36).
25 Derhalve dient te worden geoordeeld dat elke belanghebbende moet worden geacht rechtstreeks en individueel te worden geraakt door een besluit waarbij na afloop van de fase van het vooronderzoek wordt vastgesteld dat er geen sprake is van steun (zie in die zin arrest van 28 maart 2012, Ryanair/Commissie, T‑123/09, EU:T:2012:164, punt 68), waarbij eraan zij herinnerd dat wanneer deze belanghebbende een klacht heeft ingediend, de weigering van de Commissie om aan die klacht gevolg te geven hoe dan ook moet worden aangemerkt als een weigering om de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden (arrest van 18 november 2010, NDSHT/Commissie, C‑322/09 P, EU:C:2010:701, punten 51‑54).
26 Indien de verzoekende partij daarentegen de gegrondheid van het besluit tot beoordeling van de steun als zodanig betwist, kan het enkele feit dat zij als belanghebbende in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU kan worden aangemerkt, niet volstaan om het beroep ontvankelijk te verklaren. Zij moet dan aantonen dat zij procesbevoegdheid bezit in de zin van artikel 263, vierde alinea, eerste en tweede zinsnede, VWEU en met name dat zij een bijzondere hoedanigheid heeft in de zin van het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17), of dat het besluit tot beoordeling van de steun een regelgevingshandeling vormt die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt en die haar rechtstreeks raakt overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, derde zinsnede, VWEU (zie in die zin arrest van 19 december 2013, Telefónica/Commissie, C‑274/12 P, EU:C:2013:852, punt 19).
27 In casu heeft de Commissie bij het bestreden besluit de klacht afgewezen die verzoekster had ingediend op grond van artikel 24, lid 2, eerste alinea, van verordening 2015/1589, dat bepaalt dat „[e]lke belanghebbende [...] een klacht [kan] indienen om de Commissie in kennis te stellen van mogelijk onrechtmatige steun of van mogelijk misbruik van steun”. Met haar formele afwijzing van die klacht heeft de Commissie eveneens geweigerd de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden.
28 Onderzocht moet worden of verzoekster met de door haar aangevoerde middelen wil opkomen tegen het besluit van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure niet in te leiden door aannemelijk te maken dat de Commissie bij de beoordeling van de gegevens en de elementen waarover zij tijdens het voorafgaande onderzoek beschikte of had kunnen beschikken, twijfel had moeten koesteren omtrent de kwalificatie van de beweerde steun als staatssteun, dan wel of deze middelen of althans een deel ervan juist rechtstreeks gericht zijn tegen de gegrondheid van de toetsing van de betrokken maatregelen aan artikel 107 VWEU en tot doel of tot gevolg hebben dat het voorwerp van het beroep wordt gewijzigd en daarmee ook de voorwaarden voor de ontvankelijkheid ervan (zie in die zin arresten van 27 oktober 2011, Oostenrijk/Scheucher-Fleisch e.a., C‑47/10 P, EU:C:2011:698, punt 50, en 14 april 2021, Verband Deutscher Alten- und Behindertenhilfe en CarePool Hannover/Commissie, T‑69/18, EU:T:2021:189, punt 63).
Ontvankelijkheid van het beroep voor zover verzoekster opkomt tegen het besluit van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure niet in te leiden
29 Uit de door verzoekster ingediende memories en in het bijzonder uit punt 18 van het verzoekschrift en de bewoordingen van de derde vordering blijkt dat deze partij met haar beroep de procedurele rechten die zij volgens haar aan artikel 108, lid 2, VWEU ontleent, wil doen eerbiedigen.
30 In dit verband wordt volgens artikel 1, onder h), van verordening 2015/1589 onder „belanghebbende” een lidstaat en een persoon, onderneming of ondernemersvereniging verstaan waarvan de belangen door de toekenning van steun kunnen worden geraakt. Het gaat met andere woorden om een onbepaalde groep van adressaten. Deze bepaling sluit echter niet uit dat een onderneming die niet direct met de begunstigde van de steun concurreert, als „belanghebbende” wordt aangemerkt, voor zover zij betoogt dat haar belangen door de steunverlening nadelig kunnen worden beïnvloed. Het is voldoende dat die onderneming rechtens genoegzaam aantoont dat de steun haar situatie concreet dreigt te beïnvloeden (zie arrest van 24 mei 2011, Commissie/Kronoply en Kronotex, C‑83/09 P, EU:C:2011:341, punten 63‑65 en aldaar aangehaalde rechtspraak).
31 In casu heeft verzoekster een klacht ingediend in de zin van artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589. Evenzo blijkt uitdrukkelijk uit de punten 3 en 6 van het bestreden besluit dat de brieven van de Commissie van 21 december 2018 en 28 mei 2019 met betrekking tot de eerste en de tweede voorlopige beoordeling overeenkomstig artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 aan verzoekster zijn toegezonden.
32 Het is juist dat de omstandigheid dat verzoekster een klacht heeft ingediend, dat zij documenten en informatie aan de Commissie heeft verschaft en dat de Commissie haar de twee in het vorige punt genoemde brieven heeft toegezonden zonder in die brieven de hoedanigheid van klager in de zin van artikel 12, lid 1, en artikel 24, lid 2, van verordening 2015/1589 ter discussie te stellen, aanwijzingen kunnen vormen dat verzoekster de hoedanigheid van „belanghebbende” heeft. Die omstandigheden, afzonderlijk beschouwd, zijn echter niet voldoende om aan te tonen, zoals in de in punt 30 hierboven in herinnering gebrachte rechtspraak wordt verlangd, dat de toekenning van de beweerde steun haar belangen schaadt.
33 Wat dit laatste punt betreft, constateert het Gerecht dat verzoekster in het verzoekschrift noch in de repliek rechtens genoegzaam heeft aangetoond dat zij daadwerkelijk actief was of is in de dakfondssector en dat zij dus, althans potentieel, met DVI concurreert.
34 Verzoekster stelt hooguit in punt 24 van de repliek dat zij „economisch actief [is] op de Nederlandse markt”, „ingeschreven [staat] in het handelsregister in Nederland” en „omzet genereerde” voor 2014.
35 Uit geen van die gegevens blijkt echter dat zij haar economische activiteiten in de dakfondssector werkelijk en effectief uitoefende, of, a fortiori, dat er tussen haar en DVI een concurrentieverhouding bestond.
36 Allereerst heeft verzoekster inderdaad aangetoond dat zij ingeschreven staat in het handelsregister in Nederland. Voorts blijkt uit het aan het Gerecht overgelegde uittreksel uit dat register dat verzoekster bij haar inschrijving heeft verklaard dat zij actief was in de sector financiële holdings en in de sector beleggingsadvies. Het Gerecht stelt evenwel vast dat dit uittreksel uitsluitend berust op de verklaringen van verzoekster bij haar oprichting op 31 januari 2013, dat wil zeggen vóór de start van het DVI I- en het DVI II-fonds.
37 Evenzo heeft verzoekster, zoals in punt 24 van het bestreden besluit is aangegeven, verklaard dat „[zij] als doelstelling [had] een dakfondsstructuur op te zetten via welke particuliere investeerders (zoals pensioenfondsen) indirect in Nederlandse [mkb-bedrijven] konden investeren”. Die beschrijving van haar ondernemingsdoel is ook te vinden in de punten 16 en 21 van het verzoekschrift. Ook dat gegeven berust uitsluitend op de verklaringen van verzoekster en bewijst niet dat verzoekster de genoemde structuur daadwerkelijk heeft opgezet.
38 Hetzelfde geldt voor de niet van een datum voorziene brochure die verzoekster in het kader van de repliek als bewijs heeft overgelegd en waarin zij zichzelf beschrijft als „een private equity fund-of-funds” (dakfonds voor private equity). Ook de beschrijving van verzoeksters economische activiteiten, zoals deze blijkt uit die brochure, berust uitsluitend op haar eigen verklaringen en levert geen bewijs op van de daadwerkelijke economische activiteiten op de betrokken markt, of op zijn minst van de reële en concrete mogelijkheid dat verzoekster tot die markt toetreedt.
39 Vervolgens bewijst de verklaring dat verzoekster voor 2014 „omzet genereerde” evenmin dat tussen haar en DVI in dat jaar, laat staan in de andere jaren, een concurrentieverhouding bestond. Gelet op de in punt 36 hierboven in herinnering gebrachte vrij ruime omschrijving van haar ondernemingsdoel wijst niets erop dat die omzet, zij het slechts ten dele, weerspiegelde dat zij werkelijk een economische activiteit op de betrokken markt uitoefende. Voorts heeft verzoekster bovenal niet aangegeven welke posten van haar jaarrekening voor 2014, die in het kader van de repliek als bewijs was overgelegd, konden aantonen dat zij dat jaar actief was in de dakfondssector.
40 Hoe dan ook is de overlegging van die jaarrekening voor 2014 in casu irrelevant. In een e-mail van 4 november 2014, die verzoekster zelf aan het Gerecht heeft overgelegd, stelt zij immers dat zij „een private equity fund-of-funds” „in oprichting” is en dat de „lancering van MKB Multifunds I [...] voor de eerste helft van 2015 [staat] gepland”. Uit die e-mail van verzoekster blijkt dus dat zij in 2014 nog niet daadwerkelijk actief was – als zij dat later al was – in de dakfondssector.
41 Meer in het algemeen heeft verzoekster geen concreet en toereikend bewijsmateriaal overgelegd waaruit in voorkomend geval had kunnen blijken dat zij in 2013, het jaar waarin zij is opgericht, of vanaf 2015 daadwerkelijk actief was in de dakfondssector. Bovendien erkent verzoekster zelf in punt 40 van de repliek dat zij uiteindelijk nooit haar eigen dakfonds heeft ontwikkeld.
42 Voorts kan, anders dan verzoekster stelt, louter uit de beschrijving van de activiteiten van verzoekster en die van DVI niet worden afgeleid dat tussen hen een concurrentieverhouding bestond. Uit de punten 34 tot en met 41 hierboven blijkt immers dat de economische activiteit van verzoekster in de dakfondssector niet is bewezen.
43 Bijgevolg moet met de Commissie worden geconcludeerd dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij daadwerkelijk met DVI concurreert.
44 Verzoekster heeft evenmin aangetoond dat zij in een potentiële concurrentieverhouding stond met de begunstigden van de beweerde steun, door geen bewijs te leveren dat zij reële en concrete mogelijkheden had gehad om tot de dakfondssector toe te treden en met de ondernemingen uit die sector te concurreren. Ook toont zij niet aan dat het feit dat zij ervan afzag haar eigen dakfonds te ontwikkelen en dus tot de betrokken markt toe te treden, haar oorsprong vond in de toekenning van de beweerde steun waarop haar klacht bij de Commissie betrekking had.
45 Op dat punt voert verzoekster zeer algemene overwegingen aan waarin zij stelt dat zij tevergeefs had getracht een partnerschap aan te gaan met de Nederlandse autoriteiten met het oog op de oprichting van een dakfonds. Zij stelt ook dat zij door de toekenning van de beweerde steun moeilijkheden had ondervonden om particuliere investeerders aan te trekken en toegang te krijgen tot bepaalde private-equityfondsen. Volgens verzoekster heeft de toekenning van die steun de mededinging op de markt verstoord, zodat zij haar eigen dakfonds niet heeft kunnen ontwikkelen en sinds 2016 uitsluitend verlies heeft geleden.
46 In dit verband geven de e-mails die als bijlage C.4. zijn overgelegd en waaruit contacten tussen verzoekster en de Nederlandse autoriteiten blijken, vooral de intenties van verzoekster weer, maar tonen zij geen werkelijke activiteit of het begin van een dergelijke activiteit aan in de hier aan de orde zijnde dakfondssector. Voor zover die contacten wijzen op een begin van samenwerking tussen verzoekster en die autoriteiten, volstaat de vaststelling dat verzoekster geen bewijsmateriaal heeft overgelegd waaruit blijkt hoe die samenwerking zich eventueel verder heeft ontwikkeld.
47 Evenmin heeft verzoekster aangetoond dat zij moeilijkheden had ondervonden om particuliere investeerders aan te trekken en toegang te krijgen tot bepaalde private-equityfondsen, en ook niet dat het feit dat zij geen toegang zou hebben gehad, voor zover dat daadwerkelijk zo was, voortvloeide uit de toekenning van de beweerde steun. Hooguit beschrijft verzoekster in de repliek de situatie van verschillende marktdeelnemers op de Nederlandse markt, maar voert zij geen enkel concreet bewijs aan dat verband houdt met haar eigen situatie.
48 Ten slotte heeft verzoekster niet aangetoond in hoeverre de verliezen die zij stelt sedert 2016 te hebben geleden, het gevolg waren van de toekenning van de beweerde steun aan DVI.
49 Bovendien kan het Gerecht het bestaan van die verliezen niet verifiëren en niet kennisnemen van de redenen die dienaangaande voortvloeien uit de relevante jaarrekeningen, aangezien verzoekster alleen haar jaarrekening van 2014 heeft overgelegd. Meer in het algemeen heeft verzoekster het Gerecht geen cijfermateriaal overgelegd op basis waarvan de eventuele marginale of wezenlijke economische gevolgen konden worden gekwantificeerd die de toekenning van de beweerde steun voor haar situatie zou hebben gehad.
50 Tot slot moet tevens het door verzoekster in de repliek aangevoerde argument worden verworpen dat zij ook in een concurrentieverhouding staat tot het „EIF dan wel private-equityfondsen die in [mkb-bedrijven] investeren”. Zowel in het verzoekschrift als in de repliek stelt verzoekster immers dat zij met DVI concurreert, zonder dat er wordt verwezen naar een concurrentieverhouding met die andere marktdeelnemers. Aldus stelt verzoekster zich met name in punt 19 van de repliek en in de subtitel na dat punt uitsluitend voor als „concurrent van DVI”. De stelling van een beweerde concurrentieverhouding met het EIF dan wel met andere fondsen wordt daarentegen pas in de punten 21 en 25 van de repliek aangevoerd. Ten slotte volstaat het, ongeacht het vage karakter van die stelling – met name wegens het gebruik van de voegwoordelijke uitdrukking „dan wel” –, om op te merken dat die stelling door geen enkel concreet argument of bewijs wordt gestaafd.
51 In het licht van het voorgaande heeft verzoekster niet rechtens genoegzaam aangetoond dat de toekenning van de beweerde steun haar situatie concreet heeft kunnen beïnvloeden.
52 Bijgevolg kan zij, aangezien zij geen belanghebbende is in de zin van artikel 108, lid 2, VWEU, niet in aanmerking komen voor de procedurele waarborg waarin die bepaling voorziet en die met name ten uitvoer is gelegd in artikel 1, onder h), artikel 6, en artikel 24, lid 1, van verordening 2015/1589, zodat zij niet kan opkomen tegen het besluit van de Commissie om de formele onderzoeksprocedure niet in te leiden.
Ontvankelijkheid van het beroep voor zover daarmee rechtstreeks wordt opgekomen tegen de gegrondheid van de toetsing van de betrokken maatregelen aan artikel 107 VWEU
53 Overeenkomstig de in punt 26 hierboven aangehaalde rechtspraak moet de verzoekende partij, indien zij de gegrondheid van het besluit waarbij de steun wordt beoordeeld als zodanig betwist, aantonen dat zij procesbevoegdheid bezit in de zin van artikel 263, vierde alinea, eerste en tweede zinsnede, VWEU en met name dat zij een bijzondere hoedanigheid heeft in de zin van het arrest van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie (25/62, EU:C:1963:17).
54 Verzoekster heeft echter noch in het verzoekschrift, noch in de repliek enig concreet argument aangevoerd waaruit blijkt dat het bestreden besluit haar treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke haar ten opzichte van ieder ander karakteriseert. In het bijzonder heeft verzoekster niet aangetoond dat de toekenning van de beweerde steun haar marktpositie wezenlijk heeft aangetast (zie in die zin arrest van 13 december 2005, Commissie/Aktionsgemeinschaft Recht und Eigentum, C‑78/03 P, punt 37 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Zoals in punt 49 hierboven is opgemerkt, heeft verzoekster het Gerecht immers geen cijfermateriaal overgelegd op basis waarvan de eventuele marginale of wezenlijke economische gevolgen konden worden gekwantificeerd die de toekenning van de beweerde steun voor haar situatie zou hebben gehad.
55 Gelet op het voorgaande heeft verzoekster niet aangetoond dat zij door het bestreden besluit individueel wordt geraakt.
56 Gelet op een en ander is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
Derde vordering
57 Met de derde vordering verzoekt verzoekster het Gerecht in essentie dat het de Commissie gelast de formele onderzoeksprocedure in te leiden. In dit verband volstaat het in herinnering te brengen dat de Unierechter bij een op artikel 263 VWEU gebaseerd beroep tot nietigverklaring enkel bevoegd is om de rechtmatigheid van de bestreden handeling te toetsen, en dat het Gerecht volgens vaste rechtspraak bij de uitoefening van zijn bevoegdheden geen bevelen tot de instellingen van de Unie kan richten (zie arrest van 24 oktober 2019, CdT/EUIPO, T‑417/18, EU:T:2019:766, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Bijgevolg moet de derde vordering worden afgewezen wegens onbevoegdheid van het Gerecht om deze te behandelen.
Kosten
58 Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dit is gevorderd. Volgens artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten.
59 Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de Commissie te worden verwezen in de kosten. Het Koninkrijk der Nederlanden draagt zijn eigen kosten.
HET GERECHT (Achtste kamer),
beschikt:
1) Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2) MKB Multifunds BV draagt haar eigen kosten en die van de Europese Commissie.
3) Het Koninkrijk der Nederlanden draagt zijn eigen kosten.
Luxemburg, 6 september 2021.
|
De griffier |
De president |
|
E. Coulon |
J. Svenningsen |
* Procestaal: Nederlands.