ARREST VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)

8 februari 2023 ( *1 )

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 13 juli 2023]

„Staatssteun – Luchtvaartsector – Maatregelen die Roemenië ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van de luchthaven van Timișoara – Maatregelen die de luchthaven van Timișoara ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Wizz Air en luchtvaartmaatschappijen die van die luchthaven gebruikmaken – Besluit waarbij wordt vastgesteld dat er tot op zekere hoogte geen sprake is van staatssteun ten gunste van de luchthaven van Timișoara en de luchtvaartmaatschappijen die van die luchthaven gebruikmaken – Luchthavengelden – Beroep tot nietigverklaring – Regelgevingshandeling – Individuele geraaktheid – Wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie – Rechtstreekse geraaktheid – Procesbelang – Ontvankelijkheid – Artikel 107, lid 1, VWEU – Selectiviteit – Voordeel – Criterium van de particuliere marktdeelnemer”

In zaak T‑522/20,

Carpatair SA, gevestigd te Timișoara (Roemenië), vertegenwoordigd door J. Rivas Andrés en A. Manzaneque Valverde, advocaten,

verzoekende partij,

tegen

Europese Commissie, vertegenwoordigd door F. Tomat en C. Georgieva als gemachtigden,

verwerende partij,

ondersteund door

Wizz Air Hungary Légiközlekedési Zrt. (Wizz Air Hungary Zrt.), gevestigd te Boedapest (Hongarije), vertegenwoordigd door E. Vahida, S. Rating en I.‑G. Metaxas-Maranghidis, advocaten,

en door

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 13 juli 2023] Societatea Națională „Aeroportul Internațional TimișoaraTraian Vuia” SA (AITTV), gevestigd te Ghiroda (Roemenië), vertegenwoordigd door V. Power en R. Hourihan, solicitors,

interveniërende partijen,

wijst

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

ten tijde van de beraadslaging samengesteld als volgt: S. Papasavvas, president, J. Svenningsen, M. Jaeger, C. Mac Eochaidh en T. Pynnä (rapporteur), rechters,

griffier: P. Cullen, administrateur,

gezien de stukken,

na de terechtzitting op 12 september 2022,

het navolgende

Arrest

1

Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Carpatair SA, nietigverklaring van besluit (EU) 2021/1428 van de Commissie van 24 februari 2020 betreffende de steunmaatregel SA.31662 – C/2011 (ex NN/2011) ten uitvoer gelegd door Roemenië ten gunste van de internationale luchthaven van Timișoara – Wizz Air (PB 2021, L 308, blz. 1; hierna: „bestreden besluit”), voor zover daarin is vastgesteld dat bepaalde maatregelen geen staatsteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormen.

Voorgeschiedenis van het geding

2

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 13 juli 2023] De internationale luchthaven van Timișoara (hierna: „luchthaven”) ligt in het westen van Roemenië, op 50 km (km) van de luchthaven van Arad (Roemenië), die zeer weinig verkeer genereert. De luchthaven wordt geëxploiteerd door tweede interveniënte, Societatea Națională „Aeroportul Internațional Timișoara – Traian Vuia” SA (AITTV), een vennootschap op aandelen waarin de Roemeense Staat 80 % van de aandelen houdt.

3

Verzoekster, Carpatair SA, is een regionale Roemeense luchtvaartmaatschappij. In 2000 heeft zij op de luchthaven haar hub opgezet om van daaruit hub-and-spokediensten te verlenen. Van 2007 tot en met 2009 waren de activiteiten van de luchthaven gericht op de activiteiten van verzoekster, die een volledig dienstenpakket aanbood en zo’n 32 binnenlandse en Europese bestemmingen aandeed.

4

Met het oog op de verwachte verkeerstoename als gevolg van de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie in 2007 en om te voldoen aan de beveiligingsvoorwaarden voor toetreding tot het Schengengebied, heeft AITTV van de Roemeense Staat steun ontvangen voor de bouw van een terminal voor niet-Schengenvluchten en voor beveiligingsapparatuur.

5

Voorts heeft AITTV, in het kader van een strategie om lagekostenmaatschappijen aan te trekken en de algemene winstgevendheid van de luchthaven te verbeteren, in 2008 met eerste interveniënte, Wizz Air Hungary Légiközlekedési Zrt. (Wizz Air Hungary Zrt.) (hierna: „Wizz Air”), een Hongaarse lagekostenmaatschappij, overeenkomsten ondertekend waarin de beginselen van hun samenwerking alsook de algemene voorwaarden voor het gebruik van de luchthaveninfrastructuur en -diensten door Wizz Air zijn vastgesteld (hierna: „overeenkomsten van 2008”). Twee van deze overeenkomsten zijn op 25 juni 2010 gewijzigd door een nieuwe kortingsregeling tussen Wizz Air en AITTV, die de periode tot en met 6 februari 2011 bestreek (hierna: „wijzigingsovereenkomsten van 2010”). Wizz Air is in oktober 2008 met vluchten vanaf de luchthaven gestart.

6

Op 30 september 2010 heeft verzoekster bij de Europese Commissie een klacht ingediend over vermeend onrechtmatige staatssteun van de Roemeense autoriteiten aan de luchthaven ten gunste van Wizz Air.

7

Op 24 mei 2011 heeft de Commissie Roemenië in kennis gesteld van haar besluit om de in artikel 108, lid 2, VWEU vermelde formele onderzoeksprocedure in te leiden (hierna: „inleidingsbesluit”) met betrekking tot de in 2007, 2008 en 2009 aan AITTV toegekende jaarlijkse exploitatiesteun, de overeenkomstig de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 toegekende kortingen op luchthavengelden, de overeenkomsten van 2008 en het uitstel van betaling van de luchthavengelden die Wizz Air over de periode oktober 2009 tot en met februari 2010 in rekening waren gebracht. Bij de bekendmaking van dit besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie op 13 september 2011 (PB 2011, C 270, blz. 11) heeft de Commissie de belanghebbenden uitgenodigd om hun opmerkingen over die maatregel in te dienen.

8

In het inleidingsbesluit heeft de Commissie zich vooralsnog op het standpunt gesteld dat niet kon worden uitgesloten dat de in de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 alsmede in de overeenkomsten van 2008 vermelde kortingen met de interne markt onverenigbare staatssteun inhielden.

9

De Roemeense autoriteiten en belanghebbenden, waaronder AITTV, verzoekster en Wizz Air, hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. De Commissie heeft de opmerkingen van de belanghebbenden doorgestuurd naar de Roemeense autoriteiten, die op hun beurt in de gelegenheid zijn gesteld hierover opmerkingen in te dienen.

10

Bij brieven die zijn verzonden in de periode van 2011 tot en met 2018 heeft de Commissie de Roemeense autoriteiten om aanvullende inlichtingen verzocht, die door hen zijn verstrekt.

11

Bij brieven die zijn verzonden in de periode van 2011 tot en met 2018 heeft verzoekster aanvullende inlichtingen verstrekt.

12

Bij brieven die zijn verzonden in 2011 en 2016 heeft AITTV aanvullende inlichtingen verstrekt.

13

Op 14 maart 2014 heeft de Commissie de Roemeense autoriteiten en belanghebbenden in kennis gesteld van de vaststelling van de richtsnoeren voor staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen (PB 2014, C 99, blz. 3; hierna: „richtsnoeren van 2014”) en hen uitgenodigd hun opmerkingen in te dienen. De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van verzoekster, Wizz Air en AITTV.

14

Op 11 februari en 3 juli 2015 heeft Wizz Air aanvullende inlichtingen verstrekt.

15

Met ingang van 2014 heeft verzoekster haar activiteiten op de luchthaven gestaakt en een gerechtelijke reorganisatie ondergaan. Haar belangrijkste basis is nu de luchthaven van Arad, van waaruit zij onder meer chartervluchten aanbiedt. Zij biedt geen lijnvluchten meer aan.

16

Op 24 februari 2020 heeft de Commissie het bestreden besluit vastgesteld.

Bestreden besluit

17

In het bestreden besluit heeft de Commissie in de eerste plaats onderzocht of er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, wat betreft ten eerste de van 2007 tot en met 2009 aan AITTV toegekende jaarlijkse steun (zie de overwegingen 38, 39 en 171‑235 van het bestreden besluit), ten tweede de in de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 gepubliceerde luchthavengelden (zie de overwegingen 40‑49 en 267‑299 van het bestreden besluit), ten derde de overeenkomsten van 2008 en de wijzigingsovereenkomsten van 2010 (hierna: „derde maatregel”) (zie de overwegingen 50‑76 en 300‑440 van het bestreden besluit) en ten vierde het uitstel van betaling van de van oktober 2009 tot en met februari 2010 aan Wizz Air in rekening gebrachte luchthavengelden (zie de overwegingen 77, 78 en 441‑443 van het bestreden besluit). In de tweede plaats heeft de Commissie, na te hebben vastgesteld dat bepaalde aan AITTV toegekende financiering staatssteun vormde, onderzocht of die financiering verenigbaar was met de interne markt (zie de overwegingen 236‑266 van het bestreden besluit).

18

Wat betreft de luchthavengelden die zijn vermeld in de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 heeft de Commissie vastgesteld dat het basistarief en de kortingen op deze gelden waarin deze luchtvaartgidsen voorzien niet selectief waren, aangezien zij op niet-discriminerende wijze van toepassing waren. De Commissie heeft bijgevolg geconcludeerd dat deze maatregel geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vormde.

19

Met betrekking tot de derde maatregel heeft de Commissie opgemerkt dat het te verwachten was dat deze incrementeel winstgevend zou zijn voor AITTV. De Commissie heeft dan ook gemeend dat een voorzichtige marktdeelnemer handelend in een markteconomie dergelijke overeenkomsten zou hebben aangegaan. Bovendien zou deze maatregel deel uitmaken van een algemene strategie en langetermijninspanning om de luchthaven algemeen winstgevend te maken. De Commissie heeft daarom geconcludeerd dat deze overeenkomsten voor Wizz Air geen economisch voordeel hebben opgeleverd dat deze onder normale marktomstandigheden niet zou hebben verkregen en dat zij geen staatssteun vormden.

20

Het dispositief van het bestreden besluit luidt als volgt:

„Artikel 1

1.   De overheidsfinanciering die Roemenië in de periode 2007‑2009 aan [AITTV] heeft verleend voor de inrichting van de terminal voor niet-Schengenvluchten, de verbetering van de taxibaan en de uitbreiding van het platform en de verlichtingsapparatuur ten bedrage van 29194600 [Roemeense leu (RON)], vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, [VWEU]. Deze steun is ten uitvoer gelegd in strijd met artikel 108, lid 3, [VWEU].

2.   De staatssteun waarvan sprake in lid 1 is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), [VWEU].

Artikel 2

De overheidsfinanciering voor de toegangsweg en de aanleg van het parkeerterrein in 2007 en voor de beveiligingsapparatuur in 2008, de luchthavengelden in de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 en de overeenkomsten van 2008 met Wizz Air (met inbegrip van de wijzigingsovereenkomsten van 2010) vormen geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, [VWEU].

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot Roemenië.”

Conclusies van partijen

21

Verzoekster verzoekt het Gerecht om:

het bestreden besluit nietig te verklaren voor zover daarin niet wordt vastgesteld dat de luchtvaartgids 2010 (hierna: „tweede maatregel”) en de derde maatregel (hierna samen: „litigieuze maatregelen”) onrechtmatige en met de interne markt onverenigbare staatssteun aan Wizz Air vormen;

de Commissie te verwijzen in de kosten.

22

De Commissie, daarin ondersteund door interveniëntes, verzoekt het Gerecht om:

het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

subsidiair, het beroep ongegrond te verklaren;

verzoekster te verwijzen in de kosten.

In rechte

Ontvankelijkheid

23

Zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op te werpen krachtens artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, betoogt de Commissie, daarin ondersteund door AITTV, dat het beroep niet-ontvankelijk is op grond dat verzoekster ten eerste geen procesbevoegdheid heeft om nietigverklaring van het bestreden besluit te vorderen en ten tweede geen reëel en actueel belang heeft bij die nietigverklaring.

24

Verzoekster betwist deze argumenten van de Commissie.

Procesbelang

25

De Commissie meent dat verzoekster geen actueel en rechtstreeks belang heeft bij de nietigverklaring van het bestreden besluit. De litigieuze maatregelen zouden geen nadelige gevolgen hebben voor verzoeksters huidige luchtvervoerdiensten, die van een andere aard zijn dan de diensten die Wizz Air tijdens de door het onderzoek van de Commissie bestreken jaren verrichtte (en ook nu nog verricht). De bewering van verzoekster dat zij voornemens is om haar activiteiten op de luchthaven te hervatten, wordt niet alleen niet gestaafd door enig bewijs, maar kan ook niet aantonen dat zij een procesbelang heeft.

26

Bovendien zal het onderhavige beroep verzoekster waarschijnlijk niet rechtstreeks ten goede komen. Volgens de Commissie heeft het welslagen van dit beroep namelijk geen invloed op het beroep wegens aansprakelijkheid en het beroep tot terugvordering die verzoekster bij de Roemeense rechter heeft ingesteld. Indien de rechterlijke instanties van de Unie het bestreden besluit nietig verklaren wat de litigieuze maatregelen betreft, moet de Commissie deze maatregelen en met name de verenigbaarheid ervan met de interne markt opnieuw onderzoeken. Aangezien de Commissie exclusief bevoegd is om de verenigbaarheid van steunmaatregelen te beoordelen, kan geen enkele nationale rechter autonoom vaststellen dat een maatregel onverenigbaar is met de interne markt en de terugvordering van de steun gelasten.

27

Volgens vaste rechtspraak is een door een natuurlijke of rechtspersoon ingesteld beroep tot nietigverklaring slechts ontvankelijk indien deze persoon belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden handeling. Een dergelijk belang veronderstelt dat de nietigverklaring van die handeling op zichzelf rechtsgevolgen kan teweegbrengen en dat de uitslag van het beroep de verzoeker dus een voordeel kan opleveren (zie arrest van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

28

Verder moet het belang bij het instellen van een beroep tot nietigverklaring reëel en actueel zijn, en worden beoordeeld naar de dag waarop het beroep is ingesteld (zie arrest van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie, C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

29

Tevens zij eraan herinnerd dat een partij in beginsel haar belang om een beroep tot nietigverklaring in te stellen behoudt, wanneer dat beroep als grondslag kan dienen voor een eventueel beroep wegens aansprakelijkheid (zie arrest van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie, C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

30

De mogelijkheid om een schadevordering in te stellen vormt reeds een voldoende grondslag voor een dergelijk procesbelang, mits het niet om een hypothetisch belang gaat (zie arrest van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie, C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

31

Bovendien kan het procesbelang voortvloeien uit elke bij een nationale rechterlijke instantie ingestelde vordering in het kader waarvan de mogelijke nietigverklaring van de bestreden handeling door de Unierechter de verzoeker een voordeel kan verschaffen (zie arrest van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie, C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 44 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

32

Het staat niet aan de Unierechter om bij het onderzoek naar het belang om voor hem in rechte op te treden de waarschijnlijkheid te beoordelen dat een overeenkomstig het nationale recht bij de nationale rechter ingestelde vordering gegrond is en om aldus zijn oordeel dienaangaande in de plaats te stellen van dat van de nationale rechter. Het is daarentegen noodzakelijk maar voldoende dat het bij de Unierechter ingestelde beroep tot nietigverklaring de partij die het heeft ingesteld een voordeel kan opleveren (zie arrest van 7 november 2018, BPC Lux 2 e.a./Commissie, C‑544/17 P, EU:C:2018:880, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

In de onderhavige zaak heeft verzoekster op 28 januari 2016 bij de Tribunal București (rechter in eerste aanleg Boekarest, Roemenië) een beroep wegens aansprakelijkheid ingesteld tegen AITTV, de Roemeense autoriteiten en Wizz Air, betreffende de verlening van staatssteun aan Wizz Air door middel van onder meer de litigieuze maatregelen. Dit beroep heeft geleid tot beslissingen van de Tribunal București en de Curte de Apel București (rechter in tweede aanleg Boekarest, Roemenië). Het cassatieberoep van verzoekster tegen de beslissing van laatstgenoemde rechter is aanhangig bij de Înaltă Curte de Casație și Justiție (hoogste rechterlijke instantie, Roemenië).

34

Na het vonnis van de Tribunal Timiș (rechter in eerste aanleg Timiș, Roemenië) van 30 augustus 2011, waarbij de in punt 7.3 van de tweede maatregel bedoelde korting als onrechtmatige staatssteun is aangemerkt en dat op 14 november 2012 door de Curte de Apel Pitești (rechter in tweede aanleg Pitești, Roemenië) is bevestigd, heeft verzoekster in 2015 tevens een beroep tot terugvordering van de betrokken steun ingesteld. Dit beroep is momenteel aanhangig bij de Curte de Apel Alba Iulia (rechter in tweede aanleg Alba Iulia, Roemenië), die op 21 december 2020 heeft besloten de behandeling van de zaak te schorsen totdat in de onderhavige zaak een definitieve uitspraak is gedaan.

35

Derhalve kan niet worden uitgesloten dat een eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit de uitkomst van het bij de Roemeense rechter aanhangige geding beïnvloedt.

36

Bovendien heeft de Commissie verzoekster, wat betreft een tweede door haar ingediende klacht, op 1 juli 2020 laten weten dat zij niet voornemens was om in die tweede zaak een formele onderzoeksprocedure in te leiden op grond dat de betrokken maatregelen vergelijkbaar zijn met die welke in het bestreden besluit worden onderzocht. Verzoekster voert overigens aan dat het voorlopig onderzoek van deze tweede klacht door de Commissie nog loopt.

37

De eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit kan derhalve leiden tot de inleiding van de formele onderzoeksprocedure in het kader van deze tweede zaak, waarbij verzoekster in beginsel de mogelijkheid heeft om haar procedurele rechten uit te oefenen door opmerkingen in te dienen.

38

Derhalve heeft verzoekster rechtens genoegzaam aangetoond dat de eventuele nietigverklaring van het bestreden besluit haar ten goede kan komen. Zij heeft dus belang bij de nietigverklaring van dit besluit.

Procesbevoegdheid

39

De Commissie betoogt dat verzoekster niet heeft aangetoond door het bestreden besluit individueel te zijn geraakt.

40

In de eerste plaats heeft verzoekster haar activiteiten op de luchthaven met ingang van 2014 gestaakt en is haar belangrijkste basis nu de luchthaven van Arad. Ook heeft zij haar bedrijfsmodel veranderd en biedt zij nu chartervluchten aan. Verzoekster heeft geen specifieke informatie verstrekt over de concurrentieverhouding die tussen haar en Wizz Air bestond ten tijde van de instelling van het beroep.

41

In de tweede plaats was verzoekster ten tijde van de feiten slechts een van de vele concurrenten van Wizz Air op de luchthaven en was zij slechts voor een zeer beperkt aantal bestemmingen een rechtstreekse concurrent van haar. Twee andere luchtvaartmaatschappijen, Blue Air en Malev, waren ook rechtstreekse concurrenten van Wizz Air op de markt voor lijnvluchten voor passagiers van en naar de luchthaven.

42

In de derde plaats heeft verzoekster geen informatie verstrekt over de omvang van de relevante markten, over haar eigen marktaandelen, die van Wizz Air en die van andere potentiële concurrenten op die markten, of over de ontwikkeling van die marktaandelen na de vaststelling van de litigieuze maatregelen. Zij heeft geen enkel bewijs geleverd dat de vermindering van haar activiteiten op bepaalde routes, de verslechtering van haar financiële situatie en de verplaatsing van haar activiteiten in 2013, of het marktaandeel dat Wizz Air op de betrokken markten zou hebben verworven, het gevolg zijn van de litigieuze maatregelen. Verzoekster heeft met name noch het verslag van de bewindvoerder, noch de beslissingen van de nationale rechterlijke instanties waarnaar zij verwijst, overgelegd. Bovendien kunnen haar financiële moeilijkheden worden verklaard door andere factoren, zoals het gebruik van vliegtuigen met een lage capaciteit, het gebruik van een hub-and-spokenetwerk en de financiële crisis.

43

Wizz Air betoogt ook dat de moeilijkheden van verzoekster niet zijn veroorzaakt door de steun die aan Wizz Air zou zijn verleend, maar door het feit dat verzoekster in de onderzochte jaren een verouderd bedrijfsmodel hanteerde, zoals door de bewindvoerder in het reorganisatieplan is benadrukt. Bovendien genoot verzoekster zelf voordelen op de luchthaven als gevolg van de tweede maatregel, zodat er geen causaal verband tussen de gestelde steun aan Wizz Air en de verslechtering van de marktpositie van verzoekster, die geen enkel voordeel zou hebben genoten, kan worden vastgesteld.

44

In haar antwoorden op de vragen van het Gerecht van 11 maart 2022 heeft de Commissie met betrekking tot de aard van de litigieuze maatregelen betoogd dat deze afzonderlijk moesten worden onderzocht, ook wat de ontvankelijkheid betreft. Evenzo betoogt Wizz Air in haar antwoorden op dezelfde vragen dat het deel van het bestreden besluit dat aan de derde maatregel is gewijd, een individuele maatregel is, terwijl het deel van het bestreden besluit dat aan de tweede maatregel is gewijd, een regelgevingshandeling is. Bijgevolg moet de procesbevoegdheid ten aanzien van dit deel van het bestreden besluit worden beoordeeld in het licht van artikel 263, vierde alinea, derde zinsnede, VWEU, dat betrekking heeft op regelgevingshandelingen.

45

In dit verband voert de Commissie evenwel aan dat verzoekster, zelfs indien het bestreden besluit, wat de tweede maatregel betreft, als een regelgevingshandeling zonder uitvoeringsmaatregelen zou worden beschouwd, toch rechtstreeks door deze maatregel moet worden geraakt, hetgeen niet het geval is. Evenzo betoogt Wizz Air dat verzoekster met betrekking tot het deel van het bestreden besluit dat ziet op de tweede maatregel, enkel procesbevoegd kan zijn indien zij rechtstreeks wordt geraakt, hetgeen niet het geval is omdat de tweede maatregel niet van toepassing was op Wizz Air. De luchthavengelden voor Wizz Air vielen namelijk onder de derde maatregel.

46

In haar antwoorden op dezelfde vragen stelt de Commissie met betrekking tot het arrest van 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie (C‑453/19 P, EU:C:2021:608), dat dit arrest alleen relevant is wat betreft de derde maatregel. Zowel de Commissie als Wizz Air betoogt dat de bijdrage van dit arrest wat betreft het begrip „afbakening van de markt” in de onderhavige zaak niet relevant is en niet tot de conclusie leidt dat het beroep ontvankelijk is, aangezien er hoe dan ook sprake moet zijn van een causaal verband tussen de gestelde steun en de gevolgen voor de marktpositie van verzoekster. In casu ontbreekt een dergelijk causaal verband echter. Zo heeft verzoekster volgens de Commissie de route Timișoara-Frankfurt (Duitsland) stopgezet omdat er geen slots beschikbaar waren op de luchthaven van Frankfurt, en niet ten gevolge van de derde maatregel.

47

Vooraf zij eraan herinnerd dat de ontvankelijkheid van een beroep dat wordt ingesteld door een natuurlijke of rechtspersoon tegen een handeling die niet aan hem is gericht, overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU afhankelijk is van de voorwaarde dat hij procesbevoegdheid heeft, wat in twee situaties het geval is. Ten eerste kan hij een dergelijk beroep instellen indien deze handeling hem rechtstreeks en individueel raakt. Ten tweede kan hij beroep instellen tegen een regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengt, indien deze hem rechtstreeks raakt (zie in die zin arresten van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punten 59 en 91, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 31).

– Overwegingen vooraf over de aard van de litigieuze maatregelen

48

In artikel 1, onder d), van verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 [VWEU] (PB 2015, L 248, blz. 9) wordt het begrip „steunregeling” gedefinieerd als „elke regeling op grond waarvan aan ondernemingen die in de regeling op algemene en abstracte wijze zijn omschreven, individuele steun kan worden toegekend zonder dat hiervoor nog uitvoeringsmaatregelen vereist zijn, alsmede elke regeling op grond waarvan steun die niet gebonden is aan een specifiek project voor onbepaalde tijd en/of voor een onbepaald bedrag aan een of meer ondernemingen kan worden toegekend”.

49

Volgens vaste rechtspraak heeft een besluit van de Commissie waarbij een „steunregeling” wordt goedgekeurd of verboden, een algemene strekking en kan dit dus worden aangemerkt als een „regelgevingshandeling” in de zin van artikel 263, vierde alinea, derde zinsnede, VWEU (zie arrest van 20 januari 2022, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑594/19 P, EU:C:2022:40, punt 50 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

50

In casu komt uit punt 21 hierboven naar voren dat het beroep betrekking heeft op de litigieuze maatregelen.

51

Wat de tweede maatregel betreft, was volgens overweging 290 van het bestreden besluit het stelsel van luchthavengelden waarin die maatregel voorzag van toepassing op alle luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaakten van de luchthaven. Deze worden in de tweede maatregel niet genoemd.

52

Hieruit volgt dat het in de tweede maatregel vervatte stelsel van luchthavengelden van toepassing was op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen sorteerde ten aanzien van algemeen en abstract omschreven categorieën personen, zodat dit stelsel, gesteld dat het staatssteun inhoudt, een steunregeling vormt. Bijgevolg heeft het deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op de tweede maatregel een algemene strekking en kan het dus worden aangemerkt als een regelgevingshandeling in de zin van artikel 263, vierde alinea, derde zinsnede, VWEU.

53

De overeenkomsten die de derde maatregel vormen, die eveneens in het beroep aan de orde wordt gesteld, waren daarentegen, zoals de Commissie in overweging 340 van het bestreden besluit heeft opgemerkt, individueel onderhandelde overeenkomsten die slechts voor de twee partijen bij die overeenkomsten golden. Derhalve moeten zij als individuele maatregelen worden beschouwd. Het deel van het bestreden besluit dat betrekking heeft op deze overeenkomsten vormt dus geen regelgevingshandeling in de zin van artikel 263, vierde alinea, derde zinsnede, VWEU, aangezien het geen handeling van algemene strekking is, waardoor het aan het Gerecht staat om na te gaan of verzoekster door dat deel van het bestreden besluit rechtstreeks en individueel werd geraakt in de zin van die bepaling (zie in die zin arrest van 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

– Individuele geraaktheid van verzoekster door de derde maatregel

54

Uit vaste rechtspraak komt naar voren dat degenen die niet de adressaat van een besluit zijn, slechts kunnen stellen individueel te worden geraakt indien dit besluit hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie die hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat (zie in die zin arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, blz. 223, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 33).

55

Indien de verzoekende partij de gegrondheid betwist van een steunbeoordelingsbesluit dat is vastgesteld op grond van artikel 108, lid 3, VWEU, of – zoals in casu – van een besluit dat aan het einde van de formele onderzoeksprocedure is vastgesteld, kan het enkele feit dat zij als „belanghebbende” in de zin van lid 2 van dat artikel kan worden beschouwd niet volstaan om het beroep ontvankelijk te verklaren. Zij moet dan een bijzondere status in de zin van de in punt 54 hierboven aangehaalde rechtspraak aantonen. Daarvan is met name sprake wanneer de positie van de verzoekende partij op de betrokken markt wezenlijk wordt aangetast door de steun waarop het betrokken besluit betrekking heeft (arresten van 17 september 2015, Mory e.a./Commissie, C‑33/14 P, EU:C:2015:609, punt 97, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 37).

56

Wat het door de verzoekende partij te leveren bewijs betreft dat haar marktpositie wezenlijk is aangetast, hoeft er geen definitieve uitspraak te worden gedaan over de concurrentieverhouding tussen die partij en de begunstigde ondernemingen, maar volstaat het dat zij afdoende aangeeft om welke redenen het besluit van de Commissie haar rechtmatige belangen kan schaden en haar positie op de betrokken markt wezenlijk kan beïnvloeden (zie in die zin arresten van 28 januari 1986, Cofaz e.a./Commissie, 169/84, EU:C:1986:42, punt 28, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 57).

57

De wezenlijke aantasting van de concurrentiepositie van de verzoekende partij op de betrokken markt blijkt niet uit een grondige analyse van de verschillende concurrentieverhoudingen op die markt waardoor nauwkeurig kan worden vastgesteld in hoeverre die concurrentiepositie is aangetast, maar blijkt in beginsel uit de prima-facievaststelling dat deze positie wezenlijk wordt aangetast door de toekenning van de maatregel waarop het besluit van de Commissie betrekking heeft (arrest van 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 58).

58

Daaruit volgt dat aan die voorwaarde kan zijn voldaan zodra de verzoekende partij aantoont dat de betrokken maatregel haar positie op de betrokken markt wezenlijk kán aantasten (zie in die zin arresten van 22 december 2008, British Aggregates/Commissie, C‑487/06 P, EU:C:2008:757, punt 38, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 59).

59

Het is niet zo dat het bewijs van een wezenlijke aantasting van de marktpositie van een concurrent uitsluitend kan worden geleverd aan de hand van bepaalde elementen die wijzen op een terugloop van de commerciële of financiële prestaties van de verzoekende partij, zoals een aanzienlijke daling van de omzet, niet te verwaarlozen financiële verliezen of een aanmerkelijke daling van het marktaandeel als gevolg van de toekenning van de desbetreffende steun. De toekenning van staatssteun kan de concurrentiepositie van een ondernemer ook op andere manieren aantasten, met name in de vorm van winstderving of een minder positieve ontwikkeling dan zonder de betrokken steun het geval zou zijn geweest (zie in die zin arresten van 22 november 2007, Spanje/Lenzing, C‑525/04 P, EU:C:2007:698, punten 34 en 35, en 15 juli 2021, Deutsche Lufthansa/Commissie, C‑453/19 P, EU:C:2021:608, punt 61).

60

In het licht van die beginselen moeten de gegevens worden onderzocht die verzoekster heeft verstrekt om aan te tonen dat zij door het bestreden besluit individueel wordt geraakt en met name dat de derde maatregel haar positie op de betrokken markt wezenlijk kan aantasten.

61

In casu moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat verzoekster een actieve rol heeft gespeeld in het verloop van de administratieve procedure. Zij heeft bij de Commissie een klacht ingediend en in het kader van de formele onderzoeksprocedure opmerkingen ingediend. Uit het bestreden besluit blijkt ook dat zij de Commissie herhaaldelijk inlichtingen heeft verstrekt.

62

Opgemerkt zij evenwel dat uit de enkele betrokkenheid van de verzoekende partij bij de administratieve procedure niet kan worden afgeleid dat zij door het bestreden besluit individueel wordt geraakt (zie in die zin arrest van 22 november 2007, Sniace/Commissie, C‑260/05 P, EU:C:2007:700, punt 60, en beschikking van 26 september 2016, Greenpeace Energy e.a./Commissie, T‑382/15, niet gepubliceerd, EU:T:2016:589, punt 39), ook al heeft zij, zoals in casu, een belangrijke rol in die administratieve procedure gespeeld, met name door de klacht in te dienen die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt (zie in die zin arrest van 9 juli 2009, 3F/Commissie, C‑319/07 P, EU:C:2009:435, punten 94 en 95).

63

In de tweede plaats heeft verzoekster informatie verstrekt over de markten waarop zij met Wizz Air concurreerde en waarop haar positie wezenlijk werd aangetast. Zo voerde zowel verzoekster als Wizz Air van oktober 2008, toen Wizz Air zich op de luchthaven vestigde, tot januari 2014, toen verzoekster haar activiteiten op de luchthaven staakte, vluchten vanaf de luchthaven uit.

64

Ten tijde van de vaststelling van het inleidingsbesluit in 2011 concurreerden verzoekster en Wizz Air meer bepaald op vijf routes van of naar de luchthaven, namelijk, wat Duitsland betreft, de route die Düsseldorf bedient (verzoekster bediende Düsseldorf en Wizz Air bediende Dortmund, steden die over de weg 70 km van elkaar verwijderd zijn) en, wat Italië betreft, de routes naar Venetië (verzoekster bediende Venetië en Wizz Air bediende Treviso, steden die over de weg 41 km van elkaar verwijderd zijn), Bergamo-Milaan, Bologna (verzoekster bediende Bologna en Wizz Air bediende Forli, steden die over de weg 73 km van elkaar verwijderd zijn) en Rome.

65

In het inleidingsbesluit had de Commissie de relevante productmarkt dus gedefinieerd als het stedenpaar in het luchtvervoer en had zij dicht bij elkaar gelegen luchthavens zoals Düsseldorf en Dortmund of Bologna en Forli impliciet als onderling verwisselbaar beschouwd, overeenkomstig haar besluitvormingspraktijk op het gebied van mededinging. Volgens deze marktdefinitie concurreerden verzoekster en Wizz Air dus op de volgende vijf markten: Düsseldorf/Timișoara, Venetië/Timișoara, Bergamo-Milaan/Timișoara, Bologna/Timișoara en Rome/Timișoara.

66

Verzoekster is bovendien van mening dat zij op vijf andere routes, afgebakend door een verzorgingsgebied van 200 km, indirect concurreerde met Wizz Air. Zij stelt dat Wizz Air, doordat deze Dortmund, Venetië, Bergamo-Milaan en Forli bediende, ook concurreerde met de routes die zijzelf bediende naar Frankfurt (Duitsland) (over de weg 222 km verwijderd van Dortmund), Verona (Italië) (over de weg 121 km verwijderd van Venetië), Turijn (Italië) (over de weg 185 km verwijderd van Bergamo), Florence (Italië) (over de weg 109 km vanaf Forli) en Ancona (Italië) (over de weg 166 km vanaf Forli).

67

In dit verband zij erop gewezen dat de steden Dortmund en Frankfurt meer dan 200 km over de weg van elkaar verwijderd zijn, zodat zij, zelfs indien de marktdefinitie van verzoekster van toepassing zou zijn, hoe dan ook niet tot dezelfde markt zouden behoren.

68

Wat de andere vier routes betreft, verduidelijkt verzoekster niet waarom het in casu relevante verzorgingsgebied (200 km) aanzienlijk groter is dan het gebied dat de Commissie traditioneel gebruikt in haar besluitvormingspraktijk op het gebied van mededinging (100 km). Bovendien bediende verzoekster zelf zowel Turijn als Bergamo, zowel Bergamo als Verona, zowel Verona als Venetië, en zowel Bologna als Florence, dat wil zeggen stedenparen die in hetzelfde verzorgingsgebied van 200 km liggen, hoewel zij betoogt dat deze bestemmingen onderling verwisselbaar zijn. Deze omstandigheid kan twijfel doen rijzen over de relevantie van de gestelde „indirecte concurrentie” tussen verzoekster en Wizz Air voor deze paren.

69

Derhalve moet worden vastgesteld dat verzoekster en Wizz Air op vijf routes (zoals genoemd in punt 65 hierboven) van of naar de luchthaven met elkaar concurreerden, aangezien verzoekster niet heeft aangetoond dat Wizz Air op vijf andere routes (zoals genoemd in punt 66 hierboven) ook indirect met haar concurreerde.

70

In de derde plaats is er bewijs dat de marktpositie van verzoekster wezenlijk is aangetast. In schriftelijke opmerkingen die zij op 7 juni en 8 augustus 2011 bij de Commissie heeft ingediend, heeft zij verklaard dat zij in 2010 een verlies van meer dan negen miljoen euro had geleden en dat zij haar bedrijfsmodel had herzien om haar exploitatieverliezen tot een minimum te beperken. De Commissie heeft in het inleidingsbesluit vastgesteld dat het aantal passagiers, alsmede de opbrengsten en inkomsten van verzoekster op de vijf routes waarop zij met Wizz Air concurreerde, van 2008 tot en met 2010 aanzienlijk waren gedaald. Met ingang van 2014 heeft verzoekster haar activiteiten op de luchthaven gestaakt en een gerechtelijke reorganisatie ondergaan.

71

In de vierde plaats blijkt uit de door verzoekster overgelegde bewijzen dat zij een bijzondere status had waardoor zij zich onderscheidde van de andere luchtvaartmaatschappijen die op de luchthaven aanwezig waren, in die zin dat de activiteit van de luchthaven was gericht op de activiteiten van verzoekster, die er in 2008 qua verkeer de belangrijkste exploitant was. In dat jaar genereerde verzoekster naar eigen zeggen 38 % van de inkomsten van AITTV. Omgekeerd was van 2000 tot en met 2013 meer dan 90 % van de omzet van verzoekster afkomstig van haar hub-and-spokediensten op de luchthaven.

72

Verzoekster had ook een bijzondere status omdat zij de enige maatschappij was die op vijf routes rechtstreeks met Wizz Air concurreerde. Slechts twee andere luchtvaartmaatschappijen die op de luchthaven actief waren, Blue Air en Malev, ondervonden ook rechtstreekse concurrentie van Wizz Air. Volgens verzoekster beperkte die concurrentie zich echter tot één bestemming voor elk van hen, namelijk respectievelijk Rome en Boedapest (Hongarije).

73

In de vijfde plaats heeft verzoekster aangetoond dat de derde maatregel een van de oorzaken was van de aantasting van haar concurrentiepositie.

74

Uit bijlage A.7 bij het verzoekschrift blijkt namelijk dat de netto-opbrengst van verzoekster op de vijf routes waarop zij direct met Wizz Air concurreerde tussen 2008 en 2010 met de helft is gedaald.

75

Wat Duitsland betreft, komt uit bijlage A.7 bij het verzoekschrift naar voren dat de netto-opbrengst van verzoekster op de route met Düsseldorf tussen 2008 en 2010 met 57 % is gedaald.

76

Wat Italië betreft, komt uit bijlage A.7 bij het verzoekschrift naar voren dat de netto-opbrengst van verzoekster op de door haar bediende routes naar Venetië, Bergamo-Milaan, Bologna en Rome tussen 2008 en 2010 met 52 % is gedaald.

77

Uit de opmerkingen die verzoekster op 7 juni 2011 bij de Commissie heeft ingediend blijkt voorts dat zij niet alleen klaagt dat zij passagiers heeft verloren aan Wizz Air, maar ook dat zij het verkeer van Alitalia en Alpi Eagles naar Noord-Italië niet heeft kunnen overnemen nadat deze luchtvaartmaatschappijen in 2008 van de luchthaven zijn vertrokken, omdat dit verkeer door Wizz Air is overgenomen.

78

De in de punten 75 tot en met 77 hierboven genoemde gegevens bewijzen niet alleen dat verzoeksters omzet is gedaald, maar ook dat zij winst heeft gederfd of een minder gunstige ontwikkeling heeft gekend dan zonder de derde maatregel het geval zou zijn geweest wat betreft de route naar Duitsland en de routes naar Italië die door haar werden bediend. Overeenkomstig de in punt 58 hierboven aangehaalde rechtspraak kunnen deze gegevens volstaan om aan te tonen dat de marktpositie van een concurrent aanzienlijk is aangetast.

79

Verzoekster heeft derhalve bewijs verstrekt over de markten waarop zij met Wizz Air concurreerde en waarop haar positie wezenlijk is aangetast. Zij heeft ook het bewijs geleverd van een wezenlijke aantasting van haar marktpositie in de vorm van slechtere prestaties of winstderving, en van haar bijzondere status onder de luchtvaartmaatschappijen die op de luchthaven actief waren. Ten slotte heeft zij aangetoond dat de derde maatregel een van de oorzaken van de aantasting van haar concurrentiepositie was.

80

Aan het bewijs dat verzoekster heeft geleverd om aan te tonen dat de derde maatregel haar concurrentiepositie op de betrokken markten wezenlijk kon aantasten, wordt niet afgedaan door het betoog van de Commissie dat, ten eerste, verzoekster geen informatie heeft verstrekt over de omvang van de betrokken markten of over haar eigen marktaandelen dan wel die van Wizz Air, noch enig bewijs heeft geleverd dat de achteruitgang van haar activiteit op bepaalde routes en de verslechtering van haar financiële situatie het gevolg waren van de litigieuze maatregelen en, ten tweede, andere factoren, waaronder het gebruik van een hub-and-spokemodel en de financiële crisis, haar financiële moeilijkheden hadden kunnen verklaren (zie punt 42 hierboven).

81

In dit verband zij eraan herinnerd dat uit de in punt 56 hierboven aangehaalde rechtspraak volgt dat, wat betreft het van de verzoekende partij verlangde bewijs dat haar marktpositie wezenlijk is aangetast, geen definitieve uitspraak hoeft te worden gedaan over de concurrentieverhouding tussen die verzoekende partij en de begunstigde ondernemingen, maar dat het volstaat dat die verzoekende partij afdoende aangeeft om welke redenen het besluit van de Commissie haar rechtmatige belangen kan schaden en haar positie op de betrokken markt wezenlijk kan beïnvloeden.

82

Van de verzoekende partij kan met name niet worden verlangd dat zij aantoont dat haar financiële moeilijkheden uitsluitend te wijten zijn aan de litigieuze maatregelen (zie in die zin arrest van 11 juli 2019, Air France/Commissie, T‑894/16, EU:T:2019:508, punt 65).

83

In casu is het weliswaar aannemelijk dat een combinatie van factoren kan hebben bijgedragen tot verzoeksters financiële moeilijkheden, maar in het licht van de bewijzen die verzoekster in het kader van het onderhavige beroep heeft overgelegd, blijft het een feit dat zij afdoende heeft aangetoond dat de derde maatregel haar concurrentiepositie op de betrokken markten wezenlijk kon aantasten.

84

Wat tot slot de argumenten van de Commissie betreft dat verzoekster sinds begin 2014 geen activiteiten meer op de luchthaven verricht, dat zij haar bedrijfsmodel heeft gewijzigd en dat zij geen specifieke informatie heeft verstrekt over haar concurrentieverhouding met Wizz Air op het moment dat zij het beroep heeft ingesteld (zie punt 40 hierboven), volstaat de constatering dat de beoordeling van de wezenlijke aantasting moet plaatsvinden in het licht van de situatie op het moment waarop de litigieuze maatregelen zijn vastgesteld en gevolgen konden hebben, zoals de Commissie overigens ter terechtzitting heeft erkend.

85

Derhalve moet worden vastgesteld dat de derde maatregel de concurrentiepositie van verzoekster op de betrokken markten wezenlijk kon aantasten.

86

Uit het voorgaande volgt dat verzoekster heeft aangetoond dat zij door het bestreden besluit individueel wordt geraakt wat betreft de derde maatregel.

– Rechtstreekse geraaktheid van verzoekster door de litigieuze maatregelen

87

Volgens vaste rechtspraak moet ter vervulling van de in artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks wordt geraakt door het besluit waartegen beroep is ingesteld, aan twee cumulatieve criteria zijn voldaan. Ten eerste moet de bestreden maatregel rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de particulier, en ten tweede mag hij aan degenen aan wie hij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de regelgeving van de Unie voortvloeit zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (zie arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 42 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

88

Wat meer bepaald de staatssteunregels betreft, dient te worden benadrukt dat deze tot doel hebben de mededinging veilig te stellen. Het feit dat een besluit van de Commissie de gevolgen van nationale maatregelen met betrekking waartoe een verzoekende partij in een bij deze instelling ingediende klacht stelt dat zij niet verenigbaar waren met die doelstelling en haar in een nadelige concurrentiepositie hebben gebracht, onverminderd laat voortbestaan leidt derhalve op dat gebied tot de conclusie dat dit besluit rechtstreeks gevolgen heeft voor haar rechtspositie, met name voor haar recht dat voortvloeit uit de bepalingen van het VWEU inzake staatssteun, om niet te worden blootgesteld aan mededinging die door de betrokken nationale maatregelen is vervalst (zie arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 43 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

89

Aangezien de voorwaarde inzake rechtstreekse geraaktheid vereist dat de bestreden handeling rechtstreeks gevolgen heeft voor de rechtspositie van de verzoekende partij, moet de Unierechter nagaan of die partij afdoende heeft uiteengezet waarom het besluit van de Commissie haar in een nadelige concurrentiepositie kan brengen en dus gevolgen kan hebben voor haar rechtspositie (arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 47).

90

Wat betreft het eerste van de twee in punt 87 hierboven genoemde criteria, komt in casu uit het dossier naar voren dat verzoekster soortgelijke activiteiten als Wizz Air verrichtte en actief was op dezelfde dienstenmarkt en dezelfde geografische markt als Wizz Air. Voor zover Wizz Air de vermeende begunstigde was van de in het bestreden besluit beoordeelde litigieuze maatregelen, moet worden aangenomen dat verzoekster afdoende heeft aangetoond dat het bestreden besluit haar in een nadelige concurrentiepositie kon brengen en bijgevolg rechtstreeks gevolgen had voor haar rechtspositie, met name voor haar recht om op deze markt geen door de litigieuze maatregelen verstoorde concurrentie te ondervinden.

91

Wat betreft het tweede van de twee in punt 87 hierboven genoemde criteria, moet worden aangenomen dat het bestreden besluit de gevolgen van zowel de tweede als de derde maatregel onverlet laat, doordat het zuiver automatisch wordt uitgevoerd en alleen uit de regelgeving van de Unie voortvloeit, zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen.

92

Hieruit volgt dat verzoekster rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit, zowel wat de tweede als wat de derde maatregel betreft.

93

Verzoekster is dus bevoegd om een beroep tot nietigverklaring van het bestreden besluit in te stellen.

94

Het beroep moet bijgevolg ontvankelijk worden geacht.

Ontvankelijkheid van de bijlagen

Ontvankelijkheid van de uittreksels uit het verslag van de bewindvoerder

95

Verzoekster heeft als bijlage bij haar opmerkingen over de memorie in interventie van AITTV uittreksels uit het verslag van de bewindvoerder overgelegd.

96

AITTV voert aan dat, aangezien verzoekster slechts uittreksels uit dat verslag heeft verstrekt, deze niet bruikbaar zijn. Zowel de Commissie als Wizz Air voert aan dat dit document niet-ontvankelijk is en uit het dossier moet worden verwijderd omdat het ten eerste in het Roemeens in plaats van de procestaal is opgesteld en niet van een vertaling vergezeld gaat, en ten tweede niet tijdig is ingediend.

97

In dit verband zij eraan herinnerd dat artikel 85, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat het bewijs en de bewijsaanbiedingen in het kader van de eerste memoriewisseling worden overgelegd. In de onderhavige zaak werd weliswaar reeds in het verzoekschrift verwezen naar het verslag van de bewindvoerder, maar heeft verzoekster geen geldige verklaring gegeven voor de niet-tijdige overlegging van de uittreksels uit dat verslag in antwoord op de memorie in interventie van AITTV.

98

De uittreksels uit het verslag van de bewindvoerder moeten derhalve als niet-ontvankelijk worden beschouwd.

Ontvankelijkheid van bijlage Q.2

99

In bijlage Q.2 bij haar antwoord op de vragen van het Gerecht van 19 juli 2022 heeft verzoekster facturen van AITTV aan Wizz Air overgelegd, die waren gedateerd tussen 30 november 2010 en 31 mei 2011, waaruit blijkt dat de kortingen (van 72 % tot 85 %) die voortvloeiden uit punt 7.3 van de tweede maatregel van toepassing waren op alle luchthavengelden, en niet alleen op de landingsrechten.

100

Ter terechtzitting heeft de Commissie de ontvankelijkheid van deze facturen betwist en verzocht om deze uit het dossier te verwijderen, omdat zij ten eerste in het Roemeens waren opgesteld en ten tweede niet tijdig waren overgelegd. Subsidiair heeft de Commissie verzocht om een Engelse vertaling van deze facturen in het dossier op te nemen.

101

In dit verband zij eraan herinnerd dat krachtens artikel 46, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering elk overgelegd of als bijlage opgenomen stuk dat in een andere taal dan de procestaal is opgesteld, vergezeld moet gaan van een vertaling in de procestaal. Lid 3 van dit artikel bepaalt evenwel dat in geval van omvangrijke stukken uittreksels in vertaling kunnen worden ingediend. Bovendien blijkt uit punt 99 van de praktische uitvoeringsbepalingen van het Reglement voor de procesvoering dat wanneer stukken die als bijlagen bij een processtuk zijn gevoegd niet vergezeld gaan van een vertaling in de procestaal, de griffier de betrokken partij verzoekt om een vertaling indien deze voor een goede procesgang noodzakelijk blijkt.

102

De vertaling van de bijgevoegde stukken in de procestaal vormt dus geen vereiste waaraan stelselmatig moet zijn voldaan. Bijgevolg kan het ontbreken van een vertaling er niet automatisch toe leiden dat die stukken niet-ontvankelijk zijn [zie in die zin arresten van 23 mei 2019, Steinhoff e.a./ECB, T‑107/17, EU:T:2019:353, punten 3538; 9 juni 2021, HIM/Commissie, T‑235/19, EU:T:2021:343, punten 8489 (niet gepubliceerd), en 6 oktober 2021, Allergan Holdings France/EUIPO – Dermavita Company (JUVEDERM), T‑397/20, niet gepubliceerd, EU:T:2021:653, punten 2426].

103

In casu heeft de Commissie ten eerste ter terechtzitting verklaard dat de betrokken facturen reeds tijdens de administratieve procedure deel uitmaakten van haar dossier. Ten tweede komt de taal waarin deze facturen zijn opgesteld overeen met de taal waarin de Commissie met de Roemeense autoriteiten communiceerde en met de authentieke taal waarin het inleidingsbesluit en het bestreden besluit zijn opgesteld, namelijk het Roemeens. Derhalve kan worden aangenomen dat de Commissie in staat was de inhoud van de betrokken facturen te begrijpen.

104

Hoe dan ook heeft verzoekster uit eigen beweging een vertaling van bijlage Q.2 in de procestaal overgelegd, waarbij zij aantekende dat een dergelijke vertaling niet vereist was, aangezien de bewijskracht van de betrokken facturen lag in de cijfers en percentages die zij bevatten en in gemakkelijk te begrijpen bewoordingen.

105

Bovendien zij erop gewezen dat de betrokken facturen, waarbij een korting wordt toegepast op alle diensten die door AITTV aan Wizz Air zijn verleend, door verzoekster zijn verstrekt om de omvang van de in punt 7.3 van de tweede maatregel bedoelde korting te illustreren. Deze omvang was het onderwerp van een van de vragen die het Gerecht op 19 juli 2022 aan partijen heeft gesteld op basis van artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering, krachtens welk artikel het Gerecht partijen vragen kan stellen ter verduidelijking van bepaalde aspecten van het geschil.

106

Bijlage Q.2 moet derhalve ontvankelijk worden verklaard en het verzoek van de Commissie om deze in te trekken, moet worden afgewezen.

Ten gronde

107

Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster vier middelen aan. Met haar eerste middel betoogt zij dat in het bestreden besluit het recht verkeerd is toegepast met betrekking tot het ontbreken van selectiviteit van de tweede maatregel. Met het tweede middel voert zij aan dat in het bestreden besluit blijk wordt gegeven van een kennelijke beoordelingsfout, onjuiste toepassing van het recht en een ontoereikende motivering, aangezien daarin op basis van een onjuiste toepassing van het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie wordt geconcludeerd dat de derde maatregel Wizz Air geen onrechtmatig voordeel heeft opgeleverd. Met haar derde middel betoogt verzoekster dat de Commissie blijk heeft gegeven van een kennelijke beoordelingsfout en niet heeft voldaan aan haar zorgplicht door met de litigieuze maatregelen prijsdiscriminatie tussen de luchtvaartmaatschappijen op de luchthaven toe te passen. Met haar vierde middel voert zij aan dat in het bestreden besluit blijk wordt gegeven van een onjuiste rechtstoepassing doordat geen rekening wordt gehouden met de staatssteun die door de derde maatregel aan Wizz Air is verleend in de vorm van een korting op de beveiligingsheffing.

Eerste middel: onjuiste toepassing van het recht wat betreft de selectiviteit van de tweede maatregel

108

Aangezien de luchtvaartgidsen 2007 en 2008 van vóór de komst van Wizz Air zijn, richt verzoekster zich met haar eerste middel enkel op de tweede maatregel.

109

Zij betoogt dat de in punt 7.3 van de tweede maatregel opgenomen nieuwe korting van maximaal 85 % op de luchthavengelden is bedoeld om een selectief voordeel toe te kennen aan Wizz Air, de enige luchtvaartmaatschappij op de luchthaven die vliegtuigen met een maximumstartgewicht (hierna: „MTOW”) van meer dan 70 ton gebruikt en waarmee meer dan 10000 passagiers per maand werden vervoerd.

110

In de eerste plaats stelt verzoekster dat het feit dat andere luchtvaartmaatschappijen van de betrokken kortingen profiteerden of hadden kunnen profiteren en dat de tweede maatregel van toepassing was op alle luchtvaartmaatschappijen die op de luchthaven actief waren, niet uitsluit dat de daarin opgenomen kortingen waren bedoeld om Wizz Air selectief te bevoordelen, hetgeen de Commissie niet heeft onderzocht.

111

In dit verband betoogt verzoekster dat in het bestreden besluit fouten zijn gemaakt bij de analyse van ten eerste de vraag of de tweede maatregel een onderscheid maakte tussen ondernemingen die zich in een vergelijkbare situatie bevonden en ten tweede de vraag of dit onderscheid kon worden gerechtvaardigd in het licht van de doelstellingen van het referentiestelsel. De in punt 7.3 van de tweede maatregel ingevoerde korting vormde namelijk een afwijking van de referentieregeling die discriminatie inhield tussen de luchtvaartmaatschappijen die van de luchthaven gebruikmaakten en zich in een vergelijkbare situatie bevonden.

112

Voorts was de hoogte van de kortingen (tussen 72 % en 85 %) economisch niet gerechtvaardigd, aangezien er geen aanwijzingen waren dat het gebruik van een groter vliegtuig tot een vermindering van meer dan 70 % van de kosten van de luchthaven zou leiden, zoals de Commissie in overweging 164 van het inleidingsbesluit heeft opgemerkt. Bovendien kon de luchthaveninfrastructuur ten tijde van de vaststelling van de tweede maatregel geen grote vliegtuigen aan. De overbelasting van de deklaag van de startbaan door de activiteiten van Wizz Air had zelfs tot hogere kosten voor de luchthaven geleid.

113

In de tweede plaats betoogt verzoekster dat de Commissie het selectieve karakter van de tweede maatregel, die feitelijk selectief is, onjuist heeft beoordeeld. Ten eerste was Wizz Air de enige luchtvaartmaatschappij die recht had op een dergelijke korting op de luchthavengelden en de enige die deze daadwerkelijk heeft gekregen, zoals de Commissie in de overwegingen 154 en 226 van het inleidingsbesluit heeft erkend. Volgens verzoekster had Tarom namelijk slechts één vliegtuig met een MTOW van meer dan 70 ton en kon zij niet meer dan 10000 passagiers per maand vervoeren (in 2009 bedroeg het gemiddelde aantal vertrekkende passagiers van Tarom 5480 per maand).

114

Ten tweede vormde de wijziging van de luchthavengelden door de tweede maatregel een poging van AITTV om andere kortingen die via de wijzigingsovereenkomsten van 2010 eveneens aan Wizz Air werden toegekend, legitiemer te maken.

115

De Commissie, ondersteund door AITTV, betoogt in de eerste plaats dat het aantal ondernemingen dat daadwerkelijk van de kortingen kon profiteren niet als een doorslaggevend element was beschouwd om tot de slotsom te komen dat de maatregel niet selectief was. Bovendien merkt zij op dat de tweede maatregel niet alleen voorzag in kortingen voor vliegtuigen met een MTOW van meer dan 70 ton, maar ook in andere kortingen, met name voor kleinere vliegtuigen zoals die welke door verzoekster werden geëxploiteerd.

116

De Commissie betoogt tevens dat het argument van verzoekster in haar memorie van repliek dat in het bestreden besluit fouten zijn gemaakt bij de analyse van de vraag of de tweede maatregel een onderscheid maakte tussen ondernemingen die zich in een vergelijkbare situatie bevonden en of dit onderscheid kon worden gerechtvaardigd in het licht van de doelstellingen van het referentiestelsel, een nieuw middel vormde en als zodanig niet-ontvankelijk was.

117

Hoe dan ook vormde de in punt 7.3 van de tweede maatregel opgenomen korting geen afwijking van het referentiestelsel, namelijk de luchtvaartgids in zijn geheel beschouwd. De economische rechtvaardiging voor bedoelde korting is uiteengezet in de overwegingen 101 en 102 van het bestreden besluit. Het besluit om het verkeer op de luchthaven te doen toenemen door de heffingen voor grote vliegtuigen te verlagen, was gebaseerd op de economische redenering dat de totale inkomsten hoger zouden zijn.

118

In de tweede plaats betoogt de Commissie dat de in het inleidingsbesluit bedoelde tweede maatregel alle bij de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 ingestelde kortingsregelingen omvatte. Het eerste middel is echter uitsluitend gericht tegen de in punt 7.3 van de tweede maatregel opgenomen korting, dat wil zeggen een andere maatregel dan die welke in het bestreden besluit is onderzocht, en is dus niet ter zake dienend.

119

Hoe dan ook was Wizz Air niet de enige luchtvaartmaatschappij die vliegtuigen met een MTOW van meer dan 70 ton exploiteerde. Dit gold tevens voor Tarom, die het gebruik van dergelijke vliegtuigen had kunnen opvoeren om in aanmerking te komen voor de in punt 7.3 van de tweede maatregel bedoelde korting. In dit verband betogen Wizz Air en AITTV dat de korting was bedoeld om andere lagekostenmaatschappijen te stimuleren om vliegtuigen met een MTOW van meer dan 70 ton op de luchthaven te stationeren door een haalbaar verkeersniveau vast te stellen (de drempel van 10000 passagiers kon volgens Wizz Air namelijk worden bereikt met minder dan twee opstijgingen per dag).

120

Ten slotte merkt de Commissie op dat een maatregel alleen kan worden geacht feitelijke discriminatie op te leveren indien zij ondernemingen discrimineert die zich ten aanzien van het met de referentieregeling nagestreefde doel in een vergelijkbare situatie bevinden. Met de tweede maatregel worden luchtvaartmaatschappijen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden geenszins gediscrimineerd.

– Beoordeling van de tweede maatregel in het bestreden besluit

121

De Commissie heeft in de overwegingen 267 tot en met 299 van het bestreden besluit onderzocht of de in de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 gepubliceerde luchthavengelden staatssteun vormen. In de overwegingen 284 tot en met 299 van het bestreden besluit heeft zij de voorwaarde van selectiviteit beoordeeld.

122

Zo heeft de Commissie in overweging 289 van het bestreden besluit opgemerkt dat de op de luchthaven toepasselijke regeling het relevante referentiekader vormt om te onderzoeken of de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 bepaalde luchtvaartmaatschappijen begunstigden ten opzichte van andere maatschappijen die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevonden. In dit verband heeft zij er in overweging 290 van het bestreden besluit op gewezen dat het stelsel van luchthavengelden alsmede de kortingen van toepassing waren op alle luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaakten of konden gebruikmaken van de luchthaven en voldeden aan de voorwaarden in respectievelijk de luchtvaartgidsen 2007, 2008 of 2010.

123

In overweging 292 van het bestreden besluit heeft de Commissie opgemerkt dat „[d]e kortingen werden toegepast volgens een glijdende schaal, waarbij de laagste korting begon bij 10 % voor 250 tot 500 landingen per jaar, d.w.z. ongeveer 5 landingen per week” en dat „in de onderzochte periode op de [luchthaven] niet alleen Wizz Air, maar ook andere luchtvaartmaatschappijen actief waren die in hun vloot over vliegtuigen van de relevante grootte beschikten en/of vluchten met voldoende frequentie verrichtten, en die daarom gebruikmaakten of hadden kunnen gebruikmaken van de betreffende kortingen”.

124

In de overwegingen 293 en 294 van het bestreden besluit heeft de Commissie vastgesteld dat het basistarief en de kortingen waarin de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 voorzagen niet selectief waren, aangezien zij op niet-discriminerende wijze van toepassing waren. De Commissie heeft bijgevolg geconcludeerd dat deze maatregel geen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, vormde.

– Gegrondheid van de beoordeling van de tweede maatregel

125

Volgens artikel 107, lid 1, VWEU „zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”.

126

Dit betekent dat alleen de maatregelen waarmee een selectief voordeel wordt verleend aan bepaalde ondernemingen, categorieën van ondernemingen of bepaalde economische sectoren, onder het begrip „staatssteun” vallen.

127

In de rechtspraak is evenwel gepreciseerd dat zelfs maatregelen die op het eerste gezicht op alle ondernemingen van toepassing zijn, in zekere mate selectief kunnen zijn en dus kunnen worden aangemerkt als maatregelen die bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigen (zie arrest van 6 maart 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, T‑127/99, T‑129/99 en T‑148/99, EU:T:2002:59, punt 149 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

128

Van feitelijke selectiviteit is sprake wanneer de formele criteria voor de toepassing van de maatregel weliswaar algemeen en objectief zijn geformuleerd, maar de maatregel zodanig is vormgegeven dat de effecten ervan één bepaalde groep ondernemingen aanzienlijk begunstigen [zie in die zin arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C‑106/09 P en C‑107/09 P, EU:C:2011:732, punten 101107; zie ook mededeling van de Commissie betreffende het begrip „staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB 2016, C 262, blz. 1), punt 121].

129

Blijkens vaste rechtspraak moet voor de beoordeling of is voldaan aan de voorwaarde inzake de selectiviteit van het toegekende voordeel worden vastgesteld of een nationale maatregel in het kader van een welbepaalde rechtsregeling „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” kan begunstigen ten opzichte van andere die zich uit het oogpunt van de doelstelling van die regeling in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden. Het begrip „staatssteun” ziet niet op overheidsmaatregelen waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen ondernemingen en die dus in beginsel selectief zijn, wanneer dit onderscheid voortvloeit uit de aard of de opzet van het stelsel waarvan deze maatregelen deel uitmaken (zie arrest van 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C‑524/14 P, EU:C:2016:971, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

130

Het is bovendien vaste rechtspraak dat artikel 107, lid 1, VWEU geen onderscheid maakt naargelang van de oorzaken of doeleinden van overheidsmaatregelen, maar deze definieert aan de hand van de gevolgen ervan (zie arrest van 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C‑524/14 P, EU:C:2016:971, punt 48 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 6 maart 2002, Diputación Foral de Álava e.a./Commissie, T‑92/00 en T‑103/00, EU:T:2002:61, punt 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

131

Wanneer niet kan worden uitgesloten dat een maatregel waarbij een overheidsonderneming de voorwaarden voor het gebruik van haar goederen of diensten vaststelt, selectief is, ook al is deze maatregel in het algemeen van toepassing op alle ondernemingen die van deze goederen of diensten gebruikmaken, moet voor de vaststelling of dit het geval is bijgevolg niet worden gekeken naar de aard maar naar de gevolgen van die maatregel, waarbij onderzocht moet worden of het voordeel dat hij geacht wordt op te leveren, in werkelijkheid enkel ten goede komt aan bepaalde van die ondernemingen en niet aan andere, ook al bevinden zij zich uit het oogpunt van de doelstelling van de desbetreffende regeling alle in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie (arrest van 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C‑524/14 P, EU:C:2016:971, punt 49).

132

De afbakening van de groep ondernemingen die zich in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden is afhankelijk van de voorafgaande vaststelling van de rechtsregeling waarvan de doelstelling het oogpunt vormt van waaruit in voorkomend geval moet worden onderzocht in hoeverre de feitelijke en juridische situatie van de door de betrokken maatregel begunstigde ondernemingen vergelijkbaar is met die waarin de niet-begunstigde ondernemingen verkeren (arrest van 21 december 2016, Commissie/Hansestadt Lübeck, C‑524/14 P, EU:C:2016:971, punt 60).

133

Vooraf zij in de eerste plaats opgemerkt dat in de punten 1 tot en met 4 van de tweede maatregel de tarieven voor de verschillende luchthavengelden (d.w.z. landing, verlichting, parkeren en passagiersdiensten, met inbegrip van beveiliging) worden vastgesteld. Op de daadwerkelijk in rekening gebrachte heffingen kunnen verschillende soorten kortingen worden toegepast. De punten 7.1, 7.2 en 7.3 van de tweede maatregel voorzagen respectievelijk in drie soorten niet-cumulatieve kortingen:

ten eerste kortingen van 10 % tot 70 % afhankelijk van het aantal landingen in het voorgaande jaar voor internationale vluchten;

ten tweede een korting van 50 % gedurende twaalf maanden voor nieuwe luchtvaartmaatschappijen die ten minste drie vluchten per week verzorgden, met een vliegtuig met een capaciteit van ten minste 70 zitplaatsen. Voor elke nieuwe bestemming die werd aangedaan, bedroeg de toegepaste korting 50 % voor een periode van zes maanden; naast deze kortingen kende AITTV ook een vergoeding toe van 10 % tot 30 % van de inkomsten uit instapheffingen, afhankelijk van het aantal passagiers per jaar;

ten derde kortingen van 72 % tot 85 % voor vliegtuigen met een MTOW van meer dan 70 ton en met meer dan 10000 passagiers per maand.

134

Uit de overwegingen 46 tot en met 49 van het bestreden besluit blijkt dat de luchtvaartgids 2008 al in de in het eerste en het tweede streepje hierboven beschreven kortingen voorzag. Van de kortingen waarin de tweede maatregel voorzag, vormden de in punt 7.3 beschreven kortingen, zoals onder het derde streepje hierboven genoemd, de enige verandering ten opzichte van de luchtvaartgids 2008.

135

In de tweede plaats betoogt de Commissie dat het eerste middel niet ter zake dienend is, aangezien het uitsluitend is gericht op de in punt 7.3 van de tweede maatregel opgenomen korting (te weten een korting van 72 % tot 85 % voor de vliegtuigen met een MTOW van meer dan 70 ton met meer dan 10000 passagiers per maand), terwijl de in het inleidingsbesluit bedoelde tweede maatregel betrekking had op alle soorten in de luchtvaartgidsen 2007, 2008 en 2010 vastgestelde kortingen.

136

Dit argument moet worden afgewezen. In het bestreden besluit heeft de Commissie de in de tweede maatregel opgenomen kortingen in hun geheel onderzocht, zonder de in punt 7.3 bedoelde korting afzonderlijk te onderzoeken. Dat neemt evenwel niet weg dat laatstgenoemde korting ook deel uitmaakt van het bestreden besluit en dat verzoekster juist heeft aangevoerd dat de Commissie ten onrechte had verzuimd te onderzoeken of die korting afzonderlijk beschouwd niet selectief was ten opzichte van Wizz Air.

137

In de derde plaats heeft de Commissie ter terechtzitting overigens aangevoerd dat punt 7.3 van de tweede maatregel niet van toepassing was op Wizz Air, omdat zij overeenkomsten met de luchthaven had gesloten. In dit verband zij er evenwel aan herinnerd dat volgens het bestreden besluit het stelsel van luchthavengelden alsmede de kortingen van toepassing waren op alle luchtvaartmaatschappijen die van de luchthaven gebruikmaakten of konden gebruikmaken, met inbegrip van Wizz Air.

138

In casu verwijt verzoekster de Commissie in wezen dat zij het selectieve karakter van de in punt 7.3 van de tweede maatregel opgenomen kortingen van de hand heeft gewezen op grond dat andere luchtvaartmaatschappijen van de betrokken kortingen profiteerden of hadden kunnen profiteren en dat de tweede maatregel van toepassing was op alle luchtvaartmaatschappijen die op de luchthaven actief waren.

139

In dit verband heeft de Commissie in de eerste plaats in overweging 290 van het bestreden besluit opgemerkt dat het stelsel van luchthavengelden alsmede de kortingen van toepassing waren op alle luchtvaartmaatschappijen die gebruikmaakten of konden gebruikmaken van de luchthaven en voldeden aan de voorwaarden in respectievelijk de luchtvaartgidsen 2007, 2008 of 2010.

140

De aard van de tweede maatregel, die de vorm aannam van de toepassing van een „algemene” regeling die op criteria van eveneens algemene aard was gebaseerd, sluit evenwel niet uit dat de maatregel selectief was. De voorwaarde van selectiviteit heeft namelijk een ruimere draagwijdte en omvat ook maatregelen die door hun gevolgen bepaalde ondernemingen begunstigen op grond van bijzondere en specifieke kenmerken van die ondernemingen. Evenzo blijkt uit de rechtspraak dat het feit dat de steun niet voor een of meer bijzondere en vooraf aangewezen begunstigden is bedoeld, maar met toepassing van een aantal objectieve criteria aan een onbepaald aantal begunstigden kan worden verleend die niet van tevoren individueel zijn geïdentificeerd, niet volstaat om het selectieve karakter van de maatregel te ontkennen en derhalve de kwalificatie ervan als steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te voorkomen. Een dergelijke omstandigheid sluit namelijk niet uit dat deze hulp van de overheid moet worden aangemerkt als een selectieve maatregel, indien op grond van de toepassingscriteria ervan een voordeel wordt verleend aan bepaalde ondernemingen, met uitsluiting van alle andere (zie in die zin arrest van 29 september 2000, CETM/Commissie, T‑55/99, EU:T:2000:223, punt 40). Het algemene karakter van de luchtvaartgids sluit dus als zodanig eventuele feitelijke discriminatie tussen de luchtvaartmaatschappijen die de luchthaven gebruiken niet uit.

141

In de tweede plaats heeft de Commissie in overweging 292 van het bestreden besluit opgemerkt dat „[d]e kortingen werden toegepast volgens een glijdende schaal, waarbij de laagste korting begon bij 10 % voor 250 tot 500 landingen per jaar, d.w.z. ongeveer 5 landingen per week” en dat „in de onderzochte periode op de [luchthaven] niet alleen Wizz Air, maar ook andere luchtvaartmaatschappijen actief waren die in hun vloot over vliegtuigen van de relevante grootte beschikten en/of vluchten met voldoende frequentie verrichtten, en die daarom gebruikmaakten of hadden kunnen gebruikmaken van de betreffende kortingen”.

142

Aldus heeft de Commissie ten eerste de drie soorten kortingen waarin de tweede maatregel voorzag gezamenlijk onderzocht, zonder te verduidelijken waarom een dergelijke gezamenlijke beoordeling voor de vaststelling van het selectieve karakter van de maatregel relevant was, gelet op het feit dat elk soort korting aan verschillende voorwaarden voldeed en de kortingen niet cumulatief waren. Bijgevolg heeft zij niet onderzocht of het soort korting waarin punt 7.3 van de tweede maatregel specifiek voorzag, afzonderlijk beschouwd, Wizz Air op grond van de toepassingsvoorwaarden ervan bevoordeelde en de andere op de luchthaven aanwezige luchtvaartmaatschappijen uitsloot.

143

Ten tweede heeft de Commissie geen standpunt ingenomen over de vraag of, specifiek met betrekking tot het type korting waarin punt 7.3 van de tweede maatregel voorzag, andere luchtvaartmaatschappijen dan Wizz Air vliegtuigen in hun vloot hadden van een passende omvang en met voldoende vluchten, waardoor zij daadwerkelijk van die korting konden profiteren.

144

Uit het bestreden besluit blijkt dat Wizz Air tijdens de administratieve procedure heeft aangevoerd dat andere luchtvaartmaatschappijen dan zij vliegtuigen met een MTOW van meer dan 70 ton gebruikten en dus in aanmerking kwamen voor het soort korting waarin punt 7.3 van de tweede maatregel voorzag (zie overweging 122 van het bestreden besluit). In haar memories heeft de Commissie opgemerkt dat Tarom dergelijke vliegtuigen exploiteerde en dat zij had kunnen proberen haar verkeer op de luchthaven uit te breiden om voor deze kortingen in aanmerking te komen.

145

Dat doet evenwel niets af aan het feit dat het soort korting waarin punt 7.3 van de tweede maatregel voorzag uitsluitend aan Wizz Air ten goede is gekomen en dat geen enkele andere luchtvaartmaatschappij, met inbegrip van Tarom, het in dit punt 7.3 vereiste minimumaantal passagiers per maand heeft bereikt.

146

Wat betreft het argument van Wizz Air en AITTV dat deze kortingen waren bedoeld om het verkeer op de luchthaven en dus de daadwerkelijk ontvangen inkomsten te verhogen, moet worden benadrukt dat artikel 107, lid 1, VWEU, zoals blijkt uit de in punt 130 hierboven aangehaalde rechtspraak, geen onderscheid maakt naar de oorzaken of doelstellingen van overheidsmaatregelen, maar deze definieert op basis van hun gevolgen, zodat deze doelstellingen op het gebied van verkeer en inkomsten niet relevant zijn voor de beoordeling van het selectieve karakter van de in punt 7.3 van de tweede maatregel opgenomen kortingen. Hoe dan ook moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit geen enkel bewijs van deze doelstellingen bevat.

147

Ten derde moet worden opgemerkt dat er des te meer vraagtekens kunnen worden geplaatst bij het niet-selectieve karakter van de kortingen waarin punt 7.3 van de tweede maatregel voorziet indien, zoals door de Commissie wordt aangevoerd, de andere twee in die maatregel opgenomen kortingsmaatregelen in aanmerking worden genomen. Deze andere twee maatregelen voorzagen namelijk in kortingen van 10 % tot 70 % en van 10 % tot 30 %, terwijl het genoemde punt 7.3 hogere en veel minder progressieve kortingen mogelijk maakte, namelijk vanaf 72 % tot 85 %.

148

Bijgevolg moet worden vastgesteld dat de Commissie het recht onjuist heeft toegepast door niet te onderzoeken of de in punt 7.3 van de tweede maatregel opgenomen korting, afzonderlijk beschouwd, was bedoeld om selectief te worden toegepast, zonder dat hoeft te worden ingegaan op het beweerde niet-tijdige karakter of de gegrondheid van verzoeksters argument dat de in punt 7.3 van de tweede maatregel vervatte kortingen een afwijking van het bij die maatregel ingevoerde referentiestelsel vormden.

149

In het licht van het voorgaande slaagt het eerste middel.

Tweede middel: een kennelijke beoordelingsfout, onjuiste toepassing van het recht en een ontoereikende motivering aangezien in het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat de derde maatregel Wizz Air geen onrechtmatig voordeel heeft opgeleverd

150

Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen. Met het eerste onderdeel, dat betrekking heeft op de beoordeling van de feitelijke gegevens, betoogt verzoekster dat in het bestreden besluit geen rekening is gehouden met het bewijs waaruit blijkt dat het gedrag van AITTV niet vergelijkbaar was met dat van een marktdeelnemer handelend in een markteconomie.

151

AITTV heeft onder meer geen voorafgaande analyse verricht om te bepalen of de overeenkomsten van 2008 haar een positief rendement konden opleveren of ten minste de exploitatiekosten van Wizz Air konden dekken, hoewel de marketingovereenkomst tot gevolg had dat aan Wizz Air een korting tot 85 % van alle luchthavengelden werd verleend. Een voorzichtige marktdeelnemer zou zijn commerciële strategie pas aldus hebben gewijzigd na een analyse van de winstgevendheid te hebben gemaakt.

152

Met het tweede onderdeel, dat onjuiste toepassing van het recht betreft, stelt verzoekster dat in het bestreden besluit ten onrechte het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie op de derde maatregel is toegepast. De Commissie heeft namelijk geen rekening gehouden met de algemene context van de derde maatregel noch met de voorzienbare ontwikkelingen, zoals de uit deze maatregel voortvloeiende kosten voor de verbetering van het PCN (pavement classification number) en de gevolgen ervan op middellange en lange termijn. Zij heeft met name ten onrechte een termijn van slechts drie jaar gehanteerd om de winstgevendheid van de overeenkomsten van 2008 te beoordelen.

153

De Commissie betoogt van haar kant om te beginnen dat verzoekster niet haar analyse van de winstgevendheid van de wijzigingsovereenkomsten van 2010 betwist, maar alleen haar analyse van de winstgevendheid van de overeenkomsten van 2008. In dit verband merkt de Commissie op dat verzoekster, om de toepassing van het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie in het bestreden besluit met succes aan te vechten, zou moeten aantonen dat de beoordeling van de Commissie niet alleen onjuist, maar ook niet aannemelijk was.

154

Met betrekking tot het eerste onderdeel voert de Commissie aan dat, wat het ontbreken van een voorafgaande analyse betreft, niet kan worden uitgesloten dat een onderzoek waarin de verwachte extra winstgevendheid van een door een luchthaven en een luchtvaartmaatschappij ondertekende overeenkomst achteraf wordt geëvalueerd, maar dat is gebaseerd op gegevens die ten tijde van de ondertekening van die overeenkomst beschikbaar zouden zijn geweest, kan worden aanvaard.

155

Wat betreft het tweede onderdeel, dat met name betrekking heeft op de periode die is gebruikt om de winstgevendheid van de overeenkomsten van 2008 te beoordelen, betoogt de Commissie dat zij heeft gekozen voor een periode van drie jaar, die overeenkwam met de aanvankelijke looptijd van de marketingovereenkomst, onder meer omdat een voorzichtige marktdeelnemer handelend in een markteconomie er niet op zou rekenen dat de overeenkomsten na afloop ervan zouden worden verlengd, zoals is uiteengezet in de overwegingen 334 tot en met 336 van het bestreden besluit.

156

In haar memorie van repliek stelt verzoekster dat Wizz Air via de wijzigingsovereenkomsten van 2010 staatssteun heeft ontvangen, aangezien de tweede maatregel en de wijzigingsovereenkomsten van 2010 in wezen hetzelfde voordeel aan Wizz Air hadden toegekend.

157

In dit verband voert de Commissie in haar memorie van dupliek aan dat de wijzigingsovereenkomsten van 2010 en de tweede maatregel niet één enkele maatregel vormden en dat zij deze afzonderlijk heeft beoordeeld.

– Beoordeling van de derde maatregel in het bestreden besluit

158

De overeenkomsten van 2008 bestonden uit een memorandum van overeenstemming, een marketingovereenkomst, een exploitatieovereenkomst en een grondafhandelingsovereenkomst.

159

Krachtens het memorandum van overeenstemming en de marketingovereenkomst, die aanvankelijk voor een periode van drie jaar waren gesloten, had AITTV zich er onder meer toe verbonden om de passagiersterminal uit te breiden teneinde tegen 1 januari 2011 tot drie miljoen passagiers per jaar te kunnen afhandelen, om vóór eind 2009 de indeling van de start-landingsbaan te verbeteren en om overeenkomstig het verzoek van Wizz Air slots ter beschikking te stellen. Wizz Air had zich ertoe verbonden marketingactiviteiten voor AITTV te verrichten.

160

In de exploitatieovereenkomst en de grondafhandelingsovereenkomst, die aanvankelijk waren gesloten voor een periode van één jaar, waren de door Wizz Air verschuldigde toepasselijke luchthavengelden alsook kortingen op en vrijstellingen van de heffingen vastgesteld. De heffingen waren in wezen identiek aan die welke in de luchtvaartgids 2008 waren opgenomen. Op 25 juni 2010 zijn de exploitatieovereenkomst en de grondafhandelingsovereenkomst gewijzigd bij de wijzigingsovereenkomsten van 2010, een nieuwe kortingsregeling die overeenkwam met de regeling die was vastgelegd bij de tweede maatregel (zie punt 5 hierboven).

161

De Commissie heeft in de overwegingen 300 tot en met 440 van het bestreden besluit onderzocht of er wat betreft de derde maatregel sprake was van staatssteun. In de overwegingen 322 tot en met 415 van het bestreden besluit heeft zij de voorwaarde met betrekking tot het bestaan van een economisch voordeel beoordeeld met betrekking tot de overeenkomsten van 2008, die zij gezamenlijk heeft beoordeeld, en in de overwegingen 416 tot en met 439 heeft zij hetzelfde gedaan met betrekking tot de wijzigingsovereenkomsten van 2010.

162

Met betrekking tot de overeenkomsten van 2008 heeft de Commissie onderzocht of de incrementele inkomsten die voortvloeiden uit de activiteit van Wizz Air op grond van deze overeenkomsten (d.w.z. de luchtvaartgebonden inkomsten uit de door Wizz Air betaalde heffingen en de niet-luchtvaartgebonden inkomsten) hoger waren dan de incrementele kosten (d.w.z. de bedrijfskosten, marketingkosten en investeringskosten) die konden worden toegeschreven aan de aanwezigheid van Wizz Air op de luchthaven (zie de overwegingen 341-343 van het bestreden besluit).

163

Daartoe heeft de Commissie achtereenvolgens de winstgevendheidsanalyses vooraf beoordeeld, die achteraf waren gereconstrueerd op basis van de gegevens zoals beschikbaar voordat de overeenkomsten van 2008 werden gesloten en die respectievelijk op 9 december 2014 door Roemenië (zie de overwegingen 344-356 van het bestreden besluit) en op 10 februari 2015 door Wizz Air (hierna: „verslag van Oxera van 2015”) (zie de overwegingen 357-381 van het bestreden besluit) waren verstrekt. Zij heeft tevens een onderzoek beoordeeld dat op 10 november 2014 door verzoekster was ingediend (zie de overwegingen 382-392 van het bestreden besluit).

164

Wat de door Roemenië verstrekte analyse betreft, heeft de Commissie opgemerkt dat deze verscheidene tekortkomingen vertoonde. Deze analyse bevatte onder meer geen berekening van de incrementele kosten, maar alleen van de incrementele inkomsten. Bijgevolg was de Commissie van mening dat deze analyse niet aantoonde dat het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie bij de overeenkomsten van 2008 in acht was genomen (zie de overwegingen 355 en 356 van het bestreden besluit).

165

In het verslag van Oxera van 2015 werd geconcludeerd dat de overeenkomsten van 2008 naar verwachting een netto contante waarde (hierna: „NCW”) van 7,6 miljoen RON (ongeveer 1,5 miljoen EUR) zouden hebben. De Commissie heeft de meeste basisveronderstellingen in het verslag van Oxera van 2015 aanvaard. Zij heeft sommige daarvan herzien om rekening te houden met de lagere incrementele kosten, die resulteerden in hogere incrementele winsten, met name omdat geen van de gedane investeringen, in het bijzonder wat betreft de passagiersterminal en de start-landingsbaan, was toe te schrijven aan de aanwezigheid van Wizz Air op de luchthaven (zie de overwegingen 362 en 372-379 van het bestreden besluit). Na de incrementele kosten, inkomsten en winsten op basis van het verslag van Oxera van 2015 aldus te hebben herberekend, was de Commissie van mening dat dit verslag tot de conclusie leidde dat te verwachten viel dat de overeenkomsten van 2008 incrementeel winstgevend zouden zijn voor AITTV (zie overweging 381 van het bestreden besluit).

166

Wat het door verzoekster ingediende onderzoek betreft, waarin werd geconcludeerd dat de overeenkomsten van 2008 niet winstgevend waren, heeft de Commissie de meeste basisveronderstellingen verworpen, met name de veronderstelling dat de investeringen in de werkzaamheden om het PCN te verbeteren en in de werkzaamheden aan de passagiersterminal incrementele kosten waren die verband hielden met de aanwezigheid van Wizz Air op de luchthaven. De Commissie is tot de slotsom gekomen dat dit onderzoek niet kon worden gebruikt als bewijs dat het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie bij de overeenkomsten van 2008 niet in acht was genomen (zie de overwegingen 388-392 van het bestreden besluit).

167

De Commissie heeft tevens rekening gehouden met de achteraf door Oxera en RBB op 27 oktober 2011 verrichte onderzoeken ter ondersteuning van de resultaten van het verslag van Oxera van 2015. Volgens het achteraf door Oxera verrichte onderzoek hadden de overeenkomsten van 2008 naar schatting een positieve NCW van 145249 EUR tijdens de driejarige looptijd van die overeenkomsten (zie overweging 398 van het bestreden besluit).

168

Met betrekking tot de wijzigingsovereenkomsten van 2010 werd in het verslag van Oxera van 2015 een NCW van 2,3 miljoen RON verwacht, ofwel ongeveer 469852 EUR (zie overweging 417 van het bestreden besluit). De Commissie heeft tevens in aanmerking genomen dat de wijzigingsovereenkomsten van 2010 volgens het achteraf door Oxera verrichte onderzoek tijdens de looptijd van negen maanden van die overeenkomsten een positieve NCW van 483147 EUR hadden (zie overweging 429 van het bestreden besluit).

169

Op basis van het verslag van Oxera van 2015, zoals herberekend door de Commissie en ondersteund door de onderzoeken achteraf van Oxera en RBB, is de Commissie bijgevolg tot de slotsom gekomen dat de derde maatregel incrementeel winstgevend zou zijn voor AITTV. Bovendien zou deze maatregel deel uitmaken van een algemene strategie en langetermijninspanning om de luchthaven algemeen winstgevend te maken. De Commissie heeft dan ook gemeend dat een voorzichtige marktdeelnemer handelend in een markteconomie dergelijke overeenkomsten zou hebben aangegaan. Daarom heeft de Commissie geconcludeerd dat deze overeenkomsten geen economisch voordeel voor Wizz Air hebben opgeleverd dat zij onder normale marktomstandigheden niet zou hebben verkregen, en dat zij geen staatssteun vormden (zie de overwegingen 413-415 en 437-440 van het bestreden besluit).

– Gegrondheid van de beoordeling van de derde maatregel

170

Volgens de rechtspraak is niet voldaan aan de voorwaarden waaronder een maatregel onder het begrip steun in de zin van artikel 107 VWEU valt wanneer de begunstigde onderneming onder met normale marktvoorwaarden overeenkomende omstandigheden hetzelfde voordeel had kunnen genieten als het voordeel dat met staatsmiddelen ter beschikking is gesteld, waarbij deze beoordeling in beginsel moet geschieden aan de hand van het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie (zie in die zin arrest van 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punt 91 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

171

Om na te gaan of de lidstaat of het betrokken overheidsorgaan zich als een voorzichtige investeerder in een markteconomie heeft gedragen, moet bij de beoordeling van de economische rationaliteit van het gedrag van de lidstaat of van het overheidsorgaan worden uitgegaan van de context in de periode waarin de betrokken maatregelen zijn getroffen, en dus niet van een latere situatie (arresten van 16 mei 2002, Frankrijk/Commissie, C‑482/99, EU:C:2002:294, punt 71, en 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punt 93).

172

In deze context staat het aan de lidstaat of de betrokken overheidsinstantie om de Commissie de objectieve en controleerbare gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat zijn of haar beslissing is genomen op grond van voorafgaande economische ramingen die vergelijkbaar zijn met die welke een rationele particuliere investeerder die zich in een situatie bevindt die de situatie van deze staat of instantie zo dicht mogelijk benadert, in de omstandigheden van het geval zou hebben doen uitvoeren alvorens deze maatregel te treffen teneinde uit te maken of een dergelijke maatregel in de toekomst winst zal opleveren (zie arrest van 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punt 97 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

173

Derhalve zijn alleen de gegevens die beschikbaar en de evoluties die voorzienbaar zijn op het ogenblik waarop de beslissing om de betrokken investering te doen is genomen, relevant voor met name de toepassing van het criterium van de particuliere marktdeelnemer (arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punt 105). Dit geldt met name wanneer, zoals in casu, de Commissie onderzoekt of er sprake is van staatssteun met betrekking tot een maatregel die niet bij haar is aangemeld en door de betrokken overheidsinstantie reeds ten uitvoer is gelegd op het tijdstip waarop zij haar onderzoek voert (arrest van 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punt 94).

174

Wanneer blijkt dat het criterium van de particuliere marktdeelnemer van toepassing kan zijn, staat het bijgevolg aan de Commissie om de betrokken lidstaat te vragen haar alle relevante informatie te bezorgen op basis waarvan kan worden uitgemaakt of is voldaan aan de voorwaarden voor toepasselijkheid en toepassing van dit criterium en de Commissie mag slechts weigeren deze informatie te onderzoeken indien de overgelegde bewijsstukken dateren van na het tijdstip waarop de beslissing om de betrokken investering te doen is genomen (zie in die zin arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punt 104, en 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punt 96).

175

Het staat aan de betrokken lidstaat of, in het onderhavige geval, het betrokken openbare bedrijf, om alle gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat die lidstaat of dat bedrijf vooraf een economische raming heeft gemaakt van het rendement van de betrokken maatregel, die vergelijkbaar is met de raming die een particuliere marktdeelnemer in een soortgelijke situatie zou hebben laten opstellen (zie in die zin arrest van 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punt 184).

176

Wanneer het openbare bedrijf het vereiste soort gegevens aan de Commissie verstrekt, staat het echter aan haar om een algehele boordeling te maken, waarbij zij, naast de door dit bedrijf verstrekte gegevens, rekening houdt met ieder ander relevant gegeven waarmee kan worden vastgesteld of de desbetreffende maatregel voldoet aan het criterium van de particuliere marktdeelnemer. Het betrokken openbare bedrijf heeft zo de mogelijkheid, tijdens de administratieve procedure aanvullende bewijsstukken over te leggen, die zijn opgesteld nadat de maatregel is vastgesteld, maar zijn gebaseerd op gegevens die beschikbaar waren en de ontwikkelingen die voorspelbaar waren op het moment van deze vaststelling (zie in die zin arrest van 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punt 186).

177

De onmogelijkheid om gedetailleerde en volledige prognoses te maken kan een openbare investeerder niet ontslaan van de verplichting een passende voorafgaande raming te maken van het rendement van zijn investering, die vergelijkbaar is met de raming die een particuliere marktdeelnemer in een soortgelijke situatie zou hebben laten opstellen op basis van de beschikbare en voorspelbare gegevens (zie in die zin arrest van 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punt 182).

178

Het tweede middel van verzoekster, waarmee zij onder meer betoogt dat AITTV geen voorafgaande analyse van de winstgevendheid met betrekking tot de overeenkomsten van 2008 heeft verricht, moet in het licht van deze rechtspraak worden onderzocht.

179

In dit verband zij in de eerste plaats opgemerkt dat, zoals blijkt uit overweging 147 van het bestreden besluit – die is opgenomen in punt 6.3, waarin de opmerkingen van AITTV over de derde maatregel zijn samengevat, en niet in het deel over de beoordeling van die maatregel door de Commissie:

„[AITTV] heeft verklaard berekeningen te hebben uitgevoerd alvorens de overeenkomsten van 2008 af te sluiten. Volgens [AITTV] bestond er geen wettelijke verplichting wat betreft de opstelling van een ondernemingsplan. Volgens [AITTV] bestond er geen reden om documentatie te bewaren.”

180

Vastgesteld moet evenwel worden dat de berekeningen die AITTV vóór de sluiting van de overeenkomsten van 2008 zou hebben gemaakt, niet aan de Commissie zijn meegedeeld en dat deze zich in het bestreden besluit niet op die berekeningen heeft gebaseerd om de winstgevendheid van die overeenkomsten te beoordelen in het licht van het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie.

181

Anders dan op basis van de in de punten 175 en 177 hierboven aangehaalde rechtspraak is vereist, blijkt uit het bestreden besluit dus niet dat de beslissing van AITTV om de overeenkomsten van 2008 met Wizz Air te sluiten, was gebaseerd op voorafgaande economische ramingen die een particuliere marktdeelnemer in een soortgelijke situatie op basis van de beschikbare en voorspelbare gegevens zou hebben gemaakt.

182

Ook al zou AITTV de toekomstige winstgevendheid van de overeenkomsten van 2008 vooraf hebben beoordeeld, zij heeft hoe dan ook verzuimd om de Commissie passende gegevens van een voorafgaande raming te verstrekken op grond waarvan de Commissie kon nagaan of de houding van dit openbare bedrijf vergelijkbaar was met die van een rationele particuliere marktdeelnemer (zie in die zin arrest van 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punten 182 en 185).

183

In het verslag van Oxera van 2015 wordt weliswaar verwezen naar een „ondernemingsplan” dat door AITTV in het kader van de overeenkomsten van 2008 was opgesteld en door haar aan Oxera was verstrekt ter voorbereiding van dat verslag, maar met de antwoorden van Wizz Air en AITTV op de vragen van het Gerecht van 19 juli 2022 wordt bevestigd dat dit „ondernemingsplan” niet in 2008 was opgesteld, maar achteraf tijdens de administratieve procedure was gereconstrueerd op basis van informatie waarover AITTV in 2008 zou hebben beschikt.

184

Hieruit volgt dat de Commissie, toen zij op basis van de beschikbare en voorspelbare gegevens onderzocht of AITTV had gehandeld als een particuliere marktdeelnemer die zich in een vergelijkbare situatie bevond, niet over een schriftelijk document beschikte dat vóór de sluiting van de overeenkomsten van 2008 was opgesteld.

185

Bovendien komt uit het bestreden besluit naar voren dat de winstgevendheidsanalyse vooraf, die achteraf was gereconstrueerd op basis van de gegevens die beschikbaar waren voordat de overeenkomsten van 2008 werden gesloten en die op 9 december 2014 op verzoek van de Commissie door Roemenië was overgelegd, tekortkomingen vertoonde, waardoor niet kon worden aangetoond dat het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie bij de overeenkomsten van 2008 in acht was genomen (zie de overwegingen 344 en 356 van het bestreden besluit en de punten 163 en 164 hierboven). Het is dus onwaarschijnlijk dat de in overweging 147 van het bestreden besluit bedoelde hypothetische berekeningen vooraf, die AITTV zou hebben uitgevoerd voordat zij de overeenkomsten van 2008 afsloot, bevredigende vooraf gemaakte winstgevendheidsprognoses voor die overeenkomsten hadden kunnen aantonen.

186

In de tweede plaats heeft de Commissie vastgesteld dat de overeenkomsten van 2008 winstgevend waren op basis van het verslag van Oxera van 2015, namelijk een winstgevendheidsanalyse vooraf, die achteraf was gereconstrueerd op basis van de gegevens die beschikbaar waren voordat de overeenkomsten van 2008 werden gesloten en die op 10 februari 2015 door Wizz Air was overgelegd en door de Commissie was herberekend (zie de punten 163 en 165 hierboven).

187

Zoals de Commissie betoogt, is het verslag van Oxera van 2015, hoewel het bijna zeven jaar na de sluiting van de overeenkomsten van 2008 is opgesteld, gebaseerd op gegevens die beschikbaar waren voordat die overeenkomsten werden gesloten.

188

Anders dan de Commissie betoogt, kan dit verslag wegens het enkele feit dat het is gebaseerd op de gegevens die beschikbaar waren en de ontwikkelingen die voorzienbaar waren ten tijde van de vaststelling van de derde maatregel in 2008, echter niet worden beschouwd als gelijkwaardig aan een analyse vooraf die kan aantonen dat aan het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie is voldaan.

189

Volgens de rechtspraak is het de taak van de Commissie om een algehele beoordeling te verrichten aan de hand van alle relevante gegevens van de zaak op basis waarvan zij kan uitmaken of de begunstigde onderneming kennelijk geen vergelijkbare betalingsfaciliteiten van een dergelijke particuliere marktdeelnemer zou hebben gekregen. In dat verband komt relevantie toe aan alle informatie die in aanzienlijke mate invloed kan hebben op de besluitvorming van een normaal voorzichtige en verstandige particuliere marktdeelnemer wiens situatie die van de staat zo dicht mogelijk benadert (zie arrest van 26 maart 2020, Larko/Commissie, C‑244/18 P, EU:C:2020:238, punten 29 en 30 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C‑300/16 P, EU:C:2017:706, punt 60).

190

Gegevens die dateren van na het ogenblik waarop de betrokken maatregel is getroffen, kunnen evenwel niet in aanmerking worden genomen bij de toepassing van het criterium van de particuliere marktdeelnemer (zie arrest van 26 maart 2020, Larko/Commissie, C‑244/18 P, EU:C:2020:238, punt 32 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punt 104, en 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punten 93 en 94).

191

In dit verband heeft het betrokken openbare bedrijf, zoals voortvloeit uit de in punt 176 hierboven aangehaalde rechtspraak, weliswaar de mogelijkheid om tijdens de administratieve procedure aanvullende bewijsstukken over te leggen, die zijn opgesteld nadat de maatregel is vastgesteld, maar kan deze mogelijkheid dat bedrijf niet ontslaan van de verplichting om vooraf, op basis van een onderzoek van de beschikbare gegevens en de te verwachten ontwikkelingen een economische raming te maken die passend is in het licht van de aard, de complexiteit, de omvang en de context van de transactie (zie in die zin arrest van 25 juni 2015, SACE en Sace BT/Commissie, T‑305/13, EU:T:2015:435, punten 186 en 188).

192

In casu is het verslag van Oxera van 2015, ook al is het gebaseerd op gegevens die beschikbaar waren vóór de sluiting van de overeenkomsten van 2008, niettemin een constatering achteraf van de feitelijke winstgevendheid van die overeenkomsten. Om die reden is het overeenkomstig de in punt 190 hierboven aangehaalde rechtspraak niet relevant voor de beoordeling van de naleving van het criterium van de marktdeelnemer handelend in een markteconomie.

193

In de derde plaats heeft de Commissie in het bestreden besluit tevens rekening gehouden met de achteraf door Oxera en RBB op 27 oktober 2011 verrichte onderzoeken ter ondersteuning van de resultaten van het verslag van Oxera van 2015 (zie de punten 167 en 169 hierboven).

194

Volgens de rechtspraak kunnen aanvullende economische analyses die tijdens de administratieve procedure door de lidstaat worden verstrekt licht werpen op de ten tijde van het investeringsbesluit bestaande omstandigheden en moeten zij door de Commissie in aanmerking worden genomen ter vaststelling of de begunstigde van de betrokken maatregel daadwerkelijk een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU heeft genoten (arrest van 3 juli 2014, Spanje e.a./Commissie, T‑319/12 en T‑321/12, niet gepubliceerd, EU:T:2014:604, punt 134).

195

In casu vormde het achteraf gereconstrueerde bewijsmateriaal dat door de Commissie in aanmerking is genomen, ongeacht of het door Roemenië dan wel door Wizz Air was verstrekt, evenwel geen aanvulling op het bewijsmateriaal dat vóór de sluiting van de overeenkomsten van 2008 was verzameld en dat AITTV aan de Commissie zou hebben verstrekt. Integendeel, het was het enige bewijs dat aan de Commissie was verstrekt en het enige bewijs waarop deze haar beoordeling van de overeenkomsten van 2008 heeft gebaseerd.

196

In de vierde en laatste plaats heeft de Commissie in haar conclusie met betrekking tot het economische voordeel van de overeenkomsten van 2008 tevens in aanmerking genomen dat „er aanwijzingen [waren], met name op basis van het ontwikkelingsplan voor de periode 2006‑2015, dat de overeenkomsten van 2008 met Wizz Air deel uitmaakten van een algemene strategie en langetermijninspanning om de luchthaven algemeen winstgevend te maken” (zie overweging 414 van het bestreden besluit en punt 169 hierboven).

197

Dergelijke vage elementen, die op geen enkele wijze worden gestaafd, kunnen echter geen afdoend bewijs vormen dat vóór de sluiting van de overeenkomsten van 2008 een voorafgaande economische beoordeling van de winstgevendheid heeft plaatsgevonden.

198

Daarom moet worden vastgesteld dat de conclusie van de Commissie dat een voorzichtige marktdeelnemer handelend in een markteconomie de overeenkomsten van 2008 zou hebben gesloten, in strijd met de in de punten 170 tot en met 177 hierboven aangehaalde rechtspraak volledig is gebaseerd op achteraf vastgesteld bewijsmateriaal.

199

Derhalve moet worden geoordeeld dat de Commissie haar conclusie dat de derde maatregel geen economisch voordeel voor Wizz Air heeft opgeleverd dat zij onder normale marktomstandigheden niet zou hebben verkregen, en dat deze dus geen staatssteun vormde, niet op een geldige rechtsopvatting heeft gebaseerd.

200

Zonder dat de andere argumenten van verzoekster in het kader van het tweede middel behoeven te worden onderzocht, moet dit middel dus worden aanvaard voor zover daarmee wordt gesteld dat in het bestreden besluit het recht onjuist is toegepast waar de slotsom luidt dat de derde maatregel Wizz Air geen onrechtmatig voordeel heeft opgeleverd.

201

In het licht van alle voorgaande overwegingen moet het beroep dus worden toegewezen op grond van het eerste en het tweede middel, zonder dat het derde en het vierde middel behoeven te worden onderzocht.

Kosten

202

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van verzoekster te worden verwezen in haar eigen kosten en in die van verzoekster. Wizz Air en AITTV zullen overeenkomstig artikel 138, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering hun eigen kosten dragen.

 

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

rechtdoende, verklaart:

 

1)

[Zoals gerectificeerd bij beschikking van 13 juli 2023] Artikel 2 van besluit (EU) 2021/1428 van de Commissie van 24 februari 2020 betreffende de steunmaatregel SA.31662 – C/2011 (ex NN/2011) ten uitvoer gelegd door Roemenië ten gunste van de internationale luchthaven van Timișoara – Wizz Air, wordt nietig verklaard voor zover in dit besluit wordt vastgesteld dat de luchthavengelden die zijn opgenomen in de luchtvaartgids 2010 en de overeenkomsten die in 2008 tussen Societatea Națională „Aeroportul Internațional Timișoara – Traian Vuia” SA (AITTV) en Wizz Air Hungary Légiközlekedési Zrt. (Wizz Air Hungary Zrt.) zijn gesloten (met inbegrip van de wijzigingsovereenkomsten van 2010) geen staatsteun vormen.

 

2)

De Europese Commissie zal haar eigen kosten en die van Carpatair SA dragen.

 

3)

Wizz Air Hungary en AITTV zullen hun eigen kosten dragen.

 

Papasavvas

Svenningsen

Jaeger

Mac Eochaidh

Pynnä

Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 8 februari 2023.

ondertekeningen

Inhoud

 

Voorgeschiedenis van het geding

 

Bestreden besluit

 

Conclusies van partijen

 

In rechte

 

Ontvankelijkheid

 

Procesbelang

 

Procesbevoegdheid

 

– Overwegingen vooraf over de aard van de litigieuze maatregelen

 

– Individuele geraaktheid van verzoekster door de derde maatregel

 

– Rechtstreekse geraaktheid van verzoekster door de litigieuze maatregelen

 

Ontvankelijkheid van de bijlagen

 

Ontvankelijkheid van de uittreksels uit het verslag van de bewindvoerder

 

Ontvankelijkheid van bijlage Q.2

 

Ten gronde

 

Eerste middel: onjuiste toepassing van het recht wat betreft de selectiviteit van de tweede maatregel

 

– Beoordeling van de tweede maatregel in het bestreden besluit

 

– Gegrondheid van de beoordeling van de tweede maatregel

 

Tweede middel: een kennelijke beoordelingsfout, onjuiste toepassing van het recht en een ontoereikende motivering aangezien in het bestreden besluit wordt geconcludeerd dat de derde maatregel Wizz Air geen onrechtmatig voordeel heeft opgeleverd

 

– Beoordeling van de derde maatregel in het bestreden besluit

 

– Gegrondheid van de beoordeling van de derde maatregel

 

Kosten


( *1 ) Procestaal: Engels.