11.1.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 9/9


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Spetsializiran nakazatelen sad (Bulgarije) op 8 oktober 2020 — Strafzaak tegen RR en JG

(Zaak C-505/20)

(2021/C 9/15)

Procestaal: Bulgaars

Verwijzende rechter

Spetsializiran nakazatelen sad

Partijen in de strafzaak

RR en JG

Prejudiciële vragen

Verzet artikel 8 van richtlijn 2014/42 (1) zich tegen een nationale wet op grond waarvan de betrokkene, na de bevriezing van voorwerpen die als vermoedelijk hulpmiddel of als opbrengst uit het strafbare feit in beslag zijn genomen, gedurende de gerechtelijke fase van de strafprocedure niet het recht heeft om bij de rechter een verzoek tot afgifte van deze voorwerpen in te dienen?

Is een nationale wet, op grond waarvan de confiscatie van een “hulpmiddel” niet is toegestaan met betrekking tot een goed dat eigendom is van een niet bij het strafbare feit betrokken derde, maar dat door de derde aan de beklaagde voor duurzaam gebruik ter beschikking is gesteld op een dusdanige wijze dat in de interne verhouding nu juist de beklaagde de eigendomsrechten uitoefent, verenigbaar met artikel 4, lid 1, juncto artikel 2, punt 3, van richtlijn 2014/42 en artikel 17 van het Handvest?

Bij een ontkennend antwoord op de vraag: formuleert artikel 8, lid 6, tweede zin, en lid 7, van richtlijn 2014/42 een verplichting om de nationale wet aldus uit te leggen dat het een derde wiens voorwerpen zijn bevroren en als hulpmiddel kunnen worden geconfisqueerd, de mogelijkheid moet hebben deel te nemen aan de procedure die kan leiden tot een confiscatie en een confiscatiebevel in rechte te betwisten?


(1)  Richtlijn 2014/42/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie (PB 2014, L 127, blz. 39).