14.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 433/28


Hogere voorziening ingesteld op 21 september 2020 door CA Consumer Finance tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer — uitgebreid) van 8 juli 2020 in zaak T-578/18, CA Consumer Finance / ECB

(Zaak C-458/20 P)

(2020/C 433/35)

Procestaal: Frans

Partijen

Rekwirante: CA Consumer Finance (vertegenwoordigers: A. Champsaur, A. Delors, avocates)

Andere partij in de procedure: Europese Centrale Bank

Conclusies

punt 2 van het dictum van het arrest van het Gerecht van 8 juli 2020 in zaak T-578/18, CA Consumer Finance / ECB, waarin rekwirantes’ vordering tot nietigverklaring van besluit ECB/SSM/2018-FRCAG-77 van de ECB van 16 juli 2018 is afgewezen voor het overige, vernietigen;

de in eerste aanleg door CA Consumer Finance bij het Gerecht ingediende vorderingen volledig toewijzen, en

de ECB verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Met haar drie middelen in hogere voorziening betoogt rekwirante:

1)

dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en de motiveringsplicht niet is nagekomen door niet te antwoorden op het middel ontleend aan schending door besluit ECB/SSM/2018-FRCAG-77 van het rechtszekerheidsbeginsel, en het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden door vast te stellen dat inbreuk is gemaakt op artikel 26, lid 3, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, hoewel het Gerecht uitdrukkelijk heeft erkend dat deze bepaling onduidelijk is;

2)

dat het Gerecht artikel 18, lid 1, van verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de ECB specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen, heeft geschonden en in de motiveringsplicht is tekortgeschoten door niet aan te tonen dat rekwirante onachtzaam is geweest;

3)

dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht door niet te antwoorden op het middel volgens hetwelk besluit ECB/SSM/2018-FRCAG-77 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van gelijke behandeling, en zelf deze twee beginselen heeft geschonden door impliciet vast te stellen dat de sanctie in beginsel gegrond was.