CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

J. KOKOTT

van 7 april 2022 ( 1 )

Zaak C‑675/20 P

Colin Brown

tegen

Europese Commissie,

Raad van de Europese Unie

„Hogere voorziening – Openbare dienst – Artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut – Ontheemdingstoelage – Criteria – Aanname van de nationaliteit van het land van de standplaats na indiensttreding – Intrekking door de Commissie van het recht op de ontheemdingstoelage”

I. Inleiding

1.

Om voor de Europese Unie te werken, moeten haar ambtenaren vaak hun lidstaat van herkomst verlaten en zich vestigen in de lidstaat waar hun standplaats is gelegen. Om de daarmee verbonden ongemakken te compenseren en de aanwerving van onderdanen van de lidstaten van de Unie met inachtneming van een zo breed mogelijke geografische spreiding mogelijk te maken, heeft de wetgever van de Unie de ontheemdingstoelage in het leven geroepen, waarvan de voorwaarden zijn neergelegd in artikel 4, lid 1, onder a) en b), van bijlage VII bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Statuut”). ( 2 )

2.

Volgens deze bepaling wordt de ontheemdingstoelage toegekend aan de ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die gedurende een periode van vijf jaar voor zijn indiensttreding niet regelmatig woonachtig is geweest op het grondgebied in Europa van bedoelde staat [onder a)]. Voorts wordt de ontheemdingstoelage toegekend aan ambtenaren die de nationaliteit van de staat op welks grondgebied hun standplaats is gelegen bezitten, maar die daar gedurende een periode van tien jaar voor hun indiensttreding niet woonachtig zijn geweest, zelfs niet voor korte tijd [onder b)].

3.

Maar wat is de situatie van een ambtenaar die bij zijn indiensttreding niet de nationaliteit van het land van zijn standplaats bezat en dus onder het bepaalde onder a) viel, maar die nationaliteit gedurende zijn verdere loopbaan wel aanneemt? Geeft deze aanname van de nationaliteit van het land van de standplaats aanleiding tot een nieuw onderzoek van het bestaan van het recht op de ontheemdingstoelage, ditmaal overeenkomstig het bepaalde onder b)? Of is veeleer alleen de nationaliteit die de ambtenaar op het moment van zijn indiensttreding bezit doorslaggevend, zodat de latere aanname van de nationaliteit van het land van de standplaats geen gevolgen heeft voor het recht op de ontheemdingstoelage?

4.

Dit is de vraag die het Hof van Justitie in deze hogere voorziening moet beantwoorden.

II. Rechtskader

5.

Op de onderhavige zaak is het Statuut van toepassing.

6.

Artikel 69, eerste zin, van het Statuut luidt:

„De ontheemdingstoelage bedraagt 16 % van de som van het basissalaris, de kostwinnerstoelage en de kindertoelage waarop de ambtenaar recht heeft.”

7.

Overeenkomstig artikel 4, van bijlage VII bij het Statuut wordt de ontheemdingstoelage onder de volgende voorwaarden toegekend:

„1.   Een ontheemdingstoelage van 16 % van de som van het basissalaris, de kostwinnerstoelage en de kindertoelage waarop de ambtenaar recht heeft, wordt toegekend aan:

a)

de ambtenaar

die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze ook nooit heeft bezeten, en

die gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend op het grondgebied in Europa van bedoelde staat. Buiten beschouwing blijven hierbij omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie.

b)

de ambtenaar die de nationaliteit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, bezit of heeft bezeten, maar die gedurende een periode van tien jaar, eindigende op het ogenblik van zijn indiensttreding, regelmatig woonachtig is geweest buiten het grondgebied in Europa van die staat, en wel om een andere reden dan het uitoefenen van een functie in dienst van een staat of van een internationale organisatie.

[…]

2.   De ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen en deze nationaliteit ook nooit bezeten heeft, doch niet voldoet aan de in lid 1 genoemde voorwaarden, heeft recht op een toelage voor verblijf in het buitenland gelijk aan een vierde van de ontheemdingstoelage.

3.   Voor de toepassing van de leden 1 en 2 wordt de ambtenaar die door huwelijk automatisch en zonder mogelijkheid tot verwerping de nationaliteit heeft verkregen van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, gelijkgesteld met de ambtenaar als bedoeld in lid 1, sub a), eerste streepje.”

8.

Artikel 8, lid 1, eerste alinea, van bijlage VII bij het Statuut bepaalt: „De ambtenaar die recht heeft op de ontheemdingstoelage of de toelage voor verblijf in het buitenland, heeft binnen de in lid 2 gestelde grens voor zichzelf en, indien hij recht heeft op de kostwinnerstoelage, voor zijn echtgenoot en de personen te zijnen laste in de zin van artikel 2, eenmaal per kalenderjaar recht op betaling van een forfaitair bedrag voor de reiskosten van zijn standplaats naar zijn plaats van herkomst in de zin van artikel 7.”

III. Achtergrond van de hogere voorziening

A.   Voorgeschiedenis van het geding

9.

Het Gerecht heeft de relevante aspecten van de voorgeschiedenis van het onderhavige geding in de punten 1 tot en met 8 van het arrest van 5 oktober 2020, Brown/Commissie ( 3 ) (hierna: „bestreden arrest”) als volgt samengevat.

10.

Rekwirant, Colin Brown, had aanvankelijk alleen de hoedanigheid van onderdaan van het Verenigd Koninkrijk en heeft daar tot 1996 gewoond. Hij heeft in 1996 en 1997 in Italië gestudeerd en vervolgens van september 1997 tot en met juni 1998 in België. Rekwirant was vervolgens stagiair bij de Europese Commissie in Brussel (België) van 1 oktober 1998 tot en met 28 februari 1999. Ten slotte heeft hij van 1 maart 1999 tot en met 31 december 2000 in België voltijds in de private sector gewerkt.

11.

Rekwirant is op 1 januari 2001 in dienst getreden bij de Commissie. Het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) van de Commissie heeft hem op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van bijlage VII bij het Statuut de ontheemdingstoelage toegekend.

12.

Op 23 juni 2016 hebben de burgers van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zich in een referendum uitgesproken voor de terugtrekking van hun staat uit de Europese Unie. Op 29 maart 2017 heeft de premier van het Verenigd Koninkrijk de Europese Raad kennisgegeven van het voornemen van die lidstaat om zich uit de Unie en uit de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) terug te trekken.

13.

Rekwirant heeft op 27 juni 2017 de Belgische nationaliteit aangevraagd en die op 3 november van dat jaar verkregen. Hij heeft deze wijziging op 19 januari 2018 aan het PMO meegedeeld.

14.

Op 23 februari 2018 werd rekwirant meegedeeld dat hij vanaf 31 oktober 2017 geen recht meer had op de ontheemdingstoelage, omdat hij de Belgische nationaliteit had verkregen, en dat hij dientengevolge ook het recht op de reiskostenvergoeding verloor dat hem overeenkomstig artikel 8 van bijlage VII bij het Statuut was toegekend.

15.

Na om uitleg te hebben gevraagd, heeft rekwirant op 5 maart 2018 een e‑mail ontvangen waaruit bleek dat de intrekking van de ontheemdingstoelage werd gerechtvaardigd op grond van artikel 4, lid 1, onder b), van bijlage VII bij het Statuut, omdat hij sinds 1997 in België woonde.

16.

Op 19 maart 2018 heeft het PMO het besluit van 23 februari 2018 vervangen door een nieuw besluit waarin 1 december 2017 werd vastgesteld als datum waarop rekwirant geen recht op de ontheemdingstoelage en de reiskostenvergoeding meer had (hierna: het „litigieuze besluit”).

17.

Op 17 juni 2018 heeft rekwirant een klacht ingediend, die is afgewezen bij besluit van het tot aanstelling bevoegd gezag van 15 oktober 2018.

B.   Bestreden arrest

18.

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 11 januari 2019, heeft rekwirant op grond van artikel 270 VWEU beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit waarbij is vastgesteld dat hij geen recht meer heeft op de ontheemdingstoelage en de vergoeding van reiskosten. Bovendien verzocht hij het Gerecht te gelasten dat de ontheemdingstoelage en de reiskostenvergoeding weer werden toegekend met ingang van 1 december 2017 en dat de toelagen en vergoedingen werden uitbetaald die niet waren overgemaakt tussen 1 december 2017 en de datum waarop het recht op deze uitkeringen weer wordt vastgesteld, alles vermeerderd met rente.

19.

Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep verworpen en elke betrokken partij in haar eigen kosten verwezen.

IV. Hogere voorziening en conclusies van partijen

20.

Bij een op 11 december 2020 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift in hogere voorziening heeft rekwirant hogere voorziening ingesteld tegen het bestreden arrest.

21.

Rekwirant verzoekt het Hof:

het bestreden arrest, waarbij het Gerecht heeft geweigerd het litigieuze besluit nietig te verklaren, te vernietigen;

het litigieuze besluit nietig te verklaren op basis van het volledige aan het Hof overgelegde dossier en te gelasten dat hem met ingang van 1 december 2017 de ontheemdingstoelage en de reiskostenvergoeding weer worden toegekend en dat de toelagen worden uitbetaald die niet zijn overgemaakt tussen 1 december 2017 en de datum waarop het recht op deze uitkeringen weer wordt vastgesteld, alles vermeerderd met rente;

de Commissie te verwijzen in zijn kosten van de procedure bij het Gerecht en het Hof van Justitie.

22.

De Commissie en de Raad verzoeken het Hof:

de hogere voorziening af te wijzen;

rekwirant te verwijzen in de kosten.

23.

Partijen hebben schriftelijke opmerkingen bij het Hof ingediend en ter terechtzitting van 2 februari 2022 pleidooi gehouden over de hogere voorziening.

V. Beoordeling

A.   Hogere voorziening

24.

Zoals in het begin is vermeld, voorziet artikel 4, lid 1, onder a) en b), van bijlage VII bij het Statuut in twee situaties in de toekenning van de ontheemdingstoelage ten behoeve van ambtenaren van de Unie.

25.

In de eerste plaats wordt deze uitgekeerd aan de ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze ook nooit heeft bezeten, en die daar gedurende een periode van vijf jaar, eindigende zes maanden vóór zijn indiensttreding, niet regelmatig woonachtig is geweest of zijn voornaamste beroepsbezigheden heeft uitgeoefend. Hierbij blijven buiten beschouwing de omstandigheden die voortvloeien uit diensten, verricht voor een andere staat of een internationale organisatie [zie onder a)]. De criteria van de uitoefening van de voornaamste beroepsbezigheden en van de gewone verblijfplaats zijn even relevant ( 4 ); aangezien dit in het onderhavige geval echter niet van belang is, zal ik hieronder alleen het criterium van de gewone verblijfplaats vermelden. Bij de toepassing van deze bepaling wordt de ontheemdingstoelage aan ambtenaren die niet de nationaliteit van het land van hun standplaats bezitten, slechts geweigerd indien zij gedurende de gehele referentieperiode van vijf jaar hun gewone verblijfplaats in dat land hebben gehad. ( 5 )

26.

In de tweede plaats wordt de ontheemdingstoelage toegekend aan de ambtenaar die de nationaliteit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, weliswaar bezit of heeft bezeten, maar die gedurende een periode van tien jaar, eindigende op het ogenblik van zijn indiensttreding, daar niet regelmatig woonachtig is geweest, en wel om een andere reden dan het uitoefenen van een functie in dienst van een staat of van een internationale organisatie [zie onder b)]. Bij de toepassing van deze bepaling volstaat het dat de gewone verblijfplaats in het land van tewerkstelling slechts gedurende een zeer korte periode tijdens de referentieperiode van tien jaar is gehandhaafd om de weigering van deze uitkering te rechtvaardigen. ( 6 )

27.

Rekwirant, die aanvankelijk enkel de Britse nationaliteit bezat, is bij zijn indiensttreding in Brussel in 2001 op grond van artikel 4, lid 1, onder a), van bijlage VII bij het Statuut in aanmerking gekomen voor de ontheemdingstoelage, omdat hij niet de Belgische nationaliteit bezat of had bezeten en hij vóór zijn indiensttreding ook niet gedurende vijf jaar onafgebroken in België had gewoond of gewerkt.

28.

Nadat rekwirant in 2017 de Belgische nationaliteit had aangenomen, heeft het PMO van de Commissie zijn recht op de ontheemdingstoelage opnieuw onderzocht en vastgesteld dat hij niet langer onder punt a) van die bepaling viel, aangezien hij nu onderdaan was van het land van zijn standplaats.

29.

Voorts heeft het PMO onderzocht of rekwirant recht had op de ontheemdingstoelage overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder b), van bijlage VII bij het Statuut. Ook dit werd echter ontkend, omdat rekwirant van 1997 tot 2000, dus binnen de laatste tien jaar vóór zijn indiensttreding in 2001, in België had gewoond.

30.

Rekwirant is bij het Gerecht tevergeefs tegen dit besluit opgekomen en komt thans met twee middelen op tegen de afwijzing door het Gerecht van zijn in eerste aanleg voorgedragen argumenten.

1. Eerste middel

31.

In het kader van zijn eerste middel voert rekwirant aan dat het Gerecht ten onrechte het standpunt van de Commissie heeft bevestigd dat artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut aldus moet worden uitgelegd dat hij zijn recht op de ontheemdingstoelage heeft verloren, omdat hij 17 jaar na zijn indiensttreding de nationaliteit van het land van zijn standplaats heeft aangenomen.

32.

Volgens de uiteenzetting van het Gerecht in de punten 36, 41, 45 en 47 tot en met 51 van het bestreden arrest voorziet de betrokken bepaling niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om het recht op de ontheemdingstoelage opnieuw te onderzoeken na aanname van de nationaliteit van het land van de standplaats. Bovendien is deze toelage bedoeld ter compensatie van de ongemakken die worden veroorzaakt doordat de ambtenaar uit zijn plaats van herkomst vertrekt en die gedurende zijn loopbaan voortduren, zodat de integratie van de ambtenaar in het land van zijn standplaats na zijn indiensttreding niet in de weg kan staan aan de betaling van de ontheemdingstoelage.

33.

Door het gebruik van de tegenwoordige tijd in artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut („ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen”) en gelet op het feit dat deze toelage steeds opnieuw wordt uitbetaald, heeft de wetgever echter niet uitgesloten dat een ambtenaar gedurende zijn hele loopbaan moet blijven voldoen aan de voorwaarde dat hij niet de nationaliteit van het land van zijn standplaats bezit om zijn recht op de ontheemdingstoelage te behouden. ( 7 ) Het is dus niet uitgesloten dat de bijzondere integratievorm die erin bestaat dat na de indiensttreding de nationaliteit van het land van de standplaats wordt verkregen, een aanzienlijke wijziging van de situatie vormt die tot het verlies van de ontheemdingstoelage kan leiden, aldus het Gerecht.

34.

Volgens rekwirant berust deze conclusie op een onjuiste rechtsopvatting. Uit de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, in samenhang met de systematiek en het doel van de ontheemdingstoelage, volgt immers dat de criteria van „vreemdeling” of „ontheemd” zijn in het land van de standplaats op het moment van indiensttreding moet worden beoordeeld. Dat later de nationaliteit van het land van de standplaats is aangenomen, kan daarentegen geen gevolgen hebben voor het recht op de ontheemdingstoelage. Dit recht moet alleen opnieuw worden beoordeeld indien een ambtenaar die oorspronkelijk recht had op de ontheemdingstoelage, overstapt naar een standplaats in zijn land van herkomst en dus niet langer voldoet aan het criterium dat hij ontheemd is in het land van zijn standplaats.

a) Systematiek en doel van de ontheemdingstoelage

35.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof moet bij de uitlegging van een bepaling van Unierecht niet alleen rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen van de regeling waarvan zij deel uitmaakt. ( 8 ) Voorts moet ook rekening worden gehouden met de ontstaansgeschiedenis van een bepaling, voor zover daaruit de werkelijke bedoeling van de auteur ervan blijkt. ( 9 )

36.

Uit de systematiek van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut, zoals uiteengezet in de punten 25 en 26 van deze conclusie, blijkt dat het niet bezitten en het niet bezeten hebben van de nationaliteit van het land van de standplaats geen absoluut criterium is voor het ontvangen van de ontheemdingstoelage. Het gaat veeleer om een secundair criterium, zoals het Hof reeds uitdrukkelijk heeft verduidelijkt. Het doorslaggevende criterium voor het ontvangen van de ontheemdingstoelage is immers de gewone verblijfplaats in de laatste vijf of tien jaar vóór de indiensttreding. ( 10 )

37.

Dienovereenkomstig heeft ook de ambtenaar die niet de nationaliteit van het land van zijn standplaats bezit en heeft bezeten, geen recht op de ontheemdingstoelage wanneer hij reeds gedurende de vijf jaar voorafgaand aan zijn indiensttreding onafgebroken in dat land heeft gewoond [artikel 4, lid 1, onder a)]. Omgekeerd kan een ambtenaar die de nationaliteit bezit van het land van zijn standplaats, aanspraak maken op de ontheemdingstoelage indien hij gedurende de laatste tien jaar voorafgaand aan zijn indiensttreding niet in dat land heeft gewoond, zelfs niet voor korte tijd [artikel 4, lid 1, onder b)]. ( 11 )

38.

Zoals ook het Gerecht in punt 75 van het bestreden arrest heeft verklaard, is het criterium van de nationaliteit van het land van de standplaats dus slechts het instrument dat bepaalt of de gewone verblijfplaats gedurende de periode van vijf jaar of juist gedurende de periode van tien jaar voorafgaand aan de indiensttreding van belang is. Dit wordt verklaard door het feit dat het bezitten of bezeten hebben van de nationaliteit van een land het vermoeden doet ontstaan dat de betrokkene een bijzondere band met dat land heeft en er geen vreemdeling of „ontheemde” is. Omgekeerd doet het feit dat iemand niet de nationaliteit van een land bezit of heeft bezeten, het vermoeden ontstaan dat de betrokkene geen bijzondere band met dat land heeft en er dus vreemdeling of „ontheemde” is. ( 12 )

39.

Dit vermoeden van het al dan niet bestaan van een bijzondere band met het land van de standplaats, naargelang de ambtenaar de nationaliteit daarvan bezit of heeft bezeten, kan echter worden bevestigd of weerlegd door het criterium van de gewone verblijfplaats in het land van de standplaats in de jaren vóór de indiensttreding.

40.

Zo wordt een ambtenaar die de nationaliteit van het land van de standplaats niet bezit en niet heeft bezeten, maar daar gedurende de laatste vijf jaar vóór zijn indiensttreding onafgebroken heeft gewoond, geacht in de tussentijd een bijzondere band met dat land te hebben opgebouwd, hoewel hij daar oorspronkelijk niet vandaan komt, en er dus niet langer vreemdeling of „ontheemde” te zijn.

41.

Omgekeerd wordt de ambtenaar die de nationaliteit van het land waar hij zijn standplaats heeft, bezit of heeft bezeten, maar die daar gedurende de laatste tien jaar voorafgaand aan zijn indiensttreding niet regelmatig woonachtig is geweest, zelfs niet voor korte tijd, geacht de bijzondere band die hij oorspronkelijk door het bezit van de nationaliteit met dat land had, te hebben verbroken door zijn onafgebroken afwezigheid van tien jaar, zodat hij, wanneer hij naar dat land terugkeert om in dienst te treden bij een instelling van de Unie, voldoet aan het criterium van het zijn van „vreemdeling” of „ontheemde”. ( 13 )

42.

Het voornaamste criterium voor het recht op de ontheemdingstoelage is dus het criterium van het zijn van vreemdeling of ontheemde in het land van de standplaats bij de indiensttreding, waarvan de vervulling afhangt van de gewone verblijfplaats in de betrokken periode vóór indiensttreding. Volgens advocaat-generaal Mengozzi „hangt de toekenning van de ontheemdingstoelage […] niet zozeer af van het al dan niet bezitten van de nationaliteit van de staat waar de standplaats gelegen is, maar veeleer van de effectieve ‚ontheemdingssituatie’ waarin de ambtenaar zich op het ogenblik van zijn indiensttreding bevindt”. ( 14 )

43.

Zoals het Hof en ook het Gerecht in punt 48 van het bestreden arrest heeft vastgesteld, wordt dit verklaard door het feit de ontheemdingstoelage is „bedoeld om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren die aan de indiensttreding bij de [Unie] zijn verbonden voor de ambtenaren die uit dien hoofde genoodzaakt zijn van woonplaats te veranderen”. ( 15 ) Het Gerecht heeft in punt 49 van het bestreden arrest verder verklaard dat hierdoor een aanwerving mogelijk wordt gemaakt uit de onderdanen van de lidstaten van de Unie met inachtneming van de breedst mogelijke geografische basis en dat dit aldus een geografisch evenwicht binnen de Europese openbare dienst bevordert.

44.

Dit doel van de ontheemdingstoelage wordt bevestigd door de ontstaansgeschiedenis van de betrokken bepaling. Zoals het Gerecht in punt 47 van het bestreden arrest heeft opgemerkt, volgt immers uit een informatienota van de Raad van 11 december 1959 dat de ontheemdingstoelage is opgevat als een vergoeding „die wordt toegekend ter compensatie van de materiële kosten en de immateriële ongemakken die voortvloeien uit het feit dat de functionaris ver van zijn plaats van herkomst verwijderd is” en dat „de personeelsleden over het algemeen familiebetrekkingen […] met hun herkomstregio onderhouden”.

b) Irrelevantie van de latere integratie in het land van de standplaats na de indiensttreding voor het recht op de ontheemdingstoelage

45.

Een latere integratie in het land van de standplaats na de indiensttreding kan hieraan niets veranderen. Zoals het Gerecht in punt 47 van het bestreden arrest terecht heeft opgemerkt, kunnen de ongemakken en lasten als gevolg van het verlaten van de plaats van herkomst de hele loopbaan lang aanhouden en in die tijd zelfs toenemen, ondanks de integratie in het land van de standplaats. Het Gerecht heeft in punt 50 van het bestreden arrest verklaard dat de latere integratie van de ambtenaar in het land van de standplaats tijdens zijn verdere loopbaan bijgevolg niet relevant is voor het recht op de ontheemdingstoelage.

46.

Deze irrelevantie van de latere integratie in het land van de standplaats vloeit enerzijds voort uit het zojuist uiteengezette doel van de ontheemdingstoelage. Met andere woorden en zoals het Gerecht in een eerder arrest uitdrukkelijk heeft verklaard, „de ontheemdingstoelage is bedoeld om de bijzondere lasten en nadelen te compenseren die voortvloeien uit de permanente uitoefening van een ambt in een land waarmee de ambtenaar vóór zijn indiensttreding geen duurzame band heeft gevestigd. De aan de indiensttreding verbonden kosten worden namelijk één keer per tewerkstelling op een bepaalde plaats vergoed, door de terugbetaling van de verhuiskosten en de betaling van de inrichtingsvergoeding. De ontheemdingsvergoeding daarentegen wordt betaald gedurende de volledige duur van de tewerkstelling, ook wanneer de ambtenaar zich inmiddels kon integreren in het land van zijn standplaats.” ( 16 )

47.

Anderzijds volgt ook uit de systematiek van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut dat de latere integratie in het land van de standplaats na indiensttreding irrelevant is. Voor de vaststelling van de status als vreemdeling of ontheemde in dat land wordt namelijk uitsluitend uitgegaan van de gewone verblijfplaats in de periode vóór de indiensttreding. In de woorden van het Gerecht zelf, in punt 50 van het bestreden arrest, heeft „de wetgever […] met deze verduidelijkingen uitgesloten dat integratie als gevolg ervan dat de betrokken ambtenaar tijdens zijn loopbaan zijn gewone verblijfplaats in het land van de standplaats heeft gevestigd en daar werkt, aan die betaling in de weg kan staan.” Zoals rekwirant terecht opmerkt zou anders, dat wil zeggen indien de gewone verblijfplaats na indiensttreding van belang zou zijn voor het ontvangen van de ontheemdingstoelage, geen enkele ambtenaar van de Unie uiterlijk vijf jaar na indiensttreding nog langer recht hebben op deze toelage.

c) Irrelevantie van de latere aanname van de nationaliteit van het land van de standplaats voor het recht op de ontheemdingstoelage

48.

Zoals reeds vermeld in punt 33 van deze conclusie heeft het Gerecht niettemin geoordeeld dat het gebruik van de tegenwoordige tijd in artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut („ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen”), in samenhang met het feit dat deze toelage steeds opnieuw wordt uitbetaald, er niet aan in de weg staat dat de bijzondere integratievorm die erin bestaat dat na de indiensttreding de nationaliteit van het land van de standplaats wordt verkregen, een aanzienlijke wijziging van de situatie vormt die tot het verlies van de ontheemdingstoelage kan leiden.

49.

Rekwirant stelt terecht dat het Gerecht aldus de bewoordingen van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut heeft uitgelegd in strijd met de systematiek en het doel van die bepaling, zoals het deze zelf heeft bepaald.

50.

Hieruit volgt immers dat het criterium van het al dan niet bezitten van de nationaliteit van het land van de standplaats, evenals het criterium van de gewone verblijfplaats in de relevante periode vóór de indiensttreding, uitsluitend op het moment van de indiensttreding moet worden beoordeeld. Zoals uiteengezet, bepaalt het al dan niet bezitten van de nationaliteit immers alleen welke periode relevant is voor de beoordeling van de gewone verblijfplaats vóór de indiensttreding en dus voor het criterium van het vreemdeling zijn op de standplaats op het moment van de indiensttreding. ( 17 ) Zoals het Gerecht zelf reeds heeft erkend, moet het recht op de ontheemdingstoelage dus worden onderzocht op het moment van de indiensttreding. ( 18 )

51.

De verklaring van het Gerecht voor ambtenarenzaken dat de in de twee streepjes van artikel 4, lid 1, onder a), van bijlage VII bij het Statuut genoemde voorwaarden (niet de nationaliteit bezitten van de standplaats en er niet gedurende vijf jaar vóór de indiensttreding hebben gewoond) cumulatieve voorwaarden zijn waaraan gedurende de hele loopbaan moet zijn voldaan ( 19 ), is dus onjuist.

52.

Zoals rekwirant terecht opmerkt, is het gebruik van de tegenwoordige tijd in artikel 4, lid 1, onder a), eerste streepje, en in artikel 4, lid 1, onder b), van bijlage VII bij het Statuut veeleer eenvoudig te verklaren door het feit dat het gaat om de nationaliteit die de ambtenaar op het beslissende moment van zijn indiensttreding„bezit”. Het gebruik van de tegenwoordige tijd is logisch omdat men op een bepaald moment (bij indiensttreding) de nationaliteit alleen kan bezitten of juist niet. Het is gebruikelijk dat in abstracte, algemene regelingen de voorwaarden voor aanspraken in de tegenwoordige tijd worden geformuleerd, zonder dat aan de gebruikte grammatica enige inhoudelijke betekenis zou moeten worden gehecht.

53.

Dat de ontheemdingstoelage steeds opnieuw wordt uitbetaald, leidt niet tot een andere conclusie. Zo heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken weliswaar gelijk wanneer het stelt dat aan een toelage ter compensatie van een bepaalde last een einde moet komen wanneer die last ophoudt. ( 20 ) De last die de ontheemdingstoelage beoogt te compenseren, namelijk de verwijdering van de oorspronkelijke plaats van herkomst, houdt evenwel niet op bij het aannemen van de nationaliteit van het land van de standplaats. Zelfs deze vorm van integratie verandert immers niets aan het feit dat er sprake is van ontheemding op het moment van de indiensttreding, zijnde het criterium voor het ontvangen van de ontheemdingstoelage.

54.

Anders dan de Raad betoogt, kan uit het feit dat artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut niet alleen verwijst naar de nationaliteit die de ambtenaar „bezit” maar ook naar die welke hij „heeft bezeten”, dus niet worden afgeleid dat het gaat om de nationaliteit die de ambtenaar gedurende zijn gehele loopbaan bezit of heeft bezeten. Het feit dat men de nationaliteit van het land van de standplaats heeft bezeten, wijst immers net als die welke men bezit op een oorspronkelijke bijzondere band met dat land, waarvan het bestaan of het niet-bestaan wordt bevestigd of ontkracht door de gewone verblijfplaats in de respectieve referentieperiode vóór de indiensttreding.

55.

Het feit dat de wetgever de situatie van het „hebben bezeten” van de nationaliteit van het land van de standplaats afzonderlijk vermeldt, maar niet de situatie van het in de toekomst „zullen bezitten” van deze nationaliteit, doet eerder vermoeden dat het latere aannemen van de nationaliteit van het land van de standplaats niet relevant is voor het recht op de ontheemdingstoelage.

56.

De regeling betreffende de zogenaamde toelage voor verblijf in het buitenland pleit er a contrario eveneens voor dat de wetgever bij de ontheemdingstoelage juist geen bijzondere rechtsgevolgen heeft willen verbinden aan het latere aannemen van de nationaliteit van het land van de standplaats. De toelage voor verblijf in het buitenland wordt overeenkomstig artikel 4, lid 2, van bijlage VII bij het Statuut toegekend aan de ambtenaar die niet de nationaliteit bezit van de staat op welks grondgebied zijn standplaats is gelegen, en die deze nationaliteit ook nooit bezeten heeft, doch niet voldoet aan de in lid 1 genoemde voorwaarden voor toekenning van de ontheemdingstoelage, omdat hij gedurende de vijf jaar vóór zijn indiensttreding onafgebroken in het land van zijn standplaats heeft gewoond. Aangezien de toelage voor verblijf in het buitenland dus uitsluitend afhankelijk is van de vraag of men de nationaliteit van het land van de standplaats bezit, vervalt de toelage onvermijdelijk wanneer men deze nationaliteit aanneemt. ( 21 ) Een dergelijk duidelijk rechtsgevolg is echter juist niet voorzien met betrekking tot de ontheemdingstoelage.

57.

De uitlegging dat het aannemen van de nationaliteit van het land van de standplaats later in de loopbaan geen invloed heeft op het recht op de ontheemdingstoelage, wordt ook bevestigd door het feit dat de herbeoordeling van dit recht in een dergelijke situatie leidt tot een afwijking van de criteria voor het ontvangen van deze toelage. Indien, zoals in casu, een ambtenaar jaren na zijn indiensttreding de nationaliteit van het land van zijn standplaats aanneemt, zou het bezit van deze nationaliteit immers op dat tijdstip (hier 2017) worden beoordeeld, maar zou het hoofdcriterium van de gewone verblijfplaats in de standplaats nog steeds worden beoordeeld in de relevante periode vóór de indiensttreding (hier vóór 2001).

58.

Zoals rekwirant terecht opmerkt, wordt hiermee evenwel het doel van de wisselwerking tussen nationaliteit en verblijfplaats in het kader van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut onzinnig gemaakt. Het doel van deze wisselwerking is immers na te gaan of een ambtenaar, hoewel hij vóór zijn indiensttreding niet de nationaliteit van het land van zijn standplaats bezat, een dermate nauwe band met die plaats heeft opgebouwd dat hij er niet langer een vreemdeling is [onder a)], of dat hij, hoewel hij vóór zijn indiensttreding wel die nationaliteit bezat, de band met die plaats heeft verbroken zodat hij er nu een vreemdeling is [onder b)]. ( 22 )

59.

Het opnieuw beoordelen van het recht op de ontheemdingstoelage op het moment van aannemen van de nationaliteit van het land van de standplaats, zoals de Commissie heeft gedaan, komt erop neer dat op dat moment (in casu 2017) wordt nagegaan of rekwirant in de tien jaar vóór de indiensttreding (in casu 1990 tot en met 2000) een band heeft verbroken die in die periode nog niet eens bestond. De Commissie en de Raad erkennen dat dit alleen mogelijk is door te doen alsof rekwirant bij zijn indiensttreding reeds de Belgische nationaliteit bezat.

60.

Zoals hieronder in de punten 71 en volgende in het kader van het tweede middel zal worden aangetoond, leidt deze „fictie” (aldus het Gerecht) ( 23 ) tot een schending van het beginsel van gelijke behandeling. Rekwirant wordt aldus gelijkgesteld met ambtenaren die bij hun indiensttreding daadwerkelijk de nationaliteit van het land van de standplaats bezaten en zich dus in een andere situatie bevinden. Dit is weer een argument tegen de uitlegging die het Gerecht aan artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut geeft.

61.

De situatie is anders wanneer een ambtenaar naar zijn land van herkomst terugkeert door van standplaats te veranderen. Hier moet een nieuwe beoordeling worden gemaakt, omdat het onderzoek van de voorwaarden voor de ontheemdingstoelage logischerwijs slechts met betrekking tot één plaats kan worden verricht; indien de plaats verandert, moet dus opnieuw worden onderzocht of een vroegere band met deze plaats herleeft. ( 24 )

62.

In een geval als het onderhavige, waarin een ambtenaar recht heeft op de ontheemdingstoelage van artikel 4, lid 1, onder a), van bijlage VII bij het Statuut omdat hij noch de nationaliteit van het land van zijn standplaats heeft, noch daar vóór zijn indiensttreding gedurende vijf jaar onafgebroken heeft gewoond, en hij de nationaliteit van het land van zijn standplaats pas jaren na zijn indiensttreding aanneemt, is er echter geen sprake van een eerdere band met die standplaats die dateert van vóór zijn indiensttreding en die zou kunnen herleven. Derhalve hoeft hier niet opnieuw te worden onderzocht of de betrokken ambtenaar recht heeft op de ontheemdingstoelage, ditmaal uit hoofde van lid 1, onder b), van die bepaling.

63.

Dat een later onderzoek op grond van artikel 4, lid 1, onder b), van bijlage VII bij het Statuut zoals dat in casu heeft plaatsgevonden niet passend is, blijkt ook uit het feit dat ambtenaren die, zoals rekwirant, jaren na hun indiensttreding de nationaliteit van hun standplaats aannemen, maar daar – anders dan rekwirant – niet hebben gewoond gedurende de tien jaar die aan hun indiensttreding voorafgingen, de ontheemdingstoelage behouden. Ondanks de „bijzondere integratievorm die erin bestaat dat na de indiensttreding de nationaliteit van het land van de standplaats wordt verkregen” – zoals het Gerecht het heeft verwoord in punt 51 van het bestreden arrest – mogen de ambtenaren die in een dergelijke situatie verkeren (en die volgens de bewoordingen van het Gerecht in de punten 94 en 95 van het bestreden arrest talrijk zijn) bijgevolg hun ontheemdingstoelage behouden, omdat zij in de jaren vóór hun indiensttreding niet in dat land hebben gewoond.

64.

Uit al deze overwegingen blijkt dat, zoals rekwirant ter terechtzitting terecht heeft opgemerkt, er geen enkele aanwijzing is dat het aannemen van de nationaliteit van het land van de standplaats een uitzondering zou vormen op het beginsel dat de integratie in het land van de standplaats na de indiensttreding irrelevant is voor de ontheemdingstoelage.

65.

Het aannemen van de nationaliteit van het land van de standplaats kan zeker een bijzonder sterke vorm van integratie zijn, maar dat is niet van belang. De ontheemdingstoelage is zo opgezet dat enerzijds niet wordt ontkend dat de ambtenaren van de Unie in dat land integreren, maar anderzijds ook wordt erkend dat de last van de verwijdering van de plaats van herkomst ondanks deze integratie blijft bestaan.

66.

Bovendien kan het mettertijd, ongeacht de sterkte van de integratie in het gastland, zelfs moeilijker worden om legitieme banden met het land van herkomst te onderhouden. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer men voor bejaarde en hulpbehoevende ouders of andere familieleden moet zorgen. Evenmin kan worden aangenomen dat de wetgever van de Unie ambtenaren van de Unie ervan heeft willen weerhouden zich sterk in hun gastland te integreren, door het aannemen van de nationaliteit van dat land te „bestraffen” met het verlies van de ontheemdingstoelage. Integendeel, het is in de geest van de Unie en van de toenadering tussen haar lidstaten dat de ambtenaren van de Unie zich zo goed mogelijk integreren in de lidstaat van tewerkstelling.

67.

Het opvallende argument van de Raad ter terechtzitting dat „iemand die in ‚zijn eigen land’ woont, geen ‚expat’ kan zijn”, gaat dus voorbij aan de opzet van de ontheemdingstoelage. Hieruit volgt dat het begrip „vreemdeling” of „ontheemde zijn” in de zin van het Statuut betrekking heeft op de situatie waarin een ambtenaar zijn land van herkomst verlaat om in dienst te treden van de Unie, ongeacht de latere integratie in het land van de standplaats en zelfs indien dit land het „eigen land” van de ambtenaar wordt doordat hij later de nationaliteit daarvan verkrijgt.

68.

Anders dan de Raad meent, ontneemt de uitlegging dat het aannemen van de nationaliteit na indiensttreding geen gevolgen heeft voor het recht op de ontheemdingstoelage, bovendien niet het nuttig effect aan het nationaliteitscriterium van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut. Dit criterium blijft immers ongewijzigd relevant voor de beoordeling van het zijn van vreemdeling in het land van de standplaats op het moment van de indiensttreding.

69.

In zijn arrest in de zaak Airola/Commissie, waarvan de relevante passage ook door het Gerecht in het bestreden arrest is aangehaald, heeft het Hof geoordeeld dat „derhalve het in artikel 4, lid 1, onder a), van bijlage VII [bij het Statuut] genoemde begrip huidige of de vroegere nationaliteit van de ambtenaar aldus is te preciseren, dat de aan een vrouwelijke ambtenaar bij huwelijk met een onderdaan van een andere staat ambtshalve en zonder mogelijkheid tot verwerping opgelegde nationaliteit buiten beschouwing wordt gelaten”. ( 25 ) Mutatis mutandis moet in dit geval worden vastgesteld dat deze bepaling evenmin betrekking heeft op de nationaliteit van het land van de standplaats die een ambtenaar van de Unie na zijn indiensttreding aanneemt.

70.

Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de opvatting van de Commissie te bevestigen dat het aannemen van de Belgische nationaliteit door rekwirant aanleiding zou geven tot een nieuw onderzoek van zijn recht op de ontheemdingstoelage. Het eerste middel is dus gegrond.

2. Tweede middel

71.

Met zijn tweede middel stelt rekwirant dat het Gerecht door zijn toepassing van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden door hem op dezelfde wijze te behandelen als de ambtenaren die bij hun indiensttreding de nationaliteit van het land van hun standplaats hadden.

72.

Het tweede middel wordt slechts subsidiair onderzocht. Want indien het Hof mijn opvatting over het eerste middel deelt, moet het arrest alleen al op die grond worden vernietigd.

73.

Het beginsel van gelijke behandeling verbiedt om vergelijkbare situaties verschillend en verschillende situaties gelijk te behandelen, tenzij een dergelijke verschillende of gelijke behandeling objectief gerechtvaardigd wordt. De vergelijkbaarheid van situaties moet worden beoordeeld tegen de achtergrond van het voorwerp en het doel van de handeling van de Unie die het betrokken onderscheid invoert. ( 26 )

74.

Het Gerecht heeft in de punten 87 tot en met 90 van het bestreden arrest geoordeeld dat het opnieuw diende te onderzoeken of rekwirant na het aannemen van de Belgische nationaliteit recht had op de ontheemdingstoelage. Anders zou hij gunstiger worden behandeld dan Belgen van geboorte die in België bij een instelling van de Unie in dienst zijn getreden.

75.

Rekwirant, die vóór zijn indiensttreding in België niet de Belgische nationaliteit bezat en deze pas jaren later heeft aangenomen, bevindt zich feitelijk in een andere situatie wat het doel van de ontheemdingstoelage betreft, te weten de ongemakken te compenseren die voortvloeien uit de verhuizing naar de plaats van tewerkstelling, en uit het feit dat hij er een vreemdeling is. ( 27 ) Aangezien hij oorspronkelijk niet de nationaliteit van het land van zijn standplaats had, had hij daarmee ook geen bijzondere band, die alleen had kunnen worden verbroken door een onafgebroken afwezigheid van tien jaar vóór zijn indiensttreding. ( 28 )

76.

Anders dan de Commissie en de Raad met name ter terechtzitting in dit verband hebben betoogd, verkeert rekwirant evenmin in dezelfde situatie als een voormalige Belg die in België werkt en afstand heeft gedaan van zijn Belgische nationaliteit. Want ook hier is het „hebben bezeten” van de nationaliteit van het land van de standplaats een aanwijzing dat de betrokkene oorspronkelijk een bijzondere band met dit land had, waarvan het al dan niet meer bestaan wordt vastgesteld door het onderzoek van de gewone verblijfplaats in de referentieperiode vóór de indiensttreding. In de situatie van rekwirant, die pas jaren na zijn indiensttreding de Belgische nationaliteit heeft aangenomen, is er echter geen sprake van een dergelijk vermoeden van het bestaan van een oorspronkelijke band waarvan het voortbestaan of de onderbreking kan worden onderzocht.

77.

Hetzelfde geldt, zoals hierboven uiteengezet, voor de vergelijking die de Commissie maakt met de situatie van een Belg die oorspronkelijk in een ander land werkte en in zijn land van herkomst gaat werken. ( 29 )

78.

Anders dan met name de Raad ter terechtzitting heeft betoogd, is het in het kader van de ontheemdingstoelage onjuist dat alle ambtenaren die de nationaliteit van het land van hun standplaats bezitten, gelijk moeten worden behandeld, ongeacht wanneer zij die nationaliteit hebben verkregen. Immers, wat deze toelage betreft „is de ene nationaliteit de andere niet”. Integendeel, de nationaliteit van het land van de standplaats bepaalt enkel welk tijdvak vóór de indiensttreding relevant is voor het onderzoek of bij de indiensttreding aan het criterium van ontheemding is voldaan. ( 30 )

79.

Dat rekwirant zich feitelijk niet meer in dezelfde situatie bevindt als de ambtenaren van de Unie die niet de nationaliteit van het land van hun standplaats hebben aangenomen, is derhalve irrelevant voor het recht op de ontheemdingstoelage. Aangezien alleen het ontbreken van integratie op het moment van de indiensttreding van belang is, verkeren ambtenaren die na hun indiensttreding de nationaliteit van het land van de standplaats aannemen, en zij die dat niet doen, met het oog op het doel van de ontheemdingstoelage, wel degelijk in dezelfde situatie.

80.

De Commissie en de Raad citeren weliswaar passages uit arresten waarin wordt gesteld dat met de ontheemdingstoelage „wordt […] beoogd de feitelijke ongelijkheid tussen ambtenaren die volledig geïntegreerd zijn in de samenleving van het land van de standplaats, en ambtenaren die dat niet zijn, te neutraliseren”. ( 31 ) Deze passages moeten echter in hun context worden gelezen, waaruit blijkt dat het hier gaat om integratie in de samenleving van het land van de standplaats vóór de indiensttreding. Daarentegen heeft het Gerecht zelf reeds verklaard dat integratie na indiensttreding irrelevant is voor de ontheemdingstoelage. ( 32 ) Wat deze toelage betreft, moet de integratie van de ambtenaren in het land van de standplaats derhalve worden vergeleken vóór en niet na hun indiensttreding.

81.

De Commissie en de Raad hebben ter terechtzitting zelf erkend dat de situatie van rekwirant een „grenssituatie” vormde, omdat de toepassing van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut op de door hen bepleite wijze in deze situatie alleen mogelijk was door te doen alsof rekwirant reeds bij zijn indiensttreding de Belgische nationaliteit bezat. Rekwirant merkt terecht op dat het onderzoek van het bestaan van ongelijke behandeling echter niet kan worden gebaseerd op een dergelijke veronderstelling, die niet overeenstemt met de werkelijkheid.

82.

Zoals het Gerecht zelf in de punten 83, 91 en 92 van het bestreden arrest heeft erkend, heeft de wetgever categorieën vastgesteld voor het recht op de ontheemdingstoelage en moet worden onderzocht in welke van deze categorieën de ambtenaren van de Unie zich bevinden. Het is onaanvaardbaar dat een ambtenaar door gebruik te maken van veronderstellingen die niet met de werkelijkheid overeenstemmen, van de ene naar de andere categorie wordt overgeplaatst of wordt gelijkgesteld met ambtenaren van die categorie, ondanks dat hij door zijn situatie niet in die categorie hoort.

83.

Uit het voorgaande volgt dat het Gerecht door zijn toepassing van artikel 4, lid 1, van bijlage VII bij het Statuut het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden en aldus blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Ook het tweede middel is dus gegrond.

B.   Beroep bij het Gerecht

84.

Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie kan het Hof, in geval van vernietiging van de beslissing van het Gerecht, de zaak zelf afdoen wanneer deze in staat van wijzen is.

85.

Dit is hier het geval.

86.

Rekwirant verzoekt het Hof het litigieuze besluit nietig te verklaren en te gelasten dat zijn ontheemdingstoelage en reiskostenvergoeding weer worden toegekend met ingang van 1 december 2017 en dat de toelagen worden uitbetaald die niet zijn overgemaakt tussen 1 december 2017 en de datum waarop het recht op deze uitkeringen weer wordt vastgesteld, alles vermeerderd met rente.

87.

Wat allereerst de vordering tot nietigverklaring van het litigieuze besluit betreft, volgt uit het voorgaande dat het besluit van het PMO van de Commissie van 19 maart 2018, waarbij is beslist dat rekwirant met ingang van 1 december 2017 geen recht meer heeft op de ontheemdingstoelage en de vergoeding van reiskosten, nietig moet worden verklaard.

88.

Wat vervolgens het verzoek betreft om de ontheemdingstoelage en de reiskostenvergoeding van rekwirant met ingang van 1 december 2017 weer uit te betalen, volgt uit het voorgaande evenzeer dat de verkrijging van de Belgische nationaliteit door rekwirant op 3 november 2017 geen afbreuk doet aan zijn recht op de ontheemdingstoelage uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder a), en op vergoeding van zijn reiskosten uit hoofde van artikel 8 van bijlage VII bij het Statuut. Het herstel van zijn recht op deze uitkeringen – mocht het Hof de hier gekozen oplossing volgen – vloeit dus voort uit het arrest van het Hof zelf, zonder dat het Hof dit afzonderlijk hoeft te bepalen. Het is veeleer de taak van de Commissie om overeenkomstig artikel 266 VWEU de passende maatregelen te nemen die voortvloeien uit het arrest van het Hof. ( 33 )

89.

Wat ten slotte het verzoek betreft om de toelagen uit te betalen die niet zijn overgemaakt tussen 1 december 2017 en de datum waarop het recht op deze uitkeringen weer wordt vastgesteld, vermeerderd met rente, zij erop gewezen dat het Hof krachtens artikel 91, lid 1, tweede volzin, van het Statuut in geschillen van geldelijke aard over een volledige rechtsmacht beschikt, op grond waarvan het de instellingen van de Unie kan veroordelen tot betaling van de krachtens het Statuut verschuldigde bedragen, in voorkomend geval vermeerderd met rente. ( 34 ) Indien een besluit waarbij een ambtenaar het recht op de ontheemdingstoelage wordt geweigerd nietig wordt verklaard, is het Hof dus bevoegd om de Commissie te veroordelen tot betaling van de toelagen die zij had moeten betalen sinds de vaststelling van dat besluit. ( 35 )

90.

Dientengevolge moet de Commissie worden veroordeeld tot betaling aan rekwirant van de ontheemdingstoelagen en de reiskosten die niet zijn overgemaakt tussen 1 december 2017 en de datum waarop het recht op deze uitkeringen weer wordt vastgesteld.

91.

Bovendien volgt uit de rechtspraak dat de krachtens het Statuut verschuldigde bedragen die te laat worden betaald, overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut worden verhoogd met rente vanaf de datum van indiening van de klacht. ( 36 ) Bijgevolg zijn vorderingen die reeds opeisbaar waren op de dag van indiening van de klacht, in het onderhavige geval dus op 17 juni 2018 ( 37 ), rentedragend vanaf die dag, terwijl vorderingen die na die dag opeisbaar zijn geworden rentedragend zijn vanaf de respectieve vervaldatum. ( 38 ) Wat ten slotte de rentevoet betreft, volgt uit recente rechtspraak dat de verschuldigde bedragen moeten worden verhoogd met rente, berekend tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank (ECB) in de betrokken periode voor haar basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met drieënhalf procentpunt. ( 39 )

VI. Kosten

92.

Volgens artikel 184, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof, beslist het Hof over de kosten wanneer de hogere voorziening gegrond is en het de zaak zelf afdoet.

93.

Artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, bepaalt dat de in het ongelijk gestelde partij in de kosten wordt verwezen, voor zover dit is gevorderd.

94.

Aangezien rekwirant heeft gevorderd de Commissie te verwijzen in de kosten van de procedure bij het Gerecht en bij het Hof en de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet de Commissie worden verwezen in de kosten van rekwirant en in haar eigen kosten, zowel in eerste aanleg als in hogere voorziening.

95.

Krachtens artikel 140, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering, dat op grond van artikel 184, lid 1, ervan van toepassing is op de procedure in hogere voorziening, dragen de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. De Raad moet derhalve zijn eigen kosten dragen die in het kader van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening zijn gemaakt.

VII. Conclusie

96.

In het licht van het voorgaande geef ik het Hof in overweging om te beslissen als volgt:

„1)

Het arrest van het Gerecht van de Europese Unie (Vierde kamer – uitgebreid) van 5 oktober 2020, Brown/Commissie (T‑18/19, EU:T:2020:465), wordt vernietigd.

2)

Het besluit van het Bureau voor het beheer en de afwikkeling van de individuele rechten (PMO) van de Europese Commissie van 19 maart 2018, waarbij is beslist dat Colin Brown vanaf 1 december 2017 geen recht op de ontheemdingstoelage en de vergoeding van reiskosten meer had, wordt nietig verklaard.

3)

De Commissie wordt veroordeeld tot betaling aan Brown van de ontheemdingstoelagen en reiskosten die niet zijn overgemaakt tussen 1 december 2017 en de datum waarop het recht op de ontheemdingstoelage en op de vergoeding van reiskosten weer wordt vastgesteld.

4)

Over de door de Commissie aan Brown te betalen bedragen dient vanaf 17 juni 2018 rente te worden betaald tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank in de betrokken periode voor haar basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met drieënhalf procentpunt. Over bedragen die reeds op 17 juni 2018 verschuldigd waren moet vanaf die datum rente worden betaald, over bedragen die later verschuldigd zijn geworden vanaf de respectieve vervaldatum.

5)

De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in de kosten die Brown in het kader van de procedure in eerste aanleg en in de onderhavige hogere voorziening heeft gemaakt.

6)

De Raad draagt zijn eigen kosten die in het kader van de procedure in eerste aanleg en in hogere voorziening zijn gemaakt.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Duits.

( 2 ) Verordening nr. 31/EEG, 11/EGA, van de Raad van 18 december 1961 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (PB 1962, 45, blz. 1385).

( 3 ) T‑18/19, EU:T:2020:465.

( 4 ) Zie wat betreft het verband tussen de criteria van de gewone verblijfplaats en de uitoefening van de voornaamste beroepsbezigheden arrest van 28 februari 2019, Pozza/Parlement (T‑216/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:118, punten 28 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 5 ) Zie arresten van 15 september 2021, LF/Commissie (T‑466/20, EU:T:2021:574, punt 40 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 11 juli 2007, B/Commissie (F‑7/06, EU:F:2007:129, punt 38 en aldaar aangehaalde rechtspraak), alsmede punt 76 van het bestreden arrest. Zie echter met betrekking tot „sporadische en kortstondige verblijfsperioden buiten het land van zijn standplaats” met behoud van de woonplaats in de latere standplaats, arrest van 9 oktober 1984, Witte/Parlement (188/83, EU:C:1984:309, punten 911).

( 6 ) Zie de reeds in de voetnoot hierboven aangehaalde arresten LF/Commissie en B/Commissie.

( 7 ) Zie in dezelfde zin reeds het arrest van 26 juni 2013, Achab/EESC (F‑21/12, EU:F:2013:95, punt 28).

( 8 ) Arresten van 14 juni 2012, Banco Español de Crédito (C‑618/10, EU:C:2012:349, punt 61); 14 januari 2016, Vodafone (C‑395/14, EU:C:2016:9, punt 40), en 25 januari 2018, Commissie/Tsjechië (C‑314/16, EU:C:2018:42, punt 47).

( 9 ) Zie in die zin arrest van 22 oktober 2009, Zurita García en Choque Cabrera (C‑261/08 en C‑348/08, EU:C:2009:648, punt 54 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 10 ) Arresten van 20 februari 1975, Airola/Commissie (21/74, EU:C:1975:24, punten 68); 16 oktober 1980, Hochstrass/Hof van Justitie (147/79, EU:C:1980:238, punt 12), en 2 juli 1981, Garganese/Commissie (185/80, EU:C:1981:161, punt 11); zie ook arresten van 28 februari 2019, Pozza/Parlement (T‑216/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:118, punt 37), en 11 juli 2007, B/Commissie (F‑7/06, EU:F:2007:129, punt 35).

( 11 ) Zie arresten van 15 september 2021, LF/Commissie (T‑466/20, EU:T:2021:574, punt 35 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 11 juli 2007, B/Commissie (F‑7/06, EU:F:2007:129, punt 36 e.v. en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 12 ) Zie arrest van 11 juli 2007, B/Commissie (F‑7/06, EU:F:2007:129, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak); zie ook punt 82 van het bestreden arrest.

( 13 ) Arrest van 13 november 1986, Richter/Commissie (330/85, EU:C:1986:430, punt 6), en arresten van 27 september 2000, Lemaître/Commissie (T‑317/99, EU:T:2000:218, punt 50), en 11 juli 2007, B/Commissie (F‑7/06, EU:F:2007:129, punt 39). Dat de tijd doorgebracht in dienst van een staat of een internationale organisatie niet wordt meegeteld bij de berekening van de tijd doorgebracht in [onder a)] of buiten [onder b)] het land van de standplaats, berust op de veronderstelling dat het verrichten van diensten voor een staat of voor een internationale organisatie niet geschikt is om een duurzame band tussen de betrokkene en de staat te doen ontstaan waar deze diensten worden verricht; zie in dit verband de conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Commissie/Hosman-Chevalier (C‑424/05 P, EU:C:2007:169, punten 50 en 51 en aldaar aangehaalde rechtspraak); zie ook arrest van 13 juli 2018, Quadri di Cardano/Commissie (T‑273/17, EU:T:2018:480, punt 49).

( 14 ) Conclusie van advocaat-generaal Mengozzi in de zaak Commissie/Hosman-Chevalier (C‑424/05 P, EU:C:2007:169, punt 44, voetnoot 23).

( 15 ) Arresten van 2 juli 1981, Garganese/Commissie (185/80, EU:C:1981:161, punt 11), en 15 september 1994, Magdalena Fernández/Commissie (C‑452/93 P, EU:C:1994:332, punten 20 en 21).

( 16 ) Arrest van 30 maart 1993, Vardakas/Commissie (T‑4/92, EU:T:1993:29, punt 39) (cursivering van mij).

( 17 ) Zie hierboven, punten 36 tot en met 42.

( 18 ) Arrest van 13 juli 2018, Quadri di Cardano/Commissie (T‑273/17, EU:T:2018:480, punt 58).

( 19 ) Arrest van 26 juni 2013, Achab/EESC (F‑21/12, EU:F:2013:95, punt 28).

( 20 ) Arrest van 26 juni 2013, Achab/EESC (F‑21/12, EU:F:2013:95, punt 26).

( 21 ) Zie arrest van 16 oktober 1980, Hochstrass/Hof van Justitie (147/79, EU:C:1980:238, punt 12).

( 22 ) Zie hierboven, punten 38 tot en met 41.

( 23 ) Zie 85 van het bestreden arrest.

( 24 ) Zie met betrekking tot de intrekking van de ontheemdingstoelage bij terugkeer naar het land van herkomst bijvoorbeeld beschikking van 14 juli 2005, Gouvras/Commissie (C‑420/04 P, EU:C:2005:482, punt 57), met verwijzing naar het arrest van het Gerecht van 15 juli 2004, Gouvras/Commissie (T‑180/02 en T‑113/03, EU:T:2004:238, punt 104; zie ook punt 85); zie verder arrest van 28 september 1993, Magdalena Fernández/Commissie (T‑90/92, EU:T:1993:78). Tijd doorgebracht in dienst van de Unie buiten het land van herkomst wordt aangemerkt als tijd doorgebracht in dienst van een internationale organisatie die de band met het land van herkomst niet verbreekt, zie arrest van 13 juli 2018, Quadri di Cardano/Commissie (T‑273/17, EU:T:2018:480, punt 50, en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 25 ) Arrest van 20 februari 1975, Airola/Commissie (21/74, EU:C:1975:24, punt 9/12). Zie ook punt 61 van het bestreden arrest en, thans, artikel 4, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut.

( 26 ) Arrest van 1 maart 2011, Association belge des Consommateurs Test-Achats e.a. (C‑236/09, EU:C:2011:100, punten 28 en 29); zie ook punt 80 van het bestreden arrest.

( 27 ) Zie hierboven, punt 43.

( 28 ) Zie in dit verband hierboven, punt 59.

( 29 ) Zie hierboven, punt 61.

( 30 ) Zie hierboven, punt 38.

( 31 ) Arresten van 21 juni 2007, Commissie/Hosman-Chevalier (C‑424/05 P, EU:C:2007:367, punt 26), en 25 maart 2021, Alvarez y Bejarano e.a./Commissie (C‑517/19 P en C‑518/19 P, EU:C:2021:240, punt 69).

( 32 ) Arrest van 30 maart 1993, Vardakas/Commissie (T‑4/92, EU:T:1993:29, punt 39); zie in dit verband reeds hierboven, punt 46.

( 33 ) Zie in die zin arrest van 5 december 2012, Grazyte/Commissie (F‑76/11, EU:F:2012:173, punt 24 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 34 ) Zie arresten van 17 april 1997, de Compte/Parlement (C‑90/95 P, EU:C:1997:198, punt 45); 18 december 2007, Weißenfels/Parlement (C‑135/06 P, EU:C:2007:812, punten 6568 en aldaar aangehaalde rechtspraak), en 20 mei 2010, Gogos/Commissie (C‑583/08 P, EU:C:2010:287, punten 4446 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

( 35 ) Zie in die zin arrest van 5 december 2012, Grazyte/Commissie (F‑76/11, EU:F:2012:173, punten 25 en 26).

( 36 ) Zie in dit verband uitvoerig de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/IPK International (C‑336/13 P, EU:C:2014:2170, punten 35 e.v., met name punt 68).

( 37 ) Zie hierboven, punt 17.

( 38 ) Zie arrest van 15 januari 1985, Battaglia/Commissie (737/79, EU:C:1985:4, punt 10), alsmede de verdere in voetnoot 42 van de conclusie van advocaat-generaal Bot in de zaak Commissie/IPK International (C‑336/13 P, EU:C:2014:2170) aangehaalde arresten.

( 39 ) Zie bijvoorbeeld, in het ambtenarenrecht, arresten van 3 juli 2019, PT/EIB (T‑573/16, EU:T:2019:481, punt 444); 3 oktober 2019, DQ e.a./Parlement (T‑730/18, EU:T:2019:725, punt 118), en 19 december 2019, Wehrheim/ECB (T‑100/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:882, punt 115); zie verder ook het arrest van 20 januari 2021, Commissie/Printeos (C‑301/19 P, EU:C:2021:39, punt 129). De door de ECB voor haar basisherfinancieringstransacties gehanteerde rentevoet, vermeerderd met drieënhalf procentpunt, komt overeen met de rentevoet die in artikel 116, lid 5, onder a), juncto artikel 99, lid 2, onder b), van verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (PB 2018, L 193, blz. 1) algemeen is vastgesteld voor betalingen van de Unie die worden verricht na het verstrijken van de betalingstermijnen waarvoor geen andere voorziening is getroffen.