CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL

M. CAMPOS SÁNCHEZ-BORDONA

van 2 december 2021 ( 1 )

Zaak C‑645/20

VA,

ZA

tegen

TP

[verzoek van de Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) om een prejudiciële beslissing]

„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken – Bevoegdheid op het gebied van erfopvolging – Subsidiaire bevoegdheid – Gewone verblijfplaats van de erflater in een derde staat op het tijdstip van overlijden – Erflater met de nationaliteit van een lidstaat en goederen in die staat – Verplichting om ambtshalve de eigen bevoegdheid op te werpen”

1.

De Cour de cassation (hoogste rechter in burgerlijke en strafzaken, Frankrijk) vraagt het Hof of de autoriteiten van een lidstaat ( 2 ) waar zich goederen van de erflater bevinden, zich krachtens artikel 10 van verordening nr. 650/2012 ambtshalve bevoegd moeten verklaren om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.

2.

Aanleiding voor deze vraag is een geschil over erfrechten tussen de kinderen van een overleden Frans staatsburger, wiens laatste gewone verblijfplaats in Frankrijk ter discussie staat, en diens echtgenote (maar niet de moeder van zijn kinderen) op het tijdstip van zijn overlijden.

3.

Geen van de partijen betwist de nationaliteit van de erflater op het tijdstip van overlijden of het feit dat hij een in Frankrijk gelegen onroerend goed bezat. De partijen zijn het er alleen niet over eens waar hij op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had.

4.

In eerste aanleg heeft een Frans gerecht zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de door de kinderen van de overledene ingestelde vordering tot aanstelling van een gevolmachtigde voor de nalatenschap.

5.

In tweede aanleg heeft het betrokken gerecht echter geoordeeld dat de Franse gerechtelijke autoriteiten niet bevoegd waren voor de erfopvolging in haar geheel, aangezien de erflater zijn laatste verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk had.

6.

In het cassatieberoep betogen verzoekers dat de Franse gerechtelijke autoriteiten zich hoe dan ook op eigen initiatief bevoegd moesten verklaren, hetgeen het voorwerp is van de door de verwijzende rechter gestelde vraag.

I. Toepasselijk recht – Verordening nr. 650/2012

7.

Overweging 7 luidt:

„De goede werking van de interne markt moet worden vergemakkelijkt door het wegnemen van de belemmeringen voor het vrije verkeer van personen die thans moeilijkheden ondervinden om hun rechten te doen gelden in het kader van een erfopvolging met grensoverschrijdende gevolgen. In de Europese justitiële ruimte moeten burgers op voorhand hun erfopvolging kunnen organiseren. De rechten van erfgenamen en legatarissen, van andere personen die de erflater na staan en van schuldeisers van de nalatenschap moeten daadwerkelijk worden gegarandeerd.”

8.

In overweging 23 is te lezen:

„Gelet op de toenemende mobiliteit van burgers en teneinde de goede rechtsbedeling in de Europese Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat er een echte band bestaat tussen de erfopvolging en de lidstaat waar de bevoegdheid wordt uitgeoefend, moet deze verordening erin voorzien dat de gewone verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van zijn overlijden als algemeen aanknopingspunt geldt voor het bepalen van zowel de bevoegdheid als het toepasselijke recht. [...]”

9.

In overweging 27 wordt verklaard:

„De voorschriften van deze verordening zijn opgesteld om ervoor te zorgen dat de autoriteit die de erfopvolging behandelt, in de meeste gevallen, haar eigen recht kan toepassen. In deze verordening worden daarom een aantal mechanismen vastgelegd die in werking treden indien de erflater het recht van de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit heeft gekozen als het recht dat zijn erfopvolging beheerst.”

10.

Overweging 30 luidt als volgt:

„Om ervoor te zorgen dat de gerechten van alle lidstaten op dezelfde gronden bevoegdheid inzake de erfopvolging kunnen uitoefenen in gevallen waarin de erflater op het tijdstip van overlijden niet zijn gewone verblijfplaats in een lidstaat had, dient deze verordening limitatief, in een hiërarchische volgorde, de gronden op te sommen, op grond waarvan deze subsidiaire bevoegdheid kan worden uitgeoefend.”

11.

In overweging 43 staat te lezen:

„De bevoegdheidsregels als bepaald in deze verordening kunnen er in bepaalde gevallen toe leiden dat een gerecht dat bevoegd is om uitspraak over de erfopvolging te doen, niet het recht van zijn eigen staat toepast. [...]”

12.

In overweging 57 is het volgende opgenomen:

„De collisieregels in deze verordening kunnen leiden tot de toepassing van het recht van een derde staat. Indien dat het geval is, moet rekening worden gehouden met de regels van internationaal privaatrecht van die staat. Als die regels voorzien in terugverwijzing naar hetzij het recht van een lidstaat, hetzij naar het recht van een derde staat die zijn eigen erfrecht zou toepassen, moet in het belang van de internationale consistentie deze terugverwijzing worden aanvaard. [...]”

13.

Artikel 4 („Algemene bevoegdheid”) bepaalt:

„De gerechten van de lidstaat waar de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats had, zijn bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel.”

14.

Artikel 10 („Subsidiaire bevoegdheid”) is als volgt verwoord:

„1.   Indien de erflater op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats niet in een lidstaat had, zijn de gerechten van een lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden toch bevoegd om uitspraak te doen over de erfopvolging in haar geheel voor zover:

a)

de erflater op het tijdstip van overlijden de nationaliteit van die lidstaat had; of, als dat niet het geval is,

b)

de erflater zijn vorige gewone verblijfplaats in deze lidstaat had, mits er op het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt een termijn van niet meer dan vijf jaar is verstreken sedert deze gewone verblijfplaats is gewijzigd.

2.   Indien geen enkel gerecht in een lidstaat op grond van lid 1 bevoegd is, zijn de gerechten van de lidstaat waar zich goederen van de nalatenschap bevinden ter zake van die goederen toch bevoegd.”

15.

In artikel 15 („Toetsing van de bevoegdheid”) is het volgende opgenomen:

„Indien bij een gerecht van een lidstaat een erfrechtzaak aanhangig is gemaakt, waarvoor het volgens deze verordening niet bevoegd is, verklaart het zich ambtshalve onbevoegd.”

16.

Artikel 20 („Universele toepassing”) bepaalt het volgende:

„Elk recht dat bij deze verordening is aangewezen, wordt toegepast, ongeacht of dit het recht van een lidstaat is of niet.”

II. Feiten, hoofdgeding en prejudiciële vraag

17.

XA, die de Franse nationaliteit had, is op 3 september 2015 in Frankrijk overleden, waarbij hij zijn echtgenote, TP, en zijn drie uit een eerste huwelijk geboren kinderen, YA, ZA en VA (hierna: „erfgenamen A”), als erfgenamen bij versterf heeft achtergelaten.

18.

Met het oog op de aanstelling van een gevolmachtigde voor de nalatenschap is TP door de erfgenamen A voor de president van een rechtbank in eerste aanleg, zetelend in kort geding, gebracht.

19.

Zij voerden daarbij aan dat de Franse gerechten op grond van artikel 4 van verordening nr. 650/2012 bevoegd zijn, gelet op het feit dat hun vader op het tijdstip van overlijden zijn gewone verblijfplaats in Frankrijk had.

20.

Het gerecht in eerste aanleg oordeelde dat dit het geval was en verklaarde zich bevoegd om kennis te nemen van de zaak, een beslissing waartegen TP hoger beroep heeft ingesteld bij de cour d’appel de Versailles (rechter in tweede aanleg Versailles, Frankrijk).

21.

Het gerecht in tweede aanleg was van oordeel dat de overledene zijn laatste gewone verblijfplaats in het Verenigd Koninkrijk had en dat de Franse gerechtelijke autoriteiten daarom op grond van artikel 4 van verordening nr. 650/2012 in casu onbevoegd waren.

22.

Voor de Cour de cassation hebben de erfgenamen A aangevoerd dat:

het gerecht in tweede aanleg ambtshalve zijn bevoegdheid had moeten opwerpen, krachtens artikel 10 van verordening nr. 650/2012 ( 3 );

de overledene de Franse nationaliteit en in Frankrijk gelegen goederen bezat ( 4 );

indien hij zijn laatste gewone verblijfplaats niet in Frankrijk had, de Franse gerechten subsidiair toch bevoegd zouden zijn om over de erfopvolging in haar geheel uitspraak te doen, aangezien zich in Frankrijk goederen van de nalatenschap bevonden en de erflater op het tijdstip van overlijden de nationaliteit van die staat had;

de bepalingen van verordening nr. 650/2012 van openbare orde zijn en ambtshalve door de rechter dienen te worden toegepast.

23.

In deze context heeft de Cour de cassation het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag:

„Dienen de bepalingen van artikel 10, lid 1, onder a), van [verordening nr. 650/2012] aldus te worden uitgelegd dat, indien de erflater zijn gewone verblijfplaats op het tijdstip van overlijden niet in een lidstaat had, het gerecht van een lidstaat waar de gewone verblijfplaats van de erflater niet was gevestigd maar dat vaststelt dat deze erflater de nationaliteit van die lidstaat had en aldaar gelegen goederen bezat, de in die verordening opgenomen subsidiaire bevoegdheid ambtshalve moet opwerpen?”

III. Procedure bij het Hof

24.

Het verzoek om een prejudiciële beslissing is bij de griffie van het Hof ingekomen op 1 december 2020.

25.

TP, de regeringen van Spanje, Frankrijk en Tsjechië alsmede de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend.

26.

Het houden van een zitting is niet nodig geacht.

IV. Analyse

A.   Ter inleiding

1. Middel en vooronderstelling van het cassatieberoep

27.

In het cassatieberoep wordt het gerecht in tweede aanleg verweten dat het niet ambtshalve zijn bevoegdheid heeft opgeworpen in het licht van artikel 10 van verordening nr. 650/2012, terwijl het dat (naar verluidt) had moeten doen.

28.

De analyse van dit cassatiemiddel valt logischerwijs onder de bevoegdheid van de verwijzende rechter, die in de juiste positie verkeert om alle aspecten van het geding bij de lagere rechterlijke instanties te controleren.

29.

Zoals ik reeds heb aangevoerd, kan bij lezing van het arrest van het gerecht in tweede aanleg echter op zijn minst de vraag worden gesteld of artikel 10 van verordening nr. 650/2012 daarin al dan niet, op de een of andere manier, is toegepast.

30.

In het in cassatie bestreden arrest is artikel 10 van verordening nr. 650/2012 namelijk opgenomen onder het opschrift „Sur la compétence” (Over de bevoegdheid), wat betekent dat er op eigen initiatief een bepaling is vermeld die de partijen niet hebben ingeroepen.

31.

Het klopt dat het gerecht in tweede aanleg vervolgens een redenering uiteenzet die overeenstemt met artikel 4 van verordening nr. 650/2012. Het is echter niet geheel uitgesloten dat het zijn bevoegdheid krachtens artikel 10 van deze verordening heeft onderzocht, om (impliciet) tot de conclusie te komen dat er geen gronden waren om dat artikel toe te passen.

32.

Indien het gerecht in tweede aanleg een dergelijk onderzoek heeft verricht, dan zou het op grond van artikel 10 van verordening nr. 650/2012 zijn internationale rechterlijke bevoegdheid hebben geverifieerd. Het enige dat kan worden betwist, is zijn uitlegging van de bepaling ( 5 ) of de mogelijk verkeerde toepassing ervan in deze zaak.

2. Afbakening van de vraag

33.

Na deze opmerking zal ik ingaan op de prejudiciële vraag zoals zij luidt, namelijk of er ambtshalve consequenties dienden te worden getrokken uit artikel 10 van verordening nr. 650/2012, hetgeen de rechter in tweede aanleg niet zou hebben gedaan.

34.

Vooraf moeten twee preciseringen worden gemaakt.

a) „Ambtshalve”

35.

De eerste betreft de „ambtshalve” toepassing van de Unierechtelijke regel.

36.

Het begrip heeft weliswaar betrekking op de rolverdeling tussen de rechter en de partijen in een geding, maar het is niet eenduidig: er is niet één antwoord op de vraag wat tot het ambt of de taak van de rechter behoort en wat de partijen in het geding toekomt. Het varieert naargelang van de rechtsorde en, binnen die rechtsorde, van factoren zoals het soort procedure en het voorwerp of de stand van het geding. Het verandert natuurlijk ook door de jaren heen. ( 6 )

37.

In casu zou „ambtshalve toepassing” betekenen dat de rechter de discussie over zijn bevoegdheid moet beslechten op basis van een andere regel dan die waarop partijen zich beroepen, zonder evenwel de omvang van het geschil te wijzigen of zich te baseren op andere feiten dan die welke beide partijen als vaststaand beschouwen.

38.

In dat geval zou de rechter:

zich ertoe beperken een rechtsgrondslag die zijns inziens onjuist is te vervangen door een andere, die niet door de verzoeker is aangevoerd maar die hij zelf juister acht;

de vordering van de verzoeker niet wijzigen, zelf geen feiten aanvoeren en niet onderzoeken of er sprake is van nieuwe of andere feiten; zich beperken tot de uitlegging van een toepasselijke bepaling, ook al is die niet ingeroepen, en aldus de passiviteit die kenmerkend is voor de positie van de rechter in een civiel geding niet opgeven;

geen inbreuk maken op het lijdelijkheidsbeginsel, niet ultra petita uitspraak doen en geen afbreuk doen aan de rechten van de verdediging (hoewel hij de partijen vooraf in kennis zou moeten stellen van het bestaan van een andere ratio decidendi dan die welke zij hebben aangevoerd, zodat zij zich daarover kunnen uitspreken ( 7 )).

39.

De aldus afgebakende gerechtelijke activiteit zou echter tot weerstand kunnen leiden omdat het eindresultaat ervan onvermijdelijk ten goede komt aan de ene partij (in casu de partij die het geschil voor de Franse rechter heeft gebracht) en nadelig is voor de andere partij (de partij die de internationale rechterlijke bevoegdheid van die rechter betwist).

40.

Indien de rechter zich bij zijn beslissing over zijn eigen bevoegdheid daarentegen uitsluitend baseert op objectieve gegevens die door geen van de partijen worden betwist, bevoordeelt hij niet de ene partij ten nadele van de andere ( 8 ) en handelt hij in het belang van de rechtsbedeling en de juiste toepassing van een instrument dat ertoe strekt de rechterlijke bevoegdheid tussen de lidstaten te verdelen.

b) Argumenten van de verwijzende rechter

41.

De tweede precisering betreft de reikwijdte van de prejudiciële vraag, waarmee, samengevat, wordt beoogd te verduidelijken:

of de rechter waarbij verzoekers op basis van artikel 4 van verordening nr. 650/2012 een vordering hebben ingediend, ambtshalve zijn bevoegdheid moet onderzoeken op grond van artikel 10 van deze verordening; dan wel

of in plaats daarvan verzoekers zich op artikel 10 hadden moeten beroepen en, omdat zij dat hebben nagelaten, de rechter de vordering niet-ontvankelijk kan verklaren (wegens onbevoegdheid).

42.

Hoewel de vraag betrekking heeft op artikel 10 van verordening nr. 650/2012, voor zover daarin een subsidiaire bevoegdheid wordt vastgesteld, beperkt de redenering van de verwijzende rechter zich niet tot dit artikel en omvat zij argumenten die voortvloeien uit andere artikelen van de verordening of uit het systeem in zijn geheel. ( 9 )

43.

In overeenstemming met deze argumenten dient mijn analyse verder te gaan dan het louter bestuderen van artikel 10 van verordening nr. 650/2012.

B.   Internationale rechterlijke bevoegdheid in verordening nr. 650/2012 – Artikel 10

1. Structuur van het systeem

a) Bevoegdheidscriteria en hun onderling verband

44.

Hoofdstuk II van verordening nr. 650/2012 voert een systeem van internationale rechterlijke bevoegdheid voor de erfopvolging in haar geheel in, op basis van objectieve criteria (de laatste gewone verblijfplaats van de erflater, de aanwezigheid van goederen van de nalatenschap in een lidstaat ( 10 )) en subjectieve criteria (de forumkeuze door de betrokken partijen en de aanvaarding van de bevoegdheid door de partijen in het geding ( 11 )).

45.

Dit systeem is gesloten. ( 12 ) Binnen de materiële werkingssfeer van verordening nr. 650/2012 vloeit de bevoegdheid van de gerechten van de lidstaten uitsluitend voort uit de uniforme regels die bij deze verordening zijn vastgesteld, met uitsluiting van elke andere regel. ( 13 )

46.

Verordening nr. 650/2012, die in de eerste plaats is gebaseerd op de doelstellingen „de goede rechtsbedeling in de Europese Unie te waarborgen en ervoor te zorgen dat er een echte band bestaat tussen de erfopvolging en de lidstaat waar de bevoegdheid wordt uitgeoefend” ( 14 ):

legt in de eerste plaats de bevoegdheid vast van de gerechten van de lidstaat van de laatste gewone verblijfplaats van de erflater. In de regel passen deze gerechten hun eigen recht toe ( 15 );

reikt een oplossing aan voor gevallen waarin de laatste gewone verblijfplaats van de erflater in een derde staat is gelegen, maar een voldoende nauwe band met een lidstaat rechtvaardigt dat de autoriteiten van die lidstaat bevoegd worden verklaard. In de regel passen deze autoriteiten het recht van de derde staat toe ( 16 );

stelt mechanismen voor om forum en jus te laten samenvallen wanneer a) ten gevolge van een rechtskeuze door de erflater ( 17 ) de autoriteit van de lidstaat van zijn laatste gewone verblijfplaats, indien het geschil bij haar aanhangig wordt gemaakt, een ander recht dan het hare zou moeten toepassen, of b) is voldaan aan de voorwaarden waaronder een gerecht van de Unie over de erfopvolging kan beslissen en de erflater, die zijn laatste gewone verblijfplaats in een derde staat had, het recht van een lidstaat waarvan hij onderdaan was heeft gekozen als toepasselijk recht.

47.

In verordening nr. 650/2012 is de verhouding tussen de fora strikt genomen niet hiërarchisch, zoals het zou kunnen lijken ( 18 ), aangezien elk forum een andere feitelijke situatie bestrijkt: ofwel had de overledene zijn laatste gewone verblijfplaats in een lidstaat van de Unie (veronderstelling van artikel 4), ofwel had hij die daar niet (veronderstelling van artikel 10).

48.

In beide gevallen kan de resulterende bevoegdheid slechts worden uitgesloten indien de erflater voor een bepaald recht heeft gekozen (veronderstelling van de artikelen 5 en volgende van verordening nr. 650/2012).

49.

De – aan strikte voorwaarden gebonden – partijautonomie is in dit verband geen beginsel of spil van het systeem van bevoegdheidstoedeling, hetgeen wordt verklaard door de functie ervan, die verschilt van haar functie op andere gebieden.

50.

De overeenstemming over het forum die de partijen kunnen bereiken – in voorkomend geval de uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding van de bevoegdheid van het geadieerde gerecht – is in de eerste plaats afhankelijk van het bestaan van een rechtskeuze door de erflater. De mogelijkheid om het bevoegde gerecht te selecteren, ontstaat in feite omdat de erflater een dergelijke keuze heeft gemaakt.

51.

In verordening nr. 650/2012 wordt die mogelijkheid opgevat als een pragmatische voorziening: zij strekt ertoe te voorkomen dat forum en jus worden gescheiden door de keuze van de overledene voor een recht dat per definitie niet het recht is van de autoriteit waaraan de wetgever in eerste instantie bevoegdheid verleent. ( 19 )

52.

De mogelijkheid voor de belanghebbenden bij de erfopvolging om het bevoegde gerecht te kiezen, vloeit dus niet voort uit de overtuiging dat zelfregulering goed is of inherente voordelen heeft. Zij is, zoals ik heb aangegeven, zeer beperkt: indien de overledene zijn erfgenamen niet de plaats oplegt waar de erfrechtzaak noodzakelijkerwijs wordt behandeld ( 20 ), is het aan hem om de mogelijkheid creëren dat dit niet gebeurt in de lidstaat van zijn laatste gewone verblijfplaats (of, onder voorwaarden, in de lidstaat waar hij goederen bezat).

53.

Om de bevoegdheid van de materieel bevoegde autoriteit te kunnen omzeilen, dient de erflater het toepasselijke recht te hebben gekozen en is het tevens noodzakelijk dat: a) alle belanghebbende partijen tot een overeenkomst komen ( 21 ); of b) de partijen die niet aan deze overeenkomst deelnemen, de bevoegdheid niet betwisten ( 22 ); of c) alle partijen die voor de rechter verschijnen, de bevoegdheid van die rechter uitdrukkelijk aanvaarden ( 23 ). De weigering van één belanghebbende om zich bij de anderen aan te sluiten, volstaat om het gerecht van de lidstaat waarvan de erflater de nationaliteit heeft, uit te sluiten.

54.

Mijns inziens dienen deze vaststellingen ter nuancering van de verklaring van de verwijzende rechter dat de artikelen 4 en 10 van verordening nr. 650/2012 onder de beschikbare rechten van de partijen vallen, alsook van zijn gevolgtrekking dat „het onlogisch [zou] zijn dat de rechter op een subsidiair bevoegdheidscriterium dient te wijzen dat partijen niet van plan waren aan te voeren” ( 24 ).

b) Gemeenschappelijke regels voor de toepassing van de bevoegdheidscriteria – Artikel 15 van verordening nr. 650/2012

55.

In de lijn van andere instrumenten voor justitiële samenwerking in burgerlijke zaken bevat verordening nr. 650/2012 bepalingen voor de toepassing van de bevoegdheidsregels. Artikel 15 met als opschrift „Toetsing van de bevoegdheid” is er een van.

56.

Volgens dit artikel zijn gerechten waarbij een erfrechtzaak aanhangig is gemaakt, verplicht om zich op eigen initiatief onbevoegd te verklaren wanneer hun bevoegdheid niet voortvloeit uit verordening nr. 650/2012. ( 25 )

57.

Deze bepaling was zonder nadere toelichting opgenomen in het door de Commissie ingediende voorstel voor een verordening en heeft geen aanleiding gegeven tot opmerkingen of discussie. ( 26 )

58.

Gelet op de gelijkenis met regels van soortgelijke strekking ( 27 ), zij erop gewezen dat een dergelijke verplichting:

de juiste toepassing van verordening nr. 650/2012 garandeert, ook wanneer een partij de bevoegdheid niet betwist, wat om diverse redenen het geval kan zijn ( 28 );

een waarborg is voor de verweerder die niet voor de rechter is verschenen in een geding;

voorkomt dat beslissingen van een onbevoegde autoriteit of autoriteit waarvan de bevoegdheid niet aan de criteria van verordening nr. 650/2012 voldoet, vrij circuleren binnen de Europese justitiële ruimte ( 29 ).

59.

Artikel 15 van verordening nr. 650/2012 draagt dus bij tot de goede werking van de justitiële samenwerking in de Unie op het gebied van erfopvolging.

60.

Deze bepaling werkt echter niet automatisch in omgekeerde richting, althans niet in de letterlijke bewoordingen ervan, aangezien zij de gerechten van de lidstaten niet uitdrukkelijk gelast om de regels van verordening nr. 650/2012 ambtshalve toe te passen teneinde hun bevoegdheid op grond van deze verordening vast te stellen of te bevestigen.

2. In het bijzonder: artikel 10 van verordening nr. 650/2012

61.

Artikel 10 van verordening nr. 650/2012 verleent bevoegdheid aan de lidstaat (of de lidstaten) waar zich goederen van de nalatenschap bevinden indien de erflater zijn laatste gewone verblijfplaats in een derde staat had.

62.

Deze bevoegdheid:

heeft betrekking op de erfopvolging in haar geheel indien de erflater op het tijdstip van overlijden de nationaliteit van de lidstaat had ( 30 ) of daar zijn gewone verblijfplaats had in de vijf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt ( 31 );

is, indien dit niet het geval is, beperkt tot de goederen die zich op het grondgebied bevinden ( 32 ).

63.

Binnen het systeem dient artikel 10 van verordening nr. 650/2012 twee doelen:

garanderen dat de regels inzake internationale rechterlijke bevoegdheid uniform zijn, in het belang van de wederzijdse erkenning van beslissingen tussen de lidstaten. De wetgever heeft elke verwijzing naar regels van nationaal recht uitgesloten door een limitatieve opsomming te geven van de gevallen waarin het gerecht van een lidstaat bevoegd is ( 33 );

de toegang tot de rechter waarborgen voor de erfgenamen en schuldeisers, wanneer de situatie „nauwe banden heeft met een lidstaat omdat zich daar een bepaald goed bevindt” ( 34 ).

64.

De aanwezigheid van goederen (al dan niet onderworpen aan vereisten betreffende de goederen zelf of de erflater) is een welbekend bevoegdheidscriterium in het vergelijkend recht. ( 35 ) In verordening nr. 650/2012 komt het boven op de hierboven beschreven voorwaarden inzake nationaliteit of verblijfplaats van de erflater. ( 36 ) Op deze manier is een nauwe band met de lidstaat van de aangezochte autoriteit dus niet betwistbaar, ook al had de erflater daar niet zijn laatste gewone verblijfplaats.

65.

De kwalificatie van de bevoegdheid als „subsidiair” in artikel 10 van verordening nr. 650/2012 betekent niet dat de bepaling minder normatief is dan artikel 4. Ik ben dan ook van mening dat het aangezochte gerecht die bepaling niet buiten beschouwing mag laten, ook al heeft geen van de partijen zich erop beroepen.

66.

De twee regels zijn in feite gelijkwaardig: artikel 10 verleent bevoegdheid in het geval dat de veronderstelling van artikel 4 ontbreekt, waardoor laatstgenoemd artikel eenvoudigweg niet van toepassing is.

67.

De in deze bepalingen bedoelde aanknopingspunten geven blijk van een voldoende nauw verband tussen de zaak en het forum: een nauwer verband in artikel 4, een minder nauw verband in artikel 10 van verordening nr. 650/2012 (het verschil komt tot uiting in de positie van elk van beide artikelen). Indien echter de omstandigheden van artikel 4 niet aanwezig zijn en die van artikel 10 wel, dient de normatieve consequentie uit laatstgenoemd artikel te worden getrokken.

68.

De volgende argumenten brengen mij tot deze conclusie:

de artikelen 4 en 10 van verordening nr. 650/2012 werken op dezelfde wijze in het geval van een rechtskeuze door de erflater ( 37 ); in het geval van betwisting van de bevoegdheid door belanghebbenden die geen partij zijn bij een overeenkomst tot toekenning van die bevoegdheid ( 38 ), en in verband met de mogelijkheid om de procedure te beperken door in derde staten gelegen goederen ervan uit te sluiten, indien er redenen zijn om aan te nemen dat een eventuele beslissing niet zal worden erkend of uitgevoerd in die staten ( 39 );

letterlijk genomen is artikel 10 van verordening nr. 650/2012 een verplichting voor de nationale rechter, wat niet het geval is voor andere bepalingen, zoals artikel 11, dat de nationale rechter in staat stelt – maar niet verplicht – uitspraak te doen over een erfopvolging. Bovendien is de uitoefening van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 10, anders dan in artikel 11, niet afhankelijk van de onbevoegdheid of inactiviteit van de gerechten van een andere staat.

69.

De verwijzende rechter voert als argument voor een hypothetische verwerping van de ambtshalve toepassing van artikel 10 van verordening nr. 650/2012 aan dat met dit artikel „wordt afgeweken van het beginsel dat rechterlijke en wetgevingsbevoegdheden samenvallen, welk beginsel als een rode draad loopt door de verordening” ( 40 ).

70.

Die redenering deel ik niet. Het streven om forum en jus te laten samenvallen is niet absoluut; de wetgever aanvaardt zelf dat scheiding ervan mogelijk is. ( 41 ) Voorts strekken de oplossingen die hij aandraagt om het parallellisme te herstellen zich uit tot het geval waarin het gerecht dat uitspraak moet doen, dit doet met toepassing van artikel 10.

71.

Er zij ook aan herinnerd dat, indien de laatste gewone verblijfplaats van de erflater niet in een lidstaat is gelegen, verordening nr. 650/2012 per definitie niet de bevoegdheid van de gerechten van het land van die verblijfplaats – en nog minder de correlatie forum/jus – kan opleggen of garanderen.

72.

Van de twee mogelijkheden (verwijzing naar de in de nationale rechtsorden voorziene fora of invoering van een voor de lidstaten gemeenschappelijke regel) heeft de Europese wetgever de laatste gekozen. Op deze manier bevordert hij tevens de doelstelling van verordening nr. 650/2012 om de rechten van erfgenamen, legatarissen en andere personen die de erflater na staan daadwerkelijk te garanderen door hun toegang tot de rechter te vergemakkelijken. ( 42 )

C.   Ambtshalve toepassing, of toepassing op verzoek van een partij, van artikel 10 van verordening nr. 650/2012

73.

Ik kom nu terug op de vraag van de verwijzende rechter: dient de rechter zich bevoegd te verklaren door een niet door partijen ingeroepen regel voor de toekenning van internationale rechterlijke bevoegdheid toe te passen, die betrekking heeft op feiten in het geding die niet worden betwist, maar die niet zijn aangevoerd om die bevoegdheid te onderbouwen?

74.

Op het eerste gezicht voorziet verordening nr. 650/2012 niet uitdrukkelijk in een procedurele behandeling voor artikel 10. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de wetgever dit aspect niet heeft willen uniformeren en de regeling ervan daarom heeft overgelaten aan het nationale procesrecht van elke lidstaat.

75.

Ik ben echter van mening dat deze gevolgtrekking onjuist is. Mijns inziens zijn er elementen die het formele argument weerleggen en een andere opvatting mogelijk maken, wanneer de ambtshalve activiteit van de rechter plaatsvindt in omstandigheden zoals die in casu.

76.

Ik zal hieronder de gronden uiteenzetten die mijn standpunt ondersteunen. Ik zal slechts subsidiair verwijzen naar de eerste opvatting (volgens welke de oplossing van het probleem moet worden overgelaten aan het recht van elke lidstaat), voor het geval het Hof mijn standpunt niet zou delen.

1. Argumenten voor ambtshalve toepassing (in de omstandigheden van het onderhavige geval)

77.

Ik ben van oordeel dat in de omstandigheden van het onderhavige geval het nationale gerecht waarbij op grond van artikel 4 van verordening nr. 650/2012 een zaak aanhangig is gemaakt, krachtens artikel 10 ambtshalve zijn bevoegdheid moet opwerpen, ook al hebben verzoekers zich niet op dat artikel beroepen.

78.

Mijn redenen hiervoor houden verband met: a) de toetsing van de eigen onbevoegdheid als bedoeld in artikel 15 van verordening nr. 650/2012, en b) uitspraken van het Hof over de elementen die de rechter moet evalueren om zijn internationale bevoegdheid te beoordelen wanneer een partij deze betwist.

79.

Zoals ik reeds heb opgemerkt, schrijft artikel 15 van verordening nr. 650/2012 voor dat de rechter ambtshalve een analyse verricht om zijn onbevoegdheid te toetsen.

80.

Welnu, om te bepalen of hij „volgens [deze] verordening” onbevoegd is, dient hij alle in hoofdstuk II vastgestelde criteria te onderzoeken. Hij kan zich slechts ambtshalve onbevoegd verklaren wanneer en voor zover geen enkele regel van verordening nr. 650/2012 hem bevoegdheid verleent. Het onderzoek is dus niet beperkt tot bepaalde regels van de verordening of uitsluitend de regel waarop de belanghebbende zich beroept.

81.

Hieruit leid ik af dat, indien de rechter van oordeel is dat er een bepaling bestaat op grond waarvan hij wel bevoegd is, hij niet de consequentie kan trekken uit artikel 15 van verordening nr. 650/2012, dat hij verplicht is te onderzoeken. Ook al is de regel waarop zijn bevoegdheid berust niet de regel die de verzoeker aanvoert, het zou een overdreven formalisme zijn om de ogen te sluiten voor een andere regel die, ook al wordt hij niet ingeroepen, de rechter voldoende bevoegdheid verleent om het geding voort te zetten. ( 43 )

82.

In verordening nr. 650/2012 is niet omschreven hoe de bevoegdheidstoetsing – ambtshalve dan wel op verzoek van een partij – dient te worden uitgevoerd. Met name is niet aangegeven welke gegevens het gerecht in aanmerking moet nemen of hoe het deze gegevens moet identificeren.

83.

Er staan in dit verband echter wel enkele aanwijzingen in arresten van het Hof inzake bevoegdheidstoetsing in het kader van verordening (EG) nr. 44/2001 ( 44 ).

84.

Volgens die arresten dient de rechter die deze analyse verricht zich niet te beperken tot hetgeen verzoeker aanvoert, maar juist alle elementen in aanmerking te nemen waarvan hij kennis heeft, waarbij hij evenwel niet hoeft na te gaan of er sprake is van andere elementen dan wel of de elementen waarheidsgetrouw zijn. ( 45 )

85.

Het Hof baseert zijn standpunt op het doel van een goede rechtsbedeling, dat aan verordening nr. 44/2001 ten grondslag ligt, alsook op de geboden eerbiediging van de autonomie van de rechter in de uitoefening van zijn functies. ( 46 )

86.

Ik zie niet in waarom deze rechtspraak zou moeten worden beperkt tot de specifieke bepaling die erin wordt uitgelegd, of tot gevallen waarin het bevoegdheidsonderzoek plaatsvindt op verzoek van een partij en niet ambtshalve. ( 47 )

87.

Het lijkt mij dan ook legitiem om artikel 10 in het licht van artikel 15 van verordening nr. 650/2012 aldus uit te leggen dat het de rechter niet verplicht om actief te zoeken naar een feitelijke grondslag teneinde te beslissen over zijn bevoegdheid in een bepaald geschil, maar wel om – op basis van de onbetwiste feiten – een grondslag voor zijn bevoegdheid te vinden die mogelijk verschilt van die welke door de verzoeker is aangevoerd. Ik ben van oordeel dat hij zich in dit geval ambtshalve bevoegd moet verklaren.

2. Ontbreken van een uitdrukkelijke oplossing in verordening nr. 650/2012 – Procedurele autonomie en grenzen

88.

Voor het geval deze redenering het Hof niet overtuigt, zal ik subsidiair de opvatting onderzoeken volgens welke, zoals ik heb aangegeven ( 48 ), het antwoord op de gestelde vraag moet worden overgelaten aan het procesrecht van elke lidstaat daar artikel 10 van verordening nr. 650/2012 niet voorziet in uitdrukkelijke procedureregels.

89.

Vanuit deze benadering, die als klassiek kan worden aangemerkt ( 49 ), zou het volstaan de vaste rechtspraak van het Hof toe te passen, volgens welke:

de regels van het Unierecht worden toegepast binnen de systemen van de lidstaten;

bij het ontbreken van een Unieregeling ter zake „de procedurevoorschriften die ertoe strekken de bescherming van de door de rechtzoekenden aan het Unierecht ontleende rechten te waarborgen, op grond van het beginsel van procedurele autonomie van de lidstaten een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat zijn, met dien verstande evenwel dat zij niet ongunstiger mogen zijn dan die welke gelden voor soortgelijke nationale situaties (gelijkwaardigheidsbeginsel) en dat zij de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (doeltreffendheidsbeginsel)” ( 50 );

de gerechten de in hun nationale rechtsorde vastgestelde procedureregels slechts toepassen „voor zover dit niet indruist tegen de bestaansgrond, het doel en de volle werking” van de desbetreffende Unierechtelijke bepaling. ( 51 )

90.

Zoals gezegd voorziet verordening nr. 650/2012 niet in een specifieke procedurele behandeling voor artikel 10. Zij voorziet hier wel in voor andere bepalingen, waarin uitdrukkelijk wordt vereist dat er ofwel sprake is van een verzoek van een partij, ofwel van de ambtshalve tussenkomst van de aangezochte autoriteit. ( 52 )

91.

Het lijkt mij even verdedigbaar om het feit dat artikel 10 van verordening nr. 650/2012 op dit punt niets zegt, op te vatten als een impliciete verwijzing naar de nationale rechtsorden (wat de principiële oplossing betreft) als te stellen dat het gaat om een opzettelijke uitsluiting en niet om een loutere nalatigheid. Aangezien elders in dezelfde verordening uitdrukkelijk wordt verwezen naar het nationale procesrecht (artikelen 66 en 71), zou het feit dat artikel 10 dat niet doet, aldus kunnen worden uitgelegd dat deze materie niet wordt overgelaten aan de nationale rechtsorden. ( 53 )

92.

Indien ervan wordt uitgegaan dat de vraag van de verwijzende rechter over de rolverdeling tussen de rechter en de partijen krachtens artikel 10 van verordening nr. 650/2012 naar Frans recht moet worden beantwoord, dan zouden de gevolgen voor deze zaak als volgt zijn:

het onderzoek naar de rechterlijke bevoegdheid als bedoeld in artikel 10 van verordening nr. 650/2012 zou ambtshalve ( 54 ) worden verricht indien dat recht zulks vereist voor vergelijkbare vorderingen die daarop zijn gebaseerd ( 55 );

dat artikel zou daarentegen slechts van toepassing zijn wanneer het door de belanghebbende partij wordt ingeroepen, indien dit de oplossing is voor vergelijkbare vorderingen naar nationaal recht, tenzij op deze manier de uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt of de onderzochte regel zijn nuttig effect wordt ontnomen.

93.

De verwijzende rechter verstrekt niet voldoende informatie over zijn nationale procesrecht. ( 56 ) Bijgevolg zou elke overweging van mijn kant omtrent de vraag of het uitsluitend op verzoek van een partij toepassen van artikel 10 van verordening nr. 650/2012 in overeenstemming is met de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid, en met de eerbiediging van het nuttig effect van die bepaling, speculatief zijn.

V. Conclusie

94.

Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de Cour de cassation te beantwoorden als volgt:

„Artikel 10, lid 1, onder a), van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer de overledene zijn laatste gewone verblijfplaats niet in een lidstaat van de Europese Unie had, het gerecht van een lidstaat waar een geschil inzake erfopvolging is gerezen, zich ambtshalve bevoegd moet verklaren om de erfopvolging in haar geheel te behandelen indien, in het licht van door de partijen aangevoerde feiten die niet worden betwist, de erflater op het tijdstip van zijn overlijden de nationaliteit van die staat had en in die staat gelegen goederen bezat.”


( 1 ) Oorspronkelijke taal: Spaans.

( 2 ) Hierna zal ik het begrip „lidstaat” gebruiken om te verwijzen naar staten die gebonden zijn door verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (PB 2012, L 201, blz. 107; hierna: „verordening nr. 650/2012”). Denemarken en Ierland zijn dat niet; het Verenigd Koninkrijk, dat op het tijdstip van overlijden van de erflater deel uitmaakte van de Europese Unie, is nooit door de verordening gebonden geweest.

( 3 ) Volgens de verwijzingsbeslissing heeft geen van de partijen zich in eerste of tweede aanleg op dit artikel beroepen. Bij lezing van het arrest van de rechter in tweede aanleg kan echter op zijn minst de vraag worden gesteld of artikel 10 niet is toegepast (zie punten 27 e.v. van deze conclusie).

( 4 ) Op basis van de beschikbare gegevens lijkt XA vanaf het begin van de jaren tachtig tot augustus 2012 in het Verenigd Koninkrijk te hebben gewoond, waarna hij verhuisde naar Frankrijk, waar hij drie jaar later is overleden. Hij was mede-eigenaar van twee onroerende goederen in het Verenigd Koninkrijk en houder van 10 % van de aandelen in een Franse vennootschap die was opgericht voor de verwerving in Frankrijk van een onroerend goed dat hij volledig heeft gefinancierd en dat hij bewoonde op het tijdstip van zijn overlijden.

( 5 ) Net als in de Portugese versie wordt in de Spaanse versie van artikel 10 van verordening nr. 650/2012 letterlijk verwezen naar de lidstaat waar „[de] goederen van de nalatenschap” (cursivering toegevoegd) zich bevinden, hetgeen de indruk kan wekken dat de gehele nalatenschap zich in die staat moet bevinden opdat zijn gerechten bevoegd zijn. Dit gebeurt echter niet in de Franse versie en evenmin in andere taalversies die ik heb kunnen raadplegen. Ik twijfel er niet aan dat laatstgenoemde versies juist zijn. Dit blijkt uit de voorbereidende stukken: zie het voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en authentieke akten op het gebied van erfopvolging en betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring, COM(2009) 154 definitief (hierna: „voorstel van de Commissie”), in de toelichting bij artikel 6. Dit is ook de enige logische uitlegging: anders is niet uit te leggen dat de bevoegdheid uit hoofde van artikel 10, lid 1, uitdrukkelijk betrekking heeft op de erfopvolging in haar geheel. Evenmin kan dan worden verklaard waarom de bevoegdheid uit hoofde van lid 2 van dat artikel is beperkt tot de goederen van de nalatenschap die zich op het grondgebied bevinden.

( 6 ) Zie in dit verband onder coördinatie van Chanais, C., Hess, B., Saletti, A. en van Drooghenbroeck, J.‑F., L’office du juge – Études de droit comparé, Bruylant, 2018. Een even groot gebrek aan uniformiteit is waarneembaar bij de ambtshalve toepassing van het Unierecht, bijvoorbeeld het consumentenrecht. Zie dienaangaande Hess, B., en Taelman, P., „Consumer Actions before National Courts”, in Hess, B. en Law, S., Implementing EU Consumer Rights by National Procedural Law, Hart/Beck/Nomos, 2019, blz. 95 e.v.

( 7 ) Verordening nr. 650/2012 staat er niet aan in de weg dat de rechter beide partijen de mogelijkheid biedt om zich uit te spreken over de toepassing van artikel 10. Integendeel, dit kan verplicht zijn in het licht van de rechtspraak van het Hof over de noodzaak om te voldoen aan de vereisten inzake het recht op een eerlijk proces. Partijen moeten kennis kunnen nemen van de middelen die de rechter ambtshalve in aanmerking wil nemen en hierover een standpunt kenbaar kunnen maken: zie onder meer arrest van 21 februari 2013, Banif Plus Bank (C‑472/11, EU:C:2013:88, punten 29 e.v.).

( 8 ) Ik voeg hieraan toe dat de fora van verordening nr. 650/2012 de verzoeker geen keuzemogelijkheid bieden, zoals bijvoorbeeld de artikelen 4 en 7 van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2012, L 351, blz. 1) dat wel doen. Dit betekent dat de ambtshalve tussenkomst van de rechter niet inhoudt dat hij de vergissing van de forumkiezende partij, die in de fout is gegaan door de bevoegdheid wettelijk te onderbouwen met een „verkeerde” forumkeuze, kan „herstellen”.

( 9 ) Zie punt 10 van de verwijzingsbeslissing over de geslotenheid van het systeem van internationale rechterlijke bevoegdheid en punt 11 over de correlatie forum/jus als beginsel van verordening nr. 650/2012, de beschikbaarheid van de bevoegde fora en de omvang van de verplichting om de eigen bevoegdheid te toetsen.

( 10 ) Artikel 4 en artikel 10, lid 1 (onder de daarin vastgestelde voorwaarden).

( 11 ) Artikelen 5, 7 en 9.

( 12 ) En toereikend om te beslissen over elk aspect van een erfopvolging, ongeacht waar de goederen van de nalatenschap zich bevinden. Slechts bij uitzondering beperkt de wetgever de bevoegdheid van de bevoegde instantie tot de goederen die zich in de eigen lidstaat bevinden: zie artikel 10, lid 2, van verordening nr. 650/2012. Artikel 12, lid 1, voorziet in de mogelijkheid om bepaalde goederen buiten de procedure te laten, maar de reden daarvoor is niet het ontbreken van internationale rechterlijke bevoegdheid over die goederen.

( 13 ) De wetgever heeft in artikel 11 een „forum necessitatis” opgenomen, teneinde een eventuele rechtsweigering te voorkomen.

( 14 ) Overweging 23. Om deze doelstellingen te verwezenlijken, hanteert de wetgever in de eerste plaats de gewone verblijfplaats van de erflater op het tijdstip van overlijden als „algemeen aanknopingspunt”, welke verblijfplaats bepalend is voor zowel de internationale rechterlijke bevoegdheid als het toepasselijke recht.

( 15 ) Artikel 4 juncto artikel 21, lid 1, van verordening nr. 650/2012.

( 16 ) Artikel 10 juncto artikel 21, lid 1, van verordening nr. 650/2012.

( 17 ) Ten gunste van de rechtsorde van een lidstaat waarvan hij op het tijdstip van overlijden of op het tijdstip van de rechtskeuze de nationaliteit bezit: zie artikel 22, lid 1.

( 18 ) Er is uiteraard een duidelijke conceptuele voorkeur voor de gerechten van de laatste gewone verblijfplaats van de erflater wanneer deze in een lidstaat is gelegen, aangezien een dergelijke verblijfplaats een sterkere band (tussen de erfopvolging en het forum) schept dan andere elementen.

( 19 ) Overwegingen 27 en 28 van verordening nr. 650/2012. Het toestaan van de rechtskeuze door partijen is een van de mechanismen – maar niet het enige – om de aangezochte autoriteit in staat te stellen de erfopvolging volgens haar eigen recht te behandelen of te beslechten.

( 20 ) Bovendien moet aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan: zie het volgende punt.

( 21 ) Artikel 5 junctis artikel 6, onder b), en artikel 7, onder b), van verordening nr. 650/2012.

( 22 ) Artikel 9 van verordening nr. 650/2012.

( 23 ) Artikel 7, onder c), van verordening nr. 650/2012.

( 24 ) Verwijzingsbeslissing, punt 11.

( 25 ) Het voorziet echter niet in een sanctie voor het geval dat die verplichting wordt genegeerd.

( 26 ) Voorstel van de Commissie, artikel 11. Op voorstel van het Europees Parlement is verduidelijkt dat de bepaling enkel betrekking heeft op „erfrechtelijke” zaken: zie artikel 11 van de ontwerpwetgevingsresolutie van het Europees Parlement van 6 maart 2012, document A7‑0045/2012.

( 27 ) De verplichting om de eigen bevoegdheid ambtshalve te toetsen vloeit voort uit het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 1972, L 299, blz. 32; geconsolideerde tekst in PB 1998, C 27, blz. 1). Zij komt voor in alle latere regelingen waarbij internationale rechterlijke bevoegdheid wordt verleend, in welke materie dan ook. De draagwijdte van de regel kan variëren, maar het beoogde rechtsgevolg niet: het gerecht dat niet bevoegd is, verklaart zich ambtshalve onbevoegd.

( 28 ) Bijvoorbeeld om ervoor te zorgen dat de procedure niet contradictoir is.

( 29 ) De ambtshalve onbevoegdverklaring dient als een noodzakelijke aanvulling om het ontbreken van toetsing van de bevoegdheid van de rechter van de lidstaat van herkomst te „compenseren” wanneer de rechter van een andere lidstaat de beslissing van eerstgenoemde rechter moet erkennen en uitvoerbaar moet verklaren. Zie artikel 40 van verordening nr. 650/2012, waarin een limitatieve opsomming wordt gegeven van de gronden waarop een beslissing niet wordt erkend, en artikel 52, dat deze gronden uitstrekt tot de weigering en de intrekking van het exequatur.

( 30 ) Artikel 10, lid 1, onder a), van verordening nr. 650/2012.

( 31 ) Artikel 10, lid 1, onder b), van verordening nr. 650/2012.

( 32 ) Artikel 10, lid 2, van verordening nr. 650/2012.

( 33 ) Overweging 30 van verordening nr. 650/2012. Zie ook overweging 13 van het voorstel van de Commissie.

( 34 ) De Commissie gebruikt deze formulering in punt 4.2 van de toelichting bij haar voorstel. De definitieve versie van verordening nr. 650/2012 is beknopter: zie overweging 7.

( 35 ) Zie bijvoorbeeld § 105 juncto § 343 van het Gesetz über das Verfahren in Familiensachen und in den Angelegenheiten der freiwilligen Gerichtsbarkeit (Duitse wet betreffende de procedure in familierechtelijke zaken en op het gebied van oneigenlijke rechtspraak, FamFG); in Spanje, artikel 22 quater, onder g), van Ley Orgánica 6/1985, de 1 de julio, del Poder Judicial (organieke wet 6/1985 van 1 juli 1985 inzake de rechterlijke macht); in Italië, artikel 50 van de Legge 31 maggio 1995, n. 218 (wet inzake internationaal privaatrecht van 31 mei 1995, nr. 218).

( 36 ) Ik herinner eraan dat, wanneer er geen sprake is van een van deze elementen, de reikwijdte van de bevoegdheid op grond van artikel 10, lid 2, van verordening nr. 650/2012 beperkt blijft tot de goederen die zich op het grondgebied van de lidstaat van het aangezochte gerecht bevinden.

( 37 ) Op grond van artikel 6 van verordening nr. 650/2012, en naargelang de omstandigheden onder a) of onder b) zich voordoen, kan of moet de aangezochte rechter – ongeacht of zijn bevoegdheid voortvloeit uit artikel 4 of artikel 10 – zich onbevoegd verklaren. Artikel 8 bepaalt dat indien de partijen besluiten de erfopvolging buitengerechtelijk te schikken in de lidstaat waarvan het recht door de erflater is gekozen, het gerecht dat ambtshalve de erfrechtzaak heeft ingeleid op grond van artikel 4 of artikel 10, de procedure dient te beëindigen.

( 38 ) Artikel 9, lid 2, van verordening nr. 650/2012.

( 39 ) Artikel 12, lid 1, van verordening nr. 650/2012. In de praktijk is het aannemelijk dat de erkenning in een derde staat van een op grond van een bevoegdheid van artikel 10 genomen beslissing tot meer weerstand leidt dan een op artikel 4 gebaseerde beslissing. De in artikel 12 bedoelde mogelijkheid beperkt zich echter niet tot het eerste geval.

( 40 ) Punt 11 van de verwijzingsbeslissing.

( 41 ) Onder meer rechtstreeks in overweging 43 en onrechtstreeks in overweging 57 van verordening nr. 650/2012.

( 42 ) Zie punt 63 van deze conclusie.

( 43 ) In punt 103 van het advies in de zaak Mercredi (C‑497/10 PPU, EU:C:2010:738) over verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1347/2000 (PB 2003, L 338, blz. 1) concludeerde advocaat-generaal Cruz Villalón eveneens dat het systeem de gerechten de verplichting oplegt hun bevoegdheid ambtshalve op verordening nr. 2201/2003 te baseren. Hij betoogde dat de verplichting van de rechter niet eindigt met de toetsing als bedoeld in artikel 17 van verordening nr. 2201/2003, dat gelijkwaardig is aan artikel 15 van verordening nr. 650/2012. Hij baseerde zijn antwoord niet op andere gronden, omdat de geopperde grond volgens hem duidelijk („met zekerheid”) in de logica van het systeem zelf lag; in het bijzonder beperkte hij de toetsing niet tot zaken waarin het belang van het kind in het geding is.

( 44 ) Verordening van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

( 45 ) Zie arresten van 28 januari 2015, Kolassa (C‑375/13, EU:C:2015:37, punt 64), en 16 juni 2016, Universal Music International Holding (C‑12/15, EU:C:2016:449, punt 45), die betrekking hebben op artikel 5, lid 3, van verordening nr. 44/2001.

( 46 ) Ibidem.

( 47 ) Zie voetnoot 7 van deze conclusie over de verplichting van het gerecht om, wanneer het beginsel van hoor en wederhoor dit vereist, de partijen de mogelijkheid te bieden zich uit te spreken over de elementen waarop het zijn beslissing zal baseren.

( 48 ) Punt 74 van deze conclusie.

( 49 ) Waarvoor tal van voorbeelden bestaan. Zie op het gebied van instrumenten voor justitiële samenwerking in burgerlijke zaken bijvoorbeeld arresten van 8 november 2005, Leffler (C‑443/03, EU:C:2005:665, punten 4951); 15 oktober 2015, Nike European Operations Netherlands (C‑310/14, EU:C:2015:690, punt 28); 9 november 2016, ENEFI (C‑212/15, EU:C:2016:841, punt 30), en 8 juni 2017, Vinyls Italia (C‑54/16, EU:C:2017:433, punten 2527), of beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat (C‑384/14, EU:C:2016:316, punten 8085).

( 50 ) Zie als een van vele voorbeelden arrest van 20 mei 2021, X (LPG-tankwagens) (C‑120/19, EU:C:2021:398, punt 69).

( 51 ) Zie beschikking van 28 april 2016, Alta Realitat (C‑384/14, EU:C:2016:316, punt 85). Deze formulering wordt soms geassocieerd met het doeltreffendheidsbeginsel. Mijns inziens gaat het veeleer om de bescherming van het „nuttig effect” van het toepasselijke instrument: zie in die geest Szpunar, M., „L’effet utile dans la jurisprudence de la Cour de justice en matière de droit international privé”, Travaux du Comité Français de Droit International Privé, 2018‑2020, blz. 153 e.v.

( 52 ) Voorbeelden van het eerstgenoemde zijn artikel 6, onder a), en artikel 12, lid 1, van verordening nr. 650/2012; een voorbeeld van het laatstgenoemde is artikel 15.

( 53 ) Zie ook de punten 77 e.v. van deze conclusie.

( 54 ) Zoals ik hierboven heb aangegeven, is de betekenis van de uitdrukking „ambtshalve” niet eenduidig. Het is aan de Franse rechtsorde om de omvang te bepalen van een eventuele verplichting om de Europese regel op eigen initiatief toe te passen (deze rechtsorde beslist bijvoorbeeld of de rechter verplicht is de feiten te onderzoeken die zijn bevoegdheid bepalen of dat hij van de belanghebbende partij het bewijs daarvan kan of moet eisen).

( 55 ) Bij het identificeren van de nationale regel waarvan de procedurele behandeling zal worden vergeleken met die van artikel 10 van verordening nr. 650/2012, moet rekening worden gehouden met wat er is uiteengezet over die bepaling en het adjectief „subsidiair” bij de bevoegdheid die ermee wordt toegekend.

( 56 ) Als ik mij niet vergis, zijn er beslissingen van de Cour de cassation inzake de toepassing van regels van internationaal privaatrecht van de Unie, ongeacht of een partij zich daarop beroept. Zo vernietigde het arrest van de Cour de cassation, Chambre civile 1 (eerste civiele kamer), van 22 februari 2005, 02‑20.409, dat in de rechtsleer uitvoerig is becommentarieerd, de beslissing in tweede aanleg waarbij artikel 2, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen (PB 2000, L 160, blz. 19) niet ambtshalve werd toegepast. De procedurele grondslag voor het cassatieberoep is niet vermeld. Meer recent heeft hetzelfde gerecht zich uitgesproken ten gunste van de ambtshalve toepassing van een collisieregel van Europees recht, te weten artikel 6 van verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (PB 2007, L 199, blz. 40). Het heeft zich daarbij gebaseerd op artikel 12 van de code de procédure civile (wetboek van burgerlijke rechtsvordering), dat bepaalt dat „le juge tranche le litige conformément aux règles de droit qui lui sont applicables” („de rechter is gehouden het geschil te beslechten volgens de daarop van toepassing zijnde rechtsregels”), alsook op de beginselen van voorrang en doeltreffendheid van het Unierecht: zie arrest van de Cour de cassation, Chambre civile 1, van 26 mei 2021, 19‑15.102. Ik beschik echter niet over gegevens die kunnen bevestigen dat dit vaste rechtspraak is.