CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
P. PIKAMÄE
van 13 januari 2022 ( 1 )
Zaak C‑520/20
DB,
LY
tegen
Nachalnik na Rayonno upravlenie Silistra pri Oblastna direktsia na Ministerstvo na vatreshnite raboti
[verzoek van de Administrativen sad Silistra (bestuursrechter in eerste aanleg Silistra, Bulgarije) om een prejudiciële beslissing]
„Prejudiciële verwijzing – Justitiële samenwerking in strafzaken – Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) – Besluit 2007/533/JBZ – Artikelen 38 en 39 – Signalering van voorwerpen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure – Tenuitvoerlegging van de in een signalering gevraagde maatregel – Nodige maatregelen – Nationale regeling en bestuurspraktijk op grond waarvan de bevoegde autoriteit de gevraagde maatregel ten uitvoer moet leggen”
|
1. |
In de onderhavige zaak heeft de Administrativen sad Silistra (bestuursrechter in eerste aanleg Silistra, Bulgarije) het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 39 van besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) ( 2 ). |
|
2. |
Het Hof zal in de onderhavig zaak dus de gelegenheid hebben om in het te wijzen arrest voor het eerst duidelijkheid te verschaffen over het bij dit rechtsinstrument ingestelde mechanisme ter ondersteuning van de justitiële samenwerking in strafzaken, in het geval van signaleringen in SIS II van voorwerpen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure. ( 3 ) Het Hof zal met name moeten bepalen wat de omvang is van de beoordelingsmarge waarover de bevoegde autoriteiten van de lidstaten beschikken in het kader van de tenuitvoerlegging van de in de signalering gevraagde maatregel en van het gevolg dat aan die tenuitvoerlegging moet worden gegeven. |
I. Toepasselijke bepalingen
A. Unierecht
|
3. |
In het kader van het onderhavige geding zijn de artikelen 38, 39, 45, 48 en 49 van besluit 2007/533 van belang. |
B. Bulgaars recht
|
4. |
Artikel 84 van de Zakon za Ministerstvoto na vatreshnite reboti (wet betreffende het ministerie van Binnenlandse Zaken, hierna: „ZMVR”) ( 4 ) bepaalt: „(1) De politieautoriteiten kunnen een voorwerp dat met het oog op opsporing is gesignaleerd in SIS en/of in de gegevensbanken van de Internationale Criminele Politieorganisatie (Interpol), voorlopig in beslag nemen. (2) De persoon bij wie het in lid 1 bedoelde gezochte voorwerp zich bevindt, wordt verzocht dit vrijwillig af te geven. Van de vrijwillige afgifte van het voorwerp wordt een proces-verbaal opgemaakt dat wordt ondertekend door de persoon die het aangetroffen voorwerp heeft afgegeven. [...] (3) Indien de persoon weigert het in lid 1 bedoelde voorwerp af te geven, wordt het in beslag genomen en wordt een proces-verbaal van inbeslagneming opgesteld. [...] [...] (6) [...] De afgifte of de inbeslagneming wordt ter kennis gebracht van de lidstaat die de signalering met het oog op opsporing heeft ingevoerd in SIS en/of de gegevensbank van Interpol. (7) De kennisgeving aan de lidstaat die de signalering in SIS en/of in de gegevensbank van Interpol heeft ingevoerd, geschiedt door de bevoegde gespecialiseerde dienst van het ministerie van Binnenlandse Zaken. (8) [...] Indien de signalerende lidstaat binnen 60 dagen om terugkeer van het voorwerp verzoekt, wordt het voorwerp op grond van een besluit van het hoofd van de bevoegde instantie in de zin van lid 6 binnen 7 dagen teruggebracht naar de in het verzoek genoemde persoon. (9) [...] Indien de signalerende lidstaat niet binnen 60 dagen om terugkeer van het voorwerp verzoekt, wordt het voorwerp bij besluit van het hoofd van de bevoegde instantie in de zin van lid 6 binnen 7 dagen teruggegeven aan de persoon die het voorwerp had afgegeven of bij wie het in beslag was genomen. [...]” |
II. Feiten, hoofdgeding, prejudiciële vraag en procedure bij het Hof
|
5. |
EF, Bulgaars staatsburger, heeft een motorvoertuig gekocht met een lening van de Noorse bank Santander Consumer Bank. Gebleken is dat EF in mei 2016 is gestopt met de terugbetaling van deze lening en dat de bank het dossier vervolgens heeft overgedragen aan Lindorff AS ter invordering van de uitstaande schulden. In antwoord op een verzoek om vrijwillige betaling en op een aanmaning heeft EF aan Lindorff AS meegedeeld dat het voertuig in kwestie zich in Bulgarije bevond. Het voertuig was verkocht aan AB, de naar behoren geregistreerde eigenaar in Bulgarije, die het had doorverkocht aan verzoeker in het hoofdgeding, DB. Laatstgenoemde had dit voertuig in maart 2017 in Varna (Bulgarije) gekocht en het laten registreren. |
|
6. |
Op 24 mei 2017 heeft Noorwegen in het nationale Schengeninformatiesysteem (N.SIS) een signalering gecreëerd en geregistreerd met het oog op de inbeslagneming van een motorvoertuig dat als „gestolen, verduisterd of anderszins vermist” is gekwalificeerd en naar behoren is geïdentificeerd, onder meer aan de hand van het chassisnummer. |
|
7. |
Op 26 mei 2017 ontdekte de Bulgaarse politie het op naam van DB geregistreerde voertuig op een parkeerplaats in Silistra, Bulgarije, en na raadpleging van het geautomatiseerde informatiesysteem „Onderzoekshandeling” – SIS II werd vastgesteld dat het chassisnummer van het voertuig volledig identiek was aan dat van het gezochte, door Noorwegen gesignaleerde voertuig. Op grond van artikel 84, lid 3, ZMVR werd dit voertuig, samen met het kentekenbewijs, bij DB in beslag genomen. |
|
8. |
Na een uitwisseling van informatie tussen het Bulgaarse en het Noorse Sirene-bureau heeft het hoofd van de districtspolitie van Silistra bevolen dat de in beslag genomen voorwerpen moesten worden teruggebracht naar Noorwegen. Uit de motivering van het bevel blijkt dat het betrokken voertuig door het Sirene-bureau in Noorwegen was gesignaleerd wegens oplichting of misbruik van vertrouwen, gepleegd te Hordaland (Noorwegen) op 23 december 2014. |
|
9. |
De Noorse handelsonderneming Santander Consumer Bank, de eigenaar van het voertuig, heeft verklaard dat zij wenste dat het voertuig naar haar zou worden teruggebracht en heeft daartoe de vennootschap Lindorff, die in Bulgarije werd vertegenwoordigd door de vennootschap Plam EOOD, opdracht gegeven. |
|
10. |
Op 6 juni 2017 ontving de Bulgaarse politieautoriteit van Plam EOOD een verzoek om afgifte van het in beslag genomen voertuig. Deze autoriteit heeft daarop contact opgenomen met het Bulgaarse ministerie van Binnenlandse Zaken met het oog op toezending, door Noorwegen, van een formeel verzoek om terugkeer. Op 4 juli 2017 werd het voertuig in kwestie afgegeven aan CD, de directeur van Plam EOOD. Op 12 juli 2017 zijn de twee kentekenplaten en het kentekenbewijs teruggegeven aan verzoeker. |
|
11. |
DB en zijn echtgenote LY hebben bij de verwijzende rechter beroep ingesteld om de rechtmatigheid van het op grond van artikel 84, lid 8, ZMVR genomen besluit van de politieautoriteit, verweerster in het hoofdgeding, tot afgifte van het betrokken voertuig aan de vennootschap Plam EOOD aan te vechten op grond dat de door Noorwegen in SIS II opgenomen signalering, bij gebreke van overtuigend bewijs dat in Noorwegen een strafprocedure met betrekking tot dit voertuig was ingeleid en gevoerd, onrechtmatig was. Verzoekers in het hoofdgeding hebben bij die politieautoriteit tevens verzocht om onmiddellijke teruggave van het voertuig, op grond dat de inbeslagneming onder dwang en zonder feitelijke of rechtsgrondslag was verricht. Nadat dit door deze autoriteit uitdrukkelijk was geweigerd, zijn zij bij de verwijzende rechter opgekomen tegen die weigering. Die tweede zaak is geschorst tot de beslechting van het hoofdgeding. |
|
12. |
In het hoofdgeding heeft de verwijzende rechter de verwerende autoriteit verzocht een uittreksel uit het toepasselijke Noorse wetboek van strafrecht over te leggen, vergezeld van een correcte vertaling in het Bulgaars, met inbegrip van de artikelen die zijn gebruikt om de signalering van het betrokken motorvoertuig in SIS II op te nemen, hetgeen niet is gebeurd. Ter terechtzitting van 8 juli 2020 heeft deze rechterlijke instantie voornoemde autoriteit tevens meegedeeld dat zij een officieel antwoord van de Noorse politieautoriteiten diende te verstrekken met betrekking tot de vraag of in Noorwegen een strafprocedure met betrekking tot dit voertuig was ingeleid, en zo ja, welk strafbaar feit het voorwerp van deze procedure uitmaakte en in welk stadium deze zich bevond. Naar aanleiding van dit verzoek is ter terechtzitting van 26 augustus 2020 een brief van het hoofd van de afdeling Sirene van het directoraat „Internationale Operationele Samenwerking” van het ministerie van Binnenlandse Zaken overgelegd, waarin werd verklaard dat het dossier en het onderzoek met betrekking tot het voertuig op 10 juli 2017 waren gesloten omdat het voertuig was aangetroffen en naar Noorwegen was teruggebracht. |
|
13. |
De verwijzende rechter betwijfelt of in Noorwegen een strafrechtelijke procedure is ingesteld met betrekking tot het betrokken voertuig ( 5 ) en is van oordeel dat, zo dit niet het geval is, de signalering in SIS II is opgenomen buiten de in artikel 2 van besluit 2007/533 omschreven werkingssfeer en dus in strijd is met het doel dat met de oprichting van SIS II, zoals omschreven in dat besluit, wordt nagestreefd. |
|
14. |
In het licht van deze overwegingen vraagt de verwijzende rechter zich af of een nationale wettelijke bepaling als artikel 84 ZMVR, op grond waarvan de bevoegde Bulgaarse autoriteiten in SIS II elk met het oog op opsporing gesignaleerde voorwerp in beslag moeten nemen en op verzoek van de signalerende lidstaat naar deze staat moeten doen terugkeren, zonder dat deze autoriteiten zich in het kader van deze procedure kunnen beroepen op een onrechtmatigheid bij de opneming van de signalering, zoals de in het vorige punt beschreven onrechtmatigheid, verenigbaar is met besluit 2007/533. Dienaangaande merkt de verwijzende rechter in het bijzonder op dat aan eventuele eigenaars die te goeder trouw zijn, zoals verzoekers in het hoofdgeding, aldus elke rechtsbescherming zou worden ontzegd. |
|
15. |
In die omstandigheden heeft de Administrativen sad Silistra de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd: „Moet artikel 39 van besluit [2007/533], en in het bijzonder lid 3 ervan, aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling en bestuurspraktijk op grond waarvan het bevoegde uitvoerende orgaan de uitvoering kan en moet weigeren wanneer er aanknopingspunten zijn voor de veronderstelling dat de in het SIS opgenomen signalering niet binnen de doelstellingen valt die met die registratie worden nagestreefd, en meer bepaald de doelstellingen in artikel 38, lid 1 van dat besluit?” |
|
16. |
DB, de Bulgaarse regering en de Europese Commissie hebben schriftelijke opmerkingen ingediend. |
III. Analyse
A. Opmerkingen vooraf
|
17. |
De huidige vraag moet mijns inziens anders worden geformuleerd. In dit verband zij erop gewezen dat de vraag, zoals deze door de verwijzende rechter is gesteld, zuiver hypothetisch lijkt te zijn, zodat het antwoord van het Hof niet kan bijdragen tot de beslechting van het hoofdgeding. |
|
18. |
De verwijzende rechter wenst immers van het Hof te vernemen of nationale bepalingen of een nationale bestuurspraktijk op grond waarvan de bevoegde nationale uitvoerende autoriteiten de uitvoering van een in SIS II opgenomen signalering moeten weigeren wanneer zij van oordeel zijn dat deze signalering niet binnen de doelstellingen van dit besluit valt, verenigbaar zijn met artikel 39 van besluit 2007/533. |
|
19. |
Zoals hierboven is uiteengezet, volgt echter uit artikel 84 ZMVR dat de Bulgaarse wettelijke regeling de bevoegde nationale autoriteiten dit geenszins mogen weigeren in omstandigheden als die welke door de verwijzende rechter zijn beschreven. Integendeel, deze autoriteiten handelen in een situatie van gebonden bevoegdheid, in die zin dat wanneer een in SIS II gesignaleerd voorwerp wordt aangetroffen, deze autoriteiten verplicht zijn dat voorwerp in beslag te nemen en het, wanneer zij vervolgens binnen 60 dagen na de kennisgeving van de inbeslagneming aan de signalerende lidstaat een daartoe strekkend verzoek ontvangen, aan de in het verzoek genoemde persoon terug te doen keren. |
|
20. |
Ik stel het Hof derhalve voor de vraag te herformuleren, maar niet in de door de Commissie voorgestelde zin. Volgens de Commissie wenst de verwijzende rechter te vernemen of het Bulgaarse recht in overeenstemming is met besluit 2007/533 voor zover het voorziet in de onvoorwaardelijke terugkeer van voorwerpen die op grond van een signalering in SIS II in beslag zijn genomen, waarbij de door deze rechter in het kader van het hoofdgeding te verrichten toetsing uitsluitend op dit aspect betrekking heeft. |
|
21. |
Het is inderdaad juist dat verzoekers in het hoofdgeding de rechtmatigheid betwisten van het op basis van artikel 84, lid 8, ZMVR vastgestelde besluit waarbij de Bulgaarse politie gevolg heeft gegeven aan het door Noorwegen ingediende schriftelijke verzoek om terugkeer van het betrokken voertuig. Uit verschillende punten van de verwijzingsbeslissing blijkt mijns inziens echter duidelijk dat hun kritiek veeleer betrekking heeft op een onrechtmatigheid die voortvloeit uit de niet-inachtneming van de voorwaarden voor opneming van de signalering in SIS II, waardoor de uitvoering van de signalering in haar geheel zou zijn aangetast, aangezien, indien de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat de mogelijkheid hadden gehad een dergelijke onrechtmatigheid te doen gelden, noch de inbeslagneming noch de terugkeer van dit voertuig naar Noorwegen mogelijk zou zijn geweest. Bijgevolg moet het voorstel van de Commissie om de gestelde vraag aldus te herformuleren dat deze uitsluitend betrekking heeft op de verenigbaarheid met besluit 2007/533 van de nationale bepaling betreffende het onvoorwaardelijke karakter van de terugkeer van op grond van een SIS II-signalering in beslag genomen voorwerpen, worden afgewezen. |
|
22. |
Ik acht het derhalve noodzakelijk om de gestelde vraag aldus te herformuleren dat de verwijzende rechter het Hof vraagt of artikel 39 van besluit 2007/533 in de weg staat aan een nationale regeling op grond waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat niet kunnen weigeren uitvoering te geven aan een signalering van een in SIS II geregistreerd voorwerp wanneer er aanwijzingen zijn dat deze signalering niet binnen de doelstelling van artikel 38 van dat besluit valt. |
|
23. |
Ik zal dit hierna toelichten. |
B. Beantwoording van de prejudiciële vraag
|
24. |
Het SIS, dat is ingesteld bij de Schengenuitvoeringsovereenkomst (hierna: „SUO”) ( 6 ) en vervolgens verder is ontwikkeld in zijn huidige versie, het SIS van de tweede generatie (SIS II), is een gemeenschappelijk informatiesysteem dat de veiligheidsinstanties van de lidstaten in staat stelt samen te werken door informatie uit te wisselen met het oog op de uitvoering van het beleid dat essentieel is voor de totstandbrenging van een ruimte zonder controles aan de binnengrenzen van de Unie. Met name biedt het SIS deze veiligheidsinstanties de mogelijkheid om via een geautomatiseerde zoekprocedure toegang te krijgen tot signaleringen van personen of voorwerpen die door een van de andere lidstaten zijn opgenomen. Deze signaleringen worden gebruikt voor de controle van personen aan de buitengrenzen of op het nationale grondgebied en voor de afgifte van visa en verblijfstitels, alsmede voor politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. ( 7 ) Het SIS is derhalve een essentieel instrument, zowel voor de toepassing van de bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot het vrije verkeer van personen als voor het waarborgen van een hoog niveau van veiligheid binnen deze ruimte. ( 8 ) |
|
25. |
Hoewel SIS II één systeem is, valt het onder twee afzonderlijke rechtsinstrumenten, namelijk verordening nr. 1987/2006 ( 9 ) en besluit 2007/533. Deze dualiteit is noodzakelijk omdat het systeem bedoeld is ter ondersteuning van zowel de uitvoering van het beleid op het gebied van het vrije verkeer van personen, dat onder het VWEU valt, als de samenwerking in strafzaken, die onder het VEU valt. Deze instrumenten zijn krachtens artikel 2 van de overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis ( 10 ) ook van toepassing op deze twee staten. |
|
26. |
Met betrekking tot besluit 2007/533, waarvan de verwijzende rechter in deze zaak uitlegging vraagt, zij er om te beginnen op gewezen dat in artikel 2, lid 1, van dit besluit is bepaald dat daarin de voorwaarden en procedures worden vastgesteld voor de invoering en de verwerking in SIS II van signaleringen van personen en voorwerpen en voor de uitwisseling van aanvullende informatie en extra gegevens met het oog op de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken. |
|
27. |
De uitwisseling van „aanvullende informatie” in verband met een signalering is essentieel voor de uitvoering van een aantal bepalingen van besluit 2007/533. ( 11 ) Krachtens artikel 7, lid 2, van dat besluit dient elke lidstaat een zogenoemd „Sirene-bureau” op te richten, dat de uitwisseling in kwestie verricht overeenkomstig de bepalingen van het „Sirene-handboek”, zoals voorgeschreven in artikel 8, lid 1, van dat besluit. |
|
28. |
In besluit 2007/533 zijn signaleringen gerubriceerd en geregeld naargelang van de reden waarom zij in SIS II zijn opgenomen. Aan elke aldus vastgestelde signaleringscategorie wordt een hoofdstuk gewijd, dat noodzakelijkerwijs een bepaling bevat inzake de gegevens aan de hand waarvan de persoon op wie of het voorwerp waarop de signalering betrekking heeft, kan worden geïdentificeerd of opgespoord, alsmede een bepaling inzake de door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat te nemen maatregelen om uitvoering te geven aan de signalering. |
|
29. |
Wanneer signaleringen betrekking hebben op voorwerpen, worden zij ingedeeld als signaleringen met het oog op onopvallende controles of gerichte controles in de zin van de artikelen 36 en 37 van besluit 2007/533, en als signaleringen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure in de zin van de artikelen 38 en 39 van dat besluit. Wat deze tweede categorie signaleringen betreft, zien de gegevens aan de hand waarvan het betrokken voorwerp kan worden geïdentificeerd of teruggevonden, op de in artikel 38, lid 2, van dat besluit genoemde categorieën van gemakkelijk identificeerbare voorwerpen. |
|
30. |
Vast staat dat de in het hoofdgeding aan de orde zijnde signalering door Noorwegen in SIS II is opgenomen met het oog op de inbeslagneming van het voertuig in kwestie en dat dit voertuig, tezamen met het kentekenbewijs en de kentekenplaten vallen onder de categorieën „motorvoertuigen met een cilinderinhoud van meer dan 50 cc” [artikel 38, lid 2, onder a), van besluit 2007/533] en „gestolen, verduisterde of anderszins vermiste of ongeldig gemaakte voertuigregistratiebewijzen en voertuigkentekenplaten” [artikel 38, lid 2, onder f), van dat besluit]. |
|
31. |
Artikel 39 van besluit 2007/533 bepaalt hoe moet worden gehandeld wanneer gevolg wordt gegeven aan een signalering met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmiddel in een strafprocedure, zoals in de onderhavige zaak. Lid 1 van dat artikel luidt als volgt: „Blijkt uit een bevraging dat er met betrekking tot een aangetroffen voorwerp een signalering bestaat, dan neemt de autoriteit die zulks heeft geconstateerd, contact op met de signalerende autoriteit, teneinde de nodige maatregelen overeen te komen. [...]” |
|
32. |
Hoewel de formulering van deze bepaling enige onzekerheid laat bestaan over de precieze maatregelen die door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat moeten worden genomen, kan worden volstaan met een verwijzing naar punt 2.2.2 van aanhangsel 2 bij het Sirene-handboek waaruit blijkt dat de maatregelen betrekking hebben op de volgende acties: ten eerste inbeslagneming van het voorwerp of het nemen van de nodige conservatoire maatregelen, ten tweede identificatie van de persoon die het voorwerp in bezit heeft en ten derde contact opnemen met het Sirene-bureau van de signalerende lidstaat (om de nodige maatregelen overeen te komen). |
|
33. |
Wat de tenuitvoerlegging van de maatregelen betreft, wordt in artikel 39, lid 2, van besluit 2007/533 bepaald dat de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten daartoe met elkaar communiceren via de uitwisseling van aanvullende informatie. Meer specifiek wordt in punt 8.3 van het Sirene-handboek bepaald dat met behulp van Sirene-formulieren een gestructureerde uitwisseling van informatie plaatsvindt tussen het Sirene-bureau van de signalerende lidstaat en het Sirene-bureau van de aangezochte lidstaat. De aangezochte lidstaat stelt het Sirene-bureau van de signalerende lidstaat door middel van het G‑formulier in kennis van een treffer bij een geautomatiseerde SIS II-zoekopdracht met betrekking tot een voorwerp dat door dat Sirene-bureau is gesignaleerd. Indien om aanvullende informatie wordt verzocht, verstrekt het Sirene-bureau van de lidstaat deze door middel van een P‑formulier. |
|
34. |
Aldus blijkt dat zodra een signalering met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmiddel in een strafprocedure in SIS II is opgenomen, de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat in beginsel verplicht zijn de in de signalering gevraagde maatregel ten uitvoer te leggen. |
|
35. |
In het bijzonder kan de weigering van deze autoriteiten om de gevraagde maatregel uit te voeren niet berusten op hun eigen beoordeling van de omstandigheden ter rechtvaardiging van de opneming van een signalering in SIS II, zoals omstandigheden die verband houden met het bestaan van een in de signalerende lidstaat aanhangige strafprocedure. Deze conclusie kan met name worden getrokken uit artikel 49, leden 1 en 2, van besluit 2007/533, waarin is bepaald dat alleen de signalerende lidstaat verantwoordelijk is voor de juistheid en actualiteit van de gegevens en voor de rechtmatige opneming van de gegevens in SIS II en alleen deze lidstaat bevoegd is de door hem ingevoerde gegevens te wijzigen, aan te vullen, te verbeteren, bij te werken of te verwijderen. ( 12 ) In dezelfde zin bepaalt artikel 21 van dat besluit dat de signalerende staat vóór de opneming nagaat of de zaak in kwestie zodanig geschikt, ter zake doende en belangrijk is dat opneming van de signalering gerechtvaardigd is. |
|
36. |
Zoals het Hof in het arrest Commissie/Spanje ( 13 ) heeft uiteengezet, is een dergelijke conclusie niet verrassend. |
|
37. |
In die zaak diende het Hof zich uit te spreken over een schending van de regels van de SUO – thans opgenomen in verordening nr. 1987/2006 – betreffende de toegang tot het grondgebied en de weigering om een visum af te geven aan iedere derdelander die ter fine van weigering van toegang in het SIS was gesignaleerd. In dit verband heeft het Hof allereerst opgemerkt dat volgens deze regels, ten eerste, de bevoegdheid om te beoordelen of er al of niet omstandigheden bestaan die de signalering in het SIS rechtvaardigen bij de signalerende staat berust (artikel 94, lid 1, en artikel 105 SUO) en, ten tweede, voor zover geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, de andere overeenkomstsluitende partijen de toegang en de afgifte van een visum moeten weigeren aan een ter fine van weigering van toegang gesignaleerde vreemdeling (artikelen 5 en 15 SUO). Vervolgens verklaarde het Hof dat het feit dat deze weigering „automatisch” wordt gegeven, „de uitdrukking [is] van het beginsel van samenwerking tussen de overeenkomstsluitende staten”, dat ten grondslag ligt aan het Schengenacquis en onontbeerlijk is voor de werking van het SIS. ( 14 ) |
|
38. |
Een dergelijk automatisme is mijns inziens ook een kenmerk van besluit 2007/533, aangezien dit besluit eveneens regels bevat die de bevoegdheid van de signalerende lidstaat vastleggen om de omstandigheden te beoordelen die aanleiding geven tot signalering in SIS II (artikel 49, leden 1 en 2, en artikel 21), alsook de verplichting voor de autoriteiten van de aangezochte lidstaat om de in de signalering gevraagde maatregel ten uitvoer te leggen (artikel 39). Het is derhalve onvermijdelijk om vast te stellen, zoals het Hof in het arrest Commissie/Spanje ( 15 ) heeft gedaan, dat er een zeker automatisme bestaat bij de tenuitvoerlegging van de in de signalering gevraagde maatregelen, waarvan de noodzaak wordt gerechtvaardigd door het feit dat het een uitdrukking is van het beginsel van loyale samenwerking tussen de lidstaten dat ten grondslag ligt aan het Schengenacquis en dat onontbeerlijk is voor de werking van een geïntegreerd beheerssysteem waarmee als logisch gevolg van de vrije overschrijding van de binnengrenzen van de Schengenruimte een hoog niveau van veiligheid in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid van de Unie moet worden gewaarborgd. |
|
39. |
Hoewel er signaleringen zijn die kunnen worden aangevochten en waarvan de tenuitvoerlegging kan worden geweigerd, is dit niet het geval voor signaleringen van voorwerpen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure. |
|
40. |
Opgemerkt zij dat artikel 24 van besluit 2007/533, op grond waarvan de aangezochte lidstaat kan verlangen dat een signalering van een „markering” wordt voorzien zodat de signalering op zijn grondgebied niet wordt uitgevoerd wanneer die lidstaat van oordeel is dat gevolg geven aan een opgenomen signalering in strijd is met zijn nationale recht, internationale verplichtingen of wezenlijke nationale belangen, niet van toepassing is op deze twee categorieën. De toepasselijkheid ervan is, gezien de formulering, beperkt tot signaleringen op grond van artikel 26 (in hoofdstuk V, „Signaleringen van personen die met het oog op aanhouding ten behoeve van overlevering of uitlevering worden gezocht”), artikel 32 (in hoofdstuk VI, „Signaleringen van vermiste personen”) of artikel 36 (in hoofdstuk VIII, „Signaleringen van personen en voorwerpen met het oog op onopvallende controles of gerichte controles”) van dat besluit. |
|
41. |
Artikel 48 van besluit 2007/533 voorziet in een geval waarin geen gevolg wordt gegeven aan een signalering, maar niet als gevolg van een weigering van de autoriteiten van de aangezochte lidstaat om daaraan uitvoering te geven. Deze bepaling legt de aangezochte lidstaat de verplichting op de signalerende lidstaat rechtstreeks in kennis te stellen „wanneer de gevraagde maatregel niet kan worden uitgevoerd”. In dit verband is het van belang erop te wijzen dat de bedoelde situatie er een is van objectieve onmogelijkheid, zoals blijkt uit de verduidelijking in punt 2.4 van het Sirene-handboek, volgens welke de verplichting tot informatieverstrekking uit hoofde van deze bepaling rust op de aangezochte lidstaat „die op basis van alle beschikbare informatie beslist niet in staat is de procedure [in geval van een treffer] te volgen” ( 16 ) en „de gevraagde maatregel niet kan uitvoeren” ( 17 ) (alsmede op de redenen voor een dergelijke onmogelijkheid). ( 18 ) |
|
42. |
Volledigheidshalve zij erop gewezen dat artikel 49, lid 3, van besluit 2007/533 de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat niet de mogelijkheid biedt te weigeren de in de signalering gevraagde maatregel uit te voeren, indien aan de in die bepaling genoemde voorwaarden is voldaan. Volgens deze bepaling stelt de aangezochte lidstaat, wanneer hij aanwijzingen heeft dat gegevens onjuist zijn of onrechtmatig zijn opgenomen, immers de signalerende lidstaat door middel van de uitwisseling van aanvullende informatie daarvan zo spoedig mogelijk (en uiterlijk tien dagen nadat de aanwijzingen aan het licht zijn gekomen) in kennis en moet hij, indien hij geen overeenstemming bereikt met de signalerende lidstaat, de zaak voorleggen aan de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (ETGB), opdat deze, tezamen met de nationale controleautoriteiten, optreedt als bemiddelaar. Met andere woorden, de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat hoeven de signalerende lidstaat alleen maar mee te delen dat de gegevens onjuist zijn of onrechtmatig zijn opgenomen, waarbij deze laatste uiteindelijk verantwoordelijk blijft voor het verbeteren of verwijderen van deze gegevens. |
|
43. |
Verduidelijkt moet worden dat artikel 49, leden 3 en 4, van besluit 2007/533 hoe dan ook geen betrekking heeft op de situatie waarin door de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat wordt aangevoerd dat de gegevens onrechtmatig zijn op grond van het feit dat de in SIS II opgenomen signalering niet in overeenstemming zou zijn met de met dat besluit nagestreefde doelstellingen. Deze conclusie is gebaseerd op zowel de bewoordingen als contextuele elementen. Wat de bewoordingen betreft kan ik niet nalaten op te merken dat in artikel 49, lid 3, sprake is van gegevens die „onjuist” zijn of „onrechtmatig zijn opgenomen” (in de zin van: „bewaard”), en niet „onrechtmatig zijn ingevoerd”, hetgeen erop wijst dat deze onrechtmatigheid geen betrekking heeft op de voorwaarden waaronder signaleringen in SIS II worden ingevoerd. Uit contextueel oogpunt merk ik in de eerste plaats op dat artikel 49 van besluit 2007/533 deel uitmaakt van hoofdstuk XI van dat besluit, met als opschrift „Algemene voorschriften inzake gegevensverwerking” ( 19 ), en in de tweede plaats dat er geen reden is om te stellen dat de uitdrukking „onrechtmatig opgenomen gegevens” in de zin van dat artikel anders moet worden uitgelegd dan de analoge uitdrukking in artikel 58, lid 5, van datzelfde besluit, volgens welke „[e]enieder [...] het recht [heeft] [...] onrechtmatig opgenomen gegevens te doen verwijderen”. Dit impliceert mijns inziens dat de onrechtmatigheid van de gegevens berust op de schending van nationale of Unievoorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens, zoals blijkt uit het feit dat een eventuele bemiddeling tussen de aangezochte lidstaat en de signalerende lidstaat aan de ETGB is toevertrouwd. |
|
44. |
Gelet op het voorgaande kan er mijns inziens weinig twijfel over bestaan dat besluit 2007/533 de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat geen enkele mogelijkheid biedt om de rechtmatigheid van de opneming van een signalering met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmiddel in een strafprocedure in twijfel te trekken en dus de uitvoering ervan te weigeren op grond dat de signalering niet in overeenstemming is met de doelstellingen die opneming van een signalering in SIS II kunnen rechtvaardigen. De doeltreffendheid van SIS II zou overigens ernstig worden ondermijnd indien besluit 2007/533 aldus zou worden uitgelegd dat de lidstaten om bovengenoemde reden de tenuitvoerlegging van een signalering kunnen weigeren. |
|
45. |
Hieruit volgt dat de Bulgaarse wettelijke regeling die is toegepast in de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot het hoofdgeding, te weten artikel 84 ZMVR, niet kan worden beschouwd als onverenigbaar met besluit 2007/533, voor zover deze regeling de nationale politieautoriteiten een onvoorwaardelijke verplichting oplegt om een aangetroffen voorwerp voorlopig in beslag te nemen wanneer zij hebben vastgesteld dat het in SIS II is gesignaleerd. |
|
46. |
Wat de terugkeer betreft van het voertuig dat door de Bulgaarse politieautoriteiten in het hoofdgeding in beslag is genomen, zij erop gewezen dat dit valt onder het begrip „nodige maatregelen”, waarvan de inhoud moet worden overeengekomen tussen de aangezochte lidstaat en de signalerende lidstaat na een uitwisseling van informatie in de zin van artikel 39 van besluit 2007/533. Hoewel de uitwisseling van aanvullende informatie tussen de Sirene-bureaus van deze lidstaten om tot overeenstemming te komen over dergelijke maatregelen een van de onderdelen is van de maatregelen die moeten worden genomen in het geval van een signalering van voorwerpen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmiddel in een strafprocedure ( 20 ), maakt de uitvoering van deze maatregelen geen deel uit van de tenuitvoerlegging van deze signalering als voorzien in besluit 2007/533. Hieruit volgt dat deze uitvoering, overeenkomstig artikel 39, lid 3, van dit besluit, uitsluitend door het nationale recht wordt geregeld. |
|
47. |
Dit betekent dat de Bulgaarse wettelijke regeling, zoals uitgelegd door de nationale rechterlijke instanties, wel degelijk zou kunnen voorzien in de mogelijkheid dat de bevoegde nationale autoriteiten het betrokken voorwerp niet doen terugkeren teneinde de eigendomsrechten te eerbiedigen van een koper die te goeder trouw is, zoals verzoekers in het hoofdgeding. Dit betekent echter ook dat een andere rechtskeuze, zoals in casu de onvoorwaardelijke terugkeer, niet als onverenigbaar met besluit 2007/533 kan worden beschouwd. Zoals de Commissie in haar schriftelijke opmerkingen terecht opmerkt, bestaat er uit hoofde van dat besluit immers geen verplichting tot terugkeer. |
|
48. |
Deze lezing wordt mijns inziens ondersteund door de inhoud van de wettelijke regeling inzake het verwijderen van signaleringen. |
|
49. |
Artikel 45, leden 1 en 3, van besluit 2007/533 bepaalt dat de in SIS II opgenomen signaleringen van voorwerpen niet langer worden bewaard dan nodig is voor het nagestreefde doel en, in het geval van signaleringen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure, niet langer dan tien jaar. Wat betreft deze laatste categorie van signaleringen, wordt in punt 8.4 van het Sirene-handboek gespecificeerd dat zij niet alleen worden verwijderd wanneer de signalering verstrijkt [onder b)] of wanneer de bevoegde autoriteit van de signalerende lidstaat tot verwijdering beslist [onder c)], maar ook „wanneer het voorwerp in beslag is genomen of een vergelijkbare maatregel is genomen, nadat nadien de nodige aanvullende informatie is uitgewisseld door de Sirene-bureaus of op het voorwerp een andere gerechtelijke of bestuursrechtelijke procedure van toepassing wordt” ( 21 ), en worden bij wijze van voorbeeld een gerechtelijke procedure inzake de goede trouw bij een aankoop, inzake betwiste eigendom of inzake justitiële samenwerking in verband met bewijsmateriaal genoemd. Met andere woorden, wanneer het voorwerp in de aangezochte lidstaat in een gerechtelijke procedure is betrokken die, zoals in dit geval, wordt ingeleid door een betwisting van de eigendom van het voorwerp, dient de signalering te worden verwijderd. |
|
50. |
De aan het Sirene-handboek ontleende uitleg moet worden aangevuld met een verwijzing naar de catalogus van aanbevelingen en beste praktijken voor de juiste toepassing van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) en de uitwisseling van aanvullende informatie ( 22 ), waarin zelf staat dat „de catalogus [...] voorbeelden [geeft] op het gebied van de verwijdering van signaleringen ter ondersteuning van de beknoptere tekst in het [Sirene-handboek]”. ( 23 ) Met betrekking tot het verwijderen van signaleringen van voorwerpen wordt in de catalogus uitgelegd dat „[h]et SIS [...] gericht [is] op de locatie van personen en voorwerpen. Het speelt geen rol bij de procedures die in een latere fase door de nationale gerechtelijke autoriteiten worden uitgevoerd. Signaleringen van voorwerpen zijn dus gericht op de inbeslagneming van het desbetreffende voorwerp (of in bepaalde gevallen het vaststellen van de plaats waar het zich bevindt) zodat de nationale autoriteiten verdere procedures kunnen uitvoeren die losstaan van het SIS” ( 24 ), waaraan wordt toegevoegd dat „[a]ls een zaak gekenmerkt wordt door een zekere mate van complexiteit, zoals een geschil over eigendom en aankoop te goeder trouw, [...] deze aspecten geacht [worden] buiten het toepassingsgebied van het SIS te liggen” ( 25 ). |
|
51. |
Met andere woorden, de artikelen 38 en 39 van besluit 2007/533 hebben betrekking op signaleringen van voorwerpen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijs in een strafprocedure. Hieruit volgt dat zodra de inbeslagneming (of een vergelijkbare maatregel) van het betrokken voorwerp heeft plaatsgevonden, de zaak een kwestie van het burgerlijk vermogensrecht wordt en de signalering kan worden verwijderd, aangezien zij reeds haar doel heeft bereikt. Besluit 2007/533 maakt dan plaats voor het nationale recht. |
|
52. |
Dit betekent dat indien het nationale recht, zoals uitgelegd in de relevante rechtspraak, bepaalt, zoals in de onderhavige zaak, dat het in beslag genomen voorwerp naar de signalerende lidstaat moet worden teruggebracht zonder dat de bevoegde autoriteiten van de aangezochte lidstaat kunnen aanvoeren dat de opneming van de signalering niet in overeenstemming is met het door besluit 2007/533 nagestreefde doel, deze wetgevingskeuze op geen enkele wijze op grond van dit besluit kan worden betwist. |
|
53. |
Ik ben derhalve van oordeel dat het automatisme van de in het geding zijnde wettelijke bepaling, te weten artikel 84 ZMVR, op grond waarvan de Bulgaarse politieautoriteit een in SIS II gesignaleerd voertuig in beslag neemt wanneer zij het aantreft, en het voertuig op verzoek van de signalerende lidstaat doet terugkeren, volledig in overeenstemming is met artikel 39 van besluit 2007/533. |
IV. Conclusie
|
54. |
Gelet op het voorgaande geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vraag van de Administrativen sad Silistra als volgt te beantwoorden: „Artikel 39 van besluit 2007/533/JBZ van de Raad van 12 juni 2007 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) staat niet in de weg aan een nationale regeling op grond waarvan de autoriteiten van de aangezochte lidstaat de uitvoering van een signalering van een in SIS II opgenomen voorwerp niet kunnen weigeren indien er aanwijzingen zijn dat de signalering niet binnen de doelstelling van artikel 38, lid 1, van dat besluit valt. De terugkeer van het voorwerp maakt deel uit van de nodige maatregelen die tussen de lidstaten moeten worden overeengekomen na een uitwisseling van aanvullende informatie en waarvan de uitvoering buiten de werkingssfeer van besluit 2007/533 valt.” |
( 1 ) Oorspronkelijke taal: Frans.
( 2 ) PB 2007, L 205, blz. 63.
( 3 ) Andere specifieke bepalingen van besluit 2007/533, namelijk artikel 41, lid 2, en artikel 45, lid 2, zijn door het Hof uitgelegd in de beschikking van 7 juni 2018, Gaki/Europol (C‑671/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:416, punten 24‑30).
( 4 ) DV nr. 53 van 27 juni 2014, wet zoals laatstelijk gewijzigd en aangevuld (DV nr. 58 van 23 juli 2019).
( 5 ) In dit verband merkt de verwijzende rechter op dat de handelwijze van de kredietnemer EF, die overeenkwam met de niet-uitvoering van een overeenkomst inzake een banklening, onder meer was gekwalificeerd als „ernstige fraude” en „afpersing”, strafrechtelijke kwalificaties die naar Bulgaars recht niet zouden kunnen worden gebruikt in de context van voornoemde rechtsbetrekking.
( 6 ) Overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen (PB 2000, L 239, blz. 19), artikelen 92‑119.
( 7 ) Zie het voorstel voor een besluit van de Raad betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) [COM(2005) 230 definitief – 2005/0103 (CNS)], blz. 2 en 4.
( 8 ) Zie in dit verband overweging 5 van besluit 2007/533.
( 9 ) Verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) (PB 2006, L 381, blz. 4).
( 10 ) PB 1999, L 176, blz. 36.
( 11 ) In artikel 3, lid 1, onder b), van besluit 2007/533 wordt het begrip „aanvullende informatie” als volgt gedefinieerd: „niet in SIS II opgeslagen informatie die echter gerelateerd is aan SIS II-signaleringen en die wordt uitgewisseld: i) om de lidstaten in staat te stellen onderling overleg te plegen of elkaar inlichtingen te verstrekken bij de opneming van een signalering; ii) na een treffer zodat de passende maatregel kan worden uitgevoerd; iii) indien de gevraagde maatregel niet kan worden uitgevoerd; iv) inzake de kwaliteit van de SIS II-gegevens; v) inzake de compatibiliteit en de prioriteit van signaleringen; vi) inzake de uitoefening van het recht van toegang”.
( 12 ) Zie in die zin beschikking van 7 juni 2018, Gaki/Europol (C‑671/17 P, niet gepubliceerd, EU:C:2018:416, punt 29), waarin het Hof het oordeel van het Gerecht heeft bevestigd dat Europol niet bevoegd was om kennis te nemen van argumenten inzake de onjuistheid van de in SIS II opgenomen gegevens, na in wezen onder meer te hebben opgemerkt dat de beoordeling van de juistheid van die gegevens overeenkomstig artikel 49, lid 2, van besluit 2007/533 tot de exclusieve bevoegdheid van de signalerende lidstaat behoort.
( 13 ) Arrest van 31 januari 2006 (C‑503/03, EU:C:2006:74).
( 14 ) Arrest van 31 januari 2006, Commissie/Spanje (C‑503/03, EU:C:2006:74, punten 36 en 37).
( 15 ) Arrest van 31 januari 2006 (C‑503/03, EU:C:2006:74).
( 16 ) Cursivering van mij.
( 17 ) Cursivering van mij.
( 18 ) In punt 2.4 van het Sirene-handboek staat ook dat, zodra de aangezochte lidstaat heeft voldaan aan de verplichting om informatie te verstrekken overeenkomstig artikel 48 van besluit 2007/533, de betrokken lidstaten zo mogelijk overeenstemming bereiken over een te nemen maatregel die verenigbaar is met hun nationale recht en met de rechtsinstrumenten voor SIS II.
( 19 ) Cursivering van mij.
( 20 ) Zie in dit verband SIS II Coördinatiegroep Toezicht, gemeenschappelijk standpunt nr. 1/2016 inzake de verwijdering van signaleringen van gestolen voertuigen met het oog op inbeslagneming of gebruik als bewijsmateriaal in een strafprocedure en inzake de uitlegging van artikel 38 van besluit 2007/533, punten 17 en 18, waarin in wezen wordt benadrukt dat het doel van de signalering niet wordt bereikt, en dat de signalering derhalve niet kan worden verwijderd, indien niet tot de nodige maatregelen is besloten na de in artikel 39 van besluit 2007/533 voorgeschreven uitwisseling van informatie.
( 21 ) Cursivering van mij.
( 22 ) Bijlage bij aanbeveling C(2015) 9169 final van de Commissie van 16 december 2015 voor de opstelling van een catalogus van aanbevelingen en beste praktijken voor de juiste toepassing van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II) en de uitwisseling van aanvullende informatie door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die SIS II uitvoeren en toepassen.
( 23 ) Meer in het algemeen biedt deze catalogus, in de bewoordingen van bladzijde 2 van de aanbeveling van de Commissie waaraan hij is gehecht, „de lidstaten juridisch niet-bindende richtsnoeren voor de verschillende aspecten van het gebruik van SIS II en de uitwisseling van aanvullende informatie”.
( 24 ) Cursivering van mij.
( 25 ) Cursivering van mij.