13.12.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 502/7


Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 14 oktober 2021 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof — Duitsland) — E / Finanzamt N (C-45/20) en Z / Finanzamt G (C-46/20)

(Gevoegde zaken C-45/20 en C-46/20) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Belasting over de toegevoegde waarde (btw) - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 167, artikel 168, onder a), artikel 250 en artikel 252 - Aftrek van de voorbelasting - Onroerend goed - Kantoorkamer - Fotovoltaïsche installatie - Bestemmingskeuze die recht op aftrek doet ontstaan - Mededeling van de bestemmingskeuze - Vervaltermijn voor de uitoefening van het recht op aftrek - Vermoeden van bestemming voor privédoeleinden van de belastingplichtige bij gebreke van mededeling van de bestemmingskeuze - Neutraliteitsbeginsel - Rechtzekerheidsbeginsel - Beginselen van gelijkwaardigheid en evenredigheid)

(2021/C 502/10)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Bundesfinanzhof

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: E (C-45/20), Z (C46/20)

Verwerende partijen: Finanzamt N (C-45/20), Finanzamt G (C-46/20)

Dictum

Artikel 168, onder a), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/162/EU van de Raad van 22 december 2009, gelezen in samenhang met artikel 167 van die richtlijn, zoals gewijzigd, moet aldus worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen nationale bepalingen die door een nationale rechter op zodanige wijze worden uitgelegd dat wanneer een belastingplichtige over het recht beschikt om een goed te bestemmen voor bedrijfsdoeleinden en de bevoegde nationale belastingdienst uiterlijk bij het verstrijken van de wettelijke termijn voor de indiening van de jaaraangifte omzetbelasting geen dergelijke bestemming van dit goed heeft kunnen vaststellen middels een uitdrukkelijke keuze of voldoende aanwijzingen in deze zin, deze dienst het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) op dat goed kan weigeren door aan te nemen dat het bestemd is voor privédoeleinden van de belastingplichtige, tenzij uit de concrete juridische regels op grond waarvan gebruik kan worden gemaakt van deze mogelijkheid, blijkt dat deze niet in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel.


(1)  PB C 191 van 8.6.2020.