BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Achtste kamer)

20 mei 2020 ( *1 )

„Beroep tot nietigverklaring – Energie – Interne markt voor aardgas – Richtlijn (EU) 2019/692 – Invoeging in richtlijn 2009/73/EG van artikel 49 bis betreffende de vaststelling van besluiten tot afwijking van sommige bepalingen van de richtlijn – Toepassing van richtlijn 2009/73 op gastransmissieleidingen van en naar derde landen – Betwisting van de op 24 mei 2020 vastgestelde termijn voor het verlenen van afwijkingen van de verplichtingen van richtlijn 2009/73 – Niet rechtstreeks geraakt – Niet individueel geraakt – Niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑530/19,

Nord Stream AG, gevestigd te Zug (Zwitserland), vertegenwoordigd door M. Raible, C. von Köckritz en J. von Andreae, advocaten,

verzoekster,

tegen

Europees Parlement, vertegenwoordigd door L. Visaggio, J. Etienne en I. McDowell als gemachtigden,

en

Raad van de Europese Unie, vertegenwoordigd door A. Lo Monaco en S. Boelaert als gemachtigden,

verweerders,

betreffende een verzoek krachtens artikel 263 VWEU tot gedeeltelijke nietigverklaring van richtlijn (EU) 2019/692 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2019 tot wijziging van richtlijn 2009/73/EG betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas (PB 2019, L 117, blz. 1),

geeft

HET GERECHT (Achtste kamer),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen (rapporteur), president, R. Barents en C. Mac Eochaidh, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Voorgeschiedenis van het geding

1

Richtlijn 2003/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en houdende intrekking van richtlijn 98/30/EG (PB 2003, L 176, blz. 57) is ingetrokken en vervangen bij richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 (PB 2009, L 211, blz. 94).

2

Richtlijn 2009/73 heeft tot doel gemeenschappelijke regels vast te stellen voor de transmissie, de distributie, de levering en de opslag van aardgas, teneinde markttoegang mogelijk te maken en eerlijke, niet-discriminerende mededinging te bevorderen. In dat verband voorziet die richtlijn onder meer in de verplichte ontvlechting van transmissiesystemen en transmissiesysteembeheerders en in de invoering van een systeem dat derden op niet-discriminerende wijze en op basis van bekendgemaakte tarieven toegang verleent tot het gastransmissie‑ en distributiesysteem.

3

Overeenkomstig artikel 36 van richtlijn 2009/73 kunnen grote nieuwe gasinfrastructuurprojecten, dat wil zeggen interconnectoren, lng-installaties en opslaginstallaties, op verzoek en onder bepaalde voorwaarden, voor een vastgestelde periode worden ontheven van sommige in die richtlijn neergelegde verplichtingen. Om voor die ontheffing in aanmerking te komen, moet onder meer worden aangetoond dat de investering de mededinging bij de levering van gas zal bevorderen en de leverings‑ en voorzieningszekerheid zal versterken, en dat het investeringsrisico zo groot is dat de investering niet wordt gedaan als er geen ontheffing wordt verleend.

4

Verzoekster, Nord Stream AG, is een vennootschap naar Zwitsers recht, die voor 51 % in handen is van de Russische vennootschap PJSC Gazprom en waarin ook vier Zwitserse vennootschappen een belang hebben. Twee van die laatste vennootschappen, die indirect in handen zijn van twee Duitse vennootschappen, hebben een belang van 15,5 % en de andere twee, waarvan er één indirect in handen is van een Franse vennootschap en de ander een dochteronderneming is van een Nederlandse vennootschap, hebben een belang van 9 %. Verzoekster bezit en exploiteert „Nord Stream”, een systeem met dubbele pijpleiding waarvan de aanleg in 2012 is voltooid en dat naar verwachting gedurende vijftig jaar zal worden geëxploiteerd. Dat systeem zorgt voor de gastransmissie tussen Vyborg (Rusland) en Lubmin (Duitsland), in de buurt van Greifswald (Duitsland). Eenmaal op Duits grondgebied wordt het gas verder getransporteerd via de onshorepijpleidingen NEL en OPAL, die onder het toezicht van de Duitse regulerende instantie vallen en moeten voldoen aan de verplichtingen van richtlijn 2009/73.

5

Naar aanleiding van voorstel COM(2017) 660 final van de Europese Commissie van 8 november 2017 hebben het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie op 17 april 2019 richtlijn (EU) 2019/692 tot wijziging van richtlijn 2009/73 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas vastgesteld (PB 2019, L 117, blz. 1; hierna: „bestreden richtlijn”), die in werking is getreden op de twintigste dag na de bekendmaking ervan, te weten op 23 mei 2019.

6

Volgens overweging 3 van de bestreden richtlijn heeft deze tot doel obstakels voor de voltooiing van de interne markt voor aardgas weg te nemen die het gevolg zijn van het tot op heden niet toepassen van de marktregels van de Europese Unie op gastransmissieleidingen van en naar derde landen.

7

In dat verband bepaalt artikel 2, punt 17, van richtlijn 2009/73, zoals gewijzigd bij de bestreden richtlijn, dat het begrip „interconnector” niet alleen betrekking heeft op „[iedere] transmissieleiding die een grens tussen lidstaten overschrijdt of overspant met de bedoeling de nationale transmissiesystemen van die lidstaten aan elkaar te koppelen”, maar voortaan ook op „[iedere] transmissieleiding tussen een lidstaat en een derde land tot aan het grondgebied van de lidstaten of tot aan de territoriale wateren van die lidstaat”.

8

Volgens artikel 49 bis, lid 1, van richtlijn 2009/73, dat bij de bestreden richtlijn is ingevoegd, „[kan wat] gastransmissieleidingen tussen een lidstaat en een derde land betreft die vóór 23 mei 2019 voltooid zijn, [...] de lidstaat waar zich het eerste connectiepunt van die transmissieleiding met het net van [die] lidstaat bevindt, [er evenwel toe] besluiten af te wijken van [sommige bepalingen van richtlijn 2009/73], voor de gedeelten van de gastransmissieleiding die zich op zijn grondgebied en in zijn territoriale wateren bevinden, indien daarvoor objectieve redenen bestaan zoals de mogelijkheid om de gedane investering terug te verdienen of de behoefte aan leverings‑ en voorzieningszekerheid, mits de afwijking niet ten koste gaat van de mededinging, van het efficiënte functioneren van de interne markt voor aardgas of van de leverings‑ en voorzieningszekerheid in de Unie”. Dat artikel 49 bis, lid 1, bepaalt voorts, ten eerste, dat dergelijke afwijkingen „[beperkt zijn] tot maximaal 20 jaar op basis van een objectieve rechtvaardiging, [dat zij], mits gerechtvaardigd, [kunnen] worden verlengd, en [dat zij] onderworpen [kunnen] zijn aan voorwaarden die bijdragen tot de verwezenlijking van de hierboven vermelde eisen” en, ten tweede, dat „[d]ergelijke afwijkingen [...] niet van toepassing [zijn] op transmissieleidingen tussen een lidstaat en een derde land dat ertoe gehouden is [de gewijzigde richtlijn 2009/73] om te zetten [...] in zijn rechtsorde [...] overeenkomstig een met de Unie gesloten overeenkomst”.

9

Bij de bestreden richtlijn is tevens artikel 36 van richtlijn 2009/73 gewijzigd, waardoor lid 1, onder e), van dat artikel thans bepaalt dat de ontheffing die krachtens die bepaling aan bestaande nieuwe infrastructuur wordt verleend, niet ten koste mag gaan van onder meer de „leverings‑ en voorzieningszekerheid inzake aardgas in de Unie”.

10

Voor wat betreft de omzetting van de wijzigingen die bij de bestreden richtlijn in richtlijn 2009/73 zijn aangebracht, bepaalt artikel 2 van de bestreden richtlijn dat, met uitzondering van lidstaten die geen geografische grenzen en geen transmissieleidingen hebben met derde landen, alsmede van Cyprus en Malta vanwege hun geografische ligging, „[de] lidstaten [...] de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking [doen] treden om uiterlijk op 24 februari 2020 aan [die] richtlijn te voldoen, onder voorbehoud van eventuele afwijkingen op grond van artikel 49 bis van richtlijn [2009/73]”.

Procedure en conclusies van partijen

11

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Gerecht op 26 juli 2019, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld, waarbij zij het Gerecht verzoekt:

de bestreden richtlijn nietig te verklaren voor zover deze in richtlijn 2009/73 een nieuw artikel 49 bis, lid 3, eerste zin, invoegt dat bepaalt dat „[besluiten tot afwijking] op grond van de leden 1 en 2 [van dat artikel 49 bis] uiterlijk op 24 mei 2020 [worden] genomen”;

het Parlement en/of de Raad te verwijzen in de kosten.

12

Bij akten, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 2 oktober 2019 door de Republiek Polen, op 15 oktober 2019 door de Commissie, op 30 oktober 2019 door de Republiek Litouwen en de Republiek Estland en op 6 november 2019 door de Republiek Letland, hebben voornoemden krachtens artikel 143 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht een verzoek tot interventie aan de zijde van het Parlement en de Raad ingediend.

13

Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 14 oktober 2019, heeft de Raad krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarbij hij het Gerecht verzoekt:

het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

verzoekster te verwijzen in de kosten.

14

Bij afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 15 oktober 2019, heeft het Parlement krachtens artikel 130, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering een exceptie van niet-ontvankelijkheid opgeworpen, waarbij het het Gerecht:

primair verzoekt:

het beroep niet-ontvankelijk te verklaren;

verzoekster te verwijzen in de kosten;

en subsidiair, mocht het Gerecht de exceptie van niet-ontvankelijkheid afwijzen of beslissen het onderzoek van de exceptie van niet-ontvankelijkheid te voegen met de zaak ten gronde, nieuwe termijnen vast te stellen waarbinnen het Parlement en de Raad hun respectieve verweerschriften kunnen indienen.

15

In haar op 6 december 2019 ter griffie van het Gerecht ingediende opmerkingen over de door het Parlement en de Raad opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid, verzoekt verzoekster het Gerecht die excepties ongegrond te verklaren en bijgevolg het beroep ontvankelijk te verklaren.

16

Bij beslissing van 4 april 2020 heeft de president van het Gerecht krachtens artikel 67, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering op grond van de bijzondere omstandigheden van de onderhavige zaak beslist om de zaak bij voorrang te berechten.

In rechte

Excepties van niet-ontvankelijkheid

17

Het Parlement voert ter ondersteuning van zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid aan dat verzoekster niet bevoegd is om beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden richtlijn in te stellen, en betwijfelt daarnaast of verzoekster procesbelang heeft bij haar verzoek tot die gedeeltelijke nietigverklaring van die richtlijn. De Raad onderbouwt zijn exceptie van niet-ontvankelijkheid op zijn beurt met de stelling dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover, ten eerste, verzoekster geen procesbelang heeft om de gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden richtlijn te vorderen, ten tweede, zij niet bevoegd is om beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van die richtlijn in te stellen en, ten derde, de gevorderde gedeeltelijke nietigverklaring tot een substantiële wijziging van de bestreden richtlijn zou leiden.

18

Verzoekster stelt dat zij procesbelang heeft en dat zij bevoegd is om beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden richtlijn in te stellen.

19

In dat verband moet het Gerecht overeenkomstig artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering, indien de verweerder of de verweerders het Gerecht bij afzonderlijke akte verzoeken om uitspraak te doen over de niet-ontvankelijkheid of de onbevoegdheid zonder daarbij op de zaak ten gronde in te gaan, zo spoedig mogelijk uitspraak doen op het verzoek, in voorkomend geval na de opening van de mondelinge behandeling.

20

In casu beslist het Gerecht, dat zich door de stukken van het dossier voldoende voorgelicht acht, om bij beschikking uitspraak te doen over de door het Parlement en de Raad aangevoerde excepties van niet-ontvankelijkheid, zonder dat het nodig is om de mondelinge behandeling te openen, met dien verstande dat verzoekster, om de navolgende redenen en los van de vraag of zij procesbelang heeft, niet heeft aangetoond bevoegd te zijn om beroep tot gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden richtlijn in te stellen.

Overwegingen vooraf

21

Volgens artikel 263, vierde alinea, VWEU kan „[i]edere natuurlijke of rechtspersoon [...] onder de in de eerste en tweede alinea vastgestelde voorwaarden beroep instellen tegen[, eerste geval,] handelingen die tot hem gericht zijn of[, tweede geval,] die hem rechtstreeks en individueel raken, alsmede[, derde geval,] tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen”.

22

Ofschoon artikel 263, vierde alinea, VWEU in dat verband niet uitdrukkelijk spreekt over de ontvankelijkheid van beroepen tot nietigverklaring die door natuurlijke of rechtspersonen tegen een richtlijn worden ingesteld, blijkt uit de rechtspraak evenwel dat die enkele omstandigheid op zich niet volstaat om dergelijke beroepen niet-ontvankelijk te verklaren. De instellingen van de Unie kunnen immers de door die verdragsbepaling aan natuurlijke en rechtspersonen geboden rechtsbescherming niet eenvoudig door de keuze van de vorm van de betrokken handeling uitsluiten (zie naar analogie beschikking van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, T‑223/01, EU:T:2002:205, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23

Dit laat onverlet dat een richtlijn overeenkomstig artikel 288, derde alinea, VWEU bestemd is voor de lidstaten. Derhalve kunnen natuurlijke of rechtspersonen zoals verzoekster overeenkomstig artikel 263, vierde alinea, VWEU slechts een beroep tot nietigverklaring van een richtlijn zoals de bestreden richtlijn instellen, indien die richtlijn ofwel, volgens het „tweede geval”, hen rechtstreeks en individueel raakt, ofwel, volgens het „derde geval”, een regelgevingshandeling is die hen rechtstreeks raakt en geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengt [zie in die zin arresten van 25 oktober 2010, Microban International en Microban (Europe)/Commissie, T‑262/10, EU:T:2011:623, punt 19; 6 september 2013, Sepro Europe/Commissie, T‑483/11, niet gepubliceerd, EU:T:2013:407, punt 29, en beschikking van 7 juli 2014, Wepa Lille/Commissie, T‑231/13, niet gepubliceerd, EU:T:2014:640, punt 20].

24

Dienaangaande moet onder het begrip „regelgevingshandeling” in de zin van het „derde geval” van artikel 263, vierde alinea, VWEU iedere handeling van algemene strekking worden verstaan, met uitsluiting van wetgevingshandelingen. Ten aanzien van die laatste handelingen hebben de opstellers van het Verdrag van Lissabon voor wat betreft de mogelijkheid voor particulieren om de nietigverklaring ervan te vorderen, immers een restrictieve benadering willen handhaven, die inhoudt dat zij moeten aantonen dat die wetgevingshandelingen hen „rechtstreeks en individueel raken” (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 59 en 60, alsook Secretariaat van de Europese Conventie, Eindverslag van 25 maart 2003 van de studiegroep voor de werking van het Hof van Justitie, CONV 636/03, punt 22, en begeleidende nota van 12 mei 2003 van het Praesidium aan de Conventie, CONV 734/03, blz. 20).

25

In dat verband bestaat het criterium voor het onderscheid tussen een wetgevingshandeling en een regelgevingshandeling er volgens het VWEU in of de handeling in het kader van een wetgevingsprocedure dan wel een andere procedure is vastgesteld (zie beschikking van 7 januari 2015, Freitas/Parlement en Raad, T‑185/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:14, punt 26 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Overeenkomstig artikel 289 VWEU zijn wetgevingshandelingen immers de volgens een wetgevingsprocedure vastgestelde rechtshandelingen dan wel bepaalde handelingen die, in de bij de Verdragen bepaalde specifieke gevallen, worden vastgesteld op initiatief van een groep lidstaten of van het Parlement, op aanbeveling van de Europese Centrale Bank (ECB) of op verzoek van het Hof van Justitie van de Europese Unie of van de Europese Investeringsbank (EIB).

26

In casu staat vast dat de bestreden richtlijn is vastgesteld krachtens artikel 194, lid 2, VWEU en volgens de gewone wetgevingsprocedure, die nader is omschreven in artikel 294 VWEU. Bijgevolg vormt die richtlijn een wetgevingshandeling in de zin van het VWEU, met inbegrip van artikel 1, dat onder meer voorziet in de invoeging in richtlijn 2009/73 van een artikel 49 bis, waarvan verzoekster in casu de gedeeltelijke nietigverklaring vordert.

27

Gelet daarop en nog afgezien van het feit dat de bestreden richtlijn als richtlijn voorziet in de vaststelling van omzettingsmaatregelen door sommige van de lidstaten tot wie zij is gericht, wat als zodanig reeds uitsluit dat zij in beginsel kan worden beschouwd als een handeling die geen „uitvoeringsmaatregelen” meebrengt, kan de voorwaarde dat verzoekster bevoegd moet zijn om tegen die richtlijn beroep in te stellen niet berusten op het „derde geval” van de vierde alinea van artikel 263 VWEU, aangezien de bestreden handeling, te weten de bestreden richtlijn, geen „regelgevingshandeling” is in de zin van die bepaling.

28

Aangaande het „tweede geval” van artikel 263, vierde alinea, VWEU, moet eraan worden herinnerd dat in bepaalde omstandigheden zelfs een wetgevingshandeling die van toepassing is op alle betrokken marktdeelnemers, sommigen van hen rechtstreeks en individueel kan raken in de zin van die bepaling (zie in die zin arresten van 17 januari 1985, Piraiki-Patraiki e.a./Commissie, 11/82, EU:C:1985:18, punten 1132, en 27 juni 2000, Salamander e.a./Parlement en Raad, T‑172/98 en T‑175/98–T‑177/98, EU:T:2000:168, punt 30).

29

Aldus moet in het onderhavige geval in het licht van de in het „tweede geval” van artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarden worden nagegaan of verzoekster heeft aangetoond dat zij rechtstreeks en individueel door de bestreden richtlijn werd geraakt, waarbij in herinnering moet worden gebracht dat het in die bepaling opgenomen begrip „rechtstreeks en individueel [geraakt zijn]” overeenkomt met dat van artikel 230, vierde alinea, EG, welk begrip de opstellers van het Verdrag van Lissabon niet hebben willen wijzigen (zie in die zin arrest van 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punten 70 en 71).

Vraag of verzoekster rechtstreeks wordt geraakt

30

Het Parlement meent dat verzoekster niet rechtstreeks wordt geraakt door de in de bestreden richtlijn opgenomen bepaling waarvan zij in het onderhavige geval de gedeeltelijke nietigverklaring vordert, omdat die bepaling specifiek gericht is tot de lidstaten – die de mogelijkheid hebben om op verzoek van beheerders een afwijking toe te staan – en die bepaling bijgevolg geen enkele invloed heeft op noch gevolgen heeft voor de rechtspositie van verzoekster.

31

Meer bepaald stelt het Parlement dat die bepaling geenszins van verzoekster verlangt dat zij binnen een bepaalde termijn om afwijking van de verplichtingen van de gewijzigde richtlijn 2009/73 verzoekt. Aangezien de bestreden richtlijn geen datum vermeldt waarop verzoekster een dergelijk verzoek om afwijking moet indienen, staat het aan de lidstaten om in het kader van nationale maatregelen tot omzetting van die richtlijn procedureregels voor het indienen van afwijkingsverzoeken vast te stellen. In dat verband beschikken zij over een discretionaire bevoegdheid, mits die regels zodanig worden vastgesteld dat wordt verzekerd dat mogelijke afwijkingsverzoeken tijdig kunnen worden onderzocht en, in voorkomend geval, tijdig kunnen worden ingewilligd.

32

Naar het standpunt van het Parlement is het dan ook het wetsvoorstel tot omzetting van de bestreden richtlijn in Duitsland – dat beheerders de mogelijkheid biedt om binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van die nationale wet op 12 december 2019 een afwijkingsverzoek in te dienen – dat in aanmerking moet worden genomen, en is het in dat verband die Duitse wet, en niet de bestreden richtlijn, die gevolgen heeft voor de rechtspositie van verzoekster indien zij haar verzoek niet binnen de door de nationale autoriteiten gestelde termijn indient. Volgens het Parlement voorziet de bestreden richtlijn weliswaar in een uiterste datum voor de verlening van afwijkingen, maar beschikken de lidstaten over een beoordelingsmarge voor wat betreft de datum van indiening van eventuele afwijkingsverzoeken, wat betekent dat de volledige termijn gedurende welke beheerders verzoeken kunnen indienen en de nationale instanties die verzoeken kunnen afhandelen – van welke termijn verzoekster in casu aanvoert dat hij te kort of te strikt is – van lidstaat tot lidstaat verschilt. Zo konden afwijkingsverzoeken in Duitsland binnen vijf tot zes maanden, namelijk tussen 12 december 2019 en 24 mei 2020, worden ingediend en afgehandeld.

33

De Raad stelt dat verzoekster noch in algemene zin door de bestreden richtlijn, noch specifiek door de enige bepaling van die richtlijn waarvan zij de gedeeltelijke nietigverklaring vordert, rechtstreeks wordt geraakt. In dat verband legt verzoekster niet uit in welk opzicht de afzonderlijke juridische verplichtingen die overeenkomstig de bestreden richtlijn op de lidstaten rusten, waaronder de termijn waarover zij beschikken om afwijkingen van de gewijzigde richtlijn 2009/73 te verlenen, rechtstreekse rechtsgevolgen voor haar situatie kunnen hebben. Bovendien zijn de in het verzoekschrift aangevoerde gevolgen die de uitvoering van de bestreden richtlijn voor verzoekster zou hebben louter hypothetisch, aangezien zij zich slechts concreet zullen voordoen indien aan haar geen afwijking wordt verleend, wat op de datum van instelling van het onderhavige beroep nog niet bekend was. Daarenboven beschikken de lidstaten bij de vaststelling van nationale maatregelen tot omzetting van de bestreden richtlijn over een beoordelingsmarge en staat het hun met name volledig vrij om wel of geen afwijkingen te verlenen voor transmissieleidingen van en naar derde landen. Verzoekster, die in punt 21 van het verzoekschrift benadrukt dat „wanneer de gewijzigde richtlijn eenmaal in Duitsland is omgezet, de Duitse wettelijke regeling tot uitvoering van richtlijn [2009/73] volledig van toepassing zal zijn op het Duitse gedeelte van Nord Stream” en tevens opmerkt dat zij van plan is om bij de Duitse instanties een verzoek om afwijking in te dienen, geeft in feite zelf toe dat zij in casu niet heeft voldaan aan de voorwaarden om rechtstreeks door de bestreden richtlijn te worden geraakt.

34

Verzoekster stelt in het verzoekschrift en in haar opmerkingen over de door het Parlement en de Raad opgeworpen excepties van niet-ontvankelijkheid dat zij rechtstreeks door de bestreden richtlijn wordt geraakt, aangezien de Duitse regulerende instantie geen afwijkingsbesluit heeft vastgesteld krachtens artikel 49 bis – dat bij de bestreden richtlijn is ingevoegd in richtlijn 2009/73 –, waardoor haars inziens de vereisten van die laatstgenoemde richtlijn op haar van toepassing zullen zijn. Dat is het geval voor de verplichtingen om transmissiesystemen en transmissiesysteembeheerders te ontvlechten, zoals bepaald in artikel 9 van richtlijn 2009/73, de verplichting om derden toegang tot haar gaspijpleiding te verlenen, zoals bepaald in artikel 32 van die richtlijn, en de verplichtingen inzake tarieven, zoals bepaald in artikel 41, leden 1 en 6, van die richtlijn en in de overeenkomstige Duitse omzettingswetten.

35

Die nieuwe verplichtingen zullen voor verzoekster tot belangrijke wijzigingen leiden in de door haar gesloten aandeelhoudersovereenkomst, in haar statuten en in de gastransportovereenkomst met Gazprom export LLC. Dienaangaande is de mogelijkheid dat de Duitse regulerende instantie op grond van het nieuwe, bij de bestreden richtlijn ingevoegde artikel 49 bis een afwijking verleent – die in het geval van verzoekster uiterst moeilijk, zo niet onmogelijk te verkrijgen is – geen oplossing voor de rechtstreekse en ernstige gevolgen van die richtlijn voor haar situatie, met name omdat een dergelijke afwijking enkel voor sommige verplichtingen van richtlijn 2009/73 geldt, die afwijkingen slechts tijdelijk worden verleend, en de buitensporig korte termijn waarbinnen de nationale regulerende instanties op afwijkingsverzoeken moeten beslissen, in casu vóór 24 mei 2020, de mogelijkheid voor verzoekster om een dergelijke afwijking te verkrijgen in het gedrang brengt. Tot slot laat de in de bestreden richtlijn neergelegde bepaling die in die termijn voorziet en waarvan verzoekster in casu de nietigverklaring vordert, de lidstaten geen enkele beoordelingsmarge, zodat de toepassing ervan zuiver automatisch is en uitsluitend uit de Unieregeling voortvloeit.

36

In dat verband zij eraan herinnerd dat volgens vaste rechtspraak aan twee cumulatieve criteria moet zijn voldaan ter vervulling van de in het „tweede geval” van artikel 263, vierde alinea, VWEU gestelde voorwaarde dat een natuurlijke of rechtspersoon rechtstreeks wordt geraakt door de Uniehandeling waartegen beroep is ingesteld. Ten eerste moet die handeling rechtstreeks gevolgen hebben voor de rechtspositie van de verzoekende partij en ten tweede moet zij aan degenen tot wie zij is gericht en die met de uitvoering ervan zijn belast, geen enkele beoordelingsbevoegdheid laten, omdat de uitvoering zuiver automatisch geschiedt en alleen uit de regelgeving van de Unie voortvloeit zonder de toepassing van andere uitvoeringsbepalingen (beschikking van 19 juni 2008, US Steel Košice/Commissie, C‑6/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2008:356, punt 60, en arrest van 6 november 2018, Scuola Elementare Maria Montessori/Commissie, Commissie/Scuola Elementare Maria Montessori en Commissie/Ferracci, C‑622/16 P–C‑624/16 P, EU:C:2018:873, punt 42).

37

Hetzelfde geldt wanneer de mogelijkheid dat de adressaten geen gevolg zullen geven aan de bestreden Uniehandeling louter theoretisch is, omdat buiten kijf staat dat zij vastbesloten zijn daaraan consequenties te verbinden (zie beschikking van 19 juni 2008, US Steel Košice/Commissie, C‑6/08 P, niet gepubliceerd, EU:C:2008:356, punt 61 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en arrest van 4 december 2019, Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo/Commissie, C‑342/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:1043, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

In casu moet worden vastgesteld dat, in algemene zin, een deel van de gastransmissieleidingen van pijpleidingexploitanten zoals verzoekster – in casu het deel tussen een lidstaat en een derde land tot aan het grondgebied van de lidstaten of het deel dat zich in de territoriale wateren van de lidstaat bevindt – sinds de inwerkingtreding van de bestreden richtlijn mogelijk onder de verplichtingen van richtlijn 2009/73 en de nationale bepalingen tot omzetting van die gewijzigde richtlijn valt.

39

De concrete verplichtingen die krachtens de gewijzigde richtlijn 2009/73 voortaan van toepassing zijn op het deel van de gastransmissieleidingen van bepaalde exploitanten zoals verzoekster, en de nadere uitwerking van die verplichtingen, zijn daarentegen afhankelijk van de nationale omzettingsmaatregelen die de lidstaat in wiens territoriale wateren dit deel van de pijpleiding zich bevindt, uiterlijk op 24 februari 2020 moest vaststellen of heeft vastgesteld krachtens artikel 2 van de bestreden richtlijn, gelezen in samenhang met artikel 288, derde alinea, VWEU.

40

Een richtlijn kan immers uit zichzelf geen verplichtingen aan particulieren opleggen en dus als zodanig niet door de nationale autoriteiten tegenover de beheerders worden ingeroepen wanneer die autoriteiten nog geen maatregelen tot omzetting van die richtlijn hebben vastgesteld (arrest van 26 februari 1986, Marshall, 152/84, EU:C:1986:84, punt 48, en beschikking van 7 juli 2014, Group’Hygiène/Commissie, T‑202/13, EU:T:2014:664, punt 33; zie in die zin ook arrest van 14 juli 1994, Faccini Dori, C‑91/92, EU:C:1994:292, punten 20 en 25).

41

Derhalve kunnen de bepalingen van de bestreden richtlijn, nog afgezien van de vraag of zij duidelijk en voldoende nauwkeurig zijn, vóór en los van de vaststelling van omzettingsmaatregelen door de overheid geen rechtstreekse of onmiddellijke bron van verplichtingen voor verzoekster zijn en niet uit dien hoofde haar rechtspositie rechtstreeks raken in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU (zie in die zin arrest van 27 juni 2000, Salamander e.a./Parlement en Raad, T‑172/98 en T‑175/98–T‑177/98, EU:T:2000:168, punt 54, en beschikking van 7 juli 2014, Group’Hygiène/Commissie, T‑202/13, EU:T:2014:664, punt 33). Meer bepaald kan de Duitse regulerende instantie, wanneer de Bondsrepubliek Duitsland geen maatregelen tot omzetting van de bestreden richtlijn heeft vastgesteld, niet van verzoekster verlangen dat zij de verplichtingen eerbiedigt die volgens die richtlijn voortaan op haar situatie van toepassing zijn.

42

In dat verband is de omstandigheid dat de activiteiten van verzoekster voortaan deels onder het Unierecht vallen, in casu onder de gewijzigde richtlijn 2009/73, hoe dan ook slechts het gevolg van haar keuze om haar activiteiten op het grondgebied van de Unie, in casu in de territoriale wateren van een van de lidstaten van de Unie, te ontwikkelen en in stand te houden (zie in die zin arrest van 21 december 2011, Air Transport Association of America e.a., C‑366/10, EU:C:2011:864, punten 127 en 128). De bestreden richtlijn heeft sinds haar inwerkingtreding en in ieder geval tot aan het verstrijken van de in artikel 2, lid 1, vastgestelde omzettingstermijn als zodanig evenwel geen onmiddellijke en concrete gevolgen voor de rechtspositie van beheerders zoals verzoekster.

43

Indien bovendien het standpunt van verzoekster zou worden aanvaard dat de inwerkingtreding van de bestreden richtlijn rechtstreekse gevolgen voor haar rechtspositie heeft gehad op grond dat de exploitatie van haar dubbele gaspijpleiding „Nord Stream” voordien buiten de materiële werkingssfeer van richtlijn 2009/73 viel, zou dit neerkomen op het standpunt dat iedere nieuwe wettelijke regeling die de Unie op een bepaald gebied zou vaststellen en die verplichtingen voor beheerders in het leven zou roepen die voordien niet op hen van toepassing waren, die beheerders noodzakelijkerwijs rechtstreeks zou raken in de zin van artikel 263, vierde alinea, VWEU, zelfs als die regeling in de vorm van een richtlijn en volgens de gewone wetgevingsprocedure zou worden vastgesteld. Een dergelijke benadering zou indruisen tegen de bewoordingen zelf van artikel 288, derde alinea, VWEU, op grond waarvan „[richtlijnen] verbindend [zijn] ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke lidstaat waarvoor zij bestemd [zijn], [maar] aan de nationale instanties [...] de bevoegdheid [wordt] gelaten vorm en middelen te kiezen”, en bijgevolg tegen het feit dat de beheerders in beginsel in hun rechtspositie worden geraakt door nationale maatregelen tot omzetting van een richtlijn.

44

In casu zijn of worden de verplichtingen van richtlijn 2009/73, zoals gewijzigd bij de bestreden richtlijn, dus enkel via door de lidstaten – in dit geval voor wat verzoekster betreft de Bondsrepubliek Duitsland – vastgestelde of vast te stellen nationale maatregelen tot omzetting van de bestreden richtlijn van toepassing op beheerders zoals verzoekster, en zulks onder de voorwaarden die die lidstaten hebben vastgesteld (zie in die zin beschikkingen van 10 september 2002, Japan Tobacco en JT International/Parlement en Raad, T‑223/01, EU:T:2002:205, punt 47, en 7 juli 2014, Group’Hygiène/Commissie, T‑202/13, EU:T:2014:664, punten 33 en 36).

45

In dat verband waren dergelijke omzettingsmaatregelen voor wat de Bondsrepubliek Duitsland betrof, ten tijde van de instelling van het onderhavige beroep nog niet vastgesteld. Bovendien moet, anders dan verzoekster stelt, hoe dan ook worden vastgesteld dat de lidstaten voor wat betreft de nationale omzettingsmaatregelen die uiterlijk op 24 februari 2020 moesten worden aangenomen en waarbij de verplichtingen van richtlijn 2009/73, zoals gewijzigd bij de bestreden richtlijn, verbindend moesten worden voor beheerders, over een beoordelingsmarge beschikten bij de uitvoering van die richtlijn.

46

In de eerste plaats kunnen de lidstaten immers voor wat betreft de verplichtingen van artikel 9 van de gewijzigde richtlijn 2009/73, op grond van de nieuwe eerste alinea van lid 8 en op grond van lid 9 van dat artikel 9, welke bepalingen bij de bestreden richtlijn zijn ingevoegd, besluiten om de in lid 1 van dat artikel neergelegde verplichting tot ontvlechting van transmissiesystemen en transmissiesysteembeheerders niet toe te passen. Meer in het bijzonder „kunnen” zij daartoe besluiten voor het gedeelte van het gastransmissiesysteem dat een lidstaat met een derde land verbindt tussen de grens van die lidstaat en het eerste connectiepunt met het net van die lidstaat, indien, ten eerste, het transmissiesysteem op 23 mei 2019 toebehoorde aan een verticaal geïntegreerd bedrijf en, ten tweede, het transmissiesysteem op 23 mei 2019 toebehoorde aan een verticaal geïntegreerd bedrijf en er regelingen van kracht zijn die een effectievere onafhankelijkheid van de transmissiesysteembeheerder waarborgen dan het bepaalde in hoofdstuk IV van richtlijn 2009/73. Evenzo kunnen de lidstaten op grond van het bij de bestreden richtlijn ingevoegde artikel 14, lid 1, van richtlijn 2009/73 besluiten om artikel 9, lid 1, van die richtlijn niet toe te passen en om, op voorstel van de eigenaar van het betrokken transmissiesysteem en met goedkeuring van de Commissie, een onafhankelijke systeembeheerder aan te wijzen.

47

In de tweede plaats kunnen de nationale autoriteiten op grond van de wijzigingen die bij de bestreden richtlijn in richtlijn 2009/73 zijn aangebracht, en in het bijzonder op grond van de wijzigingen van artikel 36 en de invoeging van artikel 49 bis, besluiten om „grote nieuwe gasinfrastructuurprojecten” en „gastransmissieleidingen tussen [lidstaten] en [derde landen] die vóór 23 mei 2019 voltooid zijn” te ontheffen van sommige artikelen van de gewijzigde richtlijn 2009/73, in casu – voor wat betreft artikel 36 – van de artikelen 9, 32, 33 en 34 alsook van artikel 41, leden 6, 8 en 10, en – voor wat betreft artikel 49 bis – van de artikelen 9, 10, 11 en 32 alsook van artikel 41, leden 6, 8 en 10.

48

Zoals het Parlement terecht aanvoert, staat het dienaangaande aan de lidstaten om nationale maatregelen aan te nemen op grond waarvan de betrokken beheerders dergelijke afwijkingen kunnen aanvragen, en waarin – op basis van de algemene criteria van artikel 49 bis van richtlijn 2009/73, zoals gewijzigd bij de bestreden richtlijn – de precieze voorwaarden voor het verkrijgen van die afwijkingen zijn bepaald en de procedureregels zijn opgenomen die de nationale regulerende instanties van die lidstaten in staat stellen om binnen de door de bestreden richtlijn gestelde termijnen op dergelijke aanvragen te beslissen. Bovendien beschikken de nationale regulerende instanties bij de uitvoering van die voorwaarden over een ruime beoordelingsmarge voor wat betreft de verlening van die afwijkingen en de eventuele specifieke voorwaarden die aan die afwijkingen verbonden kunnen zijn (zie naar analogie arrest van 4 december 2019, Polskie Górnictwo Naftowe i Gazownictwo/Commissie, C‑342/18 P, niet gepubliceerd, EU:C:2019:1043, punten 4853).

49

Uit het voorgaande volgt dat, in algemene zin, verzoekster niet rechtstreeks door de bepalingen van de bestreden richtlijn wordt geraakt.

50

Dat geldt tevens voor de enige bepaling waarvan verzoekster de nietigverklaring vordert, te weten het nieuwe artikel 49 bis, lid 3, eerste zin, dat is ingevoegd bij de bestreden richtlijn en op grond waarvan „[afwijkingsbesluiten] op grond van de leden 1 en 2 [van dat artikel 49 bis] uiterlijk op 24 mei 2020 [worden] genomen”. Die invoeging voorziet immers in de verplichting voor de nationale regulerende instanties die belast zijn met de in die bepaling bedoelde afhandeling van afwijkingsaanvragen, om uiterlijk op 24 mei 2020 op die aanvragen te beslissen. Die verplichting om binnen een bepaalde termijn te handelen rust dus rechtstreeks op de nationale instanties.

51

Daarentegen heeft die aldus door de Uniewetgever vastgestelde verplichting, los van het feit dat de lidstaten een beoordelingsmarge hebben bij de uitvoering van die bepaling van de bestreden richtlijn, geen rechtstreekse gevolgen voor beheerders die dergelijke afwijkingsverzoeken indienen of, zoals verzoekster, van plan zijn om dit te doen. Zoals het Parlement aanvoert – en op dit punt niet door verzoekster wordt weersproken – bepaalt de Duitse wet tot omzetting van de bestreden richtlijn immers dat de beheerders na de inwerkingtreding van die nationale wet maximaal dertig dagen de tijd hebben om een afwijking aan te vragen. Derhalve wordt de rechtspositie van verzoekster rechtstreeks via die nationale bepaling geraakt, aangezien haar recht om een verzoek om afwijking in te dienen van bepaalde verplichtingen van richtlijn 2009/73, zoals gewijzigd bij de bestreden richtlijn, – ook in temporeel opzicht – in die nationale bepaling is geregeld, zowel voor wat betreft de termijn waarbinnen het verzoek moet worden ingediend als voor wat betreft de termijn waarbinnen dat verzoek zal worden afgehandeld. Bovendien bepaalt de bestreden richtlijn niet wat de gevolgen zouden moeten zijn voor een bij een nationale regulerende instantie ingediend verzoek om afwijking, indien die autoriteit niet in staat is om vóór de in die richtlijn vastgestelde datum van 24 mei 2020 op dat verzoek te beslissen.

52

Tot slot kan verzoekster zich niet beroepen op de oplossing die het Gerecht heeft gekozen in het arrest van 7 oktober 2009, Vischim/Commissie (T‑380/06, EU:T:2009:392). Het klopt dat uit dat arrest en met name uit punt 58 ervan blijkt dat het Gerecht in die zaak heeft erkend dat de verzoekende partij rechtstreeks en individueel door de bestreden richtlijn werd geraakt, voor zover bij die richtlijn een chemische stof was opgenomen in de bijlage bij de basisrichtlijn waarvan de bestreden richtlijn een uitvoeringsmaatregel was. Er zij echter op gewezen dat die rechterlijke vaststelling was gebaseerd op de specifieke hoedanigheden van die verzoekende partij. Die partij had namelijk de kennisgeving opgesteld die zowel had geleid tot het onderzoek van de chemische stof – dat specifiek betrekking had op een van haar producten – als tot de inschrijving ervan. Bovendien was die verzoekende partij houdster van bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen waarvan die chemische stof een bestanddeel was. Die feitelijke situatie is dus geenszins vergelijkbaar met de onderhavige zaak.

53

Uit al die overwegingen volgt dat noch de bestreden richtlijn, noch de in die richtlijn opgenomen bepaling waarvan verzoekster in casu de gedeeltelijke nietigverklaring vordert, verzoekster rechtstreeks raakt.

Vraag of verzoekster individueel wordt geraakt

54

Het Parlement voert aan dat verzoekster niet individueel wordt geraakt. Voor wat de omstandigheid betreft dat de bestreden richtlijn betrekking heeft op een beperkt aantal beheerders stelt het Parlement, ten eerste, dat het feit dat het aantal of zelfs de identiteit van de personen op wie die richtlijn van toepassing is min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, niet volstaat om vast te stellen dat verzoekster individueel door die richtlijn wordt geraakt en, ten tweede, dat dit beperkte aantal te wijten is aan de oligopolistische kenmerken van de betrokken sector, namelijk gastransmissie via pijpleidingen. Verzoekster heeft hoe dan ook op de datum waarop de bestreden richtlijn is vastgesteld geen specifieke rechten voor de exploitatie van haar gasinfrastructuur verworven, in casu het recht om die infrastructuur buiten het Unierecht om en buiten het grondgebied van de lidstaten te exploiteren. Bovendien heeft zij niet aangetoond dat er sprake is van voor haar eigen kenmerken of van kenmerken die het „Nord Stream”-netwerk met dubbele gaspijpleiding zouden onderscheiden van andere grensoverschrijdende interconnectoren die zich feitelijk of potentieel in een identieke of soortgelijke situatie bevinden. Ook de economische gevolgen die de bestreden richtlijn voor de activiteiten van verzoekster heeft, kunnen niet tot de vaststelling leiden dat zij individueel door die richtlijn wordt geraakt.

55

De Raad stelt dat verzoekster niet individueel door de bestreden richtlijn wordt geraakt, aangezien de bepalingen van die richtlijn, zelfs indien wordt aanvaard dat die richtlijn rechtsgevolgen kan hebben voor haar situatie, van toepassing zijn op rechtssituaties die objectief zijn bepaald en verzoekster niet individualiseren op de wijze van een adressaat van een individueel besluit. De bestreden richtlijn is immers van toepassing op alle gastransmissieleidingen tussen een lidstaat en een derde land, of het nu gaat om onshorepijpleidingen of pijpleidingen in zee, om reeds bestaande, voltooide of nieuwe pijpleidingen of zelfs om transmissieleidingen die na het vertrek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Unie pijpleidingen tussen een lidstaat en een derde land zijn geworden of om pijpleidingen die als gevolg van de toetreding van nieuwe lidstaten tot de Unie binnen de werkingssfeer van die richtlijn zullen worden gebracht.

56

Volgens de Raad kan verzoekster bovendien niet betogen dat zij over een verworven recht beschikt om haar beweerde vroegere status van niet door het Unierecht geregelde infrastructuurbeheerder te handhaven. Dat zou immers betekenen dat de medewetgever van de Unie geen nieuwe regels mag vaststellen die algemeen van toepassing zijn op de exploitatie van gastransmissieleidingen tussen een lidstaat en een derde land tot aan het grondgebied van de lidstaat of tot aan de territoriale wateren van die lidstaat. De bestreden richtlijn heeft hoe dan ook geen afbreuk gedaan aan de omvang of de uitoefening van een reeds bestaand specifiek of exclusief recht van verzoekster.

57

Verzoekster betoogt dat zij individueel door de bestreden richtlijn wordt geraakt, omdat zij tot een gesloten en beperkte kring van vijf marktdeelnemers behoort die door die richtlijn worden geraakt, namelijk de eigenaren en beheerders van reeds op 23 mei 2019 voltooide en in bedrijf genomen gaspijpleidingen die derde landen en lidstaten van de Unie over zee met elkaar verbinden en die een op het grondgebied van de Unie gelegen interconnectiepunt omvatten. Volgens verzoekster heeft de bestreden richtlijn al die beheerders aan alle normatieve verplichtingen van richtlijn 2009/73 en van de nationale omzettingswetten onderworpen, en dat terwijl zij alle investeringsbeslissingen met betrekking tot hun infrastructuur al lang hadden genomen en die infrastructuur reeds was aangelegd en in gebruik was genomen. Derhalve zijn marktdeelnemers zoals verzoekster, in tegenstelling tot beheerders die hun infrastructuur in de toekomst zullen aanleggen met inachtneming van die nieuwe wettelijke verplichting, als gevolg van de bestreden richtlijn hun status van niet-gereglementeerde infrastructuurbeheerder kwijtgeraakt. De voorwaarden waaronder zij hun activiteiten uitoefenen, zijn zonder enige twijfel minder gunstig dan voorheen in de zin van punt 61 van het arrest van 27 februari 2014, Stichting Woonpunt e.a./Commissie (C‑132/12 P, EU:C:2014:100), aangezien zij worden getroffen door een fundamentele wijziging van het recht dat van toepassing is op hun infrastructuur, hetgeen aanzienlijke gevolgen heeft gehad voor zowel de financieringsstructuren van die infrastructuur, als hun partnerschappen met gasleveranciers zoals Gazprom export, de enige afnemer van verzoekster. Bovendien verschillen die beheerders van toekomstige marktdeelnemers, omdat de infrastructuur die laatstgenoemden in de toekomst moeten aanleggen per definitie geen op 23 mei 2019 operationele infrastructuur zal zijn in de zin van de bestreden richtlijn.

58

In dat verband moet in herinnering worden gebracht dat natuurlijke of rechtspersonen die niet de adressaten van een Uniehandeling zijn, volgens vaste rechtspraak slechts voldoen aan de voorwaarde dat zij individueel worden geraakt in de zin van het tweede geval van artikel 263, vierde alinea, VWEU, indien de bestreden handeling hen treft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als een adressaat (arresten van 15 juli 1963, Plaumann/Commissie, 25/62, EU:C:1963:17, en 3 oktober 2013, Inuit Tapiriit Kanatami e.a./Parlement en Raad, C‑583/11 P, EU:C:2013:625, punt 72).

59

In casu stelt verzoekster dat de bestreden richtlijn, en in het bijzonder de in die richtlijn opgenomen bepaling waarvan zij de gedeeltelijke nietigverklaring vordert, haar individueel raakt, omdat zij deel uitmaakt van een beperkte kring van marktdeelnemers die bijzonder door de bestreden richtlijn worden getroffen, op soortgelijke wijze als de adressaten van individuele besluiten. Die kring bestaat uit de eigenaren en beheerders van reeds op 23 mei 2019 voltooide en in gebruik genomen gaspijpleidingen die zich in de territoriale wateren van derde landen bevinden en die een interconnectiepunt omvatten dat zich op het grondgebied van de Unie bevindt. Aldus zijn er slechts vijf gaspijpleidingen die door de bestreden richtlijn worden geraakt, te weten de pijpleiding die wordt beheerd door verzoekster en de gaspijpleidingen Greenstream, Medgaz, Maghreb-Europe Gas Pipeline en Transmed.

60

Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de omstandigheid dat het aantal of zelfs de identiteit van de rechtssubjecten op wie een Uniemaatregel van toepassing is min of meer nauwkeurig kan worden bepaald, niet impliceert dat deze subjecten moeten worden geacht individueel door deze maatregel te worden geraakt, wanneer vaststaat dat deze toepasselijkheid wordt bepaald op grond van een door de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke of rechtssituatie (zie arrest van 28 april 2015, T & L Sugars en Sidul Açúcares/Commissie, C‑456/13 P, EU:C:2015:284, punt 64 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

61

Voor wat betreft de door verzoekster genoemde gaspijpleidingen, waaronder de door haar beheerde gaspijpleiding, moet worden vastgesteld dat de toepasselijkheid van de bestreden richtlijn hierop wordt bepaald op grond van een door die richtlijn omschreven objectieve feitelijke en rechtssituatie. Die richtlijn is namelijk op grond van het objectieve criterium dat de wetgever heeft neergelegd in artikel 49 bis, lid 1 – dat in richtlijn 2009/73 is ingevoegd bij de bestreden richtlijn –, van toepassing op gastransmissieleidingen die voltooid waren vóór 23 mei 2019, de datum waarop de bestreden richtlijn in werking is getreden. Bovendien wordt de omstandigheid dat de bestreden richtlijn betrekking heeft op een beperkt aantal beheerders, zoals het Parlement in wezen betoogt, verklaard door het feit dat die richtlijn, ten eerste, de regels bevat voor grote, bijzonder kostbare gasinfrastructuurvoorzieningen die, gezien de ruimtelijke, economische en geopolitieke vereisten, in een beperkt aantal op het grondgebied van de Unie aanwezig zijn en, ten tweede, enkel betrekking heeft op – het nog kleinere aantal – gasinfrastructuurvoorzieningen die de Unie met derde landen verbinden.

62

Derhalve kan op basis van het feit dat de bestreden richtlijn enkel van toepassing is op een beperkt aantal marktdeelnemers, van wie de identiteit bij de vaststelling van die richtlijn bekend was of kon worden bepaald, rekening houdend met de specifieke economische sector die aan de orde is, niet worden overwogen dat die beheerders individueel door de richtlijn worden geraakt op de wijze van de adressaten van die handeling of van de adressaten van individuele besluiten.

63

Het klopt dat het Hof in het arrest van 18 mei 1994, Codorniu/Raad (C‑309/89, EU:C:1994:197), heeft erkend dat een normatieve bepaling bepaalde betrokken marktdeelnemers in bepaalde omstandigheden individueel kan raken. Die rechtspraak kan in casu echter niet worden aangevoerd, omdat de in casu bestreden richtlijn, anders dan de verordening die in die zaak werd betwist, geen specifieke rechten van verzoekster heeft aangetast (zie in die zin beschikking van 23 november 1995, Asocarne/Raad, C‑10/95 P, EU:C:1995:406, punt 43). Hetzelfde geldt voor de verwijzing naar het arrest van 27 februari 2014, Stichting Woonlinie e.a./Commissie (C‑133/12 P, EU:C:2014:105).

64

Anders dan verzoekster stelt en zoals in punt 42 hierboven is vastgesteld, was verzoekster in casu immers niet gerechtigd om het „Nord Stream”-netwerk met dubbele gaspijpleiding buiten alle reglementaire vereisten van de Unie om te beheren of te blijven beheren, wat in elk geval geldt voor het deel van die gastransmissieleiding dat zich op het grondgebied van de Unie, in casu in de territoriale wateren van een lidstaat, bevindt. Derhalve kan er op grond van de omstandigheid dat verzoekster bij de vaststelling van de bestreden richtlijn deel uitmaakte van een beperkte kring van beheerders van wie de identiteit was bepaald of kon worden bepaald en die door de uitbreiding van de territoriale en/of materiële werkingssfeer van richtlijn 2009/73 worden geraakt, niet worden overwogen dat zij individueel door de bestreden richtlijn wordt geraakt, aangezien vaststaat dat de toepasselijkheid daarvan wordt bepaald op grond van een door de Uniewetgever in de betrokken handeling omschreven objectieve feitelijke en rechtssituatie. Bovendien heeft verzoekster niet aangetoond dat die wetgever bij de vaststelling van de bestreden richtlijn rekening heeft gehouden met de bijzondere kenmerken van de situatie van verzoekster of van de andere vier door haar genoemde gaspijpleidingen die reeds op 23 mei 2019 operationeel waren.

65

Wat tot slot de argumenten van verzoekster betreft die betrekking hebben op de belangrijke economische gevolgen die de bestreden richtlijn voor haar activiteiten als beheerder van de „Nord Stream”-gaspijpleiding heeft, zij eraan herinnerd dat het niet volstaat dat sommige beheerders economisch meer door een handeling van algemene strekking worden geraakt dan andere om hen ten opzichte van die andere beheerders te individualiseren, wanneer, zoals in casu, de toepassing van die handeling hoe dan ook geschiedt op grond van een objectief bepaalde situatie (zie in die zin beschikking van 18 december 1997, Sveriges Betodlares en Henrikson/Commissie, C‑409/96 P, EU:C:1997:635, punt 37; arresten van 2 maart 2010, Arcelor/Parlement en Raad, T‑16/04, EU:T:2010:54, punt 106, en 16 december 2011, Enviro Tech Europe en Enviro Tech International/Commissie, T‑291/04, EU:T:2011:760, punt 110).

66

Bovendien kan op basis van de enkele omstandigheid dat een verzoekende partij als gevolg van nieuwe Unieregelgeving een aanzienlijke bron van inkomsten dreigt te verliezen niet worden bewezen dat zij zich in een specifieke situatie bevindt en volstaat die enkele omstandigheid niet om aan te tonen dat die regeling specifiek op haar is gericht. In dat verband moet een verzoekende partij immers voor het Gerecht aantonen dat er omstandigheden zijn op basis waarvan kan worden aangenomen dat de gestelde schade haar individualiseert ten opzichte van alle andere marktdeelnemers die op dezelfde wijze als zij door deze regeling worden geraakt, hetgeen in casu niet is bewezen (arrest van 16 december 2011, Enviro Tech Europe en Enviro Tech International/Commissie, T‑291/04, EU:T:2011:760, punt 110).

67

Uit al het voorgaande volgt dat verzoekster evenmin individueel door de bestreden richtlijn wordt geraakt.

68

Bijgevolg moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, zonder dat uitspraak hoeft te worden gedaan over het bestaan van procesbelang van verzoekster of over de ontvankelijkheid van de vorderingen, voor zover hiermee slechts de gedeeltelijke nietigverklaring van de bestreden richtlijn wordt gevorderd.

Verzoeken tot interventie

69

Overeenkomstig artikel 144, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering wordt, wanneer de verweerder een exceptie van niet-ontvankelijkheid of een exceptie van onbevoegdheid opwerpt als bedoeld in artikel 130, lid 1, pas op het verzoek tot interventie beslist nadat de exceptie is verworpen of met het onderzoek van de zaak ten gronde is gevoegd. Voorts raakt de interventie op grond van artikel 142, lid 2, van dat Reglement zonder voorwerp bij onder meer de niet-ontvankelijkverklaring van het verzoekschrift.

70

Aangezien de excepties van niet-ontvankelijkheid in casu zijn toegewezen en de onderhavige beschikking bijgevolg een einde maakt aan het geding, hoeft geen uitspraak meer te worden gedaan op de verzoeken tot interventie die zijn ingediend door de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen en de Commissie.

Kosten

71

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij in de kosten verwezen, voor zover dat is gevorderd. Aangezien het Parlement en de Raad zulks hebben gevorderd, moet verzoekster in de kosten worden verwezen.

72

Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering dragen de lidstaten en de instellingen die in het geding hebben geïntervenieerd, hun eigen kosten. Op grond van artikel 144, lid 10, van dat Reglement dragen de indiener van het verzoek tot interventie en de hoofdpartijen bovendien ieder hun eigen kosten in verband met het verzoek tot interventie, indien in de hoofdzaak een einde komt aan het geding voordat op een verzoek tot interventie is beslist. Bijgevolg dragen verzoekster, het Parlement en de Raad, alsook de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen en de Commissie ieder hun eigen kosten in verband met de verzoeken tot interventie.

 

HET GERECHT (Achtste kamer)

beschikt:

 

1)

Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

 

2)

Op de verzoeken tot interventie van de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen en de Europese Commissie hoeft niet te worden beslist.

 

3)

Nord Stream AG wordt verwezen in de kosten van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie, met uitzondering van de kosten in verband met de verzoeken tot interventie.

 

4)

Nord Stream, het Parlement en de Raad, alsook de Republiek Estland, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Polen en de Commissie dragen ieder hun eigen kosten in verband met de verzoeken tot interventie.

 

Luxemburg, 20 mei 2020.

De griffier

E. Coulon

De president

J. Svenningsen


( *1 ) Procestaal: Engels.