BESCHIKKING VAN HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid)

31 juli 2020 ( *1 )

„Beroep tot nietigverklaring en schadevergoeding – Openbare dienst – Arbeidscontractanten – Weigering van aanstelling wegens ongeschiktheid voor de uitoefening van de functies – Beroepstermijnen – Regels van openbare orde – Tardiviteit – Berekening van de termijn – Bepaling van de datum vanaf wanneer de betrokkene kennis kon nemen van de inhoud van het besluit – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

In zaak T‑272/19,

TO, wonende te Brussel (België), vertegenwoordigd door E. Boigelot, advocaat,

verzoekster,

tegen

Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), vertegenwoordigd door S. Marquardt en R. Spac als gemachtigden,

verweerder,

betreffende een verzoek krachtens artikel 270 VWEU strekkende, ten eerste, tot nietigverklaring van het besluit van de EDEO van 15 juni 2018 waarbij verzoekster ervan in kennis is gesteld dat zij niet voldeed aan alle voorwaarden voor aanstelling van artikel 82 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie en dat zij niet kon worden aangeworven als arbeidscontractant bij de EDEO, alsook van het besluit van de EDEO van 14 januari 2019 houdende afwijzing van haar klacht van 14 september 2018, en, ten tweede, tot vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden,

geeft

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

samengesteld als volgt: J. Svenningsen, president, R. Barents, C. Mac Eochaidh, T. Pynnä (rapporteur) en J. Laitenberger, rechters,

griffier: E. Coulon,

de navolgende

Beschikking

Voorgeschiedenis van het geding

1

Bij besluit van 15 juni 2018 heeft het tot het aangaan van aanstellingsovereenkomsten bevoegde gezag (hierna: „TAOBG”) van de Europese Dienst voor extern optreden (hierna: „EDEO”) verzoekster, die kandidaat was voor een functie als arbeidscontractant binnen de EDEO, medegedeeld dat zij niet voldeed aan alle in artikel 82 van de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (hierna: „RAP”) gestelde voorwaarden en dat zij niet als arbeidscontractant kon worden aangeworven. De EDEO heeft dit besluit op 15 juni 2018 aan het persoonlijke e‑mailadres van verzoekster toegezonden.

2

Op 14 september 2018 heeft verzoekster overeenkomstig artikel 90, lid 2, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (hierna: „Ambtenarenstatuut”) een klacht ingediend tegen dit besluit. Deze klacht is langs elektronische weg ingediend, met gebruikmaking van het professionele e‑mailadres van de raadsman van verzoekster. Een afschrift is naar het persoonlijke e‑mailadres van verzoekster gezonden.

3

Bij besluit van 14 januari 2019 heeft het TAOBG van de EDEO verzoeksters klacht afgewezen. De EDEO heeft dit besluit aan verzoekster en haar raadsman toegezonden, eerst via het Ares-programma, een systeem voor documentbeheer waarmee een e‑mail kan worden gegenereerd aan geadresseerden die geen personeelslid van de EDEO zijn, op 14 januari 2019 om 17.46 uur, en vervolgens per e‑mail op dezelfde dag om 17.52 uur en 18.05 uur.

4

Verzoekster heeft op 15 januari 2019 om 8.40 uur een e‑mail over dit besluit naar haar raadsman gestuurd, vanaf hetzelfde e‑mailadres dat door de EDEO is gebruikt om dat besluit en het besluit van 15 juni 2018 te versturen.

5

De EDEO heeft verzoekster meermaals per e‑mail verzocht de ontvangst van dit besluit te bevestigen, op 14 januari 2019 om 17.52 uur en om 18.05 uur en nogmaals op 22 januari 2019. Deze verzoeken zijn onbeantwoord gebleven.

Procedure en conclusies van partijen

6

Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 25 april 2019, heeft verzoekster het onderhavige beroep ingesteld.

7

Op 16 september 2019 heeft de EDEO zijn verweerschrift neergelegd.

8

Bij beslissing van de president van het Gerecht van 17 oktober 2019 is de onderhavige zaak toegewezen aan een nieuwe rechter-rapporteur, die deel uitmaakt van de Achtste kamer.

9

Verzoekster heeft de griffie van het Gerecht op 5 november 2019 een memorie van repliek doen toekomen.

10

Op 24 januari 2020 heeft de EDEO zijn memorie van dupliek ingediend.

11

Op 14 februari 2020 heeft het Gerecht (Achtste kamer) op voorstel van de rechter-rapporteur in het kader van de in artikel 89 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht neergelegde maatregelen tot organisatie van de procesgang partijen schriftelijke vragen gesteld en hun verzocht daarop schriftelijk te antwoorden.

12

Op 2 maart 2020 hebben partijen hun antwoorden op de vragen van het Gerecht ingediend.

13

Op 21 april 2020 heeft het Gerecht, op voorstel van de president, met toepassing van artikel 28 van het Reglement voor de procesvoering beslist om de zaak naar een uitgebreide kamer te verwijzen.

14

Bij akte, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 28 april 2020, heeft verzoekster om een pleitzitting verzocht. De EDEO heeft niet binnen de gestelde termijn een standpunt ingenomen over het houden van een terechtzitting.

15

Verzoekster verzoekt het Gerecht:

het besluit van het TAOBG van de EDEO van 15 juni 2018 waarbij zij ervan in kennis is gesteld dat zij niet voldoet aan alle aanstellingsvoorwaarden van artikel 82 RAP en dat zij niet kan worden aangeworven als arbeidscontractant bij de EDEO, nietig te verklaren;

het besluit van 14 januari 2019 waarbij deze autoriteit haar klacht van 14 september 2018 (hierna: „bestreden besluit”) heeft afgewezen, nietig te verklaren;

de EDEO te veroordelen tot betaling van diverse vergoedingen;

de EDEO te verwijzen in de kosten.

16

De EDEO verzoekt het Gerecht:

het beroep ten dele niet-ontvankelijk en ten dele ongegrond te verklaren;

verzoekster te verwijzen in de kosten.

17

In zijn memorie van dupliek voert de EDEO bovendien aan dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat het verzoekschrift te laat is ingediend.

In rechte

18

Krachtens artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering kan het Gerecht te allen tijde, wanneer een beroep kennelijk niet-ontvankelijk is, op voorstel van de rechter-rapporteur beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen zonder de behandeling voort te zetten. In casu acht het Gerecht zich voldoende voorgelicht door de stukken in het dossier en beslist het om uitspraak te doen zonder de behandeling van de zaak voort te zetten, ook al heeft verzoekster het Gerecht om een terechtzitting verzocht (zie in die zin beschikkingen van 24 september 2008, Van Neyghem/Commissie, T‑105/08 P, EU:T:2008:402, punt 21, en 2 december 2010, Apostolov/Commissie, T‑73/10 P, EU:T:2010:495, punt 11).

19

In zijn dupliek heeft de EDEO – zonder formeel een exceptie van niet-ontvankelijkheid uit hoofde van artikel 130 van het Reglement voor de procesvoering op te werpen – voor het eerst aangevoerd dat op 14 januari 2019 kennis is gegeven van het bestreden besluit aan verzoekster en dat de termijn van drie maanden om beroep in te stellen van artikel 91, lid 3, van het Ambtenarenstatuut, verlengd met een termijn wegens afstand van tien dagen, derhalve is ingegaan op 14 januari 2019 en is verstreken op 24 april 2019. Het verzoekschrift is ingediend op 25 april 2019 en is dus niet-ontvankelijk, want te laat ingediend.

20

Er zij aan herinnerd dat een beroep bij het Gerecht krachtens artikel 91, lid 3, van het Ambtenarenstatuut moet worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de dag van kennisgeving van het op de klacht genomen besluit. Daarnaast worden de procestermijnen volgens artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering verlengd met een forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen.

21

In de eerste plaats moet het argument van verzoekster dat de door de EDEO in de dupliek aangevoerde grond voor niet-ontvankelijkheid een nieuw middel is, dat krachtens artikel 84 van het Reglement voor de procesvoering niet-ontvankelijk is, worden afgewezen.

22

Volgens vaste rechtspraak zijn de in de artikelen 90 en 91 van het Ambtenarenstatuut bedoelde klacht‑ en beroepstermijnen namelijk van openbare orde en kan daarover niet naar believen worden beschikt door de partijen en door de rechter, die, zelfs ambtshalve, heeft na te gaan of zij in acht zijn genomen. Deze termijnen beantwoorden aan het vereiste van rechtszekerheid en aan de noodzaak elke discriminatie of willekeurige behandeling bij de rechtsbedeling te vermijden (arresten van 7 juli 1971, Müllers/ESC, 79/70, EU:C:1971:79, punt 18, en 30 januari 2013, Wahlström/Frontex, F‑87/11, EU:F:2013:10, punt 32; zie ook beschikking van 14 januari 2014, Lebedef/Commissie, F‑60/13, EU:F:2014:6, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

23

In de tweede plaats moet worden opgemerkt dat verzoekster in het verzoekschrift niet betwist dat zij en haar raadsman het bestreden besluit op 14 januari 2019 in hun mailbox hebben ontvangen. In haar verzoekschrift verklaart zij dat „het tot aanstelling bevoegde gezag van de EDEO […] op 14 januari 2019 kennis [heeft] gegeven van zijn besluit op de op 14 september 2018 ingediende klacht aan verzoekster en haar raadsman”. In haar antwoord op de vragen van het Gerecht stelt verzoekster dat „die informatie […] slechts betrekking [heeft] op de datum die op het besluit zelf is vermeld […], en niet op de ontvangst en de kennisneming ervan”. In antwoord op de vraag van het Gerecht om de „datum en de wijze waarop zij [het bestreden besluit] heeft ontvangen” te specificeren, verklaart verzoekster niettemin dat dat besluit „haar is toegezonden per e‑mail […] op 14 januari 2019 om 18.04.43 uur”.

24

De EDEO is dan ook van mening dat het bestreden besluit op 14 januari 2019 geldig ter kennis van verzoekster is gebracht, zodat de termijn voor het instellen van beroep op 24 april 2019 is verstreken, terwijl verzoekster in haar opmerkingen in antwoord op de vragen van het Gerecht stelt dat de termijn op 25 april 2019, de dag van indiening van het verzoekschrift, is verstreken. Verzoekster stelt namelijk: „Om te bewerkstelligen dat [artikel 58, lid 1, onder a), van het Reglement voor de procesvoering] gevolgen sorteert en zinvol is, moet daaruit worden afgeleid dat de handeling, voor de berekening van de termijn voor het instellen van een beroep, wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de dag volgende op die waarop zij aan de ambtenaar is gericht” en „[i]n de onderhavige zaak is de eerste relevante dag dus 15 januari 2019, en niet 14 januari 2019”.

25

Uit de opmerkingen van verzoekster in antwoord op de vragen van het Gerecht komt naar voren dat haar berekening van de beroepstermijn berust op een onjuiste uitlegging van artikel 58, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering.

26

Artikel 58, lid 1, onder a), van het Reglement voor de procesvoering bepaalt dat „wanneer een in dagen, weken, maanden […] omschreven termijn ingaat op het ogenblik waarop een gebeurtenis of een handeling plaatsvindt, […] de dag waarop deze gebeurtenis of deze handeling plaatsvindt, niet bij de termijn [wordt] inbegrepen”. Artikel 58, lid 1, onder b), van het Reglement voor de procesvoering bepaalt daarnaast: „een in weken, maanden […] omschreven termijn loopt af bij het einde van de dag die – in de laatste week, de laatste maand […] – dezelfde naam of dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag waarop de gebeurtenis of handeling heeft plaatsgevonden die de termijn doet ingaan”.

27

Uit de rechtspraak van het Hof, te weten zijn arrest van 15 januari 1987, Misset/Raad (152/85, EU:C:1987:10, punten 7 en 8), volgt dat er, anders dan verzoekster stelt, geen tegenstrijdigheid bestaat tussen artikel 58, lid 1, onder a), en artikel 58, lid 1, onder b), van het Reglement voor de procesvoering. De periode begint inderdaad pas te lopen bij het einde van de dag van de kennisgeving. Dat neemt niet weg dat de beroepstermijn, wanneer die in maanden is omschreven, verstrijkt bij het einde van de dag die, in de door de termijn aangegeven maand, dezelfde cijferaanduiding heeft als de dag van kennisgeving (beschikking van 12 mei 2009, CHEMK en KF/Raad en Commissie, T‑190/08, niet gepubliceerd, EU:T:2009:154, punt 21).

28

Indien op 14 januari 2019 rechtsgeldig is kennisgegeven van het bestreden besluit aan verzoekster, is de termijn van drie maanden voor het instellen van beroep in casu op 15 januari om 00.00 uur ingegaan en op 14 april om middernacht geëindigd. Met inbegrip van de termijn wegens afstand van tien dagen is de beroepstermijn dus op 24 april om middernacht verstreken. Daaruit volgt dat het verzoekschrift, dat op 25 april 2019 is ingediend, te laat is.

29

In de derde plaats moet dus worden onderzocht of vast is komen te staan dat op 14 januari 2019 op geldige wijze aan verzoekster kennis is gegeven van het bestreden besluit.

30

Voor het geval dat verzoekster zich heeft vergist bij de berekening van de beroepstermijn, betwist zij dat de kennisgeving op 14 januari 2019 rechtsgeldig was. Volgens verzoekster is het tijdstip waarop zij kennis heeft genomen van het per e‑mail toegezonden bestreden besluit bepalend voor de datum van kennisgeving. Van de e‑mail in kwestie heeft zij echter „naar alle waarschijnlijkheid” pas op 15 januari 2019 ’s ochtends kennisgenomen.

31

In dat verband zij herinnerd aan de in punt 22 supra genoemde rechtspraak, maar ook aan het gegeven dat het aan de partij is die aanvoert dat de termijn is overschreden, in dit geval de EDEO, om het bewijs te leveren van de datum waarop de termijn is ingegaan (arrest van 5 juni 1980, Belfiore/Commissie, 108/79, EU:C:1980:146, punt 7; zie ook arrest van 30 januari 2013, Wahlström/Frontex, F‑87/11, EU:F:2013:10, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Als de EDEO niet in staat is op dat punt volledig bewijs te leveren, dient de twijfel die is blijven bestaan ten aanzien van het tijdstip waarop de beroepstermijn is ingegaan, in het voordeel van de verzoekende partij te werken (zie in die zin arresten van 5 juni 1980, Belfiore/Commissie, 108/79, EU:C:1980:146, punt 7, en 9 juli 2020, Commissie/HM, C‑70/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:544, punt 123).

32

Het bewijs dat de adressaat van een besluit daarvan daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen, kan niettemin voortvloeien uit verschillende omstandigheden, meer bepaald wanneer de betrokken instelling zich niet louter baseert op aanwijzingen, maar op elementen – onder meer door de betrokkene verstrekt – waaruit blijkt dat deze, als adressaat, op zijn e‑mailadres een e‑mail heeft ontvangen en dat hij deze, naar alle waarschijnlijkheid, heeft kunnen openen en op die manier naar behoren kennis heeft kunnen nemen van dat besluit (zie in die zin beschikking van 14 januari 2014, Lebedef/Commissie, F‑60/13, EU:F:2014:6, punt 44). Volgens de rechtspraak kunnen de door een partij aangevoerde feiten namelijk van dien aard zijn dat de andere partij wordt verplicht een verklaring of rechtvaardiging te geven, bij ontbreken waarvan mag worden geconcludeerd dat het bewijs is geleverd (zie arrest van 17 november 2016, Fedtke/EESC, T‑157/16 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:666, punt 39 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

33

In het licht van het voorgaande dient het Gerecht derhalve na te gaan of vast is komen te staan dat de beroepstermijn niet was verstreken op het tijdstip waarop het beroep in de onderhavige zaak is ingesteld, namelijk 25 april 2019, hetgeen niettemin het geval zou zijn indien op 14 januari 2019 op geldige wijze kennis was gegeven van het bestreden besluit aan verzoekster.

34

In dit verband vormt de kennisgeving per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, zoals bepaald in artikel 26, derde alinea, van het Ambtenarenstatuut, een geldige wijze van kennisgeving. In casu heeft de EDEO ervoor gekozen geen gebruik te maken van deze modaliteit. Dat is echter niet de enige manier om kennis te geven van administratieve besluiten (zie in die zin beschikkingen van 16 december 2010, AG/Parlement, F‑25/10, EU:F:2010:171, punt 38, en 14 januari 2014, Lebedef/Commissie, F‑60/13, EU:F:2014:6, punt 42).

35

Met name wanneer de dienst ermee instemt dat een klacht uit hoofde van artikel 90, lid 2, van het Ambtenarenstatuut langs elektronische weg wordt ingediend, in dit geval vanaf het professionele e‑mailadres van de raadsman van de klaagster, met een afschrift naar haar persoonlijke e‑mailadres, is deze dienst gerechtigd om, gelet op het feit dat de betrokkene zelf voor deze vorm van communicatie heeft gekozen en overeenkomstig het beginsel van het parallellisme van vormen, zijn antwoord eveneens aan de betrokkene ter kennis te brengen door middel van een e‑mail die vanaf het e-mailadres van het TAOBG of vanaf het programma voor het beheer van e‑mail (in dit geval Ares) wordt verzonden naar de e‑mailadressen van de klaagster en haar raadsman (zie in die zin beschikking van 14 januari 2014, Lebedef/Commissie, F‑60/13, EU:F:2014:6, punt 43).

36

Voorts volgt uit het beginsel van vertegenwoordiging dat de kennisgeving van het antwoord op een klacht die is ingediend door een advocaat namens een persoon die hij vertegenwoordigt aan die advocaat gelijkstaat met een kennisgeving aan die persoon (zie in die zin en naar analogie arrest van 6 mei 2009, Sergio e.a./Commissie, F‑137/07, EU:F:2009:46, punt 125).

37

Opdat een besluit geldig ter kennis is gebracht in de zin van de bepalingen van het Ambtenarenstatuut moet het evenwel niet alleen aan de adressaat zijn medegedeeld, maar moet deze ook in de gelegenheid zijn gesteld om daadwerkelijk kennis te nemen van de inhoud ervan (arrest van 15 juni 1976, Jänsch/Commissie, 5/76, EU:C:1976:92, punt 10; zie ook arrest van 30 januari 2013, Wahlström/Frontex, F‑87/11, EU:F:2013:10, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

38

Het verzenden van een e‑mail garandeert op zich niet dat de geadresseerde die ook ontvangt. Een e‑mail kan immers om technische redenen niet bij hem aankomen. Zelfs wanneer een e‑mail daadwerkelijk ter bestemming komt, is het bovendien mogelijk dat dit niet gebeurt op de dag van verzending [arrest van 8 oktober 2008, Sogelma/EBW, T‑411/06, EU:T:2008:419, punt 77; zie in die zin ook arresten van 28 november 2013, Gaumina/EIGE, T‑424/12, niet gepubliceerd, EU:T:2013:617, punt 40, en 7 december 2018, GE.CO.P./Commissie, T‑280/17, EU:T:2018:889, punt 51 (niet gepubliceerd)].

39

In de onderhavige zaak heeft de EDEO aangetoond dat hij het bestreden besluit op 14 januari 2019 aan verzoekster en haar raadsman heeft toegezonden, zowel per e‑mail als via het Ares-programma.

40

Uit het door de EDEO verstrekte bewijsmateriaal blijkt ook dat zijn diensten voor verzoekster met het oog op de toezending van het bestreden besluit hetzelfde e‑mailadres hebben gebruikt als voor de toezending van het besluit van 15 juni 2018, waarop de klacht van verzoekster betrekking had, en dat zij geen fout hebben gemaakt bij de invoering van dat adres. Voorts heeft de EDEO voor de raadsman van verzoekster hetzelfde e‑mailadres gebruikt als het adres waarmee die raadsman namens verzoekster de klacht van 14 september 2018 had ingediend. Daaruit volgt dat de e‑mailadressen die door de EDEO zijn gebruikt voor de toezending van het bestreden besluit geldige adressen waren.

41

Zoals reeds vermeld in punt 23 supra betwist verzoekster niet dat het bestreden besluit in casu onmiddellijk is ontvangen en dat de ontvangst ervan dus samenviel met de verzending naar de mailboxen van haar en haar raadsman op 14 januari 2019. In antwoord op de vraag van het Gerecht om de „datum en de wijze waarop zij [het bestreden besluit] heeft ontvangen” te specificeren, verklaart verzoekster immers dat dat besluit „haar is toegezonden per e‑mail […] op 14 januari 2019 om 18.04.43 uur”.

42

Uit de in punt 37 genoemde rechtspraak blijkt duidelijk dat het voor een geldige kennisgeving van een besluit in de zin van het Ambtenarenstatuut niet noodzakelijk is dat de adressaat daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud ervan, maar dat hij of zij in de gelegenheid is gesteld om er daadwerkelijk kennis van te nemen. In dat verband kan het bewijs dat de adressaat van een besluit dat niet alleen heeft ontvangen, maar er ook daadwerkelijk kennis van heeft kunnen nemen, uit uiteenlopende omstandigheden voortvloeien (beschikking van 14 januari 2014, Lebedef/Commissie, F‑60/13, EU:F:2014:6, punt 44).

43

Zo heeft het Gerecht voor ambtenarenzaken in zijn beschikking van 14 januari 2014, Lebedef/Commissie (F‑60/13, EU:F:2014:6, punten 4548), opgemerkt dat vast was komen te staan dat verzoeker zijn professionele mailbox kon raadplegen, dat hij de betrokken e‑mail had ontvangen en dat hij deze kon openen en er daadwerkelijk kennis van kon nemen, ook al had hij er op dat moment voor gekozen deze niet te openen.

44

In casu moet worden opgemerkt dat het besluit van het TAOBG van de EDEO van 15 juni 2018, waarop de klacht van verzoekster betrekking heeft, eveneens per e‑mail aan verzoekster was toegezonden, op hetzelfde e-mailadres. Dat is ook het e‑mailadres dat verzoekster heeft gebruikt om op 15 januari 2019 om 8.40 uur een e‑mail aan haar raadsman te sturen, waarin zij verklaart kennis te hebben genomen van het bestreden besluit.

45

Uit de door de partijen voor het Gerecht overgelegde documenten blijkt dus dat verzoekster niet alleen geen technische belemmering voor het ontvangen of raadplegen van de betrokken e‑mails van de EDEO inroept, maar ook haar persoonlijke mailbox kon raadplegen en die mailbox voor en na de mededeling van het bestreden besluit in het kader van haar contacten met de EDEO en haar raadsman heeft gebruikt.

46

Daaruit volgt dat de EDEO voldoende feitelijk bewijs heeft geleverd dat het bestreden besluit op 14 januari 2019 aan verzoekster en haar raadsman is medegedeeld en dat verzoekster in de gelegenheid is gesteld vanaf die datum kennis te nemen van de inhoud van dat besluit.

47

Meer bepaald betwist verzoekster niet dat zij of haar raadsman op 14 januari 2019 kennis heeft kunnen nemen van het bestreden besluit. Integendeel, zij stelt dat haar niet kan worden verweten dat zij op de avond van 14 januari 2019 haar mailbox niet heeft geraadpleegd noch haar raadsman kan worden verweten dat hij die avond geen gevolg heeft gegeven aan die e‑mail, waarmee zij erkent dat een dergelijke mogelijkheid bestond.

48

Daarentegen stelt ze dat zij „naar alle waarschijnlijkheid”„op 15 januari om 8:40 uur ’s ochtends”„kennis [heeft genomen] (van een deel, namelijk de laatste pagina van het document) van de e‑mail die de dag ervoor aan het eind van de dag naar haar persoonlijke mailbox [was] gestuurd”.

49

Zoals in punt 42 supra is vermeld, is de omstandigheid dat verzoekster stelt dat zij naar alle waarschijnlijkheid pas op 15 januari 2019 ’s ochtends daadwerkelijk van de betrokken e‑mail kennis heeft genomen, echter niet doorslaggevend voor de vaststelling van de aanvang van de termijn. Uit het antwoord van verzoekster blijkt dat zij zich heeft gebaseerd op een onjuiste uitlegging van de rechtspraak, volgens welke de datum waarop daadwerkelijk kennis is genomen van het besluit doorslaggevend is voor de vaststelling van de datum van kennisgeving. Zoals in de in punt 42 supra genoemde rechtspraak is vermeld, is het voor een behoorlijke kennisgeving van een besluit in de zin van het Ambtenarenstatuut echter niet noodzakelijk dat de adressaat daadwerkelijk kennis heeft genomen van de inhoud ervan, maar dat hij of zij in de gelegenheid is gesteld om er daadwerkelijk kennis van te nemen.

50

Aanvaarding van het argument van verzoekster zou namelijk leiden tot de erkenning dat de adressaat in geval van mededeling van een besluit zonder verzoek om ontvangstbevestiging over het recht beschikt om de datum te kiezen waarop hij daadwerkelijk kennis heeft kunnen nemen van de inhoud ervan (zie in die zin arrest van 29 november 2018, WL/ERCEA, T‑493/17, niet gepubliceerd,EU:T:2018:852, punt 63). Het beginsel van rechtszekerheid staat er echter aan in de weg dat over het ingaan van beroepstermijnen naar believen kan worden beschikt door een van de partijen (beschikking van 16 december 2010, AG/Parlement, F‑25/10, EU:F:2010:171, punt 51).

51

Voor zover verzoekster stelt dat zij en haar raadsman op het moment van de gestelde kennisgeving, namelijk op 14 januari 2019 om 18.05 uur, geen verplichting hadden om hun mailbox te raadplegen, moet worden opgemerkt dat er geen algemeen toepasselijk tijdvak is waarbinnen geldig van een besluit kennis kan worden gegeven en waarbuiten een kennisgeving niet geldig is.

52

Ten eerste is het bepalende kenmerk van de kennisgeving van een besluit volgens de in punt 37 supra genoemde rechtspraak dat de adressaat in staat is om daadwerkelijk kennis te nemen van de inhoud van het medegedeelde besluit. Volgens deze definitie is het dus niet relevant of een dergelijke kennisgeving ’s morgens, ’s middags, ’s avonds of zelfs ’s nachts plaatsvindt. Als de adressaat ’s avonds laat in de gelegenheid wordt gesteld om daadwerkelijk kennis te nemen van de inhoud van een besluit dat hem is medegedeeld, dan is op dat moment kennisgegeven van het besluit. Als de adressaat pas de daaropvolgende dag of later in staat is daadwerkelijk kennis te nemen van de inhoud van het besluit, is pas op dat moment kennisgegeven van het besluit.

53

Ten tweede merkt het Gerecht op dat het onmogelijk zou zijn om met de nodige rechtszekerheid vast te stellen gedurende welke tijdvakken een kennisgeving als geldig kan worden beschouwd en andere tijdvakken uit te sluiten. De beschikbaarheid van potentiële ontvangers en hun vermogen om verbinding te maken kan namelijk aanzienlijk variëren. In dit verband zij erop gewezen dat de wetgever ervoor heeft gekozen de beroepstermijnen te omschrijven in dagen, weken en maanden en niet in uren, waaruit blijkt dat de wetgever er geen belang aan hecht dat de kennisgeving gedurende een bepaald tijdvak plaatsvindt.

54

Ten derde zou het overigens inconsequent zijn om een dergelijk tijdvak voor kennisgeving per e‑mail vast te stellen, terwijl kennisgeving per aangetekende brief in principe op elk moment van de dag kan plaatsvinden. Het tijdstip van bezorging van aangetekende zendingen hangt immers vooral af van de postregelingen. Om te bewerkstelligen dat de kans dat een aangetekende zending daadwerkelijk kan worden bezorgd, zo groot mogelijk is, is het niet ongebruikelijk, in elk geval vandaag de dag, dat zij ’s ochtends vroeg of aan het einde van de dag wordt aangeboden. De vraag of het tijdstip passend is, is niet bepalend voor de vaststelling of de kennisgeving geldig is, zolang de adressaat het document waarvan kennis moet worden gegeven maar ontvangt.

55

In dit verband volgt uit artikel 58, lid 1, onder b), van het Reglement voor de procesvoering dat de termijn voor het instellen van een beroep in geval van handelingen waarvan kennis moet worden gegeven, ingaat bij het einde van de dag van kennisgeving, ongeacht het tijdstip waarop de kennisgeving van de bestreden handeling heeft plaatsgevonden (zie in die zin en naar analogie arrest van 15 januari 1987, Misset/Raad, 152/85, EU:C:1987:10, punt 7, en beschikking van 11 juni 2020, GMPO/Commissie, C‑575/19 P, niet gepubliceerd, EU:C:2020:448, punt 30).

56

Tot slot, en overwegende dat de ontvangst van het bestreden besluit in de onderhavige zaak vast is komen te staan (zie de punten 23, 40 e.v. supra), kunnen alleen belemmeringen die voortvloeien uit de situatie van verzoekster en haar raadsman die hen ervan weerhouden zouden hebben om op 14 januari 2019 na ontvangst van het bestreden besluit daarvan kennis te nemen, de conclusie in twijfel trekken dat zij op die datum ook in de gelegenheid zijn gesteld daadwerkelijk kennis te nemen van het besluit. Gelet op de door de EDEO verstrekte feiten over de kennisgeving van het bestreden besluit aan verzoekster en haar raadsman per e‑mail en via het Ares-programma, en op het feit dat de ontvangst van het bestreden besluit in casu vast is komen te staan, had verzoekster derhalve redenen moeten geven waarom zij noch haar raadsman in staat was daadwerkelijk kennis te nemen van het op 14 januari 2019 ontvangen bestreden besluit (zie in die zin en naar analogie arrest van 17 november 2016, Fedtke/EESC, T‑157/16 P, niet gepubliceerd, EU:T:2016:666, punt 41).

57

Ondanks de vragen van het Gerecht heeft verzoekster hierover evenwel geen nadere gegevens verstrekt. Integendeel, zij heeft enkel vermeld dat zij „naar alle waarschijnlijkheid” pas op 15 januari 2019 kennis heeft genomen van de e‑mails van de EDEO en dat zij van mening is dat zij niet gehouden was haar mailbox vóór dat moment te raadplegen. Bovendien heeft zij niet betwist dat zij op dat moment vertegenwoordigd werd door een raadsman die de e‑mail van de EDEO eveneens op 14 januari 2019 heeft ontvangen.

58

Bijgevolg komt het Gerecht, rekening houdend met hetgeen in de punten 31 en 32 supra in herinnering is gebracht, tot de slotsom dat er, gelet op het door de EDEO verstrekte bewijsmateriaal en op het ontbreken van enig door verzoekster verstrekt bewijs dat zij en haar raadsman belemmerd werden daadwerkelijk kennis te nemen van de op 14 januari 2019 ontvangen e‑mails, moet worden vastgesteld dat de EDEO afdoende bewijs heeft geleverd. Derhalve is vast komen te staan dat verzoekster het bestreden besluit niet alleen op 14 januari 2019 heeft ontvangen, maar dat zij ook in de gelegenheid is gesteld om er op die datum daadwerkelijk kennis van te nemen.

59

Derhalve is op 14 januari 2019 geldig kennisgegeven van het bestreden besluit aan verzoekster in de zin van de in punt 37 genoemde rechtspraak.

60

Onder deze omstandigheden is het verzoekschrift, met toepassing van de berekeningswijze die in de punten 26 tot en met 28 supra is uiteengezet, op 25 april 2019 te laat ingediend.

61

Het beroep dient bijgevolg kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Kosten

62

Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij overeenkomstig de vordering van de EDEO te worden verwezen in de kosten.

 

HET GERECHT (Achtste kamer – uitgebreid),

beschikt:

 

1)

Het beroep wordt kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

 

2)

TO wordt verwezen in de kosten.

 

Luxemburg, 31 juli 2020.

De griffier

E. Coulon

De president

J. Svenningsen


( *1 ) Procestaal: Frans.