Beschikking van het Gerecht (Vijfde kamer) van 11 september 2019 –
Makhlouf/Raad

(Zaak T‑57/19)

„Beroep tot schadevergoeding – Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen tegen Syrië – Bevriezing van tegoeden – Onbevoegdheid”

Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Bevoegdheid van de Unierechter – Beroep tot vergoeding van de schade die zou zijn geleden doordat verzoeker ten onrechte is opgenomen op de lijst van personen tegen wie beperkende maatregelen zijn genomen – Daarvan uitgesloten

[Art. 24, lid 1, tweede alinea, en 40 VEU; art. 275 VWEU; besluiten (GBVB) 2018/778 en 2019/806 van de Raad]

(zie punten 23, 24, 26, 27, 31, 32)

Voorwerp

Verzoek krachtens artikel 268 VWEU strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeker stelt te hebben geleden ten gevolge van de vaststelling van besluit (GBVB) 2018/778 van de Raad van 28 mei 2018 houdende wijziging van besluit 2013/255/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2018, L 131, blz. 16), en de uitvoeringshandelingen daarvan, en besluit (GBVB) 2019/806 van de Raad van 17 mei 2019 tot wijziging van besluit 2013/255/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (PB 2019 L 132, blz. 36), voor zover zij op verzoeker betrekking hebben

Dictum

1) 

Het beroep wordt verworpen.

2) 

Rami Makhlouf zal zijn eigen kosten en die van de Raad van de Europese Unie dragen.