21.10.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 357/38


Beroep ingesteld op 19 augustus 2019 – EI/Commissie

(Zaak T-575/19)

(2019/C 357/47)

Procestaal: Frans

Partijen

Verzoekende partij: EI (vertegenwoordiger: R. Mbonyumutwa, advocaat)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

het bestreden besluit nietig verklaren;

de Europese Commissie veroordelen tot vergoeding van:

ten eerste de immateriële schade die verzoekende partij heeft geleden als gevolg van discriminatie wegens haar huidskleur, en haar uit dien hoofde een bedrag van 123 600 EUR (honderddrieëntwintigduizend zeshonderd euro) toe te kennen en,

ten tweede de door haar geleden materële schade als gevolg van het achterwege blijven van bevordering en salarisverhoging ten gevolge van discriminatie, en haar uit dien hoofde een bedrag van 48 670,56 EUR (achtenveertigduizend zeshonderdzeventig euro en zesenvijftig cent) toe te kennen;

gelasten dat de Europese Commissie de verdiensten van verzoekende partij op onpartijdige en objectieve wijze opnieuw onderzoekt en haar in voorkomend geval bevordert;

de Europese Commissie verwijzen in de kosten.

Middelen en voornaamste argumenten

Verzoekende partij voert twee middelen aan ter ondersteuning van haar beroep tegen het besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag van 23 mei 2019 waarbij haar bezwaar tegen het besluit tot weigering van bevordering is afgewezen en de definitieve bevorderingslijst voor het jaar 2018 is vastgesteld.

1.

Eerste middel, ontleend aan kennelijke beoordelingsfouten in de bevorderingsprocedure. Dit middel valt uiteen in vier onderdelen.

Eerste onderdeel, ontleend aan de onnauwkeurigheid en de subjectiviteit van de beoordelingsrapporten die over ambtenaren worden opgesteld. Verzoekende partij betoogt in dit verband dat er drie fouten zijn gemaakt. De eerste fout betreft het feit dat de rapporten van verzoekende partij slechts door één persoon zijn opgesteld, de tweede fout houdt verband met de onnauwkeurigheid van de inhoud van de beoordelingsrapporten en de derde fout vloeit voort uit het feit dat met de zelfrapportering van verzoekende partij geen rekening werd gehouden.

Tweede onderdeel, ontleend aan het ontbreken van een objectieve test om de talenkennis te beoordelen. Verzoekende partij betoogt in dit verband dat er drie fouten zijn gemaakt. De eerste fout betreft het feit dat de rapporten van verzoekende partij slechts door één persoon zijn opgesteld, de tweede fout houdt verband met het niet gebruiken van op de markt beschikbare objectieve testen en de derde fout vloeit voort uit het feit dat de beoordeling niet overeenstemt met de realiteit.

Derde onderdeel, ontleend aan de subjectiviteit van de beoordeling van het niveau van de gedragen verantwoordelijkheid.

Vierde onderdeel, ontleend aan de subjectiviteit bij de keuze van de in overweging te nemen feitelijke gegevens.

2.

Tweede middel, ontleend aan schending van de beginselen van gelijke behandeling en van non-discriminatie. Verzoekende partij voert in dit verband twee argumenten aan.

Het eerste argument is dat de subjectiviteit die voortvloeit uit de bevorderingsprocedure louter ten nadele van verzoekende partij is.

Het tweede argument is dat haar hiërarchieke meerdere haar op haar vragen omtrent de reden waarom zij niet was bevorderd per e-mail heeft geantwoord, wat bewijst dat de bevorderingsprocedure noch objectief noch onpartijdig was.