|
9.9.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 305/55 |
Beroep ingesteld op 15 juni 2019 — UI/Commissie
(Zaak T-362/19)
(2019/C 305/66)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: UI (vertegenwoordiger: J. Diaz Cordova, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
|
— |
nietig te verklaren het besluit van het PMO van de Europese Commissie van 27 augustus 2018 houdende weigering om haar de ontheemdingstoeslag toe te kennen; |
|
— |
te beslissen over de kosten naar recht. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.
|
1. |
Eerste middel, ontleend aan de omstandigheid dat verzoeker, overeenkomstig punt 48 van het arrest van 14 december 1995 in de zaak Diamantaras/Commissie (T-72/94, EU:T:1995:212), en punt 57 van het arrest van 9 maart 2010 in de zaak Tzvetanova/Commissie (F-33/09, EU:F:2010:18), niet gedurende de gehele referentieperiode zijn voornaamste beroepsbezigheid/woonplaats in België had. Hij heeft daarom recht op de volledige ontheemdingstoeslag. |
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan de omstandigheid dat, overeenkomstig de beschikking van 26 september 2007 in de zaak Rocío Salvador Roldán/Commissie (F-129/06, EU:F:2007:166), de inschrijving van een onderneming of de aankoop van onroerend goed in een land een duidelijke aanwijzing is voor duurzame banden met dat land (in dit geval Roemenië). Aangezien dit het geval is, heeft verzoeker recht op de volledige ontheemdingstoeslag. |
|
3. |
Derde middel, ontleend aan de omstandigheid dat, overeenkomstig het bovengenoemde arrest in zaak F-33/09, Tzvetanova/Commissie, de informatie van de Belgische gemeente waarop de verwerende partij zich in haar antwoord baseert, louter formeel is en niet kan worden gebruikt om de gewone verblijfplaats van een persoon vast te stellen. Derhalve heeft verzoeker recht op de volledige ontheemdingstoeslag. |
|
4. |
Vierde middel, ontleend aan de omstandigheid dat, overeenkomstig de punten 32 en 33 van het arrest van 24 april 2001 in de zaak Miranda/Commissie (T-37/99, EU:T:2001:122), tezamen met de rechtspraak in de zaak Del Vaglio (welke heeft geleid tot de beschikking van 12 oktober 2004 in de zaak Del Vaglio/Commissie, C-352/03 P EU:C:2004:613) en het arrest van 15 maart 2011 in de zaak Gaëtan Barthélémy Maxence Mioni/Europese Commissie (F-28/10, EU:F:2011:23), verzoekers bedoeling om een blijvend karakter aan het centrum van zijn belangen te geven, zoals het vastleggen van zijn gewone verblijfplaats, geen verband hield met België, aangezien hij gedurende die periode onder meer een „Limosa verklaring” heeft gedaan. Hij wijst erop dat de verwerende partij in haar antwoord ten onrechte alleen de nadruk legt op zijn fysieke aanwezigheid in België. |