Zaak T‑657/19

Feralpi Holding SpA

tegen

Europese Commissie

Arrest van het Gerecht (Vierde kamer – uitgebreid) van 9 november 2022

„Mededinging – Mededingingsregelingen – Markt van betonstaal – Besluit waarbij op grond van verordening (EG) nr. 1/2003 een inbreuk op artikel 65 KS wordt vastgesteld na expiratie van het EGKS-Verdrag – Vaststelling van prijzen – Beperking en beheersing van de productie en de afzet – Besluit dat is genomen na de nietigverklaring van eerdere besluiten – Nieuwe hoorzitting in aanwezigheid van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur – Redelijke termijn – Motiveringsplicht – Evenredigheid – Beginsel ne bis in idem – Exceptie van onwettigheid – Eén enkele, complexe en voortdurende inbreuk – Bewijs van deelneming aan de mededingingsregeling – Openlijke distantiëring – Volledige rechtsmacht”

  1. Beroep tot nietigverklaring – Arrest houdende nietigverklaring – Gevolgen – Verplichting om uitvoeringsmaatregelen vast te stellen – Reikwijdte – Inaanmerkingneming van zowel de rechtsoverwegingen als het dictum van het arrest – Vaststelling van een nieuwe handeling op grond van eerdere voorbereidende handelingen – Toelaatbaarheid

    (Art. 266, eerste alinea, VWEU)

    (zie punten 48‑50, 106, 107)

  2. Mededinging – Administratieve procedure – Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities – Verplichting tot raadpleging – Wezenlijk vormvoorschrift – Reikwijdte

    (Art. 101 en 102 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 14)

    (zie punten 55‑57)

  3. Mededinging – Administratieve procedure – Adviescomité voor mededingingsregelingen en economische machtsposities – Verplichting tot raadpleging – Nietigverklaring van een besluit tot vaststelling van een inbreuk – Heropening van de procedure in de fase van de vastgestelde onregelmatigheid – Nieuwe raadpleging van het adviescomité – Onpartijdigheid van de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten in het adviescomité

    (Art. 101 en 102 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 1; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 14)

    (zie punten 59‑61, 63‑66)

  4. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van de rechten van de verdediging – Horen van ondernemingen – Recht op een gemeenschappelijke hoorzitting van ondernemingen die een mededeling van de punten van bezwaar hebben ontvangen – Geen

    (Verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27; verordening nr. 773/2004 van de Commissie, art. 14, lid 6)

    (zie punten 70‑73)

  5. Mededinging – Administratieve procedure – Eerbiediging van de rechten van de verdediging – Horen van ondernemingen – Nietigverklaring van een besluit tot vaststelling van een inbreuk – Heropening van de procedure in de fase van de vastgestelde onregelmatigheid – Nieuwe hoorzitting van de ondernemingen – Verplichting om andere instanties uit te nodigen die geen belangstelling hebben getoond om aan deze nieuwe hoorzitting deel te nemen – Geen – Verplichting om het besluit tot organisatie van een nieuwe hoorzitting openbaar te maken – Geen

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 1; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 27; verordening nr. 773/2004 van de Commissie, art. 12 en art. 13, leden 1, 2 en 3)

    (zie punten 78‑105, 108‑125, 135‑141)

  6. Mededinging – Administratieve procedure – Verplichtingen van de Commissie – Inachtneming van een redelijke termijn – Nietigverklaring van een besluit tot vaststelling van een inbreuk – Heropening van de procedure in de fase van de vastgestelde onregelmatigheid – Heropening voorafgegaan door een analyse van de verenigbaarheid ervan met het beginsel van de redelijke termijn – Schending van de redelijke termijn – Geen

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41)

    (zie punten 146‑148, 157‑176, 178, 179)

  7. Mededinging – Administratieve procedure – Verplichtingen van de Commissie – Inachtneming van een redelijke termijn – Schending – Gevolgen – Nietigverklaring van een besluit houdende vaststelling van een inbreuk wegens een buitensporig lange duur van de procedure – Voorwaarde – Schending van de rechten van verdediging van de betrokken ondernemingen

    (Art. 101 en 102 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 1)

    (zie punten 172, 182, 186, 187, 189‑208, 211‑216, 218‑235)

  8. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Reikwijdte – Besluit houdende toepassing van de mededingingsregels – Besluit tot vaststelling van een inbreuk, vastgesteld na nietigverklaring van een eerder besluit met hetzelfde voorwerp – Besluit waarin de motivering voor de vaststelling van een nieuw besluit wordt uiteengezet

    (Art. 101 en 102 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 1; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23, lid 2)

    (zie punten 238‑253, 255‑260)

  9. Recht van de Europese Unie – Beginselen – Evenredigheid – Reikwijdte – Nietigverklaring van een besluit tot vaststelling van een inbreuk – Heropening van de procedure in de fase van de vastgestelde onregelmatigheid – Vaststelling van een nieuw besluit tot vaststelling van een inbreuk – Schending – Geen

    (Art. 5, lid 4, VEU)

    (zie punten 269‑281)

  10. Mededinging – Geldboeten – Bedrag – Vaststelling – Beoordelingsbevoegdheid van de Commissie – Rechterlijke toetsing – Volledige rechtsmacht van de Unierechter – Reikwijdte

    (Art. 101, 261 en 263 VWEU; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 31; mededeling 2006/C 210/02 van de Commissie)

    (zie punten 283‑287)

  11. Mededinging – Administratieve procedure – Besluit tot vaststelling van een inbreuk, vastgesteld na nietigverklaring van een eerste besluit betreffende dezelfde onderneming en dezelfde inbreuk – Schending van het ne-bis-in-idembeginsel – Geen

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 50; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 23)

    (zie punten 303‑312)

  12. Mededinging – Administratieve procedure – Verjaring van het recht van vervolging – Regels inzake de stuiting en de schorsing van verjaring – Beoordelingsbevoegdheid van de Uniewetgever – Geen regeling die voorziet in een absolute maximumverjaringstermijn – Toelaatbaarheid

    (Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41; verordening nr. 1/2003 van de Raad, art. 25, leden 3 en 6)

    (zie punten 316‑322)

  13. Mededinging – Administratieve procedure – Besluit van de Commissie tot vaststelling van een inbreuk – Bewijs van de inbreuk en van de duur daarvan ten laste van de Commissie – Omvang van de bewijslast – Vereiste mate van nauwkeurigheid voor de door de Commissie in aanmerking genomen bewijzen – Geheel van aanwijzingen – Rechterlijke toetsing – Reikwijdte – Beslissing die bij de rechter nog twijfel laat bestaan – Eerbiediging van het beginsel van het vermoeden van onschuld

    (Art. 65 KS)

    (zie punten 330‑333)

  14. Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip – Noodzaak van een causaal verband tussen de afstemming en het marktgedrag van de ondernemingen – Vermoeden van het bestaan van dit causaal verband – Vermoeden te weerleggen door de betrokken onderneming – Bewijs

    (Art. 65 KS)

    (zie punten 337‑344)

  15. Mededingingsregelingen – Verbod – Inbreuken – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die één enkele inbreuk vormen – Toerekening van aansprakelijkheid aan een onderneming voor de gehele inbreuk – Voorwaarden – Geen bewijs van actieve deelname aan de mededingingsregeling gedurende een bepaalde periode en van deelname aan bepaalde bijeenkomsten – Geen invloed

    (Art. 65 KS)

    (zie punten 345, 346, 354, 465)

  16. Mededinging – Administratieve procedure – Besluit van de Commissie tot vaststelling van een inbreuk – Bewijs van de inbreuk en van de duur daarvan ten laste van de Commissie – Omvang van de bewijslast – Bewijs geleverd door een aantal aanwijzingen en toevalligheden waaruit het bestaan en de duur van voortdurende mededingingsverstorende gedragingen blijkt – Toelaatbaarheid

    (Art. 65 KS)

    (zie punten 368‑373)

  17. Mededingingsregelingen – Overeenkomsten tussen ondernemingen – Begrip – Deelname aan bijeenkomsten met mededingingsverstorende strekking – Daaronder begrepen – Voorwaarde – Geen distantiëring van de genomen beslissingen – Publieke distantiëring – Beoordelingscriteria

    (Art. 65 KS)

    (zie punt 410, 460)

  18. Mededingingsregelingen – Onderling afgestemde feitelijke gedragingen – Begrip – Coördinatie en samenwerking in strijd met de verplichting voor elke onderneming om haar marktgedrag zelfstandig te bepalen – Uitwisseling van informatie tussen concurrenten – Uitwisseling die onzekerheid over het door de betrokken ondernemingen voorgenomen gedrag kan wegnemen

    (Art. 65, lid 1, KS)

    (zie punten 513‑518)

  19. Mededingingsregelingen – Verbod – Inbreuken – Overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, die één enkele inbreuk vormen – Toerekening van aansprakelijkheid aan een onderneming voor de gehele inbreuk – Voorwaarden – Inbreukmakende gedragingen en handelingen die deel uitmaken van een totaalplan – Beoordeling – Criteria – Bijdrage aan het enige doel van de inbreuk – Noodzaak van complementariteit tussen de verweten gedragingen – Geen

    (Art. 65, lid 1, KS)

    (zie punten 534‑538)

Samenvatting

Het Gerecht bevestigt de sancties van 2,2 tot 5,1 miljoen EUR die de Commissie heeft opgelegd aan vier ondernemingen wegens hun deelname aan een mededingingsregeling op de Italiaanse betonstaalmarkt

Bij beschikking van 17 december 2002 heeft de Europese Commissie vastgesteld dat acht ondernemingen en een vereniging van ondernemingen inbreuk hadden gemaakt op artikel 65, lid 1, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (hierna: „KS”), door tussen december 1989 en juli 2000 deel te nemen aan een mededingingsregeling op de Italiaanse markt voor betonstaal, die tot doel of ten gevolge had dat de prijzen werden vastgelegd en de productie werd beperkt en gecontroleerd (hierna: „eerste beschikking”) ( 1 ).

Het Gerecht heeft deze beschikking nietig verklaard op grond dat de rechtsgrondslag ervan, namelijk artikel 65, leden 4 en 5, KS, ten tijde van de vaststelling ervan niet meer van kracht was, daar het KS-Verdrag op 23 juli 2002 was vervallen. ( 2 ) Bijgevolg heeft de Commissie op 30 september en 8 december 2009 een nieuwe beschikking vastgesteld waarbij dezelfde inbreuk werd vastgesteld, maar dan op basis van het EG-Verdrag en verordening (EG) nr. 1/2003 ( 3 ) (hierna: „tweede beschikking”) ( 4 ).

Deze tweede beschikking, die door het Gerecht is bevestigd bij arresten van 9 december 2014 (hierna: „arresten van 9 december 2014”) ( 5 ), is door het Hof nietig verklaard. Volgens het Hof had het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie niet verplicht was om in het kader van de procedure die tot de vaststelling van de tweede beschikking had geleid, een nieuwe hoorzitting te organiseren ( 6 ), aangezien het niet organiseren van een dergelijke hoorzitting een schending van wezenlijke vormvoorschriften betekent. Zo heeft het Hof geoordeeld dat de eerste hoorzitting met het oog op de vaststelling van de eerste beschikking niet in overeenstemming was met de procedurele vereisten voor de vaststelling van een beschikking op grond van verordening nr. 1/2003, aangezien de mededingingsautoriteiten van de lidstaten aan deze hoorzitting niet hadden deelgenomen. Het Hof heeft de arresten van 9 december 2014 dus volledig vernietigd.

De Commissie heeft de procedure hervat op het punt waar de onwettigheid door het Hof was vastgesteld en heeft een nieuwe hoorzitting georganiseerd. Bij besluit van 4 juli 2019 (hierna: „bestreden besluit”) ( 7 ) heeft zij opnieuw de in de tweede beschikking aan de orde zijnde inbreuk vastgesteld. Wegens de duur van de procedure is evenwel voor alle aan de adressaten opgelegde geldboeten een vermindering met 50 % toegekend.

Vier van de acht betrokken ondernemingen, namelijk Ferriera Valsabbia SpA en Valsabbia Investimenti SpA, Alfa Acciai SpA, Feralpi Holdings SpA en Ferriere Nord SpA (hierna: „verzoeksters”), hebben beroepen ingesteld tot nietigverklaring van het bestreden besluit, waarbij hun sancties van 2,2 tot 5,1 miljoen euro zijn opgelegd. ( 8 ) De Vierde kamer (uitgebreid) van het Gerecht heeft deze beroepen alle verworpen en in dit kader de voorwaarden verduidelijkt waaronder de Commissie bijna dertig jaar na het begin van de inbreuk een sanctiebesluit kan vaststellen zonder de rechten van verdediging van de betrokken partijen of het beginsel van de redelijke termijn te schenden. Het Gerecht spreekt zich ook uit over de wettigheid van de regeling inzake stuiting en schorsing van de verjaring op het gebied van de oplegging van geldboeten en over de voorwaarden waaronder recidive in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de geldboeten.

Beoordeling door het Gerecht

In de zaken T‑655/19, T‑656/19, T‑657/19 en T‑667/19 verwerpt het Gerecht het middel inzake onregelmatigheden bij de organisatie van de nieuwe hoorzitting door de Commissie.

Het Gerecht herinnert eraan dat de nietigverklaring van een handeling die een einde maakt aan een administratieve procedure, niet van invloed is op alle fasen die aan de vaststelling ervan zijn voorafgegaan, maar alleen op die waarop de redenen voor de nietigverklaring betrekking hebben, en bevestigt in casu dat de Commissie de procedure vanaf de fase van de hoorzitting mocht hervatten.

In dit verband verwerpt het Gerecht in de eerste plaats verzoeksters’ argument dat de onpartijdigheid van de vertegenwoordigers van de mededingingsautoriteiten van de lidstaten in het adviescomité tijdens de nieuwe hoorzitting niet was gewaarborgd, aangezien deze vertegenwoordigers op de hoogte waren van de eerste en de tweede beschikking van de Commissie en van het standpunt van het Gerecht in de arresten van 9 december 2014.

Dienaangaande herinnert het Gerecht eraan dat een handeling, wanneer zij nietig wordt verklaard, uit de rechtsorde verdwijnt en wordt geacht nooit te hebben bestaan. Evenzo verdwijnen de arresten van het Gerecht met terugwerkende kracht uit de rechtsorde wanneer zij in hogere voorziening worden vernietigd. Bijgevolg waren zowel de beschikkingen van de Commissie als de arresten van 9 december 2014 met terugwerkende kracht uit de rechtsorde van de Unie verdwenen op het ogenblik dat het adviescomité zijn advies uitbracht. Aangezien de kennis van de door het Hof in zijn arrest tot nietigverklaring gekozen oplossing inherent is aan de verplichting om de consequenties uit dat arrest te trekken, kan daaruit niet worden afgeleid dat de betrokken mededingingsautoriteiten niet onpartijdig zouden zijn.

In de tweede plaats verwerpt het Gerecht de grief volgens welke de Commissie, door verscheidene entiteiten die een belangrijke rol hebben gespeeld in het kader van het onderzoek van het dossier, niet voor de hoorzitting uit te nodigen, verzoeksters’ rechten van verdediging heeft geschonden.

Wat meer in het bijzonder de afwezigheid betreft van de entiteiten die in een eerder stadium van de procedure niet waren opgekomen tegen de eerste of de tweede tot hen gerichte beslissing ( 9 ), is het Gerecht van oordeel dat de Commissie geen fout heeft begaan door deze entiteiten van de nieuwe hoorzitting uit te sluiten, daar de betrokken beslissing jegens hen definitief is geworden. Wat de afwezigheid betreft van een derde entiteit waarvan het recht om deel te nemen aan de administratieve procedure in 2002 was erkend, is het Gerecht van oordeel dat de Commissie terecht heeft vastgesteld dat, aangezien deze entiteit aan de eerste hoorzitting had deelgenomen, maar niet was verschenen op de tweede hoorzitting die naar aanleiding van de vaststelling van de eerste beschikking was georganiseerd, zij geen belang meer had bij een nieuwe deelname.

In de derde plaats verwerpt het Gerecht het argument dat de wijzigingen die als gevolg van de verstreken tijd hadden plaatsgevonden wat de identiteit van de marktdeelnemers en de structuur van de markt betrof, in de weg stonden aan het organiseren van een nieuwe hoorzitting onder dezelfde voorwaarden als die welke in 2002 golden. Volgens het Gerecht had de Commissie een juiste beoordeling gemaakt door, gelet op de omstandigheden ten tijde van de hervatting van de procedure, te concluderen dat voortzetting van de procedure nog een geschikte oplossing was.

De middelen inzake schending van het beginsel van de redelijke termijn, worden afgewezen. Verzoeksters verweten de Commissie dat zij niet had onderzocht of de vaststelling van het bestreden besluit nog verenigbaar was met het beginsel van de redelijke termijn. Verder kwamen zij op tegen de duur van de procedure die tot de vaststelling van dit besluit had geleid.

In dit verband stelt het Gerecht, ten eerste, vast dat de Commissie, alvorens het bestreden besluit vast te stellen, de duur van de administratieve procedure had geanalyseerd, alsmede de redenen die de duur van deze procedure konden verklaren en de consequenties die daaruit konden worden getrokken. Op die wijze had zij voldaan aan haar verplichting om bij haar beoordeling of het opportuun was om op grond van de mededingingsregels vervolging in te stellen en een besluit vast te stellen, rekening te houden met de uit het beginsel van de redelijke termijn voortvloeiende vereisten.

Wat de duur van de procedure betreft, merkt het Gerecht, ten tweede, op dat overschrijding van de redelijke termijn slechts tot nietigverklaring van een besluit kan leiden onder de dubbele voorwaarde dat de procedure onredelijk lang heeft geduurd en dat deze overschrijding van de redelijke termijn de uitoefening van de rechten van de verdediging heeft belemmerd.

Gelet op het belang van het geding voor de betrokkenen, de complexiteit van de zaak, het gedrag van de verzoekende partijen en dit van de bevoegde autoriteiten, was de duur van de administratieve fasen van de procedure in casu niet onredelijk lang. Bovendien was de totale duur van de procedure deels te wijten aan de onderbrekingen als gevolg van de rechterlijke toetsing, die te wijten waren aan het aantal beroepen dat bij de Unierechter was ingesteld met betrekking tot verschillende aspecten van de zaak. Aangezien verzoeksters bovendien tijdens de gehele procedure ten minste zeven keer de gelegenheid hadden gehad om hun standpunt kenbaar te maken en hun argumenten naar voren te brengen, waren hun rechten van verdediging niet geschonden.

Volgens het Gerecht had de Commissie ook voldaan aan haar motiveringsplicht met betrekking tot de inaanmerkingneming van de duur van de procedure. Zij had juist gemotiveerd dat een nieuw besluit moest worden vastgesteld waarbij het bestaan van de inbreuk werd vastgesteld en de betrokken ondernemingen een geldboete werd opgelegd teneinde te voldoen aan de doelstelling om deze ondernemingen niet ongestraft te laten en hen ervan te weerhouden om in de toekomst soortgelijke inbreuken te plegen.

In de zaken T‑657/19 en T‑667/19 wijst het Gerecht ook de middelen af die zijn ontleend aan schending van het ne-bis-in-idembeginsel, alsmede de middelen waarmee de wettigheid wordt betwist van de in artikel 25, leden 3 tot en met 6, van verordening nr. 1/2003 neergelegde regeling inzake stuiting en schorsing van de verjaring.

Ter herinnering, het ne-bis-in-idembeginsel verbiedt dat een onderneming opnieuw wordt veroordeeld of vervolgd wegens een mededingingsverstorende gedraging waarvoor zij is bestraft of niet-aansprakelijk is verklaard bij een eerdere beslissing waartegen geen beroep meer openstaat. Wanneer daarentegen een eerste besluit op formele gronden nietig is verklaard zonder dat ten gronde uitspraak is gedaan over de ten laste gelegde feiten, staat dit beginsel er niet aan in de weg dat de vervolging met betrekking tot dezelfde mededingingsverstorende gedraging wordt hervat, daar de bij het nieuwe besluit opgelegde sancties immers niet bovenop de bij het nietig verklaarde besluit opgelegde sancties komen, maar deze vervangen.

Dienaangaande merkt het Gerecht op dat zowel de eerste als de tweede beschikking nietig was verklaard zonder dat een definitief standpunt ten gronde was ingenomen. Bovendien heeft het Gerecht in zijn arresten van 9 december 2014 weliswaar uitspraak gedaan over de door verzoeksters aangevoerde middelen ten gronde, maar die arresten zijn door het Hof in hun geheel vernietigd. Bovendien waren de bij het bestreden besluit opgelegde sancties in de plaats gekomen van de bij de tweede beschikking opgelegde sancties, die op hun beurt de bij de eerste beschikking opgelegde sancties hadden vervangen. Het Gerecht concludeert daaruit dat de Commissie met de vaststelling van het bestreden besluit het ne-bis-in-idembeginsel niet heeft geschonden.

Met hun exceptie van onwettigheid van de regeling inzake stuiting en schorsing van de toepasselijke verjaring kwamen verzoeksters tevens op tegen het ontbreken van een door de Uniewetgever vastgestelde absolute maximumtermijn na afloop waarvan vervolging door de Commissie zou zijn uitgesloten, ongeacht eventuele schorsingen of stuitingen van de aanvankelijke verjaringstermijn.

Volgens artikel 25 van verordening nr. 1/2003 wordt de verjaringstermijn van vijf jaar voor de oplegging van geldboeten of dwangsommen geschorst tijdens de beroepsprocedures die bij het Hof worden ingeleid tegen de besluit van de Commissie. In dat geval wordt deze termijn verlengd met de periode van schorsing. Volgens het Gerecht is dit systeem het resultaat van het streven van de Uniewetgever om twee verschillende doelstellingen te verzoenen, namelijk enerzijds de noodzaak om de rechtszekerheid te waarborgen en anderzijds het vereiste om de naleving van het recht te verzekeren door inbreuken op het recht van de Unie te vervolgen, vast te stellen en te bestraffen. Met deze afweging heeft de Uniewetgever de hem in dit verband toekomende beoordelingsmarge niet overschreden.

Het Gerecht merkt op dat de verjaringstermijn weliswaar wordt geschorst wanneer bij de Unierechter beroep wordt ingesteld, maar dat dit vereist dat de ondernemingen zelf bepaalde stappen zetten. Derhalve kan de Uniewetgever niet worden verweten dat, na de instelling van meerdere beroepen door de betrokken ondernemingen, het besluit aan het einde van de procedure pas na een bepaalde termijn wordt vastgesteld. Bovendien kunnen justitiabelen die zich over een onredelijk lange procedure beklagen, tegen deze duur opkomen door nietigverklaring van het na afloop van deze procedure vastgestelde besluit te vorderen, mits de overschrijding van de redelijke termijn de uitoefening van de rechten van de verdediging heeft belemmerd. Wanneer deze overschrijding niet tot een schending van dergelijke rechten leidt, kunnen justitiabelen bij de Unierechter een beroep tot schadevergoeding instellen.

In de zaken T‑657/19 en T‑667/19 is het Gerecht, in het kader van de uitoefening van zijn volledige rechtsmacht, van oordeel dat bij de vaststelling van het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboeten rekening moet worden gehouden met de verminderde afschrikkende werking ervan wegens de periode van bijna twintig jaar die is verstreken tussen het einde van de inbreuk en de vaststelling van het bestreden besluit, waardoor deze rechterlijke instantie, door substitutie van motieven, de noodzaak bevestigt om deze verzoeksters een geldboete op te leggen. Het Gerecht is in dit verband van oordeel dat de door de Commissie toegekende vermindering van dit bedrag met 50 % daartoe geschikt is.

Ten slotte heeft het Gerecht in zaak T‑667/19 het middel van Ferriere Nord SpA verworpen dat was ontleend aan de onrechtmatigheid van de verhoging, wegens recidive, van het bedrag van de opgelegde geldboete.

Wat de eerbiediging van de rechten van de verdediging van Ferriere Nord SpA betreft, merkt het Gerecht op dat, wanneer de Commissie voornemens is een rechtspersoon een inbreuk op het mededingingsrecht ten laste te leggen en in dat verband recidive als verzwarende omstandigheid ten laste van deze rechtspersoon wil leggen, de aan deze rechtspersoon toegezonden mededeling van punten van bezwaar alle gegevens moet bevatten die hem in staat stellen zich te verdedigen, met name die welke kunnen rechtvaardigen dat aan de voorwaarden voor recidive is voldaan.

Na onderzoek van alle omstandigheden van de zaak is het Gerecht van oordeel dat het voornemen van de Commissie om de eerder tot Ferriere Nord SpA gerichte sanctiebeschikking met het oog op de vaststelling van recidive in aanmerking te nemen, voldoende voorzienbaar was. Deze onderneming heeft overigens de gelegenheid gehad haar opmerkingen hierover in te dienen tijdens de procedure die tot de vaststelling van het bestreden besluit heeft geleid.

Wat betreft de grieven inzake de tijd die is verstreken tussen de twee inbreuken die als recidive in aanmerking zijn genomen, verduidelijkt het Gerecht dat verjaringstermijnen weliswaar niet in de weg staan aan de vaststelling van recidive, maar dat de Commissie, met het oog op de inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, geen rekening mag houden met eerdere besluiten waarbij een onderneming zonder beperking in de tijd is gestraft. Gelet op de korte periode die tussen de twee betrokken inbreuken is verstreken, namelijk drie jaar en acht maanden, heeft de Commissie zich evenwel terecht op het standpunt gesteld dat, gezien de neiging van Ferriere Nord SpA om de mededingingsregels te schenden, een verhoging van het basisbedrag van de geldboete wegens recidive gerechtvaardigd was, ondanks het feit dat het onderzoek enige tijd heeft geduurd.

Gelet op het voorgaande worden verzoeksters’ beroepen in hun geheel verworpen.


( 1 ) Beschikking C(2002) 5087 definitief van 17 december 2002 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (COMP/37.956 – Betonstaal).

( 2 ) Arresten van 25 oktober 2007, SP e.a./Commissie (T‑27/03, T‑46/03, T‑58/03, T‑79/03, T‑80/03, T‑97/03 en T‑98/03, EU:T:2007:317); 25 oktober 2007, Ferriere Nord/Commissie (T‑94/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:320); 25 oktober 2007, Feralpi Siderurgica/Commissie (T‑77/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:319), en 25 oktober 2007, Riva Acciaio/Commissie (T‑45/03, niet gepubliceerd, EU:T:2007:318).

( 3 ) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen [101 en 102 VWEU] (PB 2003, L 1, blz. 1).

( 4 ) Beschikking C(2009) 7492 definitief van 30 september 2009 inzake een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (COMP/37.956 – Betonstaal, nieuwe beschikking), zoals gewijzigd bij besluit van de Commissie van 8 december 2009.

( 5 ) Arresten van 9 december 2014, Ferriera Valsabbia en Valsabbia Investimenti/Commissie (T‑92/10, niet gepubliceerd,EU:T:2014:1032); 9 december 2014, Alfa Acciai/Commissie (T‑85/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1037); 9 december 2014, Feralpi/Commissie (T‑70/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1031); 9 december 2014, Ferriere Nord/Commissie (T‑90/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1035); 9 december 2014, Riva Fire/Commissie (T‑83/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1034); 9 december 2014, Lucchini/Commissie (T‑91/10, EU:T:2014:1033); 9 december 2014, SP/Commissie (T‑472/09 en T‑55/10, EU:T:2014:1040); 9 december 2014, IRO/Commissie (T‑69/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1030), en 9 december 2014, Leali en Acciaierie e Ferriere Leali Luigi/Commissie (T‑489/09, T‑490/09 en T‑56/10, niet gepubliceerd, EU:T:2014:1039).

( 6 ) Arresten van 21 september 2017, Ferriera Valsabbia e.a./Commissie (C‑86/15 P en C‑87/15 P, EU:C:2017:717); 21 september 2017, Feralpi/Commissie (C‑85/15 P, EU:C:2017:709); 21 september 2017, Ferriere Nord/Commissie (C‑88/15 P, EU:C:2017:716), en 21 september 2017, Riva Fire/Commissie (C‑89/15 P, EU:C:2017:713).

( 7 ) Besluit C(2019) 4969 final van 4 juli 2019 in een procedure op grond van artikel 65 van het EGKS-Verdrag (AT.37956 – Betonstaal).

( 8 ) De aan Ferriera Valsabbia SpA en Valsabbia Investimenti SpA opgelegde geldboete bedraagt 5,125 miljoen EUR, de aan Alfa Acciai SpA opgelegde geldboete 3,587 miljoen EUR, de aan Feralpi Holdings SpA opgelegde geldboete 5,125 miljoen EUR en de aan Ferriere Nord SpA opgelegde geldboete 2,237 miljoen EUR.

( 9 ) Een van deze entiteiten had tegen de eerste beschikking geen beroep tot nietigverklaring ingesteld. Drie andere entiteiten, die tegen deze eerste beschikking waren opgekomen, waren adressaten van de tweede beschikking, die zij voor het Gerecht hebben aangevochten. Zij hebben daarentegen geen hogere voorziening ingesteld tegen de hen betreffende arresten van 9 december 2014.