ARREST VAN HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid)
22 januari 2025 ( *1 )
„Economische en monetaire unie – Bankenunie – Gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme voor kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen (GAM) – Gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) – Besluit van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) betreffende de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2019 – Artikelen 12 en 14 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 – Begrip ‚statuswijziging’ – Institutioneel protectiestelsel – Exceptie van onwettigheid”
In zaak T‑498/19,
Banco Cooperativo Español, SA, gevestigd te Madrid (Spanje), vertegenwoordigd door D. Sarmiento Ramírez-Escudero en J. Beltrán de Lubiano Sáez de Urabain, advocaten,
verzoekster,
tegen
Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR), vertegenwoordigd door M. Rius Riu en C. De Falco als gemachtigden, bijgestaan door B. Meyring, F. B. Fernández de Trocóniz Robles, T. Klupsch en S. Ianc, advocaten,
verweerder,
ondersteund door
Europese Commissie, vertegenwoordigd door A. Steiblytė, P. Němečková en D. Triantafyllou als gemachtigden,
interveniënte,
wijst
HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid),
samengesteld als volgt: A. Kornezov, president, E. Buttigieg, G. Hesse, D. Petrlík (rapporteur) en L. Spangsberg Grønfeldt, rechters,
griffier: S. Jund, administrateur,
gezien de stukken,
na de terechtzitting op 9 juli 2024,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Met haar beroep krachtens artikel 263 VWEU vordert verzoekster, Banco Cooperativo Español, SA, om besluit SRB/ES/2022/47 van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (GAR) van 8 augustus 2022 tot intrekking van besluit SRB/ES/SRF/2019/10 van de GAR van 16 april 2019 betreffende de aan het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (GAF) vooraf te betalen bijdragen voor 2019, voor zover dit besluit betrekking heeft op de in bijlage I bij dat besluit vermelde instellingen, en tot berekening van door die instellingen aan het GAF vooraf te betalen bijdragen voor 2019 (hierna: „bestreden besluit”) nietig te verklaren voor zover dit besluit op haar betrekking heeft. |
Voorgeschiedenis van het geding en feiten die zich na de instelling van het beroep hebben voorgedaan
|
2 |
Verzoekster is een in Spanje gevestigde kredietinstelling. Zij is lid van het institutioneel protectiestelsel (hierna: „IPS”) van de Banco Cooperativo SPI dat in maart 2018 door de Banco de España (Spaanse centrale bank) is goedgekeurd overeenkomstig artikel 113, lid 7, van verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van verordening (EU) nr. 648/2012 (PB 2013, L 176, blz. 1). |
|
3 |
Bij besluit SRB/ES/SRF/2019/10 van 16 april 2019 betreffende de aan het GAF vooraf te betalen bijdragen voor 2019 (hierna: „oorspronkelijk besluit”) heeft de GAR, overeenkomstig artikel 70, lid 2, van verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB 2014, L 225, blz. 1), de aan het GAF vooraf te betalen bijdragen (hierna: „vooraf te betalen bijdragen”) voor 2019 (hierna: „bijdrageperiode 2019”) vastgesteld voor de onder artikel 2 juncto artikel 67, lid 4, van die verordening vallende instellingen (hierna: „instellingen”), waaronder verzoekster. |
|
4 |
Bij bijdragekennisgeving van 29 april 2019 heeft de Fondo de Reestructuración Ordenada Bancaria (FROB, fonds voor ordelijke herstructurering van bankinstellingen, Spanje), in zijn hoedanigheid van nationale afwikkelingsautoriteit in de zin van artikel 3, lid 1, punt 3, van verordening nr. 806/2014, verzoekster gelast om het door de GAR vastgestelde bedrag van haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019 te voldoen. |
|
5 |
Op 8 augustus 2022 heeft de GAR het bestreden besluit vastgesteld, waarbij hij het oorspronkelijke besluit heeft ingetrokken en vervangen. Volgens de overwegingen 15 tot en met 18 van het bestreden besluit beoogde dit besluit tegemoet te komen aan de ontoereikende motivering van het oorspronkelijke besluit die de GAR had vastgesteld naar aanleiding van het arrest van 15 juli 2021, Commissie/Landesbank Baden-Württemberg en GAR (C‑584/20 P en C‑621/20 P,EU:C:2021:601), en de beschikkingen van 3 maart 2022, GAR/Portigon en Commissie (C‑664/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:161), en 3 maart 2022, GAR/Hypo Vorarlberg Bank (C‑663/20 P, niet gepubliceerd, EU:C:2022:162). |
|
6 |
Op 19 september 2022 is verzoekster in kennis gesteld van het bestreden besluit. |
|
7 |
Verzoekster en de GAR zijn het oneens over de elementen die in aanmerking moeten worden genomen voor de berekening van verzoeksters vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019. Verzoekster meent met name dat de GAR rekening had moeten houden met haar deelname aan een IPS in 2018, hetgeen hij niet heeft gedaan. |
Bestreden besluit
|
8 |
Het bestreden besluit omvat een kerntekst met, wat verzoekster betreft, vier bijlagen. |
|
9 |
De kerntekst van het bestreden besluit bevat een omschrijving van de voor alle instellingen geldende procedure voor de vaststelling van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2019. |
|
10 |
Meer in het bijzonder heeft de GAR in afdeling 6 van dat besluit het jaarlijkse streefbedrag als bedoeld in artikel 4 van uitvoeringsverordening (EU) 2015/81 van de Raad van 19 december 2014 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de toepassing van verordening (EU) nr. 806/2014 wat vooraf te betalen bijdragen aan het [GAF] betreft (PB 2015, L 15, blz. 1) vastgesteld voor bijdrageperiode 2019 (hierna: „jaarlijks streefbedrag”). |
|
11 |
Bovendien heeft de GAR uiteengezet dat hij het jaarlijkse streefbedrag had vastgesteld op een achtste van 1,15 % van het bedrag aan gedekte deposito’s van alle instellingen in 2018, zoals verkregen uit de gegevens die de depositogarantiestelsels hadden verstrekt overeenkomstig artikel 16 van gedelegeerde verordening (EU) 2015/63 van de Commissie van 21 oktober 2014 tot aanvulling van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van wat de vooraf te betalen bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen betreft (PB 2015, L 11, blz. 44). |
|
12 |
In afdeling 7 van het bestreden besluit heeft de GAR de methode voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2019 beschreven. |
|
13 |
In diezelfde afdeling van het bestreden besluit heeft de GAR ook uiteengezet dat andere instellingen dan die welke op grond van hun bijzondere kenmerken een forfaitaire bijdrage betalen, een aan hun risicoprofiel aangepaste vooraf te betalen bijdrage moesten voldoen die hij had vastgesteld volgens een proces dat bestaat uit de volgende hoofdfasen. |
|
14 |
In de eerste fase heeft de GAR overeenkomstig artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder a), van verordening nr. 806/2014 de jaarlijkse basisbijdrage van elke instelling berekend. Deze bijdrage wordt gebaseerd op de verhouding tussen het bedrag van de passiva van de betrokken instelling exclusief eigen vermogen en gedekte deposito’s (hierna: „nettopassief”) en het nettopassief van alle instellingen waaraan op het grondgebied van alle lidstaten die deelnemen aan het gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme (GAM), vergunning is verleend. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft de GAR bepaalde soorten passiva afgetrokken van het voor de vaststelling van die bijdrage in aanmerking te nemen nettopassief van de instelling. |
|
15 |
In de tweede fase van de berekening van de vooraf te betalen bijdrage heeft de GAR de jaarlijkse basisbijdrage overeenkomstig artikel 70, lid 2, tweede alinea, onder b), van verordening nr. 806/2014 aangepast aan het risicoprofiel van de betrokken instelling. |
|
16 |
In een laatste fase heeft de GAR de vooraf te betalen bijdrage van elke instelling berekend door het jaarlijkse streefbedrag over alle instellingen te verdelen op basis van de verhouding gebaseerd op de jaarlijkse basisbijdrage aangepast voor het risicoprofiel. |
Conclusies van partijen
|
17 |
Volgens de laatste versie van haar memories verzoekt verzoekster het Gerecht in essentie:
|
|
18 |
De GAR verzoekt het Gerecht:
|
|
19 |
De Europese Commissie verzoekt het Gerecht:
|
In rechte
|
20 |
In het inleidend verzoekschrift voert verzoekster twee middelen aan. Het eerste middel is gebaseerd op schending van de artikelen 12 en 14 van gedelegeerde verordening 2015/63 doordat de GAR bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019 geen rekening heeft gehouden met haar deelname aan een IPS. Het tweede, subsidiair aangevoerde middel betreft exceptie van onwettigheid van de artikelen 12 en 14 van gedelegeerde verordening 2015/63 wegens schending van artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB 2014, L 173, blz. 190). |
|
21 |
In de memorie houdende aanpassing van het verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 20 september 2022 krachtens artikel 86 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, verklaart verzoekster dat zij de in haar inleidend verzoekschrift geformuleerde argumenten volledig handhaaft met dien verstande dat haar conclusies, na de intrekking en de vervanging van het oorspronkelijke besluit door het bestreden besluit, moeten worden geacht te verwijzen naar het bestreden besluit. |
|
22 |
Eerst moet het tweede middel worden onderzocht, waarmee verzoekster de onwettigheid van de artikelen 12 en 14 van gedelegeerde verordening 2015/63 aanvoert, en vervolgens het eerste middel, dat betrekking heeft op de rechtmatigheid van het bestreden besluit. |
Tweede middel: exceptie van onwettigheid van de artikelen 12 en 14 van gedelegeerde verordening 2015/63
Ontvankelijkheid
|
23 |
De GAR betoogt dat het tweede middel niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan nauwkeurigheid, aangezien verzoekster niet heeft gepreciseerd welke bepalingen van de artikelen 12 en 14 van gedelegeerde verordening 2015/63 wegens schending van artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59 buiten toepassing moeten worden verklaard. Bovendien is artikel 12 van die gedelegeerde verordening niet van toepassing, zodat de wettigheid van dat artikel hier niet relevant is. |
|
24 |
Volgens verzoekster is het tweede middel ontvankelijk. |
|
25 |
Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat, opdat een beroep ontvankelijk is, de essentiële feitelijke en juridische gronden van het beroep – althans summier, maar coherent en begrijpelijk – moeten blijken uit het verzoekschrift zelf, zulks teneinde de rechtszekerheid en een goede rechtsbedeling te waarborgen. Nog steeds volgens de rechtspraak moet ieder middel dat in het inleidend verzoekschrift onvoldoende is uiteengezet, als niet-ontvankelijk worden aangemerkt (zie arrest van 7 juli 2021, Bateni/Raad, T‑455/17, EU:T:2021:411, punt 135 en aldaar aangehaalde rechtspraak; zie in die zin ook arrest van 30 juni 2021, Italië/Commissie, T‑265/19, niet gepubliceerd, EU:T:2021:392, punt 33 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
26 |
Wat de door de GAR aangevoerde onduidelijkheid van het tweede middel betreft, moet worden opgemerkt dat verzoekster er in het verzoekschrift op wijst dat zij de exceptie van onwettigheid van de artikelen 12 en 14 van gedelegeerde verordening 2015/63 slechts opwerpt voor het geval dat het Gerecht die artikelen in het kader van het onderzoek van het eerste middel aldus uitlegt dat bij de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019 geen rekening kan worden gehouden met haar deelname aan een IPS in 2018. |
|
27 |
Met het eerste middel betoogt verzoekster ten eerste dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moet worden uitgelegd dat met haar deelname aan een IPS in 2018 rekening kan worden gehouden bij de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019. Ten tweede voert zij aan dat de referentiedatum voor het verstrekken van informatie voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor bijdrageperiode 2019, die bij artikel 14, lid 1, van die gedelegeerde verordening is vastgesteld op 31 december 2017, de GAR niet belet om voor die periode rekening te houden met haar deelname aan een IPS in 2018. |
|
28 |
Uit een algemene lezing van het verzoekschrift blijkt derhalve dat verzoekster de exceptie van onwettigheid heeft opgeworpen tegen artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63. Ter terechtzitting heeft verzoekster trouwens ook bevestigd dat zij met het tweede middel de wettigheid van die bepalingen wilde aanvechten. |
|
29 |
Wat het tweede argument van de GAR betreft dat de wettigheid van artikel 12 van gedelegeerde verordening 2015/63 in casu niet relevant is, is het vaste rechtspraak dat een exceptie van onwettigheid die krachtens artikel 277 VWEU incidenteel wordt opgeworpen naar aanleiding van de primaire betwisting van de wettigheid van een andere handeling slechts ontvankelijk is indien er een samenhang is tussen deze handeling en de regel waarvan onwettigheid wordt aangevoerd (arresten van 30 april 2019, Wattiau/Parlement, T‑737/17, EU:T:2019:273, punt 56, en 16 juni 2021, Krajowa Izba Gospodarcza Chłodnictwa i Klimatyzacji/Commissie, T‑126/19, EU:T:2021:360, punt 33). |
|
30 |
Artikel 277 VWEU moet evenwel een ruime uitlegging krijgen, zodat een doelmatige wettigheidscontrole van handelingen van de instellingen van algemene strekking is verzekerd ten gunste van personen die geen rechtstreeks beroep tegen die handelingen kunnen instellen. De werkingssfeer van artikel 277 VWEU moet zich dus uitstrekken tot handelingen van de instellingen die relevant zijn geweest voor de vaststelling van het besluit waartegen beroep tot nietigverklaring is ingesteld, in die zin dat het betrokken besluit wezenlijk op die handelingen berust, ook al hebben die handelingen formeel niet als rechtsgrondslag voor dat besluit gediend. Bovendien mogen de regels van een en hetzelfde stelsel niet kunstmatig worden gesplitst voor het onderzoek van een exceptie van onwettigheid (zie arrest van 16 juni 2021, Krajowa Izba Gospodarcza Chłodnictwa i Klimatyzacji/Commissie, T‑126/19, EU:T:2021:360, punt 34 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
31 |
In casu voert verzoekster aan dat de GAR op grond van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 bij de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019 rekening had moeten houden met haar deelname aan een IPS in 2018, hetgeen de GAR op grond van diezelfde bepaling heeft geweigerd, aangezien hij deze anders heeft uitgelegd. |
|
32 |
Met haar exceptie van onwettigheid betoogt verzoekster dat indien de door de GAR in het bestreden besluit aan artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 gegeven uitlegging juist zou zijn, deze bepaling dan onwettig zou zijn wegens schending van artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59, aangezien de Commissie zich er op grond van die bepalingen bij de vaststelling van die gedelegeerde verordening van moet vergewissen dat de jaarlijkse basisbijdragen op passende wijze zijn aangepast aan het risicoprofiel van de instellingen en dat bij die aanpassing rekening wordt gehouden met het feit dat een instelling deel uitmaakt van een IPS. |
|
33 |
In die omstandigheden moet worden vastgesteld dat er samenhang is tussen het bestreden besluit en artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63. |
|
34 |
Dit geldt temeer daar het in punt 29 hierboven uiteengezette argument van de GAR, mocht dat worden onderschreven, erop zou neerkomen dat de regels van het bij gedelegeerde verordening 2015/63 ingevoerde stelsel voor de berekening van vooraf te betalen bijdragen kunstmatig worden gesplitst en dat artikel 277 VWEU zijn nuttige werking wordt ontnomen. |
|
35 |
Bijgevolg moeten de door de GAR tegen het tweede middel opgeworpen middelen van niet-ontvankelijkheid worden afgewezen. |
Ten gronde
|
36 |
Met haar tweede middel betoogt verzoekster dat indien artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moeten worden uitgelegd dat bij de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019 geen rekening kan worden gehouden met haar deelname aan een IPS in 2018, die bepalingen dan in strijd zijn met artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59. |
|
37 |
Aangezien verzoekster de onderhavige exceptie van onwettigheid enkel heeft opgeworpen voor de in punt 36 hierboven genoemde hypothese, moet allereerst worden onderzocht of de GAR op grond van artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van een instelling voor bijdrageperiode 2019 rekening mag houden met haar deelname aan een IPS in 2018. Indien dit niet het geval is, moet vervolgens worden nagegaan of die bepalingen stroken met artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59. |
– Draagwijdte van artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63
|
38 |
Artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 bepaalt dat „[e]en statuswijziging van een instelling, met inbegrip van een kleine instelling, in de loop van de bijdrageperiode [...] geen effect [heeft] op de jaarlijkse bijdrage die in dat specifieke jaar moet worden betaald”. |
|
39 |
Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 verstrekken „[d]e instellingen [...] de afwikkelingsautoriteit de laatste goedgekeurde jaarrekening die uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode beschikbaar was, samen met het [...] oordeel van de wettelijke auditor of het wettelijke auditkantoor”. |
|
40 |
Verzoekster betoogt dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moet worden uitgelegd dat de deelname van een instelling aan een IPS een statuswijziging in de zin van die bepaling vormt en dat met een dergelijke wijziging rekening moet worden gehouden tijdens de bijdrageperiode volgend op die waarin die wijziging heeft plaatsgevonden, te weten de periode waarin die instelling tot het IPS is toegetreden. Aangezien verzoekster in 2018 deel is gaan uitmaken van een IPS, had de GAR dan ook met die omstandigheid rekening moeten houden bij de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019. |
|
41 |
Bovendien belet artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63, anders dan de GAR stelt, hem niet om bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van een instelling voor bijdrageperiode 2019 rekening te houden met haar deelname aan een IPS in 2018, ook al was die deelname op 31 december 2017 nog niet effectief. Die bepaling kan hoe dan ook niet worden aangewend om niet te hoeven voldoen aan het vereiste van artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59 dat de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen worden aangepast, in het bijzonder wat hun deelname aan een IPS betreft. |
|
42 |
De GAR en de Commissie betwisten dit betoog. |
|
43 |
Artikel 4, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 bepaalt dat de GAR de vooraf te betalen bijdrage van elke instelling berekent op basis van de informatie die de instelling overeenkomstig artikel 14 van die verordening heeft verstrekt. |
|
44 |
Allereerst bepaalt artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 dat de instellingen de GAR de laatste goedgekeurde jaarrekening moeten verstrekken die uiterlijk op 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode (hierna: „jaar N‑1”) beschikbaar was. Die jaarrekening moet vergezeld gaan van het oordeel van de wettelijke auditor of het wettelijke auditkantoor. |
|
45 |
Vastgesteld moet worden dat, gezien de tijd die nodig is om een dergelijke jaarrekening af te ronden, de informatie op basis waarvan de GAR de vooraf te betalen bijdrage van elke instelling berekent, in de regel betrekking heeft op het voorlaatste jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode of, in uitzonderlijke omstandigheden, op een boekjaar dat begon tijdens dat voorlaatste jaar en eindigde in jaar N‑1 (hierna voor beide perioden: „referentiejaar N‑2”). |
|
46 |
Vervolgens blijkt uit artikel 14, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 dat de instellingen de GAR ten minste de in bijlage II bij die gedelegeerde verordening bedoelde informatie moeten verschaffen, waaronder de passiva die zijn gecreëerd door een instelling die lid is van een IPS, die op grond van artikel 5, lid 1, onder b), van die gedelegeerde verordening buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de vooraf te betalen bijdragen. |
|
47 |
Ten slotte bepaalt artikel 14, lid 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 dat de in bijlage II bij die verordening bedoelde informatie, die is opgenomen in de toezichtrapportagevereisten, aan de GAR wordt verstrekt zoals zij door de betrokken instelling is gerapporteerd in haar laatste bij de bevoegde autoriteit ingediende relevante toezichtverslag dat betrekking heeft op het referentiejaar van de in artikel 14, lid 1, van die gedelegeerde verordening bedoelde jaarrekening. |
|
48 |
Uit artikel 4, lid 1, juncto artikel 14, leden 1 tot en met 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 volgt dus dat de GAR de vooraf te betalen bijdragen moet bepalen op basis van de informatie over de laatste goedgekeurde en gecertificeerde jaarrekening (hierna: „jaarrekening”) die op 31 december van jaar N‑1 beschikbaar is (zie in die zin arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punt 42), met dien verstande dat deze informatie dus betrekking heeft op de jaarrekening betreffende referentiejaar N‑2. |
|
49 |
In dat verband moet erop worden gewezen dat voor de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van een instelling de informatie over haar deelname aan een IPS nauw verband houdt met andere informatie in haar jaarrekening. Wanneer de GAR bijvoorbeeld de IPS-risico-indicator als bedoeld in artikel 6, lid 5, onder b), van gedelegeerde verordening 2015/63 toepast, moet hij immers – overeenkomstig artikel 7, lid 4, tweede alinea, van die gedelegeerde verordening – onder meer rekening houden met het relatieve gewicht van risico-indicator „handelsactiviteiten [en] blootstellingen buiten de balanstelling, derivaten, complexiteit en afwikkelbaarheid” van artikel 6, lid 5, onder a), van die gedelegeerde verordening. Zoals de GAR heeft aangevoerd zonder door verzoekster te zijn tegengesproken, is de informatie met betrekking tot laatstgenoemde risico-indicator in de regel terug te vinden in de jaarrekening van de betrokken instelling. |
|
50 |
Wanneer een dergelijke instelling in jaar N‑1 deel uitmaakt van een IPS, is dat dus na de afsluiting van de jaarrekening voor referentiejaar N‑2, die bepalend is voor de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van die instelling, zoals aangetoond in punt 45 hierboven. Derhalve kan die deelname aan een IPS niet worden beschouwd als informatie over die jaarrekening. In een dergelijk geval mag de GAR met die deelname geen rekening houden bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van die instelling voor de betrokken bijdrageperiode. |
|
51 |
Aan die vaststelling wordt niet afgedaan door verzoeksters argumenten. |
|
52 |
Ten eerste betoogt verzoekster dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 de GAR gebiedt om rekening te houden met het feit dat een instelling in de loop van jaar N‑1 deel uitmaakt van een IPS, aangezien een dergelijke deelname een statuswijziging in de zin van die bepaling vormt. |
|
53 |
Zonder dat hoeft te worden onderzocht of de deelname van een instelling aan een IPS een „statuswijziging” in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 vormt, volstaat de vaststelling dat die bepaling de GAR hoe dan ook niet verplicht om bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage voor de betrokken bijdrageperiode rekening te houden met een dergelijke wijziging die in de loop van jaar N‑1 heeft plaatsgevonden. |
|
54 |
Artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 bepaalt immers enkel dat een statuswijziging van een instelling in de loop van de bijdrageperiode „geen effect [heeft] op de [vooraf te betalen] bijdrage die in dat specifieke jaar moet worden betaald”. Die bepaling schrijft dus voor dat een statuswijziging niet in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage die verschuldigd is voor het jaar waarin die wijziging heeft plaatsgevonden, zonder evenwel te vereisen dat die wijziging noodzakelijkerwijs in aanmerking wordt genomen bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage die voor het volgende jaar verschuldigd is. |
|
55 |
In dat verband kan verzoekster om te beginnen niet stellen dat het gebruik van de woorden „dat specifieke jaar” impliceert dat het jaar waarin de statuswijziging heeft plaatsgevonden en het daaropvolgende jaar verschillend moeten worden behandeld. |
|
56 |
Het enkele feit dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 bepaalt dat de statuswijziging in de loop van de bijdrageperiode geen effect heeft op de vooraf te betalen bijdrage die voor diezelfde periode moet worden voldaan, betekent namelijk niet dat a contrario met die statuswijziging rekening moet worden gehouden voor de volgende periode. |
|
57 |
Gesteld al dat de deelname van een instelling aan een IPS een „statuswijziging” in de zin van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 vormt, volgt voorts uit artikel 4, lid 1, juncto artikel 14, leden 1 tot en met 3, van die gedelegeerde verordening dat, zoals in de punten 48 tot en met 50 hierboven is opgemerkt, met een dergelijke deelname rekening moet worden gehouden indien zij voortvloeit uit de informatie over de jaarrekening voor referentiejaar N‑2. |
|
58 |
Niets in de bewoordingen van artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 wijst erop dat die bepaling voorziet in een afwijking van die regel. |
|
59 |
Ofschoon artikel 14 van gedelegeerde verordening 2015/63, zoals verzoekster opmerkt, deel uitmaakt van afdeling 3 („Administratieve aspecten en sancties”), kan daaruit met name niet worden afgeleid dat de draagwijdte ervan moet worden beperkt tot de zuiver administratieve aspecten van het stelsel van vooraf te betalen bijdragen. Integendeel, aangezien artikel 4, lid 1, van die verordening uitdrukkelijk bepaalt dat de GAR de vooraf te betalen bijdragen berekent op basis van de informatie die de instellingen „overeenkomstig artikel 14 [van gedelegeerde verordening 2015/63]” hebben verstrekt, is die bepaling relevant voor de berekening van die bijdragen. |
|
60 |
Ten slotte kan het argument van verzoekster dat, indien artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 niet toestaat dat een statuswijziging in aanmerking wordt genomen in de bijdrageperiode volgend op die waarin die wijziging heeft plaatsgevonden, die bepaling overbodig zou worden, niet slagen. |
|
61 |
Dienaangaande volgt uit de rechtspraak dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 met name tot doel heeft elke onzekerheid over de draagwijdte van artikel 12, lid 1, van deze gedelegeerde verordening te voorkomen, aangezien deze laatste bepaling voorziet in een afwijking van het beginsel dat de vooraf te betalen bijdragen worden berekend op basis van de informatie die beschikbaar was op 31 december van jaar N‑1 (arrest van 29 september 2022, ABLV Bank/GAR,C‑202/21 P, EU:C:2022:734, punt 61). |
|
62 |
Artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 behoudt dus zijn doel doordat het in uitdrukkelijke bewoordingen het gevolg verduidelijkt dat reeds impliciet kon worden afgeleid uit artikel 14, lid 1, van die gedelegeerde verordening, namelijk dat een „statuswijziging” van een instelling geen effect kan hebben op de vooraf te betalen bijdrage voor dat specifieke jaar. |
|
63 |
Uit het voorgaande volgt dat artikel 12, lid 2, van gedelegeerde verordening 2015/63 de GAR niet verplicht om bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage rekening te houden met de deelname van een instelling aan een IPS in jaar N‑1. |
|
64 |
Ten tweede kan verzoekster niet stellen dat een dergelijke verplichting voortvloeit uit artikel 14, lid 5, van gedelegeerde verordening 2015/63, op grond waarvan „[i]ngeval de bij de afwikkelingsautoriteiten ingediende informatie of gegevens aan bijwerkingen of correcties onderhevig zijn, [...] die bijwerkingen of correcties onverwijld bij de afwikkelingsautoriteiten [worden] ingediend”. |
|
65 |
In dat verband moet worden gepreciseerd dat de in artikel 14, lid 5, van gedelegeerde verordening 2015/63 bedoelde bijwerkingen betrekking hebben op de informatie of de gegevens die de betrokken instelling krachtens artikel 14, lid 1, van die gedelegeerde verordening heeft verstrekt en die dus zien op referentiejaar N‑2. Niets in artikel 14, lid 5, van die gedelegeerde verordening wijst er dus op dat die bepaling tot doel heeft een instelling toe te staan aan de GAR informatie te verstrekken over een andere periode dan die waarop de in artikel 14, lid 1, van die gedelegeerde verordening bedoelde jaarrekening betrekking heeft, te weten referentiejaar N‑2. |
|
66 |
Ten derde kan verzoekster zich niet op artikel 17, lid 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 beroepen voor haar stelling dat de GAR rekening moet houden met informatie over jaar N‑1. |
|
67 |
Artikel 17, lid 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 bepaalt dat „[i]ngeval de door de instellingen bij de afwikkelingsautoriteit ingediende informatie aan aanpassingen of herzieningen onderhevig is, [...] de afwikkelingsautoriteit de [vooraf te betalen] bijdrage aan de geactualiseerde informatie [aanpast] bij de berekening van de [vooraf te betalen] bijdrage die de betrokken instelling voor de daaropvolgende bijdrageperiode verschuldigd is”. |
|
68 |
Zoals de GAR betoogt, volgt hieruit dat artikel 17, lid 3, van gedelegeerde verordening 2015/63 enkel bepaalt vanaf welk tijdstip de in die bepaling bedoelde aanpassingen of herzieningen effect sorteren, namelijk in de daaropvolgende bijdrageperiode. Daarentegen is die bepaling niet bedoeld om de referentiedatum te wijzigen voor de informatie die relevant is voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen, zoals vastgesteld in artikel 14, lid 1, van die gedelegeerde verordening. |
|
69 |
Ten vierde betoogt verzoekster dat de vooraf te betalen bijdragen moeten worden berekend op basis van een „momentopname” van de instellingen op 1 januari van elk boekjaar, waarbij zij zich baseert op de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona in de zaak State Street Bank International (C‑255/18, EU:C:2019:539, punt 71). Zij meent dat haar deelname aan het betrokken IPS derhalve in aanmerking moest worden genomen bij de berekening van haar vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019. |
|
70 |
Dienaangaande moet worden opgemerkt dat artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 weliswaar verwijst naar één enkele datum, namelijk 31 december van jaar N‑1, maar dat die verwijzing betrekking heeft op de beschikbaarheid van de jaarrekening die wordt gebruikt voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen. Bovendien moet de op die datum beschikbare jaarrekening naar behoren zijn goedgekeurd en gecertificeerd, hetgeen betekent dat die jaarrekening betrekking heeft op referentiejaar N‑2, zoals in punt 45 hierboven is opgemerkt. |
|
71 |
Daarnaast is het juist dat uit artikel 14, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 blijkt, zoals verzoekster betoogt, dat de informatie die de basis vormt voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen voor een bepaalde bijdrageperiode, uiterlijk op 31 januari van het jaar van de bijdrageperiode door de betrokken instelling kan worden verstrekt. Dat doet echter evenmin af aan de uit de punten 42 tot en met 50 hierboven voortvloeiende vaststelling dat die informatie betrekking moet hebben op de op 31 december van jaar N‑1 beschikbare jaarrekening en dus moet zien op referentiejaar N‑2. |
|
72 |
Ten vijfde geldt hetzelfde met betrekking tot verzoeksters argument dat de deelname van een instelling aan een IPS geen boekhoudkundig gegeven is dat kan fluctueren. De eventuele fluctuerende of statische aard van de in artikel 14, lid 4, van gedelegeerde verordening 2015/63 bedoelde informatie is immers niet relevant in het licht van de duidelijke bewoordingen van artikel 14, lid 1, van die gedelegeerde verordening, waaruit blijkt dat de informatie voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen betrekking moet hebben op de op 31 december van jaar N‑1 beschikbare jaarrekening en dus, zoals in punt 45 hierboven is opgemerkt, moet zien op referentiejaar N‑2. |
|
73 |
Gelet op het voorgaande moet worden vastgesteld dat artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 de GAR niet verplicht met de deelname van een instelling aan een IPS rekening te houden bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage in de bijdrageperiode volgend op die waarin die deelname plaatsvond, en hem dit zelfs niet toestaat. |
|
74 |
Die slotsom vindt steun in de doelstelling van het stelsel van vooraf te betalen bijdragen, zoals ingevoerd bij richtlijn 2014/59 en verordening nr. 806/2014, en zoals nader uitgewerkt in gedelegeerde verordening 2015/63. |
|
75 |
Overeenkomstig punt 48 hierboven moet de GAR de vooraf te betalen bijdragen immers berekenen op basis van de informatie met betrekking tot de jaarrekening die beschikbaar is op 31 december van jaar N‑1, en die ziet op referentiejaar N‑2. |
|
76 |
Indien de GAR rekening zou moeten houden met elke deelname van een betrokken instelling aan een IPS gedurende jaar N‑1, dan zou de betrouwbaarheid van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen, die in het volgende jaar wordt uitgevoerd, in gevaar kunnen komen, aangezien de GAR met name verplicht zou zijn om die berekening uit te voeren op basis van andere informatie dan die welke betrekking heeft op die naar behoren goedgekeurde jaarrekening. De onbetrouwbaarheid van die berekening zou dus in de weg kunnen staan aan de verwezenlijking van de doelstelling van het stelsel van vooraf te betalen bijdragen, namelijk om uiterlijk op 31 december 2023 ten minste 1 % te bereiken van het bedrag aan de gedekte deposito’s van alle instellingen waaraan op het grondgebied van de aan het GAM deelnemende lidstaten vergunning is verleend (zie in die zin en naar analogie arrest van 14 november 2019, State Street Bank International, C‑255/18, EU:C:2019:967, punten 41 en 43). |
|
77 |
Ten slotte zou het in aanmerking nemen van de deelname aan een IPS in jaar N‑1 de consistentie van de berekening van de vooraf te betalen bijdragen alsook de vergelijkbaarheid van de voor die berekening gebruikte informatie in het gedrang brengen. Ofschoon de GAR overeenkomstig de artikelen 4 en 14 van gedelegeerde verordening 2015/63 voor een dergelijke berekening rekening houdt met de informatie over referentiejaar N‑2 (zie punt 48 hierboven), zou hij, wat de deelname van een instelling aan een IPS in jaar N‑1 betreft, rekening moeten houden met de informatie over een andere periode, namelijk jaar N‑1. |
|
78 |
Gelet op het voorgaande moeten artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus worden uitgelegd dat zij de GAR niet toestaan om bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van een instelling voor bijdrageperiode 2019 rekening te houden met haar deelname aan een IPS in 2018. |
– Wettigheid van artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 in het licht van artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59
|
79 |
Met het tweede middel betoogt verzoekster dat, indien artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus moeten worden uitgelegd dat zij niet toestaan dat bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage van een instelling voor bijdrageperiode 2019 rekening wordt gehouden met haar deelname aan een IPS in 2018, deze bepalingen in strijd zijn met artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59. |
|
80 |
Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen, waarvan het eerste is ontleend aan schending van het in artikel 103, leden 2 en 7, van richtlijn 2014/59 neergelegde vereiste dat de vooraf te betalen bijdragen moeten zijn aangepast aan het risicoprofiel van elke instelling, en, het tweede, aan schending van de voorwaarde van artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 dat bij de vaststelling van de vooraf te betalen bijdragen rekening wordt gehouden met het feit dat een instelling deel uitmaakt van een IPS. |
|
81 |
De GAR en de Commissie betwisten dat betoog. |
|
82 |
Aangezien de twee onderdelen van het onderhavige middel nauw met elkaar verbonden zijn, dienen zij samen te worden onderzocht. |
|
83 |
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat de Commissie, bij de nadere uitwerking van de regels voor de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel door middel van gedelegeerde verordening 2015/63, krachtens de bevoegdheidsdelegatie als bedoeld in artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt wanneer zij ingewikkelde beoordelingen en evaluaties moet verrichten (zie in die zin arrest van 20 december 2023, Landesbank Baden-Württemberg/GAR,T‑389/21, EU:T:2023:827, punten 105‑111). |
|
84 |
Dit geldt tevens voor de bevoegdheid van de Commissie om de referentiedatums vast te stellen voor het in aanmerking nemen van informatie die relevant is voor de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel, met inbegrip van de referentiedatum voor het in aanmerking nemen van de deelname van een instelling aan een IPS. |
|
85 |
Ten eerste maakt die vaststelling immers integrerend deel uit van de methode voor de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel en houdt die methode in het algemeen ingewikkelde beoordelingen en evaluaties in (zie in die zin arrest van 20 december 2023, Landesbank Baden-Württemberg/GAR,T‑389/21, EU:T:2023:827, punten 105‑111). |
|
86 |
Ten tweede bepaalt artikel 103, lid 7, onder h), van richtlijn 2014/59 enkel dat de Commissie, wanneer zij gedelegeerde handelingen vaststelt met het oog op de nadere omschrijving van het begrip „aanpassen van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen”, rekening houdt met het feit dat een instelling deel uitmaakt van een IPS, zonder evenwel te preciseren op welk tijdstip met dat feit rekening moet worden gehouden. |
|
87 |
In die omstandigheden moet, wat de referentiedatums voor de methode voor de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen op grond van artikel 103, lid 7, van richtlijn 2014/59 betreft, en met name die voor het in aanmerking nemen van de deelname van een instelling aan een IPS, de toetsing door de Unierechter beperkt blijven tot de vraag of er bij de uitoefening van de aan de Commissie toegekende beoordelingsbevoegdheid sprake is geweest van een kennelijke dwaling of van misbruik van bevoegdheid, dan wel of zij de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid klaarblijkelijk heeft overschreden (zie in die zin arrest van 20 december 2023, Landesbank Baden-Württemberg/GAR,T‑389/21, EU:T:2023:827, punt 112). |
|
88 |
Hieruit volgt dat verzoekster moet aantonen dat artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 berusten op een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid dan wel dat zij de grenzen van de bevoegdheid van de Commissie kennelijk overschrijden. |
|
89 |
In dat verband moet er om te beginnen op worden gewezen dat de Commissie in gedelegeerde verordening 2015/63 wel degelijk rekening heeft gehouden met de deelname van de instellingen aan een IPS als een element dat relevant was bij de aanpassing van de vooraf te betalen bijdragen aan het risicoprofiel van de instellingen. |
|
90 |
Overeenkomstig artikel 5, lid 1, onder b), van gedelegeerde verordening 2015/63 moeten met name bepaalde passiva die zijn gecreëerd door een instelling die lid is van een IPS buiten beschouwing worden gelaten bij de berekening van de jaarlijkse basisbijdragen. Bovendien houden artikel 6, lid 5, onder b), en artikel 7, lid 4, onder b), van die gedelegeerde verordening rekening met de deelname van een instelling aan een IPS om de jaarlijkse basisbijdrage aan het risicoprofiel van de instelling aan te passen. |
|
91 |
Voorts is het juist dat krachtens artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 bij de berekening van vooraf te betalen bijdragen rekening wordt gehouden met de deelname aan een IPS met een tijdsverschil, dat overeenkomt met de periode tussen de referentiedatum voor de in die bepaling bedoelde jaarrekening en de datum waarop de vooraf te betalen bijdragen worden berekend. |
|
92 |
Die benadering wordt evenwel gerechtvaardigd door de noodzaak om voor alle betrokken instellingen een gemeenschappelijke datum vast te stellen die het mogelijk maakt de gegevens en de informatie die zij voor de berekening van de vooraf te betalen bijdragen verstrekken te vergelijken. Ten eerste blijkt immers uit de overwegingen in punt 75 hierboven dat een dergelijke datum met name tot doel heeft de GAR in staat te stellen de vooraf te betalen bijdragen op betrouwbare wijze te berekenen op basis van de goedgekeurde jaarrekening en dus het in dat punt genoemde doel te bereiken. |
|
93 |
Ten tweede is het tijdsverschil waarnaar in punt 91 hierboven wordt verwezen, niet kennelijk onredelijk omdat de GAR overeenkomstig artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 rekening houdt met de informatie over de laatste goedgekeurde en gecertificeerde jaarrekening, zodat de berekening van de vooraf te betalen bijdragen is gebaseerd op de informatie over het eerste jaar waarvoor deze jaarrekening in goedgekeurde en gecertificeerde vorm beschikbaar is (zie punt 45 hierboven). |
|
94 |
Ten slotte moet worden opgemerkt dat verzoekster geen andere elementen heeft aangedragen om aan te tonen dat artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 berusten op een kennelijke beoordelingsfout of misbruik van bevoegdheid dan wel de grenzen van de bevoegdheid van de Commissie kennelijk overschrijden bij het bepalen van het tijdstip waarop de deelname van een instelling aan een IPS in aanmerking moet worden genomen. |
|
95 |
Derhalve moet verzoeksters tweede middel worden afgewezen. |
Eerste middel: schending van artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63
|
96 |
Verzoekster voert in wezen aan dat de GAR artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 heeft geschonden door bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019 geen rekening te houden met haar deelname aan het betrokken IPS in 2018. |
|
97 |
De GAR betwist dit betoog. |
|
98 |
Vastgesteld moet worden dat verzoeksters deelname aan dat IPS niet heeft plaatsgevonden in referentiejaar N‑2, te weten 2017, nu dat IPS pas in 2018 is opgericht. |
|
99 |
Zoals blijkt uit de punten 43 tot en met 78 hierboven, moeten artikel 12, lid 2, en artikel 14, lid 1, van gedelegeerde verordening 2015/63 aldus worden uitgelegd dat zij de GAR niet toestaan om bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019 rekening te houden met verzoeksters deelname aan een IPS in 2018. |
|
100 |
Aan die slotsom wordt niet afgedaan door verzoeksters argument dat haar op 31 december 2017 beschikbare jaarrekening bepaalde informatie bevatte over de oprichting van het IPS waarvan zij lid is, en de GAR deze derhalve in aanmerking had moeten nemen voor bijdrageperiode 2019. |
|
101 |
Krachtens artikel 2, lid 1, punt 8, van richtlijn 2014/59 mag de GAR bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage namelijk enkel rekening houden met een IPS waarvoor overeenkomstig artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013 toestemming is verleend. |
|
102 |
Vastgesteld moet worden dat het betrokken IPS pas definitief tot stand is gekomen nadat de Banco de España in maart 2018 had bevestigd dat de overeenkomst voor de oprichting van dit IPS voldeed aan de vereisten van artikel 113, lid 7, van verordening nr. 575/2013. |
|
103 |
In die omstandigheden heeft de GAR het recht niet onjuist toegepast door bij de berekening van de vooraf te betalen bijdrage voor bijdrageperiode 2019 geen rekening te houden met verzoeksters deelname aan het betrokken IPS in 2018. |
|
104 |
Derhalve moet het eerste middel ongegrond worden verklaard en moet het beroep in zijn geheel worden verworpen. |
Kosten
|
105 |
Volgens artikel 134, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering wordt de in het ongelijk gestelde partij verwezen in de kosten, voor zover dat is gevorderd. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, moet zij overeenkomstig de vordering van de GAR worden verwezen in haar eigen kosten alsook in die van de GAR. |
|
106 |
Overeenkomstig artikel 138, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering draagt de Commissie haar eigen kosten. |
|
HET GERECHT (Tiende kamer – uitgebreid), rechtdoende, verklaart: |
|
|
|
|
Kornezov Buttigieg Hesse Petrlík Spangsberg Grønfeldt Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 22 januari 2025. ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Spaans.