|
29.4.2019 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 148/37 |
Hogere voorziening ingesteld op 25 februari 2019 door Stena Line Scandinavia AB tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 13 december 2018 in zaak T-631/15, Stena Line Scandinavia/Commissie
(Zaak C-175/19 P)
(2019/C 148/34)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Stena Line Scandinavia AB (vertegenwoordigers: L. Sandberg-Mørch, advokat, P. Alexiadis, Solicitor)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie, Koninkrijk Denemarken, Föreningen Svensk Sjöfart
Conclusies
|
— |
Het arrest van het Gerecht van 13 december 2018 in zaak T-631/15 vernietigen voor zover daarbij zijn afgewezen: rekwirantes eerste en derde middel met betrekking tot de aan Femern Landanlæg toegekende maatregelen, en rekwirantes tweede en derde middel met betrekking tot de bewering dat de Commissie blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting of te maken had met ernstige moeilijkheden betreffende het stimulerende effect van de steun, het contrafeitelijke scenario waarop de Commissie zich had gebaseerd voor haar beoordeling van de noodzaak van de steun en de conclusie dat de aan Femern A/S toegekende steun geen buitensporige vervalsing van de mededinging veroorzaakt; |
|
— |
Verweerster te verwijzen in haar eigen kosten en in die van rekwirante. |
Middelen en voornaamste argumenten
Rekwirante voert zes middelen aan tegen het bestreden arrest:
|
— |
In de eerste plaats heeft het Gerecht, in strijd met de artikelen 107, lid 1, en 108, lid 2, VWEU, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en geen ernstige moeilijkheden heeft ondervonden bij haar oordeel dat de aan A/S Femern Landanlæg verleende staatsgaranties en staatsleningen voor de spoorwegverbindingen met het Deense achterland niet tot vervalsing van de mededinging konden leiden, aangezien de relevante markt niet openstaat voor mededinging. Rekwirante stelt dat deze onjuiste beslissing van het Gerecht berust op vier onjuiste rechtsopvattingen, zoals uiteengezet in de volgende vier submiddelen:
|
|
— |
In de tweede plaats heeft het Gerecht, in strijd met de artikelen 107, lid 1, en 108, lid 2, VWEU, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en geen ernstige moeilijkheden heeft ondervonden bij de vaststelling dat de aan A/S Femern Landanlæg verleende staatsgaranties en staatsleningen voor de financiering van de Deense spoorverbinding met het achterland niet van invloed konden zijn op het handelsverkeer tussen de lidstaten. |
|
— |
In de derde plaats heeft het Gerecht, in strijd met artikel 107, lid 3, onder b), en artikel 108, lid 2, VWEU, ten onrechte geconcludeerd dat de kosten van de Hinterlandverbindingen in aanmerking kunnen worden genomen bij de berekening van de maximaal toegestane steunintensiteit voor de vaste verbinding (in het kader van de verenigbaarheidsanalyse), hoewel de aan de verbindingen met het achterland toegekende financiering volgens het Gerecht geen staatssteun vormt. |
|
— |
In de vierde plaats heeft het Gerecht in strijd met artikel 107, lid 3, onder b), VWEU en artikel 108, lid 2, VWEU ten onrechte geconcludeerd dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en geen ernstige moeilijkheden heeft ondervonden bij het besluit dat de steun aan Femern A/S een stimulerend effect had. |
|
— |
In de vijfde plaats heeft het Gerecht in strijd met artikel 107, lid 3, onder b), VWEU en artikel 108, lid 2, VWEU blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te concluderen dat de Commissie geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en geen ernstige moeilijkheden heeft ondervonden toen zij besloot dat de Deense autoriteiten een passend contrafeitelijk scenario hadden ingediend voor haar beoordeling van de noodzaak van de steun. |
|
— |
In de zesde plaats heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de aan Femern A/S verleende steun geen ongerechtvaardigde vervalsing van de mededinging veroorzaakt. |