ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)

17 maart 2021 ( *1 )

„Prejudiciële verwijzing – Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken – Europees aanhoudingsbevel – Kaderbesluit 2002/584/JBZ – Werkingssfeer – Artikel 8, lid 1, onder c) – Begrip ‚voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis’ – Strafbaar feit waarvoor een rechter van een derde staat een veroordeling heeft uitgesproken – Koninkrijk Noorwegen – Vonnis dat door de uitvaardigende staat is erkend en ten uitvoer gelegd krachtens een bilaterale overeenkomst – Artikel 4, punt 7, onder b) – Gronden tot facultatieve weigering van tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel – Extraterritoriale aard van het strafbare feit”

In zaak C‑488/19,

betreffende een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 267 VWEU, ingediend door de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland) bij beslissing van 24 juni 2019, ingekomen bij het Hof op 26 juni 2019, in de procedure voor de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen

JR,

wijst

HET HOF (Eerste kamer),

samengesteld als volgt: J.‑C. Bonichot (rapporteur), kamerpresident, L. Bay Larsen, C. Toader, M. Safjan en N. Jääskinen, rechters,

advocaat-generaal: J. Kokott,

griffier: A. Calot Escobar,

gezien de stukken,

gelet op de opmerkingen van:

–

de Minister for Justice and Equality, vertegenwoordigd door M. Browne als gemachtigde,

–

JR, vertegenwoordigd door K. Kelly, BL, M. Forde, SC, en T. Hughes, solicitor,

–

Ierland, vertegenwoordigd door M. Browne, G. Hodge, A. Joyce en J. Quaney als gemachtigden,

–

de Europese Commissie, vertegenwoordigd door M. Wilderspin, R. Troosters en S. Grünheid als gemachtigden,

gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 17 september 2020,

het navolgende

Arrest

1

Het verzoek om een prejudiciële beslissing betreft de toepasselijkheid van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (PB 2002, L 190, blz. 1), zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009 (PB 2009, L 81, blz. 24) (hierna: „kaderbesluit 2002/584”), alsmede de uitlegging van artikel 4, punt 1 en punt 7, onder b), daarvan.

2

Dit verzoek is ingediend in het kader van de tenuitvoerlegging, in Ierland, van een Europees aanhoudingsbevel dat tegen JR is uitgevaardigd om hem in Litouwen een vrijheidsstraf uit te laten zitten waartoe hij door een Noorse rechter is veroordeeld wegens handel in verdovende middelen. Dit vonnis is door de Republiek Litouwen erkend krachtens de op 5 april 2011 tussen het Koninkrijk Noorwegen en de Republiek Litouwen gesloten bilaterale overeenkomst inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen worden opgelegd (hierna: „bilaterale overeenkomst van 5 april 2011”).

Toepasselijke bepalingen

Unierecht

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

3

Het Koninkrijk Noorwegen is partij bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992 (PB 1994, L 1, blz. 3).

Overeenkomst van 18 mei 1999 inzake de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis

4

Uit artikel 2 van de overeenkomst van 18 mei 1999 tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB 1999, L 176, blz. 36) volgt dat de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen het Schengenacquis en de in die overeenkomst bedoelde handelingen van de Unie uitvoeren en toepassen.

Overeenkomst betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen

5

De overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (PB 2006, L 292, blz. 2), namens de Unie goedgekeurd bij artikel 1 van besluit 2014/835/EU van de Raad van 27 november 2014 betreffende de sluiting van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen (PB 2014, L 343, blz. 1), is in werking getreden op 1 november 2019.

6

De preambule van deze overeenkomst vermeldt onder meer dat de overeenkomstsluitende partijen uitdrukking geven aan hun vertrouwen in de structuur en de werking van elkaars rechtsstelsels en in het vermogen van alle overeenkomstsluitende partijen om een eerlijke procesgang te garanderen.

Kaderbesluit 2002/584

7

De overwegingen 5 tot en met 8 van kaderbesluit 2002/584 luiden als volgt:

„(5)

De opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid te worden, brengt mee dat uitlevering tussen de lidstaten moet worden afgeschaft en vervangen door een regeling van overlevering tussen rechterlijke autoriteiten. Met de invoering van een nieuwe en vereenvoudigde regeling van overlevering van veroordeelde of verdachte personen ter fine van tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen en vervolging kan tevens een oplossing worden gevonden voor de complexiteit en het tijdverlies die inherent zijn aan de huidige uitleveringsprocedures. De klassieke samenwerking die tot dusverre in de betrekkingen tussen de lidstaten overheerste, moet worden vervangen door een vrij verkeer van beslissingen in strafzaken, zowel in de onderzoeks- als in de berechtingsfase, in de ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid.

(6)

Het Europees aanhoudingsbevel waarin dit kaderbesluit voorziet, vormt de eerste tastbare toepassing op strafrechtelijk gebied van het beginsel van wederzijdse erkenning, welk beginsel de Europese Raad als hoeksteen van de gerechtelijke samenwerking beschouwt.

(7)

Daar de beoogde vervanging van het multilaterale uitleveringsstelsel, gebaseerd op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 niet voldoende door de lidstaten op unilaterale wijze kan worden verwezenlijkt en derhalve wegens de dimensie en effecten ervan beter op het niveau van de Unie haar beslag kan krijgen, kan de Raad overeenkomstig het [...] subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. [...]

(8)

Beslissingen over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel mogen pas worden genomen na een toereikende controle, hetgeen betekent dat een rechterlijke autoriteit van de lidstaat waar de gezochte persoon is aangehouden, dient te beslissen of deze al dan niet wordt overgeleverd.”

8

Artikel 1 van dit kaderbesluit, met het opschrift „Verplichting tot tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel”, bepaalt:

„1.   Het Europees aanhoudingsbevel is een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met het oog op de aanhouding en de overlevering door een andere lidstaat van een persoon die gezocht wordt met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel.

2.   De lidstaten verbinden zich ertoe om, op grond van het beginsel van wederzijdse erkenning en overeenkomstig de bepalingen van dit kaderbesluit, elk Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen.

3.   Dit kaderbesluit kan niet tot gevolg hebben dat de verplichting tot eerbiediging van de grondrechten en de fundamentele rechtsbeginselen, zoals die zijn neergelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, wordt aangetast.”

9

Artikel 2 van dat kaderbesluit, betreffende de werkingssfeer ervan, luidt:

„1.   Een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd wegens feiten die door de wet van de uitvaardigende lidstaat strafbaar zijn gesteld met een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, met een maximum van ten minste twaalf maanden of, wanneer een straf of een maatregel is opgelegd, wegens opgelegde sancties met een duur van ten minste vier maanden.

2.   Tot overlevering op grond van een Europees aanhoudingsbevel kunnen leiden, onder de voorwaarden van dit kaderbesluit en zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit, de navolgende strafbare feiten, indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel staat met een maximum van ten minste drie jaar en zoals omschreven in het recht van de uitvaardigende lidstaat:

[...]

–

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen,

[...]

4.   Ten aanzien van andere dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde strafbare feiten kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat het Europees aanhoudingsbevel berust op een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit, ongeacht de bestanddelen of de kwalificatie ervan.”

10

Artikel 4 van voornoemd kaderbesluit, „Gronden tot facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging”, luidt als volgt:

„De uitvoerende rechterlijke autoriteit kan de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel weigeren in de volgende gevallen:

1)

in een van de in artikel 2, lid 4, bedoelde gevallen is het feit dat aan het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt naar het recht van de uitvoerende lidstaat niet strafbaar; [...]

[...]

5)

uit de gegevens waarover de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt, blijkt dat de gezochte persoon door een derde land onherroepelijk is berecht voor dezelfde feiten, op voorwaarde dat, in geval van veroordeling, de sanctie is ondergaan of op dat tijdstip wordt ondergaan dan wel niet meer ten uitvoer kan worden gelegd volgens het recht van de staat van veroordeling;

[...]

7)

het Europees aanhoudingsbevel betreft een strafbaar feit dat

a)

naar het recht van de uitvoerende lidstaat geacht wordt geheel of ten dele te zijn gepleegd op het grondgebied van die lidstaat of op een daarmee gelijk te stellen plaats;

b)

buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd en er naar het recht van de uitvoerende lidstaat geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien eenzelfde feit buiten het grondgebied van de uitvoerende lidstaat zou zijn gepleegd.”

11

Artikel 4 bis van kaderbesluit 2002/584 regelt de tenuitvoerlegging van Europese aanhoudingsbevelen voor de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel indien de betrokkene niet in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

12

Op grond van artikel 5 van dit kaderbesluit kan de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel afhankelijk worden gesteld van een van de in dat artikel genoemde voorwaarden.

13

In lid 1 van artikel 8 van dit kaderbesluit, dat betrekking heeft op de inhoud en vorm van het Europees aanhoudingsbevel, is bepaald:

„In het Europees aanhoudingsbevel worden overeenkomstig het als bijlage bij dit kaderbesluit gevoegde model de navolgende gegevens vermeld:

[...]

c)

de vermelding dat een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2;

d)

de aard en de wettelijke kwalificatie van het strafbaar feit, met name rekening houdend met artikel 2;

e)

een beschrijving van de omstandigheden waaronder het strafbare feit is gepleegd, met vermelding van onder meer het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de gezochte persoon bij het strafbare feit;

f)

de opgelegde straf, indien een onherroepelijk vonnis bestaat, of de in de uitvaardigende lidstaat voor het betrokken feit geldende strafmaat;

[...]”

14

Artikel 15 van dat kaderbesluit luidt als volgt:

„1.   De uitvoerende rechterlijke autoriteit beslist, binnen de termijnen en onder de voorwaarden die in dit kaderbesluit zijn gesteld, over de overlevering van de betrokkene.

2.   Indien de uitvoerende rechterlijke autoriteit van oordeel is dat de door de uitvaardigende lidstaat meegedeelde gegevens onvoldoende zijn om haar in staat te stellen een beslissing te nemen over de overlevering, verzoekt zij dringend om aanvullende gegevens, met name in verband met de artikelen 3 tot en met 5 en artikel 8 en kan zij een uiterste datum voor de ontvangst ervan vaststellen, rekening houdend met de noodzaak de in artikel 17 gestelde termijn in acht te nemen.

3.   De uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan te allen tijde alle aanvullende dienstige inlichtingen aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit toezenden.”

15

Artikel 31 van kaderbesluit 2002/584, „Verhouding tot andere rechtsinstrumenten”, bepaalt:

„1.   Onverminderd de toepassing daarvan in de betrekkingen tussen de lidstaten en derde staten, komen de bepalingen van dit kaderbesluit per 1 januari 2004 in de plaats van de overeenkomstige bepalingen van de ter zake van uitlevering toepasselijke verdragen in de betrekkingen tussen de lidstaten:

a)

het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957, het Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 15 oktober 1975, het Tweede Aanvullend Protocol bij dit Verdrag van 17 maart 1978 en, voor zover het op uitlevering betrekking heeft, het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme van 27 januari 1977;

[...]

2.   De lidstaten mogen de bilaterale of multilaterale overeenkomsten of regelingen die op het tijdstip van de aanneming van dit kaderbesluit van kracht zijn, blijven toepassen voor zover deze verder reiken dan de doelstellingen van het kaderbesluit en ertoe bijdragen de procedures voor de overlevering van personen tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd verdergaand te vereenvoudigen of te vergemakkelijken.

[...]”

Kaderbesluit 2008/909

16

Artikel 3, lid 1, van kaderbesluit 2008/909/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op strafvonnissen waarbij vrijheidsstraffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie (PB 2008, L 327, blz. 27) luidt:

„Met dit kaderbesluit wordt beoogd de regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de gevonniste persoon, een vonnis erkent en de sanctie ten uitvoer legt.”

17

Artikel 17, lid 1, van dit kaderbesluit luidt als volgt:

„De tenuitvoerlegging van de sanctie wordt beheerst door het recht van de tenuitvoerleggingsstaat. De autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat zijn, behoudens de leden 2 en 3, bij uitsluiting bevoegd te besluiten omtrent de procedures betreffende de tenuitvoerlegging en zij bepalen alle daarop betrekking hebbende maatregelen, met inbegrip van de gronden tot vervroegde of voorwaardelijke invrijheidstelling.”

Kaderbesluit 2008/947

18

Overweging 8 van kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen (PB 2008, L 337, blz. 102), luidt:

„De wederzijdse erkenning van, alsook het toezicht op voorwaardelijke straffen, alternatieve straffen en beslissingen inzake voorwaardelijke invrijheidsstelling is erop gericht de resocialisatiekansen van de veroordeelde te vergroten, doordat hem de mogelijkheid wordt geboden familiale, taalkundige, culturele of andere banden te onderhouden. Doel is daarnaast de verbetering van het toezicht op de naleving van proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen, om recidive te voorkomen en aldus de nodige aandacht te schenken aan de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen.”

19

Artikel 1, lid 1, van dit kaderbesluit bepaalt:

„Dit kaderbesluit is erop gericht de resocialisatie van gevonniste personen te bevorderen, de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen te verbeteren, en de toepassing van passende proeftijdvoorwaarden en alternatieve straffen te vereenvoudigen in het geval van delinquenten die niet wonen in de staat waar zij zijn veroordeeld. Ter verwezenlijking hiervan wordt in dit kaderbesluit bepaald volgens welke regels een andere lidstaat dan de lidstaat waar de betrokkene is veroordeeld, vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdvoorwaarden erkent en toezicht houdt op de krachtens een vonnis opgelegde proeftijdvoorwaarden of op de in dat vonnis vervatte alternatieve straffen, en alle overige beslissingen in verband met dat vonnis neemt, tenzij in dit kaderbesluit anders is bepaald.”

Iers recht

European Arrest Warrant Act 2003

20

De European Arrest Warrant Act 2003 (wet van 2003 inzake het Europees aanhoudingsbevel), in de op het hoofdgeding toepasselijke versie, waarbij kaderbesluit 2002/584 is uitgevoerd, bepaalt in section 5:

„Voor de toepassing van deze wet wordt een in een Europees aanhoudingsbevel omschreven strafbaar feit gelijkgesteld met een strafbaar feit naar [Iers recht], wanneer het handelen of nalaten dat het aldus omschreven strafbare feit vormt, indien het op de datum waarop het Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd in [Ierland] zou zijn gepleegd, naar [Iers recht] een strafbaar feit zou vormen.”

21

Section 10, onder d), van deze wet bepaalt:

„Indien een rechterlijke instantie in een uitvaardigende staat een Europees aanhoudingsbevel uitvaardigt ten aanzien van een persoon –

[...]

d)

aan wie in die staat een gevangenisstraf is opgelegd of die in hechtenis is genomen in verband met een strafbaar feit waarop het Europees aanhoudingsbevel betrekking heeft, zal die persoon – behoudens en overeenkomstig de bepalingen van deze wet – worden aangehouden en overgeleverd aan de uitvaardigende staat.”

22

Section 44 van die wet van 2003 luidt:

„Een persoon zal op grond van deze wet niet worden overgeleverd indien het in het jegens hem uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel omschreven strafbare feit ergens anders dan in de uitvaardigende staat is gepleegd of vermeend is gepleegd en de handeling of het nalaten waarin het strafbare feit bestaat, wegens het feit dat die handeling of dat nalaten ergens anders dan in [Ierland] heeft plaatsgevonden, geen strafbaar feit vormt naar [Iers] recht.”

Misuse of Drugs Act, 1977

23

Section 15, lid 1, van de Misuse of Drugs Act, 1977 (wet van 1977 inzake drugsmisbruik), zoals gewijzigd, luidt als volgt:

„Eenieder die, al dan niet rechtmatig, in het bezit is van een gereguleerd verdovend middel, met het oogmerk dit in strijd met de bepalingen van section 5 van deze wet te verkopen of anderszins te leveren aan een ander, maakt zich schuldig aan een strafbaar feit.”

Hoofdgeding en prejudiciële vragen

24

JR is een Litouws staatsburger. Hij werd in januari 2014 in Noorwegen aangehouden met een aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen die hij tegen betaling van een geldsom zou leveren vanuit Litouwen. Bij vonnis van 28 november 2014 is hij door een Noorse rechter, te weten de Heggen og Frøland tingrett (rechter in eerste aanleg Heggen en Frøland, Noorwegen), veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden voor het in het Noorse wetboek van strafrecht strafbaar gestelde feit van „onwettige levering van een zeer grote hoeveelheid verdovende middelen”. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

25

Bij vonnis van 18 juni 2015 heeft de Jurbarko rajono apylinkės teismas (rechter in eerste aanleg Jurbarkas, Litouwen) het Noorse vonnis van 28 november 2014 erkend op grond van de bilaterale overeenkomst van 5 april 2011, zodat de veroordeling in Litouwen ten uitvoer kon worden gelegd.

26

Op 7 april 2016 hebben de Noorse autoriteiten JR overgeleverd aan de Litouwse autoriteiten.

27

In november 2016 zijn de bevoegde autoriteiten overgegaan tot voorwaardelijke invrijheidstelling van JR, waaraan maatregelen van „intensief toezicht” waren verbonden. Nadat JR de hem opgelegde voorwaarden had geschonden, heeft de Marijampolės apylinkės teismo Jurbarko rūmai (rechter in eerste aanleg Marijampolė, afdeling Jurbarkas, Litouwen) bij beslissing van 5 februari 2018 de tenuitvoerlegging gelast van het restant van de gevangenisstraf, te weten een jaar, zeven maanden en 24 dagen.

28

JR is naar Ierland gevlucht. Op 24 mei 2018 hebben de Litouwse autoriteiten een Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op zijn overlevering.

29

In januari 2019 is JR in Ierland aangehouden en veroordeeld tot een gevangenisstraf voor in die lidstaat gepleegde strafbare feiten in verband met het bezit van verdovende middelen. Volgens de verwijzende rechter, de High Court (rechter in eerste aanleg, Ierland), zou deze straf op 21 oktober 2019 volledig zijn uitgezeten.

30

Tegelijkertijd liep ook de procedure betreffende de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel. Voor de verwijzende rechter betwist JR zijn overlevering aan de Litouwse autoriteiten op grond dat, ten eerste, alleen het Koninkrijk Noorwegen om zijn uitlevering kon verzoeken en, ten tweede, Ierland moest weigeren het bevel uit te voeren omdat het betrokken strafbare feit extraterritoriaal van aard was, aangezien het is gepleegd in een andere staat dan de uitvaardigende staat, in casu Litouwen.

31

De High Court is van oordeel dat in casu kaderbesluit 2002/584 moet worden toegepast. De betrokken veroordeling is weliswaar uitgesproken in een derde staat, maar is niettemin in een lidstaat erkend en ten uitvoer gelegd. Op grond van artikel 1 van dit kaderbesluit kan de laatstbedoelde staat dus een Europees aanhoudingsbevel uitvaardigen met het oog op de tenuitvoerlegging van de resterende straf.

32

Deze rechter is evenwel van oordeel dat hij met betrekking tot de door JR aangevoerde grond voor weigering van de tenuitvoerlegging moet onderzoeken of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 4, punt 1 en punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584.

33

Ten eerste moet volgens punt 1 van dat artikel, wanneer de uitvaardigende staat niet heeft aangegeven dat het betrokken strafbare feit onder artikel 2, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 valt, de dubbele strafbaarheid worden aangetoond. Uit dien hoofde moet worden nagegaan of een persoon die de door JR geleverde hoeveelheid verdovende middelen vervoert, naar Iers recht een strafbaar feit begaat. Ten tweede dient krachtens artikel 4, punt 7, onder b), van dat kaderbesluit allereerst te worden nagegaan of het betrokken strafbare feit, dat in een derde staat is gepleegd, moet worden gekwalificeerd als „extraterritoriaal” en dient, in voorkomend geval, vervolgens te worden nagegaan of de Ierse wet de vervolging van dergelijke buiten het Ierse grondgebied gepleegde strafbare feiten toestaat.

34

Wat in het bijzonder de extraterritorialiteit betreft, vraagt de verwijzende rechter zich af of het relevant is dat JR voorbereidingshandelingen heeft verricht in de staat die het Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd. Indien voor de toepassing van kaderbesluit 2002/584 rekening moet worden gehouden met deze handelingen, zou het strafbare feit niet extraterritoriaal zijn en zou de in artikel 4, punt 7, onder b), van dit kaderbesluit vastgelegde grond voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging dus niet van toepassing zijn.

35

In deze omstandigheden heeft de High Court de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

„1)

Is kaderbesluit 2002/584 van toepassing in een situatie waarin de gezochte persoon is veroordeeld en bestraft in een derde staat, maar het vonnis van de derde staat krachtens een bilateraal verdrag tussen die derde staat en de uitvaardigende staat is erkend in de uitvaardigende staat en overeenkomstig het recht van de uitvaardigende staat ten uitvoer is gelegd?

2)

Zo ja, hoe moet dan, in de situatie waarin de uitvoerende lidstaat de in artikel 4, punt 1 en punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 genoemde facultatieve gronden voor weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel in zijn nationale wetgeving heeft opgenomen, de uitvoerende rechterlijke autoriteit een strafbaar feit beoordelen dat zou zijn gepleegd in de derde staat, terwijl uit de omstandigheden van dat strafbare feit blijkt dat voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden in de uitvaardigende staat?”

Procedure bij het Hof

36

De verwijzende rechter heeft verzocht om de onderhavige zaak te behandelen volgens de prejudiciële spoedprocedure van de artikelen 107 en volgende van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Op 10 juli 2019 heeft het Hof op voorstel van de rechter-rapporteur, de advocaat-generaal gehoord, beslist om dit verzoek niet in te willigen.

37

De verwijzende rechter heeft subsidiair verzocht om toepassing van de versnelde procedure van artikel 105, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof. Dit verzoek is afgewezen bij beslissing van de president van het Hof van 12 augustus 2019.

38

Deze beslissing werd onderbouwd met de vaststelling dat de motivering van de verzoeken van de verwijzende rechter het Hof niet in staat stelden om te bepalen of de zaak versneld moest worden behandeld, welke omstandigheid aan deze rechter is meegedeeld.

39

De verwijzende rechter heeft ter ondersteuning van zijn verzoeken om toepassing van de prejudiciële spoedprocedure en, subsidiair, de versnelde procedure, immers enkel aangegeven „dat de antwoorden op de in het onderhavige verzoek gestelde vragen ‚van doorslaggevende betekenis [zullen zijn] voor de beoordeling van de rechtspositie van verweerder’, en met name van invloed zullen zijn op de vraag of verweerder zal worden overgeleverd aan Litouwen dan wel dat zijn hechtenis wordt beëindigd op het moment dat de hem opgelegde binnenlandse gevangenisstraf afloopt, namelijk omstreeks 21 oktober 2019.”

40

Deze rechter heeft echter geenszins aangegeven op welke gronden hij van oordeel is dat de antwoorden van het Hof van doorslaggevende betekenis kunnen zijn voor een eventuele invrijheidstelling van JR en in welke omstandigheden een dergelijke invrijheidstelling zou kunnen plaatsvinden. Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeslissing niet of JR op grond van het betrokken Europees aanhoudingsbevel na 21 oktober 2019 daadwerkelijk in hechtenis blijft of moet blijven, of dat bijvoorbeeld minder belastende maatregelen kunnen worden overwogen of zijn overwogen.

Beantwoording van de prejudiciële vragen

Eerste vraag

41

Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 1, lid 1, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584 aldus moeten worden uitgelegd dat een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd op grond van een rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat waarbij de tenuitvoerlegging, in die lidstaat, van een door een rechter van een derde staat opgelegde straf wordt gelast, wanneer het betrokken vonnis op grond van een bilaterale overeenkomst tussen die staten is erkend bij een beslissing van een rechter van de uitvaardigende lidstaat.

42

Vooraf dient in herinnering te worden gebracht dat volgens artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584 in het Europees aanhoudingsbevel wordt vermeld dat er een voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis, een aanhoudingsbevel of een andere voor tenuitvoerlegging vatbare gelijkwaardige rechterlijke beslissing bestaat, zoals bedoeld in de artikelen 1 en 2.

43

Uit deze bewoordingen volgt dat aan het Europees aanhoudingsbevel een nationale rechterlijke beslissing ten grondslag moet liggen, wat impliceert dat het om een afzonderlijk besluit gaat dat losstaat van het besluit tot uitvaardiging van genoemd Europees aanhoudingsbevel (zie in die zin arrest van 1 juni 2016, Bob‑Dogi, C‑241/15, EU:C:2016:385, punten 44 en 49). Een dergelijke beslissing, of het nu gaat om een vonnis of om een andere rechterlijke beslissing, moet noodzakelijkerwijs afkomstig zijn van een gerecht of van een andere rechterlijke autoriteit van een lidstaat (zie in die zin arrest van 10 november 2016, Özçelik, C‑453/16 PPU, EU:C:2016:860, punten 32 en 33).

44

Zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, is het kaderbesluit immers enkel van toepassing op lidstaten en niet op derde staten (arrest van 2 april 2020, Ruska Federacija, C‑897/19 PPU, EU:C:2020:262, punt 42).

45

In casu blijkt uit het dossier waarover het Hof beschikt dat op 28 november 2014 een Noorse rechter JR, een Litouws staatsburger, heeft veroordeeld tot een vrijheidsstraf van vier jaar en zes maanden, en dat dit vonnis op grond van de bilaterale overeenkomst van 5 april 2011 in Litouwen is erkend en uitvoerbaar is verklaard bij een beslissing van een Litouwse rechter van 18 juni 2015. In november 2016 hebben de Litouwse autoriteiten JR voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Bij beslissing van 5 februari 2018 is echter, omdat de voorwaarden voor die invrijheidstelling niet waren nageleefd, tenuitvoerlegging van het restant van de vrijheidsstraf gelast. Op basis van deze laatste beslissing is het betrokken Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd.

46

Zoals zojuist in de punten 43 en 44 van het onderhavige arrest is opgemerkt, kan een vonnis van een rechter van een derde staat als zodanig niet de grondslag vormen voor een Europees aanhoudingsbevel.

47

Een handeling van een rechter van de uitvaardigende staat waarbij een dergelijk vonnis wordt erkend en uitvoerbaar wordt verklaard, alsmede latere beslissingen die de rechterlijke autoriteiten van die staat hebben genomen met het oog op de tenuitvoerlegging van het erkende vonnis (hierna: „erkennings- en tenuitvoerleggingshandelingen”), kunnen echter wel voldoen aan de vereisten van artikel 1, lid 1, artikel 2, lid 1, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584.

48

In dit verband moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat erkennings- en tenuitvoerleggingshandelingen rechterlijke beslissingen in de zin van die bepalingen zijn, aangezien zij door de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat zijn vastgesteld met het oog op de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een vrijheidsstraf (zie naar analogie arrest van 13 januari 2021, MM, C‑414/20 PPU, EU:C:2021:4, punten 53 en 57).

49

In de tweede plaats moeten deze handelingen, voor zover zij het mogelijk maken dat een vonnis in die lidstaat ten uitvoer wordt gelegd, naargelang van het geval worden aangemerkt als „voor tenuitvoerlegging vatbaar vonnis” of als „voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing”.

50

In de derde en laatste plaats volgt uit het doel en het voorwerp van deze handelingen, te weten de tenuitvoerlegging van een veroordeling, dat zij binnen de werkingssfeer van de artikelen 1 en 2 van kaderbesluit 2002/584 vallen, mits de betrokken veroordeling voorziet in een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden.

51

Zoals blijkt uit punt 44 van de conclusie van de advocaat-generaal, wordt de werkingssfeer van de artikelen 1 en 2 van kaderbesluit 2002/584 namelijk afgebakend aan de hand van het doel en het voorwerp van de rechterlijke beslissing die als grondslag voor een Europees aanhoudingsbevel dient. In dit verband blijkt uit artikel 1, lid 1, van dit kaderbesluit dat een dergelijk aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd voor de overlevering van een gezochte persoon met het oog op strafvervolging of uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf of maatregel. Bovendien wordt de uitvaardiging van een Europees aanhoudingsbevel in artikel 2, lid 1, van dat kaderbesluit, wat de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een vrijheidsstraf betreft, afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat deze ten minste vier maanden bedraagt.

52

Deze bepalingen vereisen daarentegen niet dat de ten uitvoer te leggen straf voortvloeit uit een vonnis van de gerechten van de uitvaardigende lidstaat of die van een andere lidstaat. Zij bevatten dus geen enkel element op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat kaderbesluit 2002/584 niet van toepassing is in het geval dat de veroordeling tot een vrijheidsstraf is opgelegd door een rechter van een derde staat en is erkend bij een beslissing van een rechter van de uitvaardigende lidstaat. Bijgevolg verzetten de artikelen 1 en 2 van kaderbesluit 2002/584 zich er niet tegen dat met het oog op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden een Europees aanhoudingsbevel wordt uitgevaardigd op grond van erkennings- en tenuitvoerleggingshandelingen.

53

Voorts moeten de regels van afgeleid Unierecht volgens vaste rechtspraak worden uitgelegd en toegepast in overeenstemming met de grondrechten, waarvan de eerbiediging van de rechten van de verdediging, die voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces, dat is verankerd in de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), integrerend deel uitmaakt (arrest van 10 augustus 2017, Tupikas, C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 60).

54

Zoals de advocaat-generaal in herinnering heeft gebracht in punt 49 van haar conclusie, moet aan kaderbesluit 2002/584 een uitlegging worden gegeven die kan verzekeren dat de vereisten van de eerbiediging van de grondrechten van de betrokkenen worden vervuld, echter zonder dat daarbij wordt afgedaan aan de doeltreffendheid van het stelsel van gerechtelijke samenwerking tussen de lidstaten, waarvan het door de Uniewetgever ingestelde Europees aanhoudingsbevel een van de wezenlijke elementen vormt (arrest van 10 augustus 2017, Tupikas, C‑270/17 PPU, EU:C:2017:628, punt 63).

55

Wanneer de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat een Europees aanhoudingsbevel uitvaardigen met het oog op de tenuitvoerlegging, in deze lidstaat, van een vrijheidsstraf die is opgelegd door een rechter van een derde staat waarvan de beslissing in die lidstaat is erkend, moeten zij bijgevolg erop toezien dat de aan het stelsel van het Europees aanhoudingsbevel inherente vereisten inzake de procedure en de grondrechten worden geëerbiedigd.

56

Dit stelsel omvat dus op twee niveaus bescherming die de gezochte persoon moet genieten, aangezien de rechterlijke bescherming op het eerste niveau – bij de vaststelling van een nationale rechterlijke beslissing – wordt aangevuld met de bescherming die gewaarborgd moet zijn op het tweede niveau – bij de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel, die in voorkomend geval kort na de vaststelling van de nationale rechterlijke beslissing kan plaatsvinden (zie in die zin arrest van 1 juni 2016, Bob‑Dogi, C‑241/15, EU:C:2016:385, punt 56).

57

Deze bescherming houdt in dat op minstens één van de twee niveaus van die bescherming een beslissing wordt genomen die voldoet aan de vereisten die inherent zijn aan een effectieve rechterlijke bescherming [arrest van 12 december 2019, Openbaar Ministerie (Procureur des Konings te Brussel), C‑627/19 PPU, EU:C:2019:1079, punt 30].

58

Om aan deze vereisten te voldoen in het geval dat de rechterlijke autoriteiten van een lidstaat een vonnis erkennen waarbij een rechter van een derde staat een veroordeling tot een vrijheidsstraf heeft uitgesproken en zij besluiten om naar aanleiding van deze erkenning een Europees aanhoudingsbevel uit te vaardigen, moet het recht van die lidstaat, op minstens één van de twee niveaus van bescherming, voorzien in een rechterlijke toetsing aan de hand waarvan kan worden nagegaan of in het kader van de procedure die heeft geleid tot de vaststelling, in de derde staat, van het nadien in de uitvaardigende staat erkende vonnis, de grondrechten van de veroordeelde, en in het bijzonder de uit de artikelen 47 en 48 van het Handvest voortvloeiende verplichtingen, in acht zijn genomen.

59

In geval van twijfel over de naleving van de in het voorgaande punt opgesomde verplichtingen staat het aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit om overeenkomstig artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584 de uitvaardigende lidstaat te verzoeken om de gegevens die zij nodig heeft om een beslissing over de overlevering te kunnen nemen.

60

Voorts moet worden opgemerkt dat het hoofdgeding betrekking heeft op een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd op grond van erkennings- en tenuitvoerleggingshandelingen van een vonnis van een rechter van het Koninkrijk Noorwegen, een derde staat die bevoorrechte betrekkingen met de Unie onderhoudt, die verder gaan dan economische en commerciële samenwerking, aangezien deze staat partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, deelneemt aan het gemeenschappelijk Europees asielstelsel, het Schengenacquis uitvoert en toepast en met de Unie de overeenkomst betreffende de procedures voor overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie en IJsland en Noorwegen heeft gesloten, die op 1 november 2019 in werking is getreden. In het kader van laatstgenoemde overeenkomst hebben de partijen uitdrukking gegeven aan hun vertrouwen in de structuur en de werking van elkaars rechtsstelsels en in hun vermogen om een eerlijke procesgang te garanderen.

61

In het licht van het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 1, lid 1, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584 aldus moeten worden uitgelegd dat een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd op grond van een rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat waarbij de tenuitvoerlegging, in die lidstaat, van een door een rechter van een derde staat opgelegde straf wordt gelast, wanneer het betrokken vonnis op grond van een bilaterale overeenkomst tussen die staten is erkend bij een beslissing van een rechter van de uitvaardigende lidstaat. De uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel is evenwel onderworpen aan de voorwaarde dat, ten eerste, de gezochte persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden en, ten tweede, bij de procedure die heeft geleid tot de vaststelling, in de derde staat, van het nadien in de uitvaardigende lidstaat erkende vonnis, de grondrechten en in het bijzonder de uit de artikelen 47 en 48 van het Handvest voortvloeiende verplichtingen in acht zijn genomen.

Tweede vraag

62

Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter in essentie te vernemen of artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer het gaat om een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd op basis van een rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat op grond waarvan in die lidstaat een door een rechter van een derde staat opgelegde straf ten uitvoer kan worden gelegd, in een geval waarin het betrokken strafbare feit op het grondgebied van die derde staat is gepleegd, bij de beantwoording van de vraag of dit strafbare feit „buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat” is gepleegd, rekening moet worden gehouden met het feit dat in de uitvaardigende lidstaat voorbereidingshandelingen hebben plaatsgevonden.

63

Om te beginnen moet worden gepreciseerd dat de in artikel 4, punt 1, van kaderbesluit 2002/584 vervatte grond voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging, waar ook de verwijzende rechter naar verwijst, niet kan worden toegepast in de omstandigheden van het hoofdgeding. Gelet op de door de verwijzende rechter gegeven beschrijving van de feiten valt het in het hoofdgeding aan de orde zijnde strafbare feit immers onder de categorie strafbare feiten bedoeld in artikel 2, lid 2, vijfde streepje, van kaderbesluit 2002/584, te weten de illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Bovendien blijkt dat de door JR gepleegde feiten in Litouwen en Noorwegen worden bestraft met een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaar. Bijgevolg moet de overlevering van de gezochte persoon overeenkomstig deze bepaling plaatsvinden zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit.

64

Voorts blijkt uit de verwijzingsbeslissing dat Ierland een bepaling heeft vastgesteld waarbij artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 wordt omgezet in nationaal recht, te weten section 44 van de European Arrest Warrant Act 2003. Deze section 44 bepaalt in wezen dat overlevering wordt geweigerd indien de handeling die het in het Europees aanhoudingsbevel bedoelde strafbare feit vormt, elders dan in de uitvaardigende lidstaat is gepleegd en naar Iers recht geen strafbaar feit oplevert indien het elders dan in Ierland is gepleegd.

65

In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat op grond van artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel kan worden geweigerd indien aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan, te weten, ten eerste, dat het strafbare feit dat aan de uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel ten grondslag ligt, buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat is gepleegd en, ten tweede, dat er naar het recht van de uitvoerende lidstaat geen vervolging zou kunnen worden ingesteld indien een dergelijk strafbaar feit buiten het grondgebied van die lidstaat is gepleegd.

66

Wat de eerste voorwaarde betreft, de enige die voorwerp is van de vragen van de verwijzende rechter, moet worden opgemerkt dat het begrip „buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat gepleegd strafbaar feit” noch naar het recht van de uitvaardigende lidstaat, noch naar dat van de uitvoerende staat verwijst. Bijgevolg kan de uitlegging van dit begrip niet worden overgelaten aan de beoordeling van de rechterlijke instanties van elke lidstaat op basis van hun nationale recht. Uit het vereiste van de eenvormige toepassing van het Unierecht volgt namelijk dat aangezien artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 met betrekking tot dat begrip niet verwijst naar het recht van de lidstaten, het begrip in de gehele Unie een autonome en uniforme uitlegging moet krijgen (zie in die zin arrest van 16 november 2010, Mantello, C‑261/09, EU:C:2010:683, punt 38).

67

In dit verband moet rekening worden gehouden met de context van de bepaling en het doel van de betrokken regeling (zie in die zin arrest van 24 mei 2016, Dworzecki, C‑108/16 PPU, EU:C:2016:346, punt 28).

68

Wat in de eerste plaats het doel van de in artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 geformuleerde grond voor facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel betreft, moet worden opgemerkt dat deze bepaling tot doel heeft te waarborgen dat de rechterlijke autoriteit van de uitvoerende staat niet verplicht is om gevolg te geven aan een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een straf die is opgelegd voor een strafbaar feit dat wordt vervolgd op basis van een ruimere internationale strafrechtelijke bevoegdheid dan die welke in het recht van die staat is erkend.

69

Vastgesteld moet worden dat deze doelstelling niet in gevaar komt wanneer, zoals het geval is in het hoofdgeding, de rechterlijke autoriteit van de uitvaardigende lidstaat een Europees aanhoudingsbevel uitvaardigt op basis van een beslissing van een rechter van die lidstaat waarbij een door een rechter van een andere staat gewezen vonnis wordt erkend en uitvoerbaar wordt verklaard, voor zover laatstbedoelde rechter op grond van zijn eigen territoriale strafrechtelijke bevoegdheid de gezochte persoon tot een vrijheidsstraf heeft veroordeeld.

70

Wat in de tweede plaats de doelstelling van kaderbesluit 2002/584 betreft, moet in herinnering worden gebracht dat dit kaderbesluit, zoals in het bijzonder blijkt uit artikel 1, leden 1 en 2, en de overwegingen 5 en 7 ervan, beoogt het op het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 gebaseerde multilaterale uitleveringsstelsel te vervangen door een op het beginsel van wederzijdse erkenning gebaseerd stelsel waarbij veroordeelde of verdachte personen met het oog op de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen of met het oog op vervolging worden overgeleverd tussen rechterlijke autoriteiten (arrest van 1 juni 2016, Bob‑Dogi, C‑241/15, EU:C:2016:385, punt 31).

71

Het kaderbesluit beoogt dus met de instelling van een nieuwe vereenvoudigde en efficiëntere regeling voor de overlevering van personen die veroordeeld zijn of ervan verdacht worden strafbare feiten te hebben gepleegd, de justitiële samenwerking te vergemakkelijken en te bespoedigen, en daardoor bij te dragen tot de verwezenlijking van de opdracht van de Unie om een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te worden die berust op de hoge mate van vertrouwen die tussen de lidstaten moet bestaan (arrest van 1 juni 2016, Bob‑Dogi, C‑241/15, EU:C:2016:385, punt 32).

72

Zoals blijkt uit artikel 3, lid 2, VEU, is binnen deze ruimte van vrijheid, veiligheid en recht het vrije verkeer van personen gewaarborgd in combinatie met passende maatregelen met betrekking tot controles aan de buitengrenzen, en voorkoming en bestrijding van criminaliteit. In deze context beoogt kaderbesluit 2002/584 met name het risico te vermijden dat personen die een strafbaar feit hebben gepleegd geen straf hoeven te ondergaan [zie in die zin arresten van 29 juni 2017, Popławski, C‑579/15, EU:C:2017:503, punt 23, en 25 juli 2018, Generalstaatsanwaltschaft (Detentieomstandigheden in Hongarije), C‑220/18 PPU, EU:C:2018:589, punt 86].

73

De verwezenlijking van deze doelstellingen zou in gevaar worden gebracht indien de uitvoerende staat kan weigeren om de gezochte persoon over te leveren ingeval de rechters van de uitvaardigende lidstaat het vonnis van een rechter van een andere staat, waarbij die persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf voor een strafbaar feit dat op het grondgebied van laatstbedoelde staat is gepleegd, hebben erkend en ermee hebben ingestemd dat vonnis ten uitvoer te leggen. Een dergelijke weigering zou immers niet alleen de tenuitvoerlegging van de straf kunnen vertragen, maar zou er ook toe kunnen leiden dat de gezochte persoon onbestraft blijft.

74

Bovendien zou een uitlegging van artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 op grond waarvan in de in het vorige punt van het onderhavige arrest bedoelde situatie kan worden geweigerd om een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen, afbreuk kunnen doen aan de werking van de instrumenten voor justitiële samenwerking die tot doel hebben de reclassering van veroordeelde personen te bevorderen, zoals kaderbesluit 2008/909.

75

Dit kaderbesluit beoogt, volgens artikel 3, lid 1, regels vast te stellen volgens welke een lidstaat, ter bevordering van de reclassering van de veroordeelde persoon, een vonnis erkent en de door een rechter van een andere lidstaat opgelegde sanctie ten uitvoer legt. In het bijzonder volgt uit artikel 17, lid 1, van dat kaderbesluit dat de tenuitvoerlegging van een sanctie mede de vaststelling van beslissingen tot voorwaardelijke invrijheidsstelling van de veroordeelde omvat.

76

Indien de in de punten 73 en 74 van het onderhavige arrest vermelde uitlegging van artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 zou worden gevolgd, zou de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde hem dus in staat kunnen stellen zich te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van het restant van de straf in de staat die de veroordeling heeft erkend en die deze uitvoert, door zich te verplaatsen naar een andere lidstaat die de in die bepaling opgenomen grond voor de facultatieve weigering van de tenuitvoerlegging in zijn nationale recht heeft omgezet. Het daaruit voortvloeiende risico van straffeloosheid kan zowel de lidstaten ervan weerhouden om te verzoeken om erkenning van vonnissen als de bevoegde autoriteiten van de tenuitvoerleggingsstaat ertoe aanzetten het gebruik van instrumenten voor voorwaardelijke invrijheidsstelling te beperken.

77

Dezelfde overwegingen gelden mutatis mutandis voor kaderbesluit 2008/947, waarin de regels zijn vastgesteld volgens welke een andere lidstaat dan die waar de betrokkene is veroordeeld, vonnissen en, in voorkomend geval, proeftijdbeslissingen erkent en toezicht houdt op de op grond van een vonnis opgelegde proeftijdvoorwaarden of op de in dit kaderbesluit omschreven alternatieve straffen, aangezien dat kaderbesluit overeenkomstig artikel 1, lid 1, gelezen in samenhang met overweging 8 ervan, recidive beoogt te voorkomen, zowel slachtoffers als de samenleving in het algemeen beoogt te beschermen en de resocialisatie van veroordeelden beoogt te vergemakkelijken.

78

Uit voorgaande overwegingen volgt dat bij de beantwoording van de vraag of het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de veroordeling die in een derde staat is uitgesproken en die is erkend door de rechters van de lidstaat die een Europees aanhoudingsbevel heeft uitgevaardigd om die veroordeling ten uitvoer te leggen, „buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat” is gepleegd, rekening moet worden gehouden met de strafrechtelijke bevoegdheid van die derde staat, in casu het Koninkrijk Noorwegen, op grond waarvan dat strafbare feit kon worden vervolgd, en niet met die van de uitvaardigende lidstaat.

79

Met betrekking tot de vraag van de verwijzende rechter of rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat voorbereidingshandelingen zijn verricht, volstaat het op te merken dat uit punt 78 van het onderhavige arrest voortvloeit dat deze omstandigheid irrelevant is, aangezien die lidstaat het strafbare feit niet zelf heeft vervolgd, maar een vonnis van een rechter van een andere staat heeft erkend, welk vonnis laatstbedoelde rechter had gewezen op basis van zijn territoriale strafrechtelijke bevoegdheid.

80

Bijgevolg dient op de tweede vraag te worden geantwoord dat artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584 aldus moet worden uitgelegd dat, wanneer het gaat om een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd op basis van een rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat op grond waarvan in die lidstaat een door een rechter van een derde staat opgelegde straf ten uitvoer kan worden gelegd, in een geval waarin het betrokken strafbare feit op het grondgebied van deze derde staat is gepleegd, bij de beantwoording van de vraag of dit strafbare feit „buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat” is gepleegd, rekening moet worden gehouden met de strafrechtelijke bevoegdheid van die derde staat, in casu het Koninkrijk Noorwegen, op grond waarvan dat strafbare feit kon worden vervolgd, en niet met die van de uitvaardigende lidstaat.

Kosten

81

Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de verwijzende rechter over de kosten heeft te beslissen. De door anderen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakte kosten komen niet voor vergoeding in aanmerking.

 

Het Hof (Eerste kamer) verklaart voor recht:

 

1)

Artikel 1, lid 1, en artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moeten aldus worden uitgelegd dat een Europees aanhoudingsbevel kan worden uitgevaardigd op grond van een rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat waarbij de tenuitvoerlegging, in die lidstaat, van een door een rechter van een derde staat opgelegde straf wordt gelast, wanneer het betrokken vonnis op grond van een bilaterale overeenkomst tussen die staten is erkend bij een beslissing van een rechter van de uitvaardigende lidstaat. De uitvaardiging van het Europees aanhoudingsbevel is evenwel onderworpen aan de voorwaarde dat, ten eerste, de gezochte persoon is veroordeeld tot een vrijheidsstraf van ten minste vier maanden en, ten tweede, bij de procedure die heeft geleid tot de vaststelling, in de derde staat, van het nadien in de uitvaardigende lidstaat erkende vonnis, de grondrechten en in het bijzonder de uit de artikelen 47 en 48 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie voortvloeiende verplichtingen in acht zijn genomen.

 

2)

Artikel 4, punt 7, onder b), van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer het gaat om een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd op basis van een rechterlijke beslissing van de uitvaardigende lidstaat op grond waarvan in die lidstaat een door een rechter van een derde staat opgelegde straf ten uitvoer kan worden gelegd, in een geval waarin het betrokken strafbare feit op het grondgebied van deze derde staat is gepleegd, bij de beantwoording van de vraag of dit strafbare feit „buiten het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat” is gepleegd, rekening moet worden gehouden met de strafrechtelijke bevoegdheid van die derde staat, in casu het Koninkrijk Noorwegen, op grond waarvan dat strafbare feit kon worden vervolgd, en niet met die van de uitvaardigende lidstaat.

 

ondertekeningen


( *1 ) Procestaal: Engels.