|
7.9.2020 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 297/14 |
Arrest van het Hof (Derde kamer) van 16 juli 2020 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — België) — B. M. M. (C-133-19 en C-136/19), B. S. (C-133/19), B. M. (C-136/19), B. M. O. (C-137/19) / Belgische Staat
(Gevoegde zaken C-133/19, C-136/19 en C-137/19) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Ruimte van vrijheid, veiligheid en recht - Immigratiebeleid - Recht op gezinshereniging - Richtlijn 2003/86/EG - Artikel 4, lid 1 - Begrip “minderjarig kind” - Artikel 24, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Belangen van het kind - Artikel 47 van het Handvest van de grondrechten - Recht op een doeltreffende voorziening in rechte - Kinderen van de gezinshereniger die meerderjarig zijn geworden tijdens de beslissingsprocedure of de gerechtelijke procedure tegen de beslissing tot afwijzing van het verzoek om gezinshereniging)
(2020/C 297/18)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Raad van State
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: B. M. M. (C-133/19 en C-136/19), B. S. (C-133/19), B. M. (C-136/19), B. M. O. (C-137/19)
Verwerende partij: Belgische Staat
Dictum
|
1) |
Artikel 4, lid 1, eerste alinea, onder c), van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging moet aldus worden uitgelegd dat de datum die als uitgangspunt moet worden genomen om te bepalen of een ongehuwde derdelander of staatloze een minderjarig kind in de zin van deze bepaling is, de datum is waarop het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging voor minderjarige kinderen wordt ingediend en niet die waarop door de bevoegde instanties van deze lidstaat op dit verzoek wordt beslist, in voorkomend geval na een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een dergelijk verzoek. |
|
2) |
Artikel 18 van richtlijn 2003/86, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het eraan in de weg staat dat het beroep tegen de afwijzing van een verzoek van een minderjarig kind om gezinshereniging niet-ontvankelijk wordt verklaard op de enkele grond dat het kind tijdens de gerechtelijke procedure meerderjarig is geworden. |