9.11.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 378/7


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 3 september 2020 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door de Sąd Rejonowy Szczecin — Prawobrzeże i Zachód w Szczecinie en de Sąd Rejonowy w Opatowie — Polen) — Profi Credit Polska SA/QJ (C-84/19), BW/DR (C-222/19), QL/CG (C-252/19)

(Gevoegde zaken C-84/19, C-222/19 en C-252/19) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Consumentenbescherming - Richtlijn 93/13/EEG - Artikel 1, lid 2 - Werkingssfeer - Nationale bepaling waarbij het maximumbedrag aan totale niet-rentekosten van het krediet wordt bepaald - Artikel 3, lid 1 - Contractueel beding op grond waarvan de kosten van de economische activiteit van de kredietgever worden doorberekend aan de consument - Aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de partijen - Artikel 4, lid 2 - Verplichting om contractuele bedingen duidelijk en begrijpelijk te formuleren - Contractuele bedingen die niet specificeren welke diensten zij beogen te vergoeden - Richtlijn 2008/48/EG - Artikel 3, onder g) - Nationale wettelijke regeling tot vaststelling van een methode voor de berekening van het maximumbedrag aan niet-rentekosten van het krediet dat aan de consument in rekening kan worden gebracht)

(2020/C 378/08)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechters

Sąd Rejonowy Szczecin — Prawobrzeże i Zachód w Szczecinie, Sąd Rejonowy w Opatowie

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Profi Credit Polska S.A. (C-84/19), BW (C-222/19), QL (C-252/19)

Verwerende partijen: QJ (C-84/19), DR (C-222/19), CG (C-252/19)

Dictum

1)

Artikel 3, onder g), en artikel 22 van richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van richtlijn 87/102/EEG van de Raad moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale wettelijke regeling inzake consumentenkrediet waarbij een methode wordt vastgesteld voor de berekening van het maximumbedrag aan niet-rentekosten van het krediet dat aan de consument in rekening kan worden gebracht, zelfs als deze berekeningsmethode de verkoper in staat stelt om de consument een deel van de algemene kosten van zijn economische activiteit te laten dragen, mits deze wettelijke regeling, wegens haar bepalingen betreffende dit maximumbedrag, niet in strijd is met de bij deze richtlijn geharmoniseerde regels.

2)

Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011, moet aldus worden uitgelegd dat een contractueel beding waarbij de niet-rentekosten van het krediet worden bepaald overeenkomstig de in een nationale wettelijke regeling inzake consumentenkrediet vastgestelde bovengrens, niet is uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn wanneer deze wettelijke regeling bepaalt dat het gedeelte van de niet-rentekosten van het krediet dat die bovengrens of het totaalbedrag van het krediet overschrijdt, niet verschuldigd is.

3)

Artikel 4, lid 2, van richtlijn 93/13, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83, moet aldus worden uitgelegd dat bedingen in een consumentenkredietovereenkomst waarbij andere kosten dan de terugbetaling van de hoofdsom en contractuele rente ten laste van de consument worden gebracht, niet onder de uitzondering van die bepaling vallen wanneer die bedingen noch de aard van deze kosten noch de diensten die zij beogen te vergoeden, specificeren en zodanig zijn geformuleerd dat bij de consument verwarring ontstaat over zijn verplichtingen en de economische gevolgen van die bedingen, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.

4)

Artikel 3, lid 1, van richtlijn 93/13, zoals gewijzigd bij richtlijn 2011/83, moet aldus worden uitgelegd dat een contractueel beding inzake de niet-rentekosten van het krediet, waarbij deze kosten onder een wettelijke bovengrens worden vastgesteld en kosten van de economische activiteit van de kredietgever worden afgewenteld op de consument, kan leiden tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van partijen ten nadele van de consument, wanneer dat beding de consument kosten laat dragen die niet in verhouding staan tot de ontvangen prestaties en het ontvangen bedrag van de lening, hetgeen de verwijzende rechter dient na te gaan.


(1)  PB C 164 van 13.5.2019.

PB C 280 van 19.8.2019.