(Zaak T‑481/18)

Electroquímica Onubense, SL

tegen

Europees Agentschap voor chemische stoffen

Beschikking van het Gerecht (Eerste kamer) van 8 april 2019

„REACH – Vertegenwoordiging door een advocaat die geen derde is – Kennelijke niet-ontvankelijkheid”

  1. Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Voorwaarden in verband met de ondertekenaar – Hoedanigheid van derde ten opzichte van de partijen – Onderneming vertegenwoordigd door een advocaat die als werknemer in dienst van verzoekster is – Niet-eerbiediging van het vereiste van onafhankelijkheid

    (Statuut van het Hof van Justitie, art. 19, derde en vierde alinea, en art. 53, eerste alinea)

    (zie punten 10‑12, 14, 15)

  2. Gerechtelijke procedure – Inleidend verzoekschrift – Vormvereisten – Ondertekening door een advocaat – Begrip advocaat – Autonome uitlegging

    (Statuut van het Hof van Justitie, art. 19, vierde alinea)

    (zie punten 20, 21)

Samenvatting

In de zaak die heeft geleid tot de beschikking van 8 april 2019, Electroquimica Onubense/ECHA (T‑481/18), is bij het Gerecht beroep ingesteld tegen besluit SME D(2018) 2931 DC van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (hierna: „ECHA”) van 31 mei 2018 waarbij is vastgesteld dat verzoekster niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de lagere vergoeding voor kleine ondernemingen, en haar de betaling van een vergoeding voor administratieve kosten is opgelegd.

ECHA heeft een middel van niet-ontvankelijkheid opgeworpen op grond dat de advocaat die verzoekster vertegenwoordigt niet bleek te voldoen aan de voorwaarde van onafhankelijkheid die wordt gesteld door het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. ECHA baseerde zich op de omstandigheid dat de advocaat van verzoekster in het verzoekschrift als contactadres een e-mailadres had opgegeven met daarin de domeinnaam van verzoekster.

Het Gerecht herinnert om te beginnen aan de rechtspraak volgens welke in het bijzonder uit het gebruik van de term „vertegenwoordigd” in artikel 19, derde alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie voortvloeit dat een partij in de zin van dit artikel voor het instellen van beroep bij het Gerecht gebruik dient te maken van de diensten van een „derde” die bevoegd is op te treden voor de rechterlijke instanties van een lidstaat of van een staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de EER.

Dit vereiste om gebruik te maken van een derde komt overeen met de opvatting over de rol van de advocaat, waarbij deze wordt beschouwd als een medewerker van de rechtspleging, die geheel onafhankelijk en in het hogere belang van de rechtspleging de door zijn cliënt benodigde rechtskundige bijstand moet verlenen. Het begrip onafhankelijkheid van de advocaat voor de rechterlijke instanties van de Unie wordt immers niet alleen positief – door een verwijzing naar de beroepstucht – maar ook negatief – door de nadruk op het ontbreken van een dienstbetrekking tussen de advocaat en zijn cliënt – omschreven.

Gelet op het feit dat de advocaat van verzoekster als werknemer van verzoekster de functie van directeur personeelszaken uitoefent, heeft het Gerecht geoordeeld dat deze advocaat niet als een van verzoekster onafhankelijke derde kan worden beschouwd. Het risico bestaat immers dat de professionele mening van de advocaat van verzoekster door zijn functie ten minste ten dele wordt beïnvloed door zijn professionele omgeving, zodat hij ten opzichte van verzoekster noodzakelijkerwijze minder onafhankelijk is dan een advocaat die ten aanzien van zijn cliënt extern is.

Bovendien heeft het Gerecht geoordeeld dat uit zijn bevoegdheid om voor de nationale rechterlijke instanties op te treden niet kan worden afgeleid dat González Blanco automatisch verzoekster mag vertegenwoordigen voor het Gerecht.

Het Gerecht benadrukt dat de bepalingen inzake de vertegenwoordiging van andere partijen dan de lidstaten en de instellingen voor de rechterlijke instanties van de Unie zoveel mogelijk autonoom en zonder verwijzing naar het nationale recht moeten worden uitgelegd, en het komt tot de slotsom dat het feit dat in Spanje het vrije beroep van advocaat verenigbaar is met de functie die in casu door de advocaat van verzoekster als werknemer van verzoekster wordt uitgeoefend, niet als zodanig kan aantonen dat is voldaan aan het vereiste van onafhankelijkheid.