201808030672050962018/C 294/633422018TC29420180820NL01NLINFO_JUDICIAL20180530484921

Zaak T-342/18: Beroep ingesteld op 30 mei 2018 — Nichicon Corporation/Commissie


C2942018NL4810120180530NL0063481492

Beroep ingesteld op 30 mei 2018 — Nichicon Corporation/Commissie

(Zaak T-342/18)

2018/C 294/63Procestaal: Engels

Partijen

Verzoekende partij: Nichicon Corporation (Kioto, Japan) (vertegenwoordigers: A. Ablasser-Neuhuber, F. Neumayr, G. Fussenegger en H. Kühnert, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

besluit C(2018) 1768 final van de Commissie van 21 maart 2018 betreffende een procedure op grond van artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst (zaak AT.40136 — Condensatoren) in zijn geheel nietig te verklaren voor zover het betrekking heeft op verzoekster;

subsidiair:

a.

artikel 1, onder f), van het bestreden besluit, waarbij wordt vastgesteld dat verzoekster in de sector van elektrolytische condensatoren heeft deelgenomen aan één enkele en voortdurende inbreuk op artikel 101 VWEU en artikel 53 van de EER-overeenkomst die de hele EER bestreek en die bestond in overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen om het prijsgedrag onderling af te stemmen van 26 juni 1998 tot en met 31 mei 2010, en

b.

artikel 2, onder i), van het bestreden besluit, waarbij verzoekster een geldboete van 72901000 EUR is opgelegd,

gedeeltelijk nietig te verklaren, en

de aan verzoekster opgelegde geldboete te verlagen op grond van artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad ( 1 );

hoe dan ook, zijn eigen beoordeling van het bedrag van de geldboete in de plaats te stellen van die van de Commissie, en de aan verzoekster opgelegde geldboete te verlagen op grond van artikel 261 VWEU en artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad, en

de Commissie te verwijzen in de kosten overeenkomstig artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter onderbouwing van haar beroep voert verzoekster vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan feitelijke onjuistheden

De beweerde feitelijke onjuistheden hebben met name betrekking op drie contactperiodes. Volgens verzoekster heeft de Commissie onjuiste feitelijke vaststellingen verricht die onvoldoende waren bewezen. Dientengevolge is de Commissie er ten onrechte van uitgegaan dat artikel 101 VWEU was geschonden.

2.

Twee middel, ontleend aan onjuiste rechtsopvattingen bij de kwalificatie als één enkele en voortdurende inbreuk en bij de aanname dat verzoekster aansprakelijk was voor de deelneming

Het tweede middel betreft de omstandigheid dat de Commissie volgens verzoekster blijk heeft gegeven van onjuiste opvattingen, zowel wat de kwalificatie van de contacten als één enkele en voortdurende inbreuk betreft als wat verzoeksters aansprakelijkheid voor een dergelijke inbreuk betreft. Ten eerste heeft de Commissie niet rechtens genoegzaam aangetoond dat er sprake was van één enkele en voortdurende inbreuk. Ten tweede heeft zij verzoekster ten onrechte aansprakelijk gesteld voor contacten waaraan die laatste niet had deelgenomen. Ten derde is de Commissie verkeerdelijk tot de slotsom gekomen dat de inbreuk vóór 7 november 2003 ononderbroken had voortgeduurd. Ten vierde heeft zij verzoekster ten onrechte aansprakelijk gesteld voor voortgezette deelneming aan één enkele en voortdurende inbreuk na 10 november 2008. Wegens overschrijding van de gestelde termijn kon de Commissie verzoekster bijgevolg geen geldboetes meer opleggen. Ten vijfde heeft zij ten onrechte geoordeeld dat verzoekster nog steeds aan één enkele en voortdurende inbreuk deelnam ook al had deze laatste zich uitdrukkelijk daarvan gedistantieerd.

3.

Derde middel, ontleend aan onbevoegdheid

4.

Vierde middel, ontleend aan een kennelijke beoordelingsfout bij de vaststelling van de geldboete

In haar vierde middel beroept verzoekster zich op kennelijke beoordelingsfouten bij de vaststelling van de geldboete. Ten eerste is de Commissie voorbijgegaan aan het evenredigheidsbeginsel en aan haar eigen richtsnoeren voor de berekening van geldboeten door de geldboete ten onrechte op basis van de gehele verkoopwaarde in de EER te berekenen. Ten tweede en ten derde heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel, de motiveringplicht alsook het ne-bis-in-idem-beginsel geschonden doordat zij zowel de coëfficiënt voor de ernst van de inbreuk als het aanvullend bedrag onjuist heeft bepaald. Ten vierde heeft zij het evenredigheidsbeginsel, haar motiveringsplicht en het beginsel van gelijke behandeling geschonden door bij de bepaling van de geldboete er onvoldoende rekening mee te houden dat verzoeksters slechts in beperkte mate aan de inbreuk had deelgenomen. Bovendien heeft de Commissie het evenredigheidsbeginsel en de richtsnoeren voor de berekening van de geldboeten geschonden waar zij verzoeksters eventuele nalatigheid, haar zeer beperkte rol en het feit dat zij zich concurrerend op de markt had gedragen, niet als verzachtende omstandigheden in aanmerking heeft genomen.

5.

Vijfde middel, ontleend aan schending van wezenlijke vormschriften

Met het vijfde middel betoogt verzoekster dat de Commissie wezenlijke vormschriften in de zin van artikel 263 VWEU heeft geschonden door Nichicon geen aanvullende punten van bezwaar mee te delen en haar onvoldoende tijd te verlenen om zich te verdedigen.


( 1 ) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).