Zaak T‑248/18
Diosdado Cabello Rondón
tegen
Raad van de Europese Unie
Arrest van het Gerecht (Zevende kamer) van 14 juli 2021
„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela – Bevriezing van tegoeden – Lijsten van personen, entiteiten en lichamen waarvan de tegoeden en economische middelen zijn bevroren – Inschrijving van verzoekers naam op de lijsten – Handhaving van verzoekers naam op de lijsten – Motiveringsplicht – Rechten van de verdediging – Beginsel van behoorlijk bestuur – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Beoordelingsfout – Vrijheid van meningsuiting”
Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela – Bevriezing van tegoeden van personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten of de rechtsstaat ondermijnen – Minimumvereisten
[Art. 296 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2, c); besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2018/90, bijlage I; verordeningen van de Raad 2017/2063, bijlage IV, en 2018/88]
(zie punten 40‑43)
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela – Bevriezing van tegoeden van personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten of de rechtsstaat ondermijnen – Verplichting om in de motivering de individuele en specifieke redenen voor dergelijke maatregelen op te geven – Besluit genomen in een door de belanghebbende gekende context zodat hij de strekking van de hem betreffende maatregelen kan begrijpen
[Art. 296 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2, c); besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2018/90, bijlage I; verordeningen van de Raad 2017/2063, bijlage IV, en 2018/88]
(zie punten 44, 47‑53)
Unierecht – Beginselen – Rechten van de verdediging – Recht op effectieve rechterlijke bescherming – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela – Bevriezing van tegoeden van personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten of de rechtsstaat ondermijnen – Verplichtingen van de Raad – Mededeling aan de betrokkene van de elementen waarop de maatregelen zijn gebaseerd en recht om te worden gehoord – Inachtneming van een redelijke termijn
[Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2, a), en 47; besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad, zoals gewijzigd bij besluit (GBVB) 2018/90, bijlage I; verordeningen van de Raad 2017/2063, bijlage IV, en 2018/88]
(zie punten 55‑58, 61)
Europese Unie – Rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela – Omvang van het toezicht – Bewijs van de gegrondheid van de maatregel – Verplichting voor de bevoegde autoriteit van de Unie om in geval van betwisting de gegrondheid van de tegen de betrokken personen of entiteiten aangevoerde redenen aan te tonen
[Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 47; besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad, zoals gewijzigd bij besluiten (GBVB) 2018/90 en (GBVB) 2018/1656, bijlage I; verordeningen van de Raad 2017/2063, bijlage IV, en 2018/1653]
(zie punten 64‑67)
Europese Unie – Rechterlijk toezicht op de rechtmatigheid van de handelingen van de instellingen – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela – Omvang van het toezicht – Inschrijving van personen die betrokken zijn bij het ondermijnen van de democratie en de rechtsstaat – Inschrijving van verzoeker op de lijst in de bijlage bij het bestreden besluit wegens zijn betrokkenheid bij het ondermijnen van de democratie en de rechtsstaat – Voor het publiek toegankelijke documenten – Bewijswaarde – Beginsel van de vrije beoordeling van het bewijs – Kennelijk onjuiste beoordeling – Geen
[Besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad, zoals gewijzigd bij besluiten (GBVB) 2018/90 en (GBVB) 2018/1656, bijlage I; verordeningen van de Raad 2017/2063, bijlage IV, en 2018/1653]
(zie punten 69, 78, 79, 86, 91‑94)
Grondrechten – Vrijheid van meningsuiting – Huldiging in artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens – Identieke betekenis en draagwijdte
(Art. 6, leden 1, derde alinea, en 3, VEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 11 en 52, leden 3 en 7)
(zie punten 100, 101)
Unierecht – Beginselen – Grondrechten – Eerbiediging verzekerd door de Unierechter – Inaanmerkingneming van Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens – Vrijheid van meningsuiting – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela – Oproep tot haat, geweld en onverdraagzaamheid in de media in een politieke context – Recht op de ruimere vrijheid van meningsuiting – Geen
[Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 11, lid 1; besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad, zoals gewijzigd bij besluiten (GBVB) 2018/90 en (GBVB) 2018/1656, art. 6, lid 1, b), en bijlage I; verordeningen van de Raad 2017/2063, bijlage IV, en 2018/1653]
(zie punten 102‑115, 117, 118)
Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid – Beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela – Bevriezing van tegoeden van personen die verantwoordelijk zijn voor ernstige schendingen van de mensenrechten of de rechtsstaat ondermijnen – Beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting – Schending van het evenredigheidsbeginsel – Geen
Art. 21, lid 2, b), en 29, VEU; art. 215 VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 11 en 52, lid 1; besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad, zoals gewijzigd bij besluiten (GBVB) 2018/90 en (GBVB) 2018/1656, art. 7, lid 4, en 13 en bijlage I; verordeningen van de Raad 2017/2063, art. 9, lid 1, en bijlage IV, 2018/88 en 2018/1653]
(zie punten 119‑127, 130‑132)
Samenvatting
Op 13 november 2017 heeft de Raad van de Europese Unie besluit (GBVB) 2017/2074 en verordening (EU) 2017/2063 ( 1 ) vastgesteld betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela, die wordt gekenmerkt door de aanhoudende verslechtering van de toestand van de democratie, de rechtsstaat en de mensenrechten. Deze handelingen voorzien met name in een bevriezing van de tegoeden en economische middelen van personen van wie de acties, beleidsmaatregelen of activiteiten de democratie of de rechtsstaat in Venezuela op enigerlei wijze ondermijnen. Bij besluit (GBVB) 2018/90 en uitvoeringsverordening 2018/88 van 22 januari 2018 ( 2 ) heeft de Raad verzoeker, Cabello Rondòn, op de lijsten geplaatst van personen en entiteiten waarop die handelingen van toepassing zijn omdat hij als lid van de Grondwetgevende Vergadering en eerste vicevoorzitter van de Verenigde Socialistische Partij betrokken was bij het ondermijnen van de democratie en de rechtsstaat in Venezuela, onder meer door de media te gebruiken om andere media en het maatschappelijk middenveld publiekelijk aan te vallen en te bedreigen. Verzoeker heeft op 16 april 2018 beroep tot nietigverklaring van die handelingen ingesteld. Vervolgens heeft hij zijn verzoekschrift aangepast, zodat het ook betrekking heeft op besluit 2018/1656 en uitvoeringsverordening 2018/1653 ( 3 ), waarbij de Raad de jegens hem vastgestelde beperkende maatregelen had verlengd door in de motivering van die maatregelen de verwijzing naar verzoekers functie, die voorzitter van de Grondwetgevende Vergadering was geworden, te actualiseren.
Het Gerecht verwerpt verzoekers beroep met name op grond dat de tegen hem gerichte beperkende maatregelen zijn vrijheid van meningsuiting niet schenden.
Beoordeling door het Gerecht
Om te beginnen herinnert het Gerecht eraan dat volgens de artikelen 21 en 23 VEU bij elk optreden van de Unie de grondrechten moeten worden geëerbiedigd, met name de vrijheid van meningsuiting en van informatie zoals gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”) en artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In dit verband merkt het Gerecht op dat het EVRM weliswaar geen formeel in de rechtsorde van de Unie opgenomen rechtsinstrument is, maar dat de daarin erkende grondrechten krachtens artikel 6, lid 3, VEU als algemene beginselen deel uitmaken van het Unierecht. Bovendien bepaalt artikel 52, lid 3, van het Handvest dat voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en de reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door het EVRM aan worden toegekend.
In die omstandigheden herinnert het Gerecht eraan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: „EHRM”) reeds heeft geoordeeld dat de vrijheid van meningsuiting een van de wezenlijke fundamenten van een democratische samenleving vormt. Het EHRM kent bijzonder gewicht toe aan de rol van journalisten als „waakhonden” van de democratie, en dringt daarom aan op „de grootst mogelijke voorzichtigheid” bij het beoordelen van de geldigheid van de beperkingen van hun vrijheid van meningsuiting. Niettemin is het EHRM, a fortiori in het geval van audiovisuele media, van oordeel dat hun recht om informatie te verstrekken over kwesties van algemeen belang wordt beschermd op voorwaarde dat zij te goeder trouw en op basis van juiste feiten handelen en „betrouwbare en nauwkeurige” informatie verstrekken met inachtneming van de journalistieke ethiek. Bovendien laat het EVRM volgens het EHRM weinig ruimte voor beperkingen van de vrijheid van meningsuiting op het gebied van het politieke discours of kwesties van algemeen belang. De in het kader daarvan gedane uitspraken vereisen immers een ruime bescherming, behalve wanneer het politieke discours uitmondt in een oproep tot geweld, haat of onverdraagzaamheid.
Het Gerecht merkt echter op dat verzoeker, anders dan in de zaken waarin het EHRM zijn rechtspraak heeft ontwikkeld, zich niet beroept op de vrijheid van meningsuiting als verweermiddel tegen de Venezolaanse Staat, doch om te ontsnappen aan beperkende maatregelen, die bewarend en niet strafrechtelijk van aard zijn, die de Raad jegens hem heeft vastgesteld.
Wat in de eerste plaats verzoekers gestelde hoedanigheid van journalist betreft, wijst het Gerecht erop dat zijn wekelijkse televisieprogramma, dat het enige bewijs is van zijn hoedanigheid van journalist, in het verlengde lijkt te liggen van zijn politieke activiteiten. Het stelt vast dat zijn tussenkomsten in de media, waarop de Raad zich ter rechtvaardiging van de bestreden handelingen heeft gebaseerd, met name deel uitmaken van zijn politieke handelingen. Het Gerecht herinnert er in dit verband aan dat uit de rechtspraak van het EHRM volgt dat de beginselen inzake de goede trouw en de ethische verplichtingen van journalisten ook van toepassing zijn op andere personen die zich in het publieke debat mengen. Verzoeker heeft de media echter vrijelijk gebruikt om de politieke oppositie, andere media en het maatschappelijk middenveld in het openbaar te bedreigen en te intimideren. Derhalve is het Gerecht van oordeel dat de handelingen van verzoeker die de Raad heeft onderzocht een aansporing vormen tot geweld, haat en onverdraagzaamheid, zodat zij niet de verruimde vrijheid van meningsuiting kunnen genieten die uitspraken in een politieke context in beginsel beschermt. Derhalve verwerpt het Gerecht de argumenten die verzoeker ontleent aan zijn rol als journalist die verband houden met de vrijheid van meningsuiting van journalisten.
In de tweede plaats merkt het Gerecht op, na eraan te hebben herinnerd dat „eenieder” de vrijheid van meningsuiting geniet, dat de beperkende maatregelen in kwestie kunnen leiden tot een beperking van verzoekers vrijheid van meningsuiting. Het Gerecht merkt evenwel op dat de vrijheid van meningsuiting geen absoluut recht is en dat de uitoefening ervan, onder bepaalde voorwaarden, aan beperkingen kan worden onderworpen. Een beperking van de vrijheid van meningsuiting is slechts toegestaan indien zij bij wet is voorzien, beantwoordt aan een doel van algemeen belang en niet buitensporig is. Het Gerecht stelt vast dat in casu aan deze voorwaarden is voldaan en oordeelt derhalve dat de beperkende maatregelen in kwestie geen inbreuk maken op de vrijheid van meningsuiting van verzoeker.
( 1 ) Besluit (GBVB) 2017/2074 van de Raad van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PB 2017, L 295, blz. 60) en verordening (EU) 2017/2063 van de Raad van 13 november 2017 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PB 2017, L 295, blz. 21).
( 2 ) Besluit (GBVB) 2018/90 van de Raad van 22 januari 2018 houdende wijziging van besluit (GBVB) 2017/2074 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PB 2018, L 16 I, blz. 14) en uitvoeringsverordening (EU) 2018/88 van de Raad van 22 januari 2018 tot uitvoering van verordening (EU) 2017/2063 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PB 2018, L 16 I, blz. 6).
( 3 ) Besluit (GBVB) 2018/1656 van de Raad van 6 november 2018 houdende wijziging van besluit (GBVB) 2017/2074 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PB 2018, L 276, blz. 10) en uitvoeringsverordening (EU) 2018/1653 van de Raad van 6 november 2018 tot uitvoering van verordening (EU) 2017/2063 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Venezuela (PB 2018, L 276, blz. 1).