Zaak T‑228/18

(gedeeltelijke publicatie)

Transtec

tegen

Europese Commissie

Arrest van het Gerecht (Negende kamer) van 16 mei 2019

„Overheidsopdrachten voor diensten – Aanbestedingsprocedure – Raamovereenkomst voor het verrichten van diensten – Diensten ten behoeve van derde landen die externe bijstand van de Unie ontvangen – Afwijzing van de offerte van een inschrijver en gunning van de opdracht aan andere inschrijvers – Aantijgingen jegens een inschrijver inzake een ernstige beroepsfout – Geen definitieve rechterlijke beslissing of definitief administratief besluit waarbij een ernstige beroepsfout is vastgesteld – Voorwaarden voor verwijzing naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie – Abnormaal lage inschrijvingen – Motiveringsplicht – Inaanmerkingneming van een brief van de aanbestedende dienst die is verstuurd nadat beroep was ingesteld – Recht op een doeltreffende voorziening in rechte – Wachttermijn voor het instellen van beroep tegen het gunningsbesluit – Gelijke behandeling – Discriminatieverbod – Artikelen 105 bis, 106, 108, 113 en 118 van het Financieel Reglement – Niet-contractuele aansprakelijkheid”

  1. Overheidsopdrachten van de Europese Unie – Aanbestedingsprocedure – Gunning van de opdrachten – Uitsluiting van inschrijvers wegens een ernstige beroepsfout – Geen definitieve rechterlijke beslissing of definitief administratief besluit – Verplichte verwijzing naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie – Voorwaarden – Bestaan van toereikende aanwijzingen voor de betrokken fout – Risico dat de financiële belangen van de Unie in gevaar brengt

    (Verordening nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad, artikelen 105 bis, 106 en 108)

    (zie punten 53, 54)

  2. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beoordeling van de motiveringsplicht aan de hand van de omstandigheden van het geval – Noodzaak om alle relevante feitelijke en juridische elementen te vermelden – Geen

    [Art. 296, tweede alinea, VWEU; Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, art. 41, lid 2, c)]

    (zie punten 91, 92)

  3. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Besluit om een offerte niet te kiezen, genomen in het kader van de procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht voor diensten – Verplichting om op schriftelijk verzoek de kenmerken en de relatieve voordelen van de gekozen offerte alsmede de naam van de opdrachtnemer mee te delen – Verplichting voor de aanbestedende dienst om een nauwkeurige vergelijkende analyse van de gekozen offerte en van de offerte van de niet-gekozen inschrijver te verstrekken – Geen

    (Verordening nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad, art. 113, leden 2 en 3; verordening nr. 1268/2012 van de Commissie, art. 161, lid 2)

    (zie punten 93‑95, 99)

  4. Handelingen van de instellingen – Motivering – Verplichting – Omvang – Beoordeling aan de hand van de gegevens waarover de verzoeker beschikte ten tijde van de instelling van het beroep – Inaanmerkingneming van een brief van de verwerende partij die is verstuurd nadat beroep was ingesteld

    (Art. 296, tweede alinea, VWEU)

    (zie punt 96)

Samenvatting

In het arrest van 16 mei 2019, Transtec/Commissie (T‑228/18), heeft het Gerecht het beroep tot nietigverklaring en tot schadevergoeding verworpen dat was ingesteld door Transtec, een inschrijver die was afgewezen tijdens de procedure voor het plaatsen van een overheidsopdracht, die de Europese Commissie had geopend met het oog op de sluiting van een meervoudige raamovereenkomst voor het verrichten van expertisediensten ten behoeve van derde landen die externe bijstand van de Europese Unie ontvangen.

In de eerste plaats verweet verzoekster de Commissie dat zij niet was overgegaan tot de uitsluiting van een van de opdrachtnemers, tegen wie de Britse autoriteiten zouden zijn opgetreden „vanwege onregelmatigheden en dubieuze gunningen van overheidsopdrachten”, zonder dat dit optreden evenwel tot een definitieve rechterlijke beslissing had geleid.

Dienaangaande heeft het Gerecht in herinnering gebracht dat indien er geen definitieve rechterlijke beslissing of definitief administratief besluit ten aanzien van een inschrijver is genomen, de aanbestedende dienst de zaak naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement ( 1 ) bedoelde instantie moet verwijzen wanneer hij over voldoende aanwijzingen beschikt om te vermoeden dat de inschrijver schuldig is aan met name het begaan van een ernstige beroepsfout. De aanbestedende dienst moet evenwel voorafgaand aan de verwijzing naar die instantie beoordelen of de vastgestelde mogelijke financiële onregelmatigheid kan leiden tot risico’s die de financiële belangen van de Unie in gevaar brengen. ( 2 )

In casu heeft het Gerecht vastgesteld dat uit de door verzoekster overgelegde documenten enkel bleek dat tegen de betrokken opdrachtnemer „aantijgingen” waren geuit – waarbij onduidelijk was door wie – die betrekking hadden op onregelmatigheden bij de gunning van overheidsopdrachten in het Verenigd Koninkrijk, zonder dat duidelijker werd gemaakt in welke omstandigheden deze onregelmatigheden zich zouden hebben voorgedaan. Het Gerecht heeft hieruit opgemaakt dat die documenten niet volstonden om vast te stellen dat de gedraging van de betrokken opdrachtnemer een ernstige beroepsfout vormde die de financiële belangen van de Unie in gevaar bracht, en dat de Commissie dus niet gehouden was om de zaak naar de in artikel 108 van het Financieel Reglement bedoelde instantie te verwijzen.

In de tweede plaats beriep verzoekster zich op een ontoereikende motivering, voor zover de Commissie haar in het bestreden besluit enkel had meegedeeld dat zij niet de beste prijs-kwaliteitverhouding had geboden, en haar enkel, in de vorm van een tabel, de aan de gekozen inschrijvers toegekende scores had doen toekomen.

Dienaangaande heeft het Gerecht eraan herinnerd dat bij de beoordeling of de motiveringsplicht is nageleefd, in beginsel rekening moet worden gehouden met de informatie waarover de verzoekende partij beschikt op het tijdstip waarop zij haar beroep instelt, en opgemerkt dat verzoekster in casu op het tijdstip waarop zij haar beroep instelde uitsluitend over het bestreden besluit beschikte. Niettemin heeft het Gerecht tevens opgemerkt dat volgens de relevante bepalingen van het Financieel Reglement en de uitvoeringsverordening ( 3 ) de motivering van het besluit van een aanbestedende dienst houdende afwijzing van een offerte en gunning van de opdracht aan een andere inschrijver in twee fasen kan plaatsvinden, met allereerst een summiere uiteenzetting van de redenen voor de afwijzing van de offerte en vervolgens, binnen vijftien dagen na ontvangst van het uitdrukkelijke verzoek daartoe van de afgewezen inschrijver, een beschrijving van de kenmerken en de relatieve voordelen van de gekozen offerte en de naam van de succesvolle inschrijver. ( 4 )

In casu heeft verzoekster de Commissie inderdaad verzocht om haar overeenkomstig voornoemde bepalingen de precieze redenen mede te delen voor de afwijzing van haar offerte en voor de gunning van de opdracht aan een andere inschrijver. Zij heeft echter haar beroep ingesteld vóór het verstrijken van de termijn van vijftien dagen waarover de Commissie beschikt om op een dergelijk verzoek te antwoorden. Bovendien heeft verzoekster zelf tijdens de procedure de brief overgelegd waarmee de Commissie had geantwoord op haar verzoek om de betrokken redenen mede te delen. Bij de indiening van die brief heeft verzoekster tegelijkertijd in een aanvullende memorie bij haar verzoekschrift een standpunt ingenomen over de inhoud van die brief. Het overleggen van de brief van de Commissie en de aanvullende memorie van verzoekster zijn door het Gerecht ontvankelijk geacht.

Het Gerecht heeft derhalve overwogen dat verzoekster in staat was om de redenen die ten grondslag lagen aan de door de Commissie gemaakte rangschikking van haar offerte te begrijpen, en het middel betreffende een ontoereikende motivering afgewezen. Bijgevolg heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen.


( 1 ) Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 (PB 2012, L 298, blz. 1).

( 2 ) Artikelen 105 bis en 106 van het Financieel Reglement.

( 3 ) Gedelegeerde verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor het Financieel Reglement (PB 2012, L 362, blz. 1).

( 4 ) Artikel 113, leden 2 en 3, van het Financieel Reglement en artikel 161, lid 2, van de uitvoeringsverordening.