Zaak T‑31/18
Luisa Izuzquiza en Arne Semsrott
tegen
Europees grens- en kustwachtagentschap
Arrest van het Gerecht (Eerste kamer) van 27 november 2019
„Toegang tot documenten – Verordening (EG) nr. 1049/2001 – Documenten betreffende een zeeoperatie die Frontex in 2017 heeft uitgevoerd in het centrale Middellandse Zeegebied – Ingezette schepen – Weigering van toegang – Artikel 4, lid 1, onder a), van verordening nr. 1049/2001 – Uitzondering betreffende de bescherming van het openbaar belang op het gebied van de openbare veiligheid”
Instellingen van de Europese Unie – Recht van het publiek op toegang tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Werkingssfeer – Verzoek om toegang dat ertoe strekt een zoekactie in gegevensbestanden te verkrijgen – Daaronder begrepen – Begrip „bestaand document” – Document dat is samengesteld op basis van informatie die met behulp van de bestaande zoekinstrumenten uit gegevensbanken is gehaald – Daaronder begrepen
[Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 3, a)]
(zie punten 51‑54)
Instellingen van de Europese Unie – Recht van het publiek op toegang tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op het recht op toegang tot documenten – Motiveringsplicht – Omvang – Bewijs dat er sprake is van een redelijkerwijs voorzienbaar en niet louter hypothetisch risico op ondermijning van een beschermd belang
(Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad, overweging 11 en art. 4)
(zie punten 58‑62, 74)
Instellingen van de Europese Unie – Recht van het publiek op toegang tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op het recht op toegang tot documenten – Bescherming van het openbaar belang – Rechterlijke toetsing – Omvang – Grenzen
[Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4, lid 1, a)]
(zie punten 63‑65)
Instellingen van de Europese Unie – Recht van het publiek op toegang tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op het recht op toegang tot documenten – Bescherming van het openbaar belang – Openbare veiligheid – Omvang – Afweging van de verplichting om te communiceren tegen de behoeften inzake openbare veiligheid
[Verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4, lid 1, a), eerste streepje, en verordening 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad, art. 8, lid 3, en art. 74, lid 2]
(zie punten 91‑93)
Instellingen van de Europese Unie – Recht van het publiek op toegang tot documenten – Verordening nr. 1049/2001 – Uitzonderingen op het recht op toegang tot documenten – Bescherming van het openbaar belang – Openbare veiligheid – Weigering van toegang – Motiveringsplicht – Omvang
[Art. 296 VWEU; verordening nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad, art. 4, lid 1, a), eerste streepje]
(zie punten 107, 108, 112)
Samenvatting
Bij arrest van 27 november 2019, Izuzquiza en Semsrott/Frontex (T‑31/18), heeft het Gerecht het beroep dat was ingesteld tegen de weigering van het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex) om toegang te verlenen tot documenten met informatie over operatie Triton, verworpen op grond van de uitzondering betreffende de bescherming van het openbaar belang op het gebied van de openbare veiligheid.
In casu hadden Luisa Izuzquiza en Arne Semsrott, verzoekende partijen, Frontex verzocht om toegang tot documenten met informatie over de naam, het type en de vlag van alle schepen die het agentschap in de periode van 1 juni 2017 tot en met 30 augustus 2017 in het centrale Middellandse Zeegebied had ingezet in het kader van operatie Triton. Deze operatie, waarmee Frontex in november 2014 van start is gegaan, had tot doel het toezicht op en de bewaking van de veiligheid van de grenzen te verbeteren dankzij gezamenlijke patrouilles en het door de lidstaten beschikbaar gestelde materieel. Frontex heeft verzoekende partijen de toegang tot de documenten met die informatie geweigerd op grond van de in artikel 4, lid 1, onder a), eerste streepje, van verordening nr. 1049/2001 ( 1 ) neergelegde uitzondering betreffende de bescherming van het openbaar belang op het gebied van de openbare veiligheid.
Wat om te beginnen het door verzoekende partijen aangevoerde argument betreft dat Frontex niet heeft onderzocht of elk van de opgevraagde documenten onder de uitzondering betreffende de openbare veiligheid viel, heeft het Gerecht in herinnering gebracht dat het recht op toegang tot documenten van de instellingen zich weliswaar enkel uitstrekt tot bestaande documenten die daadwerkelijk bij de betrokken instelling berusten, maar dat bij elektronische gegevensbanken het onderscheid tussen een bestaand document en een nieuw document moet worden gemaakt op basis van een bij de technische specificaties van die gegevensbanken passend criterium. Derhalve moet alle informatie die met behulp van voorgeprogrammeerde zoekinstrumenten uit een elektronische gegevensbank kan worden gehaald in het kader van het gewone gebruik daarvan, als een bestaand document worden aangemerkt, ook indien die informatie nog niet in die vorm getoond of nog niet eerder door de personeelsleden van de instellingen is gezocht. Wanneer een document met dergelijke informatie wordt opgesteld, is de instelling of het agentschap in kwestie dan ook niet gehouden om elk van de documenten waaruit de opgevraagde gegevens afkomstig zijn, afzonderlijk te onderzoeken. Essentieel is immers dat de betreffende informatie afzonderlijk is onderzocht.
Vervolgens heeft het Gerecht benadrukt dat het feit dat de uitzonderingen van artikel 4 van verordening nr. 1049/2001 afwijken van het beginsel van de zo ruim mogelijke toegang van het publiek tot documenten, met zich meebrengt dat een instelling die besluit om de toegang te weigeren tot een document waarvan haar om de overlegging is verzocht, in beginsel dient uiteen te zetten in welk opzicht de toegang tot dat document een concrete en daadwerkelijke ondermijning zou kunnen vormen van het belang dat wordt beschermd door een uitzondering. Bovendien moet het risico van een dergelijke ondermijning redelijkerwijs voorzienbaar zijn en mag het niet louter hypothetisch zijn.
Ten slotte heeft het Gerecht opgemerkt dat de verwerende instelling of het verwerende agentschap die respectievelijk dat wordt geconfronteerd met een verzoek om bepaalde informatie openbaar te maken, in de motivering van de bestreden handeling geen informatie hoeft te onthullen waarvan de openbaarmaking zou leiden tot aantasting van het openbaar belang waarop de door die instelling of dat agentschap ingeroepen uitzondering betrekking heeft. Indien een dergelijke verplichting bestond, zou de instelling of het agentschap door het verstrekken van deze toelichtingen over de wijze waarop de opgevraagde informatie kan worden gebruikt, zelf een situatie in het leven roepen waarbij het gedrag van die instelling of dat agentschap de openbare veiligheid in gevaar zou brengen, terwijl het onder meer haar respectievelijk zijn taak is de openbare veiligheid te beschermen. In casu heeft Frontex aangevoerd dat indien de opgevraagde informatie openbaar werd gemaakt, het mogelijk zou zijn om – door deze informatie te combineren met informatie die op bepaalde internetsites of via bepaalde maritieme tools ter beschikking wordt gesteld van het publiek – de positie van de patrouilleschepen te kennen, en dat wanneer de bij het smokkelen van migranten en bij mensenhandel betrokken criminele netwerken in het bezit waren van die informatie, zij hun modus operandi zouden kunnen aanpassen om de grensbewaking te omzeilen. Deze toelichtingen stellen verzoekende partijen in staat om te begrijpen waarom hun de toegang tot de opgevraagde informatie is geweigerd.
( 1 ) Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB 2001, L 145, blz. 43).