ARREST VAN HET HOF (Tweede kamer)
26 maart 2020 ( *1 )
„Hogere voorziening – Staatssteun – Kapitaalinjectie en staatsgaranties – Begrip staatssteun – Begrip ,voordeel’ – Beginsel van de particuliere marktdeelnemer – Criterium van de particuliere investeerder – Verplichting van de Commissie tot zorgvuldig en onpartijdig onderzoek – Rechterlijke toetsing – Bewijslast – Begrip ‚onderneming in moeilijkheden’ – Richtsnoeren inzake reddings‑ en herstructureringssteun – Garantiemededeling – Tijdelijke kaderregeling van 2011 – Bedrag van de terug te vorderen steun – Motiveringsplicht van de Commissie en het Gerecht van de Europese Unie”
In zaak C‑244/18 P,
betreffende een hogere voorziening krachtens artikel 56 van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, ingesteld op 4 april 2018,
Larko Geniki Metalleftiki kai Metallourgiki AE, gevestigd te Athene (Griekenland), vertegenwoordigd door I. Drillerakis, E. Rantos, N. Korogiannakis, I. Soufleros, E. Triantafyllou en G. Psaroudakis, dikigoroi,
rekwirante,
andere partij in de procedure:
Europese Commissie, vertegenwoordigd door É. Gippini Fournier en A. Bouchagiar als gemachtigden,
verweerster in eerste aanleg,
wijst
HET HOF (Tweede kamer),
samengesteld als volgt: A. Arabadjiev (rapporteur), kamerpresident, P. G. Xuereb en T. von Danwitz, rechters,
advocaat-generaal: H. Saugmandsgaard Øe,
griffier: A. Calot Escobar,
gezien de stukken,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 24 oktober 2019,
het navolgende
Arrest
|
1 |
Met haar hogere voorziening verzoekt Larko Geniki Metalleftiki kai Metallourgiki AE (hierna: „Larko”) om vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 1 februari 2018, Larko/Commissie (T‑423/14, EU:T:2018:57; hierna: „bestreden arrest”), waarbij het Gerecht haar beroep heeft verworpen, dat strekte tot nietigverklaring van besluit 2014/539/EU van de Commissie van 27 maart 2014 betreffende de door Griekenland toegekende staatssteun SA.34572 (13/C) (ex 13/NN) ten gunste van Larco General Mining & Metallurgical Company SA (PB 2014, L 254, blz. 24; hierna: „litigieus besluit”). |
Toepasselijke bepalingen
Richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun
|
2 |
De punten 9 tot en met 11 van de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (PB 2004, C 244, blz. 2; hierna: „richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun”) luiden als volgt:
|
Garantiemededeling
|
3 |
De mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen [107] en [108 VWEU] op staatssteun in de vorm van garanties (PB 2008, C 155, blz. 10; hierna: „garantiemededeling”) vermeldt in punt 2.1, derde alinea: „Om eventuele twijfel weg te nemen, dient het begrip staatsmiddelen te worden verduidelijkt ten aanzien van staatsgaranties. Het voordeel van een staatsgarantie is dat het daaraan verbonden risico door de staat wordt gedragen. Dat de staat dit risico draagt, zou normaal gesproken door een passende premie moeten worden vergoed. Wanneer de staat geheel of gedeeltelijk van een dergelijke premie afziet, is er zowel een voordeel voor de onderneming als een derving van middelen door de staat. Ook wanneer blijkt dat de staat nimmer een betaling uit hoofde van een verstrekte garantie dient te verrichten, kan er toch sprake zijn van staatssteun in de zin van artikel [107], lid 1, [VWEU]. De steun wordt immers verleend op het tijdstip dat de garantie wordt toegekend en niet op het tijdstip waarop de garantie wordt aangesproken of waarop betalingen uit hoofde van de garantie plaatsvinden. Of een garantie al dan niet staatssteun vormt, en zo ja, wat dan het bedrag van die steun is, moet derhalve worden beoordeeld op het tijdstip waarop de garantie wordt verstrekt.” |
|
4 |
Punt 3.2, onder a) en d), van deze mededeling luidt: „Wat een individuele staatsgarantie betreft, is de Commissie van oordeel dat de naleving van elk van de voorwaarden a) tot en met d) voldoende is om de aanwezigheid van staatssteun te kunnen uitsluiten.
[...]
|
|
5 |
Punt 3.6 van deze mededeling luidt: „Indien niet aan een van de in de punten 3.2 tot en met 3.5 genoemde voorwaarden is voldaan, betekent dit niet dat de bewuste garantie of garantieregeling automatisch als staatssteun wordt aangemerkt. Indien er enige twijfel over bestaat of een voorgenomen garantie of garantieregeling staatssteun vormt, moet deze bij de Commissie worden aangemeld.” |
|
6 |
In punt 4.1, eerste en tweede alinea, en derde alinea, onder a), van de garantiemededeling wordt het volgende uiteengezet: „Wanneer een individuele garantie of een garantieregeling niet aan het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie voldoet, wordt deze geacht staatssteun te behelzen. Het staatssteunbestanddeel dient daarom te worden gekwantificeerd, om te kunnen nagaan of de steun op grond van een bepaalde afwijking van de staatssteunvoorschriften verenigbaar kan worden verklaard. In beginsel wordt het staatssteunbestanddeel geacht het verschil te zijn tussen de passende marktprijs van de individueel of via een regeling verstrekte garantie en de daadwerkelijk voor die maatregel betaalde prijs. De daaruit resulterende jaarlijkse subsidie-equivalenten in geld dienen aan de hand van het referentiepercentage tot hun actuele waarde te worden gedisconteerd en vervolgens te worden samengeteld om tot het totale subsidie-equivalent te komen. Bij het berekenen van het steunbestanddeel in een garantie besteedt de Commissie bijzondere aandacht aan de volgende elementen:
|
Tijdelijke kaderregeling van 2011
|
7 |
De mededeling van de Commissie betreffende de tijdelijke kaderregeling van de Unie inzake staatssteun ter stimulering van de toegang tot financiering in de huidige financiële en economische crisis (PB 2011, C 6, blz. 5; hierna: „tijdelijke kaderregeling van 2011”) vermeldt in punt 2.3, eerste alinea, en tweede alinea, onder f) en i): „Om de toegang tot financiering verder te verbeteren en de huidige grote risicoaversie bij de banken te verminderen, kan de toekenning van rentesubsidies voor leninggaranties gedurende een beperkte periode een passende en doelgerichte oplossing zijn om de toegang van bedrijven tot financiering te vergemakkelijken. De Commissie zal deze staatssteun op basis van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU als verenigbaar met de interne markt beschouwen mits aan alle volgende voorwaarden is voldaan: [...]
[...]
|
|
8 |
In de bijlage bij de tijdelijke kaderregeling van 2011 is een tabel opgenomen met betrekking tot de voor de tijdelijke kaderregeling geldende „safe-harbour”-premies in basispunten in verhouding tot de ratingcategorie van ratingbureau Standard & Poor’s. |
Voorgeschiedenis van het geding
|
9 |
De voorgeschiedenis van het geding is in de punten 1 tot en met 14 van het bestreden arrest als volgt samengevat:
” |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Procedure bij het Gerecht en bestreden arrest
|
10 |
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Gerecht op 6 juni 2014, heeft Larko beroep ingesteld tot nietigverklaring van het litigieuze besluit en tot terugbetaling, vermeerderd met rente, van alle bedragen die op grond van dat besluit rechtstreeks of indirect van haar waren teruggevorderd. |
|
11 |
Ter ondersteuning van haar beroep heeft Larko drie middelen aangevoerd. Met het eerste middel stelt zij dat de Commissie de maatregelen nrs. 2 tot en met 4 en 6 ten onrechte heeft aangemerkt als met de interne markt onverenigbare staatssteun. Met het tweede middel verwijt zij de Commissie het litigieuze besluit ontoereikend te hebben gemotiveerd. Met het subsidiair aangevoerde derde middel stelt zij dat de Commissie het in het kader van die maatregelen terug te vorderen steunbedrag onjuist heeft bepaald en de terugvordering ervan heeft gelast in strijd met de fundamentele beginselen van de Europese Unie. |
|
12 |
Bij het bestreden arrest heeft het Gerecht het beroep in zijn geheel verworpen en Larko verwezen in de kosten. |
Conclusies van partijen
|
13 |
Larko verzoekt het Hof het bestreden arrest te vernietigen, de zaak terug te verwijzen naar het Gerecht en de beslissing omtrent de kosten aan te houden. |
|
14 |
De Commissie verzoekt het Hof de hogere voorziening af te wijzen en Larko te verwijzen in de kosten. |
Hogere voorziening
|
15 |
Ter ondersteuning van haar hogere voorziening voert Larko vier middelen aan. Met het eerste middel stelt zij dat het criterium van de particuliere investeerder onjuist is toegepast en dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd. Met het tweede middel voert zij aan dat het begrip economisch voordeel onjuist is uitgelegd en dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd. Met het derde middel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de verenigbaarheid van maatregel nr. 6 met de interne markt en dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd. Met het vierde middel stelt zij dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen bij zijn beoordeling met betrekking tot de bepaling van het in het kader van de maatregelen nrs. 2, 4 en 6 terug te vorderen steunbedrag en dat het bestreden arrest ontoereikend is gemotiveerd. |
Eerste middel: onjuiste toepassing van het criterium van de particuliere investeerder en ontoereikende motivering van het bestreden arrest
Argumenten van partijen
|
16 |
In de eerste plaats stelt Larko dat het Gerecht het criterium van de particuliere investeerder onjuist heeft toegepast door in de punten 117 en 118 van het bestreden arrest te oordelen dat zij geen enkel van vóór maatregel nr. 3 daterend document heeft overgelegd dat aantoont dat de Griekse Staat met die maatregel beoogde een meerderheidsbelang in het kapitaal van Larko te verkrijgen teneinde de verkoop van die onderneming in gang te zetten, of dat die verwerving van een meerderheidsbelang de verkoop van Larko zou hebben bevorderd. Door het voortbestaan van zijn onderneming in moeilijkheden – en bijgevolg de mogelijkheid van verkoop ervan – veilig te stellen, beperkt een voorzichtige particuliere investeerder volgens Larko namelijk de uit het faillissement van deze onderneming voortvloeiende schade. |
|
17 |
In de tweede plaats stelt Larko dat het Gerecht ten onrechte heeft geoordeeld dat de onmiddellijk na maatregel nr. 3 ingezette privatisering van deze onderneming niet in aanmerking kan worden genomen, aangezien die na maatregel nr. 3 plaatsvond. Aangezien de verkoop van deze onderneming niet aan deze maatregel vooraf kon gaan, is het feit dat de Griekse Staat zijn voornemen tot deze maatregel niet had bekendgemaakt niet relevant. Het onlosmakelijke economische verband tussen maatregel nr. 3 en de start van deze privatisering blijkt volgens Larko namelijk uit het feit dat deze kort na elkaar plaatsvonden. |
|
18 |
In de derde plaats stelt Larko dat het ontbreken van een ondernemingsplan en van gegevens die aantonen dat de Griekse Staat de rentabiliteit van Larko op lange termijn had geraamd evenmin een rechtvaardiging vormt voor de beoordeling door het Gerecht inzake de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder, aangezien een dergelijke investeerder redelijkerwijs zou kunnen investeren zonder ondernemingsplan, niet met het doel om op lange termijn winst te maken maar om de verkoop van de onderneming mogelijk te maken. |
|
19 |
In de vierde plaats stelt Larko dat het Gerecht de bewijslast heeft omgekeerd door te controleren of de beoordeling van de Commissie niet kennelijk onjuist was, terwijl het aan de Commissie staat om aan te tonen dat de voorwaarden voor de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder kennelijk niet waren vervuld. Overeenkomstig de rechtspraak geldt dit vereiste namelijk voor alle uitingen van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer en is dit niet beperkt tot het kwantitatieve aspect van het criterium van de particuliere schuldeiser. |
|
20 |
In elk geval had het Gerecht niet alleen de feitelijke juistheid, de betrouwbaarheid en de samenhang van de aangevoerde gegevens moeten controleren, maar had het ook moeten nagaan of deze gegevens het relevante feitenkader voor de beoordeling van een complexe toestand vormen en de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen. Door de economische betekenis van de kapitaalverhoging te miskennen, heeft het Gerecht geweigerd rekening te houden met de wezenlijke elementen voor de beoordeling van de voorwaarden voor de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder en bijgevolg blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. |
|
21 |
In de vijfde plaats doen de overwegingen in punt 120 van het bestreden arrest, volgens welke ETE minder heeft ingebracht in de kapitaalverhoging dan de Staat en de boekwaarde van haar deelneming in het kapitaal volledig heeft afgeschreven, volgens Larko niet af aan het feit dat een particuliere investeerder had besloten om samen met de Staat een aanzienlijk bedrag te investeren teneinde een belangrijk minderheidsbelang in Larko te behouden met het oog op de privatisering ervan. In deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat Larko kennelijk geen vergelijkbare faciliteiten zou hebben gekregen van een particuliere investeerder. |
|
22 |
In de zesde plaats stelt Larko dat het Gerecht niet is ingegaan op haar subsidiaire argument dat de deelneming van de Staat in de kapitaalverhoging niet heeft geleid tot de verlening van een voordeel aan Larko, ten minste tot het bedrag dat nodig was om ervoor te zorgen dat de Staat hetzelfde deelnemingspercentage in Larko behield. |
|
23 |
De Commissie betwist het betoog van Larko. |
Beoordeling door het Hof
|
24 |
Met haar eerste argument betwist Larko, in wezen en zonder een onjuiste opvatting van het bewijs aan te voeren, de soevereine beoordeling van de feiten die het Gerecht heeft gemaakt in de punten 117 en 118 van het bestreden arrest, volgens welke Larko niet heeft aangetoond dat de Griekse Staat een meerderheidsbelang in het kapitaal van Larko heeft verkregen teneinde de verkoop van die onderneming in gang te zetten en dat die verkrijging van een meerderheidsbelang die verkoop zou hebben bevorderd. |
|
25 |
Uit vaste rechtspraak van het Hof blijkt dat de beoordeling van de feiten door het Gerecht, behoudens het geval van een onjuiste opvatting van de aan het Gerecht voorgelegde bewijsstukken, geen rechtsvraag oplevert die als zodanig vatbaar is voor toetsing door het Hof (arrest van 30 september 2003, Freistaat Sachsen e.a./Commissie, C‑57/00 P en C‑61/00 P, EU:C:2003:510, punt 102 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
26 |
Bijgevolg is het eerste argument niet-ontvankelijk. |
|
27 |
Met haar tweede argument stelt Larko dat het oogmerk van de Griekse Staat om haar privatisering te vergemakkelijken, moet worden afgeleid uit de handelingen die de Griekse autoriteiten na maatregel nr. 3 hebben verricht, met name omdat die kort na elkaar plaatsvonden, en dat het ontbreken van een ondernemingsplan en van gegevens die aantonen dat de Griekse Staat de rentabiliteit van Larko op lange termijn had geraamd geen rechtvaardiging kan vormen voor de beoordeling van het Gerecht inzake de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder. |
|
28 |
Dienaangaande zij eraan herinnerd dat, ter beoordeling van de vraag of dezelfde maatregel onder normale marktomstandigheden zou zijn genomen door een particuliere marktdeelnemer, moet worden uitgegaan van een particuliere marktdeelnemer die zich in een situatie bevindt die die van de staat zo dicht mogelijk benadert (zie in die zin arrest van 6 maart 2018, Commissie/FIH Holding en FIH Erhvervsbank, C‑579/16 P, EU:C:2018:159, punt 55 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
29 |
In dit kader is het de taak van de Commissie om een globale beoordeling te verrichten aan de hand van alle relevante gegevens van de zaak op basis waarvan zij kan uitmaken of de begunstigde onderneming kennelijk geen vergelijkbare betalingsfaciliteiten van een dergelijke particuliere marktdeelnemer zou hebben gekregen (zie in die zin arrest van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 73). |
|
30 |
In dat verband komt relevantie toe aan alle informatie die in aanzienlijke mate invloed kan hebben op de besluitvorming van een normaal voorzichtige en verstandige particuliere marktdeelnemer wiens situatie die van de staat zo dicht mogelijk benadert (zie in die zin arrest van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 78, en 21 maart 2013, Commissie/Buczek Automotive, C‑405/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:186, punt 54). |
|
31 |
Bijgevolg zijn alleen de gegevens die beschikbaar en de ontwikkelingen die voorzienbaar zijn op het moment waarop de beslissing om de betrokken maatregel te treffen is genomen, relevant voor de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder (zie in die zin arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punt 105). |
|
32 |
Derhalve kunnen gegevens die dateren van na het ogenblik waarop de betrokken maatregel is getroffen, niet in aanmerking worden genomen bij de toepassing van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer (zie in die zin arrest van 30 november 2016, Commissie/Frankrijk en Orange, C‑486/15 P, EU:C:2016:912, punt 139). |
|
33 |
Het is juist dat het Hof heeft geoordeeld dat de maatregelen van de staten verschillende vormen kunnen aannemen en op basis van de gevolgen ervan moeten worden onderzocht, en dus niet kan worden uitgesloten dat verschillende opeenvolgende maatregelen van de staat op grond van artikel 107, lid 1, VWEU als één enkel optreden moeten worden beschouwd. Dat kan onder meer het geval zijn wanneer opeenvolgende maatregelen, met name gelet op de chronologie en de doeleinden ervan alsook op de toestand waarin de onderneming zich ten tijde van die maatregelen bevond, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij onmogelijk afzonderlijk kunnen worden bezien (arrest van 19 maart 2013, Bouygues en Bouygues Télécom/Commissie e.a. en Commissie/Frankrijk e.a., C‑399/10 P en C‑401/10 P, EU:C:2013:175, punten 103 en 104). |
|
34 |
Aangezien het Gerecht juist heeft geconstateerd dat in casu niet is aangetoond dat de Griekse Staat met de vaststelling van maatregel nr. 3 de verkoop van Larko op het oog had, volstaat het feit dat de vervolgens door de Griekse autoriteiten ondernomen stappen kort na die maatregel zouden hebben plaatsgevonden als zodanig evenwel niet om aan te tonen dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. |
|
35 |
Voor zover Larko met haar derde argument opkomt tegen de beoordeling van het Gerecht inzake de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder door te stellen dat een dergelijke investeerder redelijkerwijs zou kunnen investeren zonder ondernemingsplan – niet met het doel om op lange termijn winst te maken, maar om de verkoop van de betrokken onderneming mogelijk te maken –, volstaat het op te merken dat Larko hiermee het Hof verzoekt om de feiten opnieuw te beoordelen, hetgeen gelet op de in punt 25 van dit arrest aangehaalde rechtspraak niet onder de bevoegdheid van het Hof valt. |
|
36 |
Bijgevolg is het derde argument niet-ontvankelijk. |
|
37 |
Met haar vierde argument verwijt Larko het Gerecht dat het de omvang heeft miskend van de rechterlijke toetsing die het dient te verrichten met betrekking tot de beoordelingen van de Commissie inzake de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder. |
|
38 |
Zoals Larko terecht aanvoert en in punt 29 van dit arrest is opgemerkt, is het in het kader van de toepassing van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer inderdaad de taak van de Commissie om een globale beoordeling te verrichten aan de hand van alle relevante gegevens van de zaak op basis waarvan zij kan uitmaken of de begunstigde onderneming kennelijk geen vergelijkbare betalingsfaciliteiten van een dergelijke particuliere marktdeelnemer zou hebben gekregen. |
|
39 |
Uit vaste rechtspraak volgt echter eveneens dat een dergelijk onderzoek een complexe economische beoordeling vergt en dat de rechterlijke instanties van de Unie, wanneer zij de complexe economische beoordelingen van de Commissie in steunaangelegenheden toetsen, hun economische beoordeling niet in de plaats kunnen stellen van die van de Commissie (arrest van 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C‑300/16 P, EU:C:2017:706, punten 62 en 63). |
|
40 |
Bijgevolg heeft het Gerecht in het bestreden arrest geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door ten aanzien van de beoordelingen van de Commissie inzake de toepassing van het criterium van de particuliere investeerder uitsluitend te toetsen of er sprake was van een kennelijke beoordelingsfout. |
|
41 |
Voor zover Larko terecht opmerkt dat het niettemin de taak van het Gerecht is om niet enkel de feitelijke juistheid, de betrouwbaarheid en de samenhang van de aangevoerde gegevens te controleren, maar ook om na te gaan of deze gegevens het relevante feitenkader vormen voor de beoordeling van een complexe toestand en of zij de daaruit getrokken conclusies kunnen schragen (arrest van 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C‑300/16 P, EU:C:2017:706, punt 64), voert deze onderneming gewoon aan dat het Gerecht de economische betekenis van de kapitaalverhoging heeft miskend en brengt zij aldus op niet-ontvankelijke wijze de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht in het geding. |
|
42 |
Dit geldt ook voor het vijfde argument van Larko, waarmee zij de door het Gerecht in punt 120 van het bestreden arrest uitgevoerde feitelijke beoordeling inzake de economische betekenis van de deelneming van ETE in de kapitaalverhoging ter discussie stelt. |
|
43 |
Wat ten slotte het zesde argument van Larko aangaat, volstaat het eraan te herinneren dat blijkens vaste rechtspraak de motiveringsplicht niet inhoudt dat het Gerecht een uiteenzetting moet geven die volledig en één voor één alle argumenten van de partijen volgt, en de motivering van het Gerecht dus impliciet kan zijn, mits de belanghebbenden de redenen kunnen kennen waarom het Gerecht hun argumenten heeft afgewezen en het Hof over voldoende elementen beschikt om zijn toezicht uit te oefenen (arrest van 9 maart 2017, Ellinikos Chrysos/Commissie, C‑100/16 P, EU:C:2017:194, punt 32). |
|
44 |
Zoals de Commissie terecht betoogt, stellen de punten 112 tot en met 120 van het bestreden arrest het Hof in staat zijn rechterlijke toetsing uit te oefenen en Larko om de redenen te kennen waarom het Gerecht haar subsidiaire argument dat de deelneming van de Staat in maatregel nr. 3 niet heeft geleid tot de verlening van een voordeel aan Larko naar rato van het bedrag dat nodig was om ervoor te zorgen dat de Staat hetzelfde deelnemingspercentage in Larko behield, impliciet heeft afgewezen. |
|
45 |
Gelet op een en ander is het eerste middel gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond. |
Tweede middel: onjuiste uitlegging van het begrip economisch voordeel en ontoereikende motivering van het bestreden arrest
|
46 |
Het tweede middel bestaat uit twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft maatregel nr. 2; het tweede onderdeel betreft maatregel nr. 4. |
Eerste onderdeel van het tweede middel, met betrekking tot maatregel nr. 2
– Argumenten van partijen
|
47 |
Larko stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van twee onjuiste rechtsopvattingen door te oordelen dat maatregel nr. 2 haar een voordeel verschaft. |
|
48 |
In de eerste plaats stelt Larko dat het Gerecht haar ten onrechte als een onderneming in moeilijkheden heeft aangemerkt, aangezien deze beoordeling is gebaseerd op feiten die zich hebben voorgedaan nadat die maatregel was genomen. Ten eerste bestrijken de genoemde financiële resultaten volgens Larko namelijk de periode tot en met 2012 en omvatten zij met name de negatieve resultaten van 2009. Ten tweede dateerden ook de financiële resultaten van 2008 van na die maatregel en waren zij, aangezien het boekjaar nog niet was afgesloten, nog niet ter kennis gebracht van de Griekse Staat op het moment dat de maatregel werd getroffen. Ten derde waren de gegevens van 2008, gesteld al dat zij niet dateren van na die maatregel, op dat moment kortetermijngegevens. |
|
49 |
Derhalve stelt Larko dat het Gerecht zich niet heeft verplaatst in de toenmalige context, zoals volgens de rechtspraak van het Hof is vereist. Voorts volgt volgens Larko uit de punten 9 tot en met 11 van de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun dat de analyse van de vermogenssituatie van de onderneming gebaseerd moet zijn op gegevens met betrekking tot een voldoende lange periode, en niet mag berusten op gegevens met betrekking tot een momentopname. |
|
50 |
In de tweede plaats stelt Larko dat het Gerecht het vergoedingscriterium met betrekking tot maatregel nr. 2 onjuist heeft uitgelegd. Dienaangaande merkt Larko op dat het Gerecht zelf in punt 95 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de Commissie geen van de bij de voorwaarde van punt 3.2, onder d), van de garantiemededeling vastgestelde methoden heeft gebruikt. Door een dergelijke mededeling, die geen uitzondering bevat voor de gevallen waarin het volgens de Commissie „evident” is dat de voorwaarden voor de toepassing van deze bepaling niet zijn vervuld, heeft de Commissie zichzelf volgens Larko beperkt en gewettigd vertrouwen gewekt in een gelijke behandeling. |
|
51 |
Bijgevolg is het Gerecht, wanneer het niettemin heeft geoordeeld dat het litigieuze besluit niet berustte op een kennelijke beoordelingsfout, wegens de moeilijke economische situatie van Larko en omdat tijdens de administratieve procedure geen bewijs is aangedragen waaruit blijkt dat de in het kader van maatregel nr. 2 vastgestelde garantiepremie passend was, voorbijgegaan aan de criteria van punt 3.2, onder d), van de garantiemededeling en heeft het Larko en de Griekse Staat de last opgelegd om te bewijzen dat het bedrag van deze premie passend was, waardoor de Commissie werd bevrijd van haar verplichting om dat zelf te onderzoeken. |
|
52 |
De Commissie stelt dat het Gerecht op basis van de feiten die zich tot 22 december 2008 hebben voorgedaan, heeft geconstateerd dat Larko een onderneming in moeilijkheden was, aangezien Larko zich in 2008 geconfronteerd zag met een negatief eigen vermogen, een daling van haar omzet met bijna de helft in vergelijking met het vorige jaar en grote verliezen. Het feit dat deze gegevens nadien formeel zijn vastgelegd in de jaarrekeningen van Larko doet daar niet aan af. Bovendien kunnen feiten die zich gedurende een bepaalde periode hebben voorgedaan volgens de rechtspraak van het Gerecht ook worden aangetoond aan de hand van latere documenten die op de eerdere feiten zijn gebaseerd. In ieder geval zou een particuliere investeerder die zich op 22 december 2008 in de plaats van de Griekse Staat bevond informatie over de actuele economische situatie van Larko hebben opgevraagd alvorens haar een garantie te verlenen als die welke voortvloeit uit maatregel nr. 2. |
– Beoordeling door het Hof
|
53 |
Zoals Larko in haar in de punten 48 en 49 van dit arrest samengevatte betoog terecht opmerkt, heeft het Gerecht zijn beoordeling in de punten 78 tot en met 82 van het bestreden arrest in eerste instantie gebaseerd op feiten die dateren van na de vaststelling van maatregel nr. 2, namelijk de financiële resultaten van Larko van 2008, om feiten vast te stellen die zich vóór deze maatregel hebben voorgedaan, namelijk dat Larko op het moment dat maatregel nr. 2 werd genomen een onderneming in moeilijkheden was in de zin van de punten 9 tot en met 11 van de richtsnoeren inzake reddings‑ en herstructureringssteun. |
|
54 |
Vervolgens is het Gerecht in de punten 83 en 84 van het bestreden arrest nagegaan of de Griekse autoriteiten op het moment dat maatregel nr. 2 werd vastgesteld op de hoogte waren van deze moeilijkheden en heeft het in punt 85 daarvan geoordeeld dat uit niets „met zekerheid” blijkt dat die autoriteiten daar op dat moment van op de hoogte waren. |
|
55 |
Daarna heeft het Gerecht zich vanaf punt 85 van het bestreden arrest gebaseerd op het vermoeden dat de Griekse Staat de moeilijke situatie van Larko toen maatregel nr. 2 werd vastgesteld, had moeten kennen. |
|
56 |
In dat verband heeft het Gerecht om te beginnen in punt 86 van dat arrest verwezen naar de punten 82 tot en met 84 van het arrest van 5 juni 2012, Commissie/EDF (C‑124/10 P, EU:C:2012:318), waaruit met name blijkt dat een lidstaat die het criterium van de particuliere investeerder in de administratieve procedure aanvoert, bij twijfel ondubbelzinnig en op basis van objectieve en controleerbare gegevens moet aantonen dat hij de maatregel in zijn hoedanigheid van aandeelhouder ten uitvoer heeft gelegd. |
|
57 |
Aansluitend heeft het Gerecht in punt 87 van het bestreden arrest uiteengezet dat Larko, zoals de Commissie had vastgesteld in haar besluit van 6 maart 2013 tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure, vanaf 2008 een onderneming in moeilijkheden was. Dat bleek uit de financiële resultaten van de onderneming over 2008 en uit de door haar overgelegde stukken. |
|
58 |
Ten slotte heeft het Gerecht in punt 88 van dat arrest met name geconstateerd dat de Griekse autoriteiten in de administratieve procedure niet hadden aangetoond dat zij informatie hadden ingewonnen over de economische en financiële situatie van Larko toen maatregel nr. 2 werd genomen of dat zij die situatie niet konden kennen. |
|
59 |
Op die basis heeft het Gerecht in de punten 89 en 90 van het bestreden arrest geoordeeld dat een voorzichtige aandeelhouder minstens informatie zou hebben opgevraagd over de actuele financieel-economische situatie van de onderneming alvorens haar een garantie te verlenen als die van maatregel nr. 2, en dat de Commissie geen kennelijke beoordelingsfout had gemaakt waar zij Larko had aangemerkt als een onderneming die in moeilijkheden verkeerde toen die maatregel werd genomen. |
|
60 |
Bijgevolg is het in wezen op basis van zijn conclusie dat er geen bewijs was met betrekking tot de situatie vóór of ten tijde van de vaststelling van maatregel nr. 2 waaruit bleek dat de Griekse autoriteiten bij de vaststelling van die maatregel bekend waren met de problemen van Larko, dat het Gerecht heeft verondersteld dat een particuliere marktdeelnemer in de situatie van de Griekse autoriteiten op dat ogenblik van die moeilijkheden op de hoogte had moeten zijn. |
|
61 |
Door zo te redeneren, heeft het Gerecht echter blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, zoals Larko terecht betoogt. |
|
62 |
Voor zover Larko het Gerecht verwijt dat het zich niet heeft verplaatst in de context waarin maatregel nr. 2 is getroffen en dat het is uitgegaan van het vermoeden dat de Griekse Staat op de hoogte had moeten zijn van de moeilijke situatie waarin die onderneming verkeerde toen die maatregel werd genomen, moet meteen in herinnering worden gebracht dat het onderzoek naar de toepasselijkheid van het beginsel van de particuliere marktdeelnemer moet worden onderscheiden van dat naar de toepassing ervan (zie in die zin arresten van 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie, C‑214/12 P, C‑215/12 P en C‑223/12 P, EU:C:2013:682, punt 51, en 6 maart 2018, Commissie/FIH Holding en FIH Erhvervsbank, C‑579/16 P, EU:C:2018:159, punten 65 en 72). |
|
63 |
Wanneer er twijfel bestaat over de toepasselijkheid van dat beginsel, met name omdat de betrokken lidstaat bij de vaststelling van de maatregel in kwestie gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheden van openbaar gezag, staat het aan die lidstaat om ondubbelzinnig en op basis van objectieve en controleerbare gegevens aan te tonen dat hij de maatregel in zijn hoedanigheid van aandeelhouder ten uitvoer heeft gelegd (arresten van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C‑124/10 P, EU:C:2012:318, punt 82, en 24 oktober 2013, Land Burgenland e.a./Commissie, C‑214/12 P, C‑215/12 P en C‑223/12 P, EU:C:2013:682, punt 57). |
|
64 |
Wanneer het beginsel van de particuliere marktdeelnemer toepasselijk is, is het daarentegen een van de aspecten waarmee de Commissie rekening moet houden om vast te stellen of er sprake is van steun, en vormt het dus geen uitzondering die enkel geldt op verzoek van een lidstaat, wanneer is vastgesteld dat de bestanddelen van het begrip „staatssteun” als bedoeld in artikel 107, lid 1, VWEU aanwezig zijn (zie in die zin arrest van 6 maart 2018, Commissie/FIH Holding en FIH Erhvervsbank, C‑579/16 P, EU:C:2018:159, punt 46 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
65 |
Het staat dus aan de Commissie om te bewijzen of de voorwaarden voor toepassing van het beginsel van de particuliere markdeelnemer al dan niet vervuld zijn (zie in die zin arrest van 21 maart 2013, Commissie/Buczek Automotive, C‑405/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:186, punt 34). |
|
66 |
In dat verband is in de punten 29 en 31 van het onderhavige arrest al uiteengezet dat het bijgevolg de taak van de Commissie is om een globale beoordeling te verrichten aan de hand van alle relevante gegevens van de zaak op basis waarvan zij kan uitmaken of de begunstigde onderneming kennelijk geen vergelijkbare betalingsfaciliteiten van een dergelijke particuliere marktdeelnemer zou hebben gekregen, en dat in die context alleen relevantie toekomt aan de gegevens die beschikbaar en de ontwikkelingen die voorzienbaar zijn op het moment waarop de beslissing om de betrokken maatregel te treffen is genomen. |
|
67 |
In het belang van een goede toepassing van de fundamentele bepalingen van het VWEU inzake steunmaatregelen is de Commissie gehouden om het onderzoek van de betrokken maatregelen zorgvuldig en onpartijdig te voeren, zodat zij haar eindbeslissing kan vaststellen op basis van zo volledig en betrouwbaar mogelijke gegevens (arrest van 2 september 2010, Commissie/Scott, C‑290/07 P, EU:C:2010:480, punt 90). |
|
68 |
Wanneer blijkt dat het criterium van de particuliere schuldeiser toepasselijk kan zijn, moet de Commissie de betrokken lidstaat dus vragen om haar alle relevante informatie te verstrekken op basis waarvan zij kan uitmaken of aan de voorwaarden voor toepassing van dat criterium is voldaan (arrest van 20 september 2017, Commissie/Frucona Košice, C‑300/16 P, EU:C:2017:706, punt 24). |
|
69 |
Ook wanneer de Commissie te maken krijgt met een lidstaat die zijn plicht tot samenwerking verzuimt en heeft nagelaten de opgevraagde informatie te verstrekken, moet zij haar besluiten baseren op gegevens met een bepaalde mate van betrouwbaarheid en samenhang, die een voldoende basis vormen om vast te stellen dat een onderneming een voordeel heeft gekregen dat staatssteun oplevert, en die haar bevindingen dus kunnen onderbouwen (arrest van 17 september 2009, Commissie/MTU Friedrichshafen, C‑520/07 P, EU:C:2009:557, punten 54‑56). |
|
70 |
Aangezien de terugvordering van de betrokken steun van de ontvanger erop is gericht de verstoring van de mededinging die voortkomt uit een bepaald concurrentievoordeel, op te heffen en dus de toestand van vóór de steunverlening te herstellen, mag de Commissie immers niet veronderstellen dat een onderneming heeft geprofiteerd van een voordeel dat staatssteun vormt door simpelweg uit te gaan van een negatief vermoeden dat is gebaseerd op het ontbreken van informatie die tot de tegengestelde conclusie kan leiden, bij gebreke van andere gegevens die het bestaan van een dergelijk voordeel concreet kunnen aantonen (arrest van 17 september 2009, Commissie/MTU Friedrichshafen, C‑520/07 P, EU:C:2009:557, punten 57 en 58). |
|
71 |
Zoals Larko stelt, is het Gerecht voorbijgegaan aan de in het vorige punt aangehaalde rechtspraak en heeft het nagelaten zich te verplaatsen in de context waarin maatregel nr. 2 is genomen doordat het, ondanks dat het in wezen tot de bevinding was gekomen dat er geen informatie was over de situatie vóór of ten tijde van de vaststelling van die maatregel waaruit bleek dat de Griekse autoriteiten, toen die maatregel werd vastgesteld, wisten dat Larko in moeilijkheden verkeerde, toch heeft verondersteld dat een particuliere marktdeelnemer in de situatie van de Griekse autoriteiten op dat ogenblik van de moeilijkheden van Larko op de hoogte had moeten zijn. |
|
72 |
Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het tweede middel worden aanvaard zonder dat hoeft te worden ingegaan op het betoog van Larko dat beknopt is weergegeven in de punten 50 en 51 van het onderhavige arrest. |
Tweede onderdeel van het tweede middel, met betrekking tot maatregel nr. 4
– Argumenten van partijen
|
73 |
Larko stelt dat het bestreden arrest in vier opzichten ontoereikend is gemotiveerd met betrekking tot maatregel nr. 4. Volgens haar heeft het Gerecht in dat arrest namelijk niet geantwoord op de volgende argumenten: in punt 127 op het argument dat het een courante praktijk is dat een van de hoofdaandeelhouders een garantie verleent om te voldoen aan een door een rechter in kort geding gestelde voorwaarde; in punt 128 op het argument dat Larko zonder maatregel nr. 4 onherstelbare schade zou hebben geleden aangezien beslag zou zijn gelegd op haar activa, wat de privatisering van de onderneming in gevaar zou hebben gebracht; in punt 130 op het argument dat de dekking, de looptijd en de premie van de garantie waarin maatregel nr. 4 voorzag, beantwoordden aan de marktvoorwaarden, en in punt 131 op het argument dat die maatregel wegens de bijzondere positie van ETE strookte met het criterium van de particuliere investeerder. |
|
74 |
De Commissie betwist het betoog van Larko. |
– Beoordeling door het Hof
|
75 |
Gelet op de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak moet worden vastgesteld dat de punten 125 tot en met 132 van het bestreden arrest Larko in staat stellen om de redenen te kennen waarom het Gerecht haar in punt 73 van het onderhavige arrest samengevatte argumenten zowel expliciet als impliciet heeft afgewezen, en het Hof voldoende informatie verschaffen om zijn rechterlijk toezicht dienaangaande uit te oefenen. |
|
76 |
Voor zover het betoog van Larko er tevens op is gericht de beoordeling van het Gerecht in twijfel te trekken volgens welke een garantiepremie van 2 % niet in overeenstemming was met het risico dat Larko haar betalingsverplichtingen niet zou nakomen, brengt de onderneming op niet-ontvankelijke wijze de soevereine beoordeling van de feiten door het Gerecht in het geding. |
|
77 |
Anders dan Larko stelt, bevat het bestreden arrest dus niet de motiveringsgebreken of de onjuiste rechtsopvatting die zij aanvoert. |
|
78 |
Bijgevolg moet het tweede onderdeel van het tweede middel ongegrond worden verklaard. |
Derde middel: onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling van de verenigbaarheid van maatregel nr. 6 met de interne markt en ontoereikende motivering van het bestreden arrest
|
79 |
Het derde middel valt uiteen in twee onderdelen. Het eerste onderdeel betreft schending van de tijdelijke kaderregeling van 2011 en ontoereikende motivering van het bestreden arrest; het tweede betreft schending van de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun en ontoereikende motivering van dat arrest. |
Eerste onderdeel van het derde middel: schending van de tijdelijke kaderregeling van 2011 en ontoereikende motivering van het bestreden arrest
– Argumenten van partijen
|
80 |
Larko wijst erop dat het Gerecht in de punten 170 en 171 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat maatregel nr. 6 niet voldeed aan de tijdelijke kaderregeling van 2011 om de volgende redenen: de garantiepremie waarin die maatregel voorzag, was te laag; het bedrag van de door die garantie gedekte leningen was hoger dan de loonkosten van Larko voor 2010; de garantie dekte die leningen volledig; ondernemingen die moeilijkheden kenden toen de garantie van de tijdelijke kaderregeling van 2011 werd verleend, waren van de toepassing van die regeling uitgesloten, en de Griekse autoriteiten hadden niet aangetoond dat maatregel nr. 6 noodzakelijk, passend en evenredig was om een ernstige verstoring van de economie van de betrokken lidstaat op te heffen. |
|
81 |
Aangezien het litigieuze besluit de premies niet vermeldt die in de bijlage bij de tijdelijke kaderregeling van 2011 zijn opgenomen, en het Gerecht niet heeft verduidelijkt hoe de Commissie niettemin heeft voldaan aan haar verplichting om een dergelijke premie te ramen, heeft het Gerecht het bestreden arrest ontoereikend gemotiveerd. Voorts was het totaalbedrag van de gegarandeerde leningen in 2011 niet hoger dan de loonkosten van Larko voor 2010, zodat het Gerecht niet heeft voldaan aan zijn verplichting om het litigieuze besluit daadwerkelijk te toetsen. Bovendien is het Gerecht voorbijgegaan aan punt 2.3, tweede alinea, onder i), van de tijdelijke kaderregeling van 2011 door te oordelen dat niet de datum van 1 juli 2008, maar de datum waarop de steun is toegekend, essentieel was om te bepalen of een onderneming in moeilijkheden verkeerde. |
|
82 |
Ten slotte heeft het Gerecht het bestreden arrest ontoereikend gemotiveerd waar het er gewoon op heeft gewezen dat de Griekse autoriteiten geen relevant bewijs hadden aangedragen met betrekking tot de vraag of maatregel nr. 6 noodzakelijk was om een ernstige verstoring van de economie van de betrokken lidstaat op te heffen. |
|
83 |
De Commissie betwist het betoog van Larko. |
– Beoordeling door het Hof
|
84 |
Zoals de Commissie terecht stelt, zijn de in punt 2.3 van de tijdelijke kaderregeling van 2011 gestelde voorwaarden cumulatief en betwist Larko niet dat maatregel nr. 6100 % dekking bood voor de betrokken leningen. Aangezien Larko de beoordeling van het Gerecht niet betwist dat niet aan de voorwaarde van dat punt 2.3, tweede alinea, onder f), is voldaan, snijdt haar betoog ten gronde geen hout. |
|
85 |
Wat de vermeende ontoereikende motivering van het bestreden arrest betreft, moet worden vastgesteld dat, gelet op de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, de punten 168 tot en met 171 van het bestreden arrest Larko in staat stellen om de redenen te kennen waarom het Gerecht haar in de punten 81 en 82 van het onderhavige arrest samengevatte argumenten zowel expliciet als impliciet heeft afgewezen, en het Hof voldoende informatie verschaffen om zijn rechterlijk toezicht dienaangaande uit te oefenen. |
|
86 |
Bijgevolg moet het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond worden verklaard. |
Tweede onderdeel van het derde middel: schending van de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun en ontoereikende motivering van het bestreden arrest
– Argumenten van partijen
|
87 |
Larko stelt dat het Gerecht de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun onjuist heeft uitgelegd, geen rekening heeft gehouden met de verplichtingen die op de Commissie rusten krachtens het beginsel van loyale samenwerking en het bestreden arrest op generlei wijze heeft gemotiveerd doordat het geen acht heeft geslagen op haar betoog dat maatregel nr. 6 was aangemeld bij de Commissie, die samen met de Griekse autoriteiten werkte aan de opstelling van een herstructureringsplan voor die onderneming. |
|
88 |
De Commissie betwist het betoog van Larko. |
– Beoordeling door het Hof
|
89 |
Zoals de Commissie terecht stelt, brengt Larko op niet-ontvankelijke wijze de door het Gerecht soeverein vastgestelde feiten in het geding, volgens welke de Griekse autoriteiten zich in de administratieve procedure niet op de richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun hebben beroepen, niet binnen een termijn van zes maanden een herstructurerings- of liquidatieplan hebben voorgelegd en niet hebben bewezen dat maatregel nr. 6 tot het noodzakelijke minimum beperkt was. |
|
90 |
Wat de vermeende ontoereikende motivering van het bestreden arrest betreft, moet worden vastgesteld dat, gelet op de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, de punten 172 tot en met 174 van het bestreden arrest Larko in staat stellen om de redenen te kennen waarom het Gerecht haar in punt 87 van het onderhavige arrest samengevatte argumenten zowel expliciet als impliciet heeft afgewezen, en het Hof voldoende informatie verschaffen om zijn rechterlijk toezicht dienaangaande uit te oefenen. |
|
91 |
Daaruit volgt dat het tweede onderdeel van het derde middel en, derhalve, het derde middel in zijn geheel, gedeeltelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk ongegrond moeten worden verklaard. |
Vierde middel: onjuiste rechtsopvattingen bij de beoordeling met betrekking tot de bepaling van het in het kader van de maatregelen nrs. 2, 4 en 6 terug te vorderen steunbedrag en ontoereikende motivering van het bestreden arrest
Argumenten van partijen
|
92 |
Larko stelt dat het Gerecht blijk heeft gegeven van onjuiste rechtsopvattingen en het bestreden arrest ontoereikend heeft gemotiveerd door in de punten 180 tot en met 194 van dat arrest te oordelen dat het in het kader van de maatregelen nrs. 2, 4 en 6 terug te vorderen steunbedrag in het litigieuze besluit was vastgesteld in lijn met artikel 14, lid 1, van verordening nr. 659/1999 en punt 4.1, derde alinea, onder a), van de garantiemededeling. |
|
93 |
Ten eerste heeft het Gerecht volgens Larko in punt 193 van het bestreden arrest zelf een motivering gegeven, waardoor het dus het gebrek aan motivering in het litigieuze besluit heeft verholpen, en heeft het Larko de bewijslast met betrekking tot de uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in punt 4.1, derde alinea, onder a), van de garantiemededeling opgelegd. |
|
94 |
Ten tweede was het duidelijk dat geen van de betrokken garanties was aangesproken toen het litigieuze besluit werd vastgesteld. Desondanks heeft het Gerecht de handelwijze van de Commissie goedgekeurd die, zonder contact op te nemen met de Griekse autoriteiten, gewoon heeft vastgesteld dat zij niet beschikte over informatie waaruit bleek dat de garanties waren aangesproken. Aldus is het Gerecht voorbijgegaan aan de verplichtingen van de Commissie om een zorgvuldig en onpartijdig onderzoek te voeren. |
|
95 |
Om te beginnen blijkt immers uit de leningsovereenkomst van 2008, waarover de Commissie beschikte, dat de bij deze overeenkomst verstrekte leningen uiterlijk op 31 maart 2012 afbetaald moesten zijn, dat wil zeggen ruim vóór het litigieuze besluit op 27 maart 2014 werd vastgesteld. De Commissie beschikte dus over alle informatie op grond waarvan zij kon concluderen dat die leningen al moesten zijn terugbetaald. Verder moest de terugbetaling van de in 2010 verstrekte lening 45 dagen na de vaststelling van het litigieuze besluit afgerond zijn. Ten slotte kon de Commissie op die datum vaststellen dat de lening in het kader van maatregel nr. 6 al gedeeltelijk was afbetaald. |
|
96 |
Ten derde leidt de verplichting om de volledige lening terug te betalen aan zowel de kredietverstrekker als de staat die zich garant stelt tot het paradoxale resultaat dat een onderneming die haar lening terugbetaalt in een moeilijker situatie komt te verkeren dan een onderneming die de staatsgarantie aanspreekt. Het Gerecht, dat in het bestreden arrest niet op de in dat verband aangevoerde argumenten is ingegaan, heeft dat arrest dus niet gemotiveerd. |
|
97 |
Ten vierde brengt Larko onder de aandacht dat er ten tijde van de vaststelling van het litigieuze besluit noch in de rechtspraak noch in de praktijk van de Commissie precedenten bekend waren waarbij uit hoofde van een garantie het volledige bedrag van de gegarandeerde lening wordt teruggevorderd wanneer de garantie niet is aangesproken. De zaken waarnaar de Commissie verwijst, worden namelijk gekenmerkt door andere feitelijke omstandigheden, waarin de garanties wél zijn aangesproken. In een soortgelijke zaak, waarin de leningen nadien zijn terugbetaald, heeft de Commissie daar rekening mee gehouden en niet gelast dat het bedrag van de leningen werd teruggevorderd, maar een verhoogde referentierente toegepast. Dat had zij in casu ook moeten doen. |
|
98 |
Ten vijfde zijn de gevolgen van de verplichting om het bedrag van de betrokken leningen terug te vorderen in tegenspraak met de vaste rechtspraak volgens welke besluiten waarbij de Commissie terugvordering van staatssteun gelast, de vroegere toestand beogen te herstellen en geen sanctie kunnen vormen die verder gaat dan het daadwerkelijk ontvangen voordeel. |
|
99 |
Ten zesde is het litigieuze besluit een onrechtmatige sanctie ten gevolge van de onjuiste toepassing van punt 4.1, derde alinea, onder a), van de garantiemededeling, dat een dergelijke handelwijze slechts toestaat in uitzonderlijke omstandigheden. De beoordeling dat van zulke omstandigheden sprake is, moet nauwkeurig worden gemotiveerd en kan niet berusten op „twijfels” van de Commissie over de mogelijkheden voor Larko om een lening te krijgen, zoals die welke in de overwegingen 77 en 104 van het litigieuze besluit zijn uitgedrukt, noch op het ontbreken van bewijs waaruit blijkt dat de garantie is aangesproken, zoals dat in de overwegingen 78, 95 en 105 van dat besluit is verwoord. |
|
100 |
Bijgevolg heeft het Gerecht om te beginnen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de vereiste bewijsstandaard door te oordelen dat het litigieuze besluit in dat opzicht toereikend was gemotiveerd. Vervolgens heeft het nogmaals blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij zijn beoordeling dat er sprake was van uitzonderlijke omstandigheden. Ten slotte bevat het bestreden arrest tegenstrijdigheden en is het dus ontoereikend gemotiveerd. |
|
101 |
De Commissie betwist het betoog van Larko. In het bijzonder stelt zij dat Larko niet de juridische toets betwist die door het Gerecht is uitgevoerd, maar op niet-ontvankelijke wijze de vaststelling van de feiten in het geding brengt waarop het Gerecht die toets heeft toegepast. Het Gerecht heeft immers vastgesteld dat er sprake was van uitzonderlijke omstandigheden aangezien Larko zich, toen de maatregelen nrs. 2, 4 en 6 werden genomen, in een „bijzonder moeilijke situatie” bevond, die ertoe leidde dat „Larko het totaalbedrag van de lening niet kon terugbetalen met eigen middelen”. |
Beoordeling door het Hof
|
102 |
Er moet meteen op worden gewezen dat de uitlegging van een besluit inzake staatssteun dat door de Commissie is vastgesteld in de uitoefening van haar bevoegdheden, een juridische beoordeling inhoudt en dat middelen die tegen een dergelijke door het Gerecht gemaakte beoordeling zijn gericht bijgevolg ontvankelijk zijn in hogere voorziening (zie in die zin arrest van 6 oktober 2015, Commissie/Andersen, C‑303/13 P, EU:C:2015:647, punt 74). |
|
103 |
Voor zover de argumenten waarmee de Commissie de ontvankelijkheid van het betoog van Larko ter discussie stelt, zien op het betoog betreffende de uitlegging van het litigieuze besluit, moeten zij dus worden afgewezen. |
|
104 |
Voor zover Larko stelt dat het Gerecht de grenzen van zijn toezicht heeft overschreden, moet in de eerste plaats in herinnering worden gebracht dat het Hof en het Gerecht bij de in artikel 263 VWEU bedoelde wettigheidstoetsing bevoegd zijn om uitspraak te doen over beroepen wegens onbevoegdheid, schending van wezenlijke vormvoorschriften, schending van het VWEU of van enige uitvoeringsregeling daarvan, dan wel wegens misbruik van bevoegdheid. Artikel 264 VWEU bepaalt dat indien het beroep gegrond is, de betwiste handeling nietig wordt verklaard. Het Hof en het Gerecht kunnen dus in geen geval hun eigen motivering in de plaats stellen van die van de auteur van de betwiste handeling (arresten van 24 januari 2013, Frucona Košice/Commissie, C‑73/11 P, EU:C:2013:32, punt 89 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 28 februari 2013, Portugal/Commissie, C‑246/11 P, niet gepubliceerd, EU:C:2013:118, punt 85 en aldaar aangehaalde rechtspraak). |
|
105 |
Blijkens de in punt 102 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak valt de uitlegging van de bestreden handeling echter wel onder dat toezicht. |
|
106 |
In het onderhavige geval volgt ondubbelzinnig uit de punten 184 tot en met 194 van het bestreden arrest dat het Gerecht gewoon een uitlegging heeft gegeven en de motivering niet door zijn eigen motivering heeft vervangen. |
|
107 |
Bijgevolg moet het eerste argument van Larko ongegrond worden verklaard. |
|
108 |
In de tweede plaats heeft het Gerecht in die punten van het bestreden arrest, anders dan Larko stelt, de bewijslast met betrekking tot het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van punt 4.1, derde alinea, onder a), van de garantiemededeling, niet omgekeerd, maar in overeenstemming met de in de punten 39 en 41 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak gecontroleerd of de Commissie bij haar beoordeling blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel kennelijke beoordelingsfouten had gemaakt. |
|
109 |
Voor zover Larko het Gerecht verwijt dat het dat punt 4.1, derde alinea, onder a), en dat begrip onjuist heeft uitgelegd, moet er in de derde plaats op worden gewezen dat het Gerecht in de punten 189 tot en met 191 van het bestreden arrest heeft geoordeeld dat er slechts sprake is van uitzonderlijke omstandigheden in het geval dat de kredietnemer de door de betrokken garantie gedekte lening niet met eigen middelen kan terugbetalen. |
|
110 |
Anders dan Larko stelt, kan een dergelijk geval aantonen dat er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van die bepaling, en vergt het geen ander bewijs dan dat het zich werkelijk voordoet. |
|
111 |
In dat verband heeft het Gerecht in de punten 186 tot en met 188 van het bestreden arrest terecht geoordeeld dat uit de overwegingen 55 tot en met 66, 77, 94 en 104 van het litigieuze besluit, gelezen in hun onderlinge samenhang, volgt dat de Commissie met het verkeerd gebruikte woord „twijfelachtig” in werkelijkheid uitdrukking heeft gegeven aan haar beoordeling dat Larko zonder de maatregelen nrs. 2 en 6 de betrokken financiering niet had kunnen verkrijgen. |
|
112 |
Verder heeft het Gerecht in de punten 181, 182, 192 en 193 van het bestreden arrest, gelet op de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, rechtens genoegzaam uiteengezet waarom het de argumenten van Larko betreffende het ontbreken van uitzonderlijke omstandigheden in de zin van punt 4.1, derde alinea, onder a), van de garantiemededeling heeft afgewezen, aangezien hetgeen in die punten van het bestreden arrest is uiteengezet Larko in staat stelt de redenen te kennen waarom die argumenten zijn afgewezen en het Hof voldoende informatie verschaft om zijn rechterlijk toezicht dienaangaande uit te oefenen. |
|
113 |
Wat het in de punten 94 tot en met 96 van het onderhavige arrest samengevatte betoog betreft, waarmee Larko de juistheid betwist van de beoordeling door het Gerecht met betrekking tot de bepaling van het terug te vorderen steunbedrag, volstaat het, in de vierde plaats, om erop te wijzen dat bij dat betoog gebeurtenissen in aanmerking worden genomen die dateren van na de vaststelling van de maatregelen nrs. 4 en 6, zodat het, gesteld al dat het ontvankelijk is, in het licht van de in de punten 28 tot en met 32 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak hoe dan ook moet worden afgewezen omdat het geen doel treft. |
|
114 |
Voor zover Larko zich beroept op een vermeende vroegere besluitvormingspraktijk van de Commissie, kan in de vijfde plaats worden volstaan met de opmerking dat volgens de rechtspraak van het Hof enkel op basis van artikel 107, lid 1, VWEU en niet op basis van een zogezegde eerdere besluitvormingspraktijk van de Commissie moet worden beoordeeld of een bepaalde maatregel staatssteun vormt (arrest van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C‑106/09 P en C‑107/09 P, EU:C:2011:732, punt 136). |
|
115 |
Wat betreft het vermeende ontbreken van rechtspraak waarbij terugvordering van het volledige bedrag van de gegarandeerde lening wordt gelast, moet er in de zesde plaats op worden gewezen dat de Commissie terecht stelt dat het Hof het geval waarin door de staat garanties worden verleend aan ondernemingen in moeilijkheden al heeft behandeld en heeft geoordeeld dat dergelijke garanties ten belope van het volledige gegarandeerde kredietbedrag als steun moeten worden beschouwd (arresten van 5 oktober 2000, Duitsland/Commissie, C‑288/96, EU:C:2000:537, punt 31, en 28 januari 2003, Duitsland/Commissie, C‑334/99, EU:C:2003:55, punt 138). |
|
116 |
In de zevende plaats volgt daaruit dat in een dergelijk geval met de terugvordering van steun ten belope van het volledige gegarandeerde kredietbedrag bij de begunstigde onderneming juist wordt beoogd de vroegere situatie te herstellen, en niet die onderneming een sanctie op te leggen – anders dan Larko stelt. In het bijzonder, en zoals de Commissie terecht betoogt, is terugbetaling van de lening aan de bank niet hetzelfde als terugbetaling van het steunbedrag aan de staat. |
|
117 |
Wat de bewering betreft dat het bestreden arrest in verschillende opzichten ontoereikend is gemotiveerd, kan in de achtste plaats worden volstaan met de vaststelling dat, gelet op de in punt 43 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak, de punten 180 tot en met 194 van het bestreden arrest Larko in staat stellen om de redenen te kennen waarom het Gerecht haar argumenten zowel expliciet als impliciet heeft afgewezen, en het Hof voldoende informatie verschaffen om zijn rechterlijk toezicht dienaangaande uit te oefenen. |
|
118 |
Bijgevolg moet het vierde middel worden afgewezen. |
|
119 |
Gelet op al het voorgaande moet het bestreden arrest worden vernietigd voor zover het Gerecht daarbij het eerste onderdeel van het eerste middel van het beroep heeft afgewezen in zoverre dat maatregel nr. 2 betreft, en moet de hogere voorziening worden afgewezen voor het overige. |
Geding in eerste aanleg
|
120 |
Volgens artikel 61, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan het Hof, indien het de beslissing van het Gerecht vernietigt, de zaak zelf afdoen wanneer die in staat van wijzen is. |
|
121 |
In het onderhavige geval beschikt het Hof niet over de gegevens die het nodig heeft om definitief uitspraak te doen over het eerste onderdeel van het eerste middel van het beroep voor zover dat betrekking heeft op maatregel nr. 2 en daarmee wordt gesteld dat inbreuk is gemaakt op artikel 107, lid 1, VWEU omdat het beginsel van de particuliere marktdeelnemer onjuist is toegepast. |
|
122 |
Zoals met name uit de punten 53 tot en met 71 van het onderhavige arrest blijkt, baseert de Commissie in het litigieuze besluit haar vaststelling dat Larko een onderneming in moeilijkheden was toen maatregel nr. 2 werd getroffen, op financiële resultaten van die onderneming waarvan vaststaat dat zij op dat moment niet beschikbaar waren. Voorts heeft het Gerecht gewoon vastgesteld dat uit niets „met zekerheid” blijkt dat de Griekse autoriteiten op dat moment van die moeilijkheden op de hoogte waren. |
|
123 |
In het licht van de in punt 69 van het onderhavige arrest aangehaalde rechtspraak staat het aan het Gerecht om na te gaan of het administratieve dossier gegevens met een bepaalde mate van betrouwbaarheid en samenhang bevat, die een voldoende basis vormen om vast te stellen dat de Griekse autoriteiten ten tijde van de vaststelling van maatregel nr. 2 op de hoogte waren of hadden moeten zijn van de vermeende moeilijkheden bij Larko, en dat hierover in de administratieve procedure geen onenigheid bestond tussen de Commissie en de Griekse autoriteiten. |
|
124 |
Volgens vaste rechtspraak kan een besluit van de Commissie immers summier worden gemotiveerd wanneer het in een voor de belanghebbenden welbekende context wordt vastgesteld (zie in die zin arresten van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C‑156/98, EU:C:2000:467, punt 105, en 26 juni 2012, Polen/Commissie, C‑335/09 P, EU:C:2012:385, punt 152). |
|
125 |
Bijgevolg moet de zaak naar het Gerecht worden terugverwezen. |
Kosten
|
126 |
Aangezien de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, moet de beslissing over de kosten worden aangehouden. |
|
Het Hof (Tweede kamer) verklaart: |
|
|
|
|
|
ondertekeningen |
( *1 ) Procestaal: Grieks.