26.4.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 148/3


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 2 maart 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Naczelny Sąd Administracyjny — Polen) — A.B., C.D., E.F., G.H., I.J. / Krajowa Rada Sądownictwa

(Zaak C-824/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 2 en artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU - Rechtsstaat - Daadwerkelijke rechtsbescherming - Beginsel van onafhankelijkheid van de rechters - Procedure voor de benoeming van rechters bij de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) - Benoeming door de president van de Republiek Polen op basis van een besluit van de nationale raad voor de rechtspraak - Gebrek aan onafhankelijkheid van deze raad - Ondoeltreffendheid van het beroep in rechte dat tegen een dergelijk besluit openstaat - Arrest van de Trybunał Konstytucyjny (grondwettelijk hof, Polen) waarbij de bepaling waarop de bevoegdheid van de verwijzende rechter berust, is ingetrokken - Vaststelling van een wettelijke regeling waarbij wordt bepaald dat zaken die aanhangig zijn van rechtswege zonder beslissing worden afgedaan en dat ieder beroep in rechte in deze zaken in de toekomst is uitgesloten - Artikel 267 VWEU - Mogelijkheid en/of verplichting voor de nationale rechterlijke instanties om een prejudicieel verzoek in te dienen en te handhaven - Artikel 4, lid 3, VEU - Beginsel van loyale samenwerking - Voorrang van het Unierecht - Bevoegdheid om nationale bepalingen die strijdig zijn met het Unierecht buiten toepassing te laten)

(2021/C 148/03)

Procestaal: Pools

Verwijzende rechter

Naczelny Sąd Administracyjny

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: A.B., C.D., E.F., G.H., I.J.

Verwerende partij: Krajowa Rada Sądownictwa

in tegenwoordigheid van: Prokurator Generalny, Rzecznik Praw Obywatelskich

Dictum

1)

Indien er sprake is van wijzigingen in de nationale rechtsorde die, in de eerste plaats, een nationale rechterlijke instantie de bevoegdheid ontnemen om in eerste en in laatste aanleg uitspraak te doen over beroepen die zijn ingesteld door kandidaten voor de ambten van rechters bij een rechterlijke instantie als de Sąd Najwyższy (hoogste rechterlijke instantie in burgerlijke en strafzaken, Polen) tegen besluiten van een orgaan als de Krajowa Rada Sądownictwa (nationale raad voor de rechtspraak, Polen) om niet hen, maar andere kandidaten voor te dragen aan de president van de Republiek met het oog op benoeming in deze ambten, bij welke wijzigingen, in de tweede plaats, is bepaald dat deze beroepen — wanneer ze nog aanhangig zijn — van rechtswege worden afgedaan zonder beslissing en dat wordt uitgesloten dat de behandeling van deze beroepen kan worden voortgezet of dat de beroepen opnieuw kunnen worden ingesteld, en, in de derde plaats, een dergelijke nationale rechterlijke instantie daardoor de mogelijkheid wordt ontnomen om een antwoord te krijgen op de prejudiciële vragen die hij aan het Hof heeft voorgelegd,

moeten artikel 267 VWEU en artikel 4, lid 3, VEU aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen dergelijke wijzigingen wanneer blijkt — hetgeen aan de verwijzende rechter staat om op basis van alle relevante gegevens te beoordelen — dat deze wijzigingen specifiek tot gevolg hebben gehad dat het Hof geen uitspraak meer kan doen over prejudiciële vragen zoals die welke hem door die rechterlijke instantie zijn gesteld, en dat wordt uitgesloten dat een nationale rechterlijke instantie in de toekomst opnieuw soortgelijke prejudiciële vragen kan voorleggen, en

moet artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen dergelijke wijzigingen wanneer blijkt — hetgeen aan de verwijzende rechter staat om op basis van alle relevante gegevens te beoordelen — dat deze wijzigingen van dien aard zijn dat bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of rechters die door de president van de Republiek zijn benoemd op basis van voornoemde besluiten van de Krajowa Rada Sądownictwa ongevoelig zijn voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of zij onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en dat deze wijzigingen derhalve ertoe kunnen leiden dat deze rechters niet de indruk geven onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij deze justitiabelen moet wekken.

Indien is bewezen dat voornoemde artikelen zijn geschonden, dient het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus te worden uitgelegd dat het de verwijzende rechter verplicht om de betrokken wijzigingen — van wetgevende dan wel grondwettelijke aard — buiten toepassing te laten en dientengevolge de bevoegdheid die hem toekwam om kennis te nemen van zaken die bij hem aanhangig zijn gemaakt voordat deze wijzigingen zijn doorgevoerd, te blijven uitoefenen.

2)

Artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU dient aldus te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen bepalingen waarbij de geldende nationale rechtssituatie aldus wordt gewijzigd dat

in de eerste plaats, ondanks het feit dat een kandidaat voor een rechterlijk ambt bij een rechterlijke instantie als de Sąd Najwyższy beroep heeft ingesteld tegen het besluit van een orgaan als de Krajowa Rada Sądownictwa om niet hem, maar andere kandidaten voor te dragen aan de president van de Republiek, dit besluit definitief is voor zover het die andere kandidaten voordraagt, zodat dit beroep niet in de weg staat aan hun benoeming door de president van de Republiek en dat de eventuele nietigverklaring van dat besluit, voor zover verzoeker daarbij niet voor benoeming is voorgedragen, niet kan leiden tot een nieuwe beoordeling van verzoekers situatie met het oog op de eventuele toewijzing van het betrokken ambt, en

in de tweede plaats, ter ondersteuning van een dergelijk beroep niet kan worden aangevoerd dat niet correct is beoordeeld of de kandidaten voldoen aan de criteria die in aanmerking zijn genomen bij de beslissing om een kandidaat al dan niet voor benoeming voor te dragen,

wanneer blijkt — hetgeen aan de verwijzende rechter staat om op basis van alle relevante gegevens te beoordelen — dat die bepalingen van dien aard zijn dat bij de justitiabelen legitieme twijfel kan ontstaan over de vraag of rechters die door de president van de Republiek zijn benoemd op basis van voornoemde besluiten van de Krajowa Rada Sądownictwa ongevoelig zijn voor externe factoren, in het bijzonder voor directe of indirecte invloed van de wetgevende en uitvoerende macht, en of zij onpartijdig zijn ten opzichte van de met elkaar strijdende belangen, en dat zij derhalve ertoe kunnen leiden dat deze rechters niet de indruk geven onafhankelijk en onpartijdig te zijn, hetgeen het vertrouwen kan ondermijnen dat de rechterlijke macht in een democratische samenleving en een rechtsstaat bij deze justitiabelen moet wekken.

Indien is bewezen dat artikel 19, lid 1, tweede alinea, VEU is geschonden, dient het beginsel van voorrang van het Unierecht aldus te worden uitgelegd dat het de verwijzende rechter verplicht om voornoemde bepalingen buiten toepassing te laten en de voorheen geldende nationale bepalingen toe te passen, en daarbij zelf de toetsing te verrichten waarin laatstgenoemde bepalingen voorzien.


(1)  PB C 164 van 13.5.2019.