26.4.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 148/2


Arrest van het Hof (Grote kamer) van 2 maart 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Riigikohus — Estland) — Strafzaak tegen H.K.

(Gevoegde zaken C-746/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie - Richtlijn 2002/58/EG - Aanbieders van elektronische-communicatiediensten - Vertrouwelijkheid van communicatie - Beperkingen - Artikel 15, lid 1 - Artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Wettelijke regeling die voorziet in de algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens door aanbieders van elektronische-communicatiediensten - Toegang van de nationale instanties tot gegevens die worden bewaard voor onderzoeksdoeleinden - Bestrijding van criminaliteit in het algemeen - Toestemming van het openbaar ministerie - Gebruik van gegevens als bewijs in het kader van de strafrechtelijke procedure - Toelaatbaarheid)

(2021/C 148/02)

Procestaal: Ests

Verwijzende rechter

Riigikohus

Partij in de strafzaak

H.K.

In tegenwoordigheid van: Prokuratuur

Dictum

1)

Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die de mogelijkheid biedt om overheidsinstanties met het oog op het voorkomen, onderzoeken, opsporen en vervolgen van strafbare feiten toegang te verlenen tot een reeks verkeers- of locatiegegevens die informatie kunnen verschaffen over de communicaties van een gebruiker van een elektronische-communicatiemiddel of over de locatie van de door hem gebruikte eindapparatuur en waaruit precieze conclusies kunnen worden getrokken over zijn persoonlijke levenssfeer – welke toegang niet beperkt is tot procedures ter bestrijding van zware criminaliteit en ter voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid –, en dit ongeacht de duur van de periode waarvoor om toegang tot dergelijke gegevens wordt verzocht en ongeacht de hoeveelheid en de aard van de gegevens die voor die periode beschikbaar zijn.

2)

Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling die het openbaar ministerie, dat tot taak heeft de strafprocedure in te leiden en, in voorkomend geval, in een latere procedure op te treden als openbaar aanklager, de bevoegdheid toekent om een overheidsinstantie ten behoeve van een strafrechtelijk onderzoek toegang te verlenen tot verkeers- en locatiegegevens.


(1)  PB C 54 van 11.02.2019.