27.4.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 137/8


Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 5 februari 2020 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — Nederland) — Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid / J. e.a.

(Zaak C-341/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Verordening (EU) 2016/399 - Schengengrenscode - Toezicht aan de buitengrenzen - Onderdanen van derde landen - Artikel 11, lid 1 - Afstempeling van reisdocumenten - Uitreisstempel - Vaststelling van het moment van uitreis uit het Schengengebied - Aanmonstering van zeelieden op zeeschepen die langdurig in een zeehaven zijn afgemeerd)

(2020/C 137/09)

Procestaal: Nederlands

Verwijzende rechter

Raad van State

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

Verwerende partij: J. e.a.

in tegenwoordigheid van: C. en H. e.a.

Dictum

Artikel 11, lid 1, van verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode) moet aldus worden uitgelegd dat, wanneer een zeevarende die onderdaan is van een derde land aanmonstert op een schip dat langdurig is afgemeerd in een zeehaven van een staat die deel uitmaakt van het Schengengebied teneinde aan boord van dat schip werkzaamheden te verrichten alvorens die haven op dat schip te verlaten, de uitreisstempel in de reisdocumenten van die zeevarende — indien deze code in die afstempeling voorziet — niet op het moment van zijn aanmonstering moet worden aangebracht, maar wanneer de gezagvoerder van dat schip de bevoegde nationale autoriteiten in kennis stelt van de op handen zijnde afvaart van dat schip.


(1)  PB C 294 van 20.8.2018.