17.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 328/23


Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 25 juli 2018 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Hanseatische Oberlandesgericht in Bremen — Duitsland) — Tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel dat is uitgevaardigd tegen ML

(Zaak C-220/18 PPU) (1)

((Prejudiciële verwijzing - Prejudiciële spoedprocedure - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Europees aanhoudingsbevel - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Artikel 1, lid 3 - Procedures van overlevering tussen de lidstaten - Voorwaarden voor tenuitvoerlegging - Gronden tot weigering van de tenuitvoerlegging - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 4 - Verbod van onmenselijke of vernederende behandelingen - Detentieomstandigheden in de uitvaardigende lidstaat - Omvang van het onderzoek door de uitvoerende rechterlijke autoriteiten - Bestaan van een rechtsmiddel in de uitvaardigende lidstaat - Door de autoriteiten van deze lidstaat verstrekte garantie))

(2018/C 328/29)

Procestaal: Duits

Verwijzende rechter

Hanseatisches Oberlandesgericht in Bremen

Partijen in het hoofdgeding

ML

in tegenwoordigheid van: Generalstaatsanwaltschaft Bremen

Dictum

Artikel 1, lid 3, artikel 5 en artikel 6, lid 1, van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moeten in die zin worden uitgelegd dat wanneer de uitvoerende rechterlijke autoriteit beschikt over elementen waaruit blijkt dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken in de detentieomstandigheden binnen de penitentiaire inrichtingen van de uitvaardigende lidstaat, die de verwijzende rechter onder inaanmerkingneming van alle beschikbare geactualiseerde gegevens op juistheid moet controleren:

de uitvoerende rechterlijke autoriteit het bestaan van een reëel gevaar dat de persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd met het oog op de tenuitvoerlegging van een tot vrijheidsbeneming strekkende straf wordt onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, niet kan uitsluiten op de enkele grond dat die persoon, in de uitvaardigende lidstaat, beschikt over een rechtsmiddel waarmee hij zijn detentieomstandigheden kan betwisten, ofschoon deze autoriteit het bestaan van een dergelijk rechtsmiddel in aanmerking kan nemen bij het nemen van een beslissing over de overlevering van de betrokkene;

de uitvoerende rechterlijke autoriteit verplicht is uitsluitend de detentieomstandigheden te onderzoeken in penitentiaire inrichtingen waar de betrokkene, volgens de informatie waarover zij beschikt, naar alle waarschijnlijkheid zal worden gedetineerd, mede op tijdelijke of voorlopige basis;

de uitvoerende rechterlijke autoriteit hiertoe de concrete en precieze detentieomstandigheden van de betrokkene in de penitentiaire inrichting moet nagaan die relevant zijn om vast te stellen of de betrokkene een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten zal lopen;

de uitvoerende rechterlijke autoriteit rekening kan houden met andere informatie van de autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat dan die welke is verstrekt door de uitvaardigende rechterlijke autoriteit, zoals, in het bijzonder, de garantie dat de betrokkene niet zal worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten.


(1)  PB C 221 van 25.6.2018.