9.3.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 77/3


Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 22 januari 2020 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado Contencioso-Administrativo no 14 de Madrid - Spanje) – Almudena Baldonedo Martín/Ayuntamiento de Madrid

(Zaak C-177/18) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Richtlijn 1999/70/EG - Door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd - Clausule 4 - Non-discriminatiebeginsel - Clausule 5 - Maatregelen ter voorkoming van misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd - Vergoeding in geval van beëindiging van het dienstverband - Artikelen 151 en 153 VWEU - Artikelen 20 en 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Toepasselijkheid - Verschil in behandeling op basis van de publieke dan wel private aard, volgens het nationale recht, van de op de arbeidsverhouding toepasselijke regeling)

(2020/C 77/04)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Juzgado Contencioso-Administrativo no 14 de Madrid

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: Almudena Baldonedo Martín

Verwerende partij: Ayuntamiento de Madrid

Dictum

1)

Clausule 4, punt 1, van de op 18 maart 1999 gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de Unice en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, moet aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling waarbij er noch voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die als ambtenaar zonder vaste aanstelling in dienst zijn genomen, noch voor ambtenaren met vaste aanstelling die in het kader van een arbeidsverhouding voor onbepaalde tijd in dienst zijn genomen, wordt voorzien in betaling van een vergoeding aan het einde van het dienstverband, terwijl die regeling wel voorziet in betaling van een dergelijke vergoeding aan arbeidscontractanten in vaste dienst wanneer hun arbeidsovereenkomst om een objectieve reden wordt opgezegd.

2)

De artikelen 151 en 153 VWEU alsmede clausule 4, lid 1, van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling waarbij er voor werknemers met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die als ambtenaar zonder vaste aanstelling in dienst zijn genomen, niet wordt voorzien in betaling van een vergoeding aan het einde van het dienstverband, terwijl aan arbeidscontractanten met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij het verstrijken van hun arbeidsovereenkomst wel een vergoeding wordt toegekend.


(1)  PB C 211 van 18.6.2018.