|
19.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 195/34 |
Beroep ingesteld op 7 april 2017 — Mabrouk/Raad
(Zaak T-216/17)
(2017/C 195/47)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Mohamed Marouen Ben Ali Ben Mohamed Mabrouk (Tunis, Tunesië) (vertegenwoordigers: J-R. Farthouat, N. Boulay, advocaten, en S. Crosby, Solicitor)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
|
— |
besluit (GBVB) 2017/153 van de Raad van 27 januari 2017 tot wijziging van besluit 2011/72/GBVB betreffende restrictieve maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten vanwege de situatie in Tunesië (PB 2017, L 23, blz. 19) nietig verklaren, voor zover het betrekking heeft op verzoeker; en |
|
— |
verweerder verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vier middelen aan.
|
1. |
De bevriezing van verzoekers tegoeden schendt het beginsel van de redelijke termijn dat is neergelegd in artikel 6 van het EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
2. |
Voor de bevriezing bestaan geen afdoende gronden:
|
|
3. |
Door de bevriezing van zijn tegoeden na de val van president Ben Ali, wordt verzoekers recht op werk geschonden. |
|
4. |
De bevriezing is hoe dan ook onevenredig en vormt een inbreuk op verzoekers eigendomsrechten. |