Beschikking van het Hof (Achtste kamer) van 7 december 2017 –
Woonhaven Antwerpen
(Zaak C‑446/17) ( 1 )
„Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Oneerlijke bedingen – Huurovereenkomst tussen een erkende socialehuisvestingsmaatschappij en een huurder – Typehuurovereenkomst die verbindend is verklaard bij een nationale wetgevende handeling – Richtlijn 93/13/EEG – Artikel 1, lid 2 – Niet-toepasselijkheid van deze richtlijn”
Bescherming van de consument–Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten–Richtlijn 93/13–Werkingssfeer–Uitsluiting van contractuele bedingen waarin dwingende wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn overgenomen–Bedingen in een socialehuurovereenkomst tussen een erkende socialehuisvestingsmaatschappij en een huurder die door een nationale regeling worden bepaald–Niet-toepasselijkheid van de richtlijn
(Richtlijn 93/13 van de Raad, art. 1, lid 2)
(zie punten 25‑31 en dictum)
Dictum
Artikel 1, lid 2, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten moet in die zin worden uitgelegd dat deze richtlijn niet van toepassing is op de bedingen in een socialehuurovereenkomst tussen een erkende socialehuisvestingsmaatschappij en een huurder die worden bepaald door een nationale regeling als artikel 11 van de typehuurovereenkomst in de bijlage bij het Besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 tot reglementering van het sociale huurstelsel ter uitvoering van titel VII van de Vlaamse Wooncode van 12 oktober 2007.
( 1 ) PB C 318 van 25.9.2017.