6.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 178/7


Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunalul Sibiu (Roemenië) op 6 maart 2017 — Liviu Petru Lupean, Oana Andreea Lupean/OTP BAAK NYRT prin OTPBANK SA prin Sucursala Sibiu, OTP BAAK NYRT prin OTPBANK SA

(Zaak C-119/17)

(2017/C 178/08)

Procestaal: Roemeens

Verwijzende rechter

Tribunalul Sibiu

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partijen: Liviu Petru Lupean, Oana Andreea Lupean

Verwerende partijen: OTP BAAK NYRT prin OTPBANK SA prin Sucursala Sibiu, OTP BAAK NYRT prin OTPBANK SA

Prejudiciële vragen

1)

Moet artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (1), gelezen in samenhang met het uit artikel 5, lid 1, tweede zin, van die richtlijn voortvloeiende beginsel „in dubio pro consumer” en met de Unierechtspraak, aldus worden uitgelegd dat bedingen in een kredietovereenkomst

die de kredietnemer een bedrag toekennen uitgedrukt in (buitenlandse) valuta en hem verplichten dat bedrag in die (buitenlandse) valuta terug te betalen, hoewel uit de omstandigheden rond het sluiten en het uitvoeren van de overeenkomst blijkt dat het krediet in werkelijkheid in een andere valuta ter beschikking is gesteld en dat de rekenvaluta enkel virtueel en voor de berekening is gebruikt;

die het risico van de buitenlandse en/of binnenlandse waardestijging van de virtueel gebruikte rekenvaluta (de buitenlandse valuta) volledig bij de kredietnemer (consument) leggen, ook al heeft die het geleende bedrag in een andere valuta — de daadwerkelijk gebruikte betaalvaluta — ontvangen;

die de concrete werking van het wisselmechanisme van de virtueel gebruikte rekenvaluta niet transparant uiteenzetten, zodat de consument niet op basis van duidelijke en begrijpelijke criteria kan beoordelen wat de economische gevolgen zijn van de ondertekening van de overeenkomst;

die voor de consument de pecuniaire verplichting inhouden om in het kader van de afbetaling van het krediet het verschil te dragen tussen de termijnen berekend in de hem virtueel aangeboden rekenvaluta en die berekend in de daadwerkelijk gebruikte betaalvaluta,

mogelijk oneerlijk zijn?

2)

In geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, welke zijn dan de criteria die de nationale rechter in de context van de in die vraag beschreven feiten moet toepassen bij de beoordeling van dat mogelijk oneerlijke karakter?

3)

Kunnen de in de eerste vraag beschreven bedingen worden beschouwd als bedingen die geen betrekking hebben op het eigenlijke voorwerp van de kredietovereenkomst?


(1)  Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29)